Visie op historische vorming

6.2 Bovenbouw van het vmbo en het havo/vwo

 

Het geschiedenisprogramma in de bovenbouw van vbolmavo (het toekomstige vmbo) en in de 'tweede fase' van havo/vwo zal, als laatste traject van de eerder bepleite longitudinale leerweg, een logisch vervolg moeten bieden op het programma van basisonderwijs en basisvorming, inclusief een eventueel plus-pakket. Dat geldt zowel voor de stofl<.euze als voor de te verwerven inzichten en vaardigheden. Uiteraard gaat het hier om een andere leeftijdsgroep in verschillende schooltypen, die elk hun eigen eisen stellen en mogelijkheden bieden.

 

VMBO

De commissie is warm voorstander van een voor alle leerlingen verplicht combinatievak van geschiedenis en maatschappijleer in het algemene voor alle leerlingen verplichte deel. Dat vak zou als voornaamste functie de burgerschapsvorming moeten hebben, dat wil zeggen dat het de leerlingen moet voorbereiden op het functioneren als volwaardige staatsburgers in de Nederlandse democratie. Het zou moeten worden opgebouwd rondom twee scharnierende elementen: de staatsinrichting, en de behandeling van de ontwikkeling op lange termijn van de verdeeldheid en de maatschappelijke samenhang in de Nederlandse samenleving. Voor dit onderdeel kan in de basisvorming nog geen grote diepgang worden bereikt, mede gezien de leeftijd van de leerlingen. Het onderwijs dat over staatsinrichting in de basisvorming wordt gegeven, biedt in elk geval een belangrijke grondslag in de staatsburgerlijke scholing. Daarop moet in de jaren daarna worden voortgebouwd.

Er van uitgaande dat in het basisonderwijs en de basisvorming dus volstaan moet worden met de behandeling van enkele elementaire noties in hun historische context (bijvoorbeeld: democratie en dictatuur, monarchie en republiek, volksvertegenwoordiging en regering), kan daarop in het combinatievak geschiedenis en maatschappijleer nadrukkelijk worden voortgebouwd. Behalve de leeftijd van de leerlingen pleit ook het praktijkgerichte karakter van het vmbo voor deze keuze. Het maatschappelijk belang van een dergelijk vak behoeft geen betoog: het kan zeer wezenlijk bijdragen tot de inburgering van allochtonen en tot de bevordering van de politieke belangstelling. De ontwikkeling van een adequate didactiek is daarvoor wel een absoluut vereiste.

De gebruikelijke onderdelen van de staatsinrichting zouden bij voorkeur in historisch perspectief moeten worden aangeboden, om de vanzelfsprekendheid van de huidige situatie te leren relativeren. Thema's die in elk geval op deze wijze aan de orde zouden moeten komen, zijn: democratische besluitvorming, de taak van de staat, burger- en mensenrechten, en de plurale samenleving. Zo ingevuld zou dit vak tevens een uitstekende basis kunnen leggen voor de 'maatschappelijke-culturele kwalificatie'van het secundair beroepsonderwijs.

Voor het sectordeel 'Zorg en Welzijn' hecht de commissie aan de invoering van geschiedenis als vak dat als sectorspecifiek vak gekozen kan worden uit de groep: geschiedenis, aardrijkskunde, maatschappijleer (verplichte keuze). Bij voorkeur zou de inhoud van dit onderdeel aan moeten sluiten op het beroepenveld waarvoor de leerlingen in deze sector worden opgeleid. Een voor de hand liggende keuze is dan: de geschiedenis van de verzorgingsstaat. Daarbij zou aandacht kunnen worden besteed aan voor dit onderwerp belangrijke historische processen als: secularisatie en deconfessionalisering, ver- en ontzuiling, toe- en afnemende staatsbemoeienis. In het vrije deel moeten leerlingen die de andere leerwegen volgen het vak geschiedenis kunnen kiezen.

 

HAVO/VWO

Al eerder in dit rapport is sprake geweest van de plannen tot invoering van een combinatievak geschiedenisjmaatschappijleer in het algemene deel van de tweede fase van het vwo en havo.

De commissie schaart zich achter deze plannen, en acht het van groot belang dat dit vak op termijn (dat wil zeggen nadat de overige voorstellen van de commissie zijn gerealiseerd) een vergelijkbare inhoud en hetzelfde karakter krijgt als het voorgestelde combinatievak in de bovenbouw van het vmbo, dat wil zeggen dat de nadruk komt te liggen op burgerschapsvorming. De noodzaak voor invoering van dit vak is in deze schooltypen immers niet geringer dan in het vmbo. Wel zou hier ruimte kunnen zijn voor uitbreiding in de vorm van een beperkt (en op gezette tijden ververst) aantal gehistoriseerde actuele probleemvelden, gegroepeerd om de gebruikelijke thema's van de staatsinrichting (regering en volksvertegenwoordiging, centralisatie en decentralisatie, burger en overheid, internationale samenwerking). Dat zouden bijvoorbeeld kunnen zijn: de verzorgingsstaat, Europese integratie en nationale identiteit, andere vormen van internationale samenwerking, westerse en niet-westerse maatschappijtypen, welvaart en milieu, mannen en vrouwen, vrede en veiligheid, autochtoon en allochtoon.

Ten aanzien van de tweede fase havo/vwo zou de commissie willen aansluiten bij haar eerder pleidooi voor een nieuwe balans tussen kennis, inzicht en vaardigheden. Zij is daarbij van oordeel, dat in een nieuwe opzet tegemoet moet worden gekomen aan een aantal bezwaren tegen de huidige (WIEG-) systematiek. Die kritiek richt zich in het bijzonder op de keuze van onderwerpen voor het centraal examen, die door velen als ondoorzichtig wordt ervaren en die tot discussie over de relevantie van bepaalde onderwerpen heeft geleid. De onderwerpen voor het centraal examen zouden bovendien in de praktijk onevenredig veel aandacht krijgen ten koste van de voor het schoolonderzoek gekozen onderwerpen. De chronologische samenhang is daardoor niet altijd duidelijk, waardoor de examenstof soms in de lucht komt te hangen. Tenslotte wordt in dit verband geklaagd over een te zware nadruk op de training in vakspecifieke vaardigheden.

in twee van de vier profielen in de tweede fase is nu voorzien in een onderdeel geschiedenis. het betreft de profielen 'Economie en maaatschappij' en 'Cultuur en maatschappij'. De nieuwe opzet voor de bovenbouw (uitmondend in de examenstofi~,euze), zoals die in 199411995 is ontwikkeld door de werkgroep geschiedenis, beoogt weliswaar een oplossing voor enkele van de genoemde problemen, maar blijft met zijn vele domeinen, subdomeinen en thema's naar de mening van de commissie toch nog te ondoorzichtig en ingewikkeld. De commissie wil daarom een stap verder zetten in de thans ingeslagen weg, en doet daartoe het volgende tweeledige voorstel:

  1. beperking in tijd van de eindexamenstof tot een periode die begint in het pre-industriële Europa (in politieke termen: het 'ancien régime'), dus vlak voor de meest significante cesuur in de nieuwe geschiedenis, en die eindigt in onze tijd. Binnen die periode kunnen de belangrijkste processen die vorm hebben gegeven aan de wereld van vandaag behandeld worden.
  2. afbakening binnen die periode van een beperkt aantal diachronische thematische domeinen, bijvoorbeeld:
    • Economie (waaronder industrialisering, techniek, demografische revolutie, globalisering etc.)
    • Sociale verhoudingen (waaronder standen en klassen, geslacht en gezin, emancipatiebewegingen etc.)
    • Cultuur en mentaliteit (waaronder volks- en eliteculturen, kunsten en wetenschappen, religies en secularisatie, beschaving en disciplinering, etc.)
    • Politiek (waaronder staat- en natievorming, integratie, democratisering, ideologieën, etc.)
    • Internationale verhoudingen (waaronder oorlog en vrede, kolonialisme en imperialisme, dekolonisatie etc.).

om de samenhang tussen de domeinen te waarborgen en fragmentering van de leerstof te voorkomen, dienen alle domeinen integraal te worden behandeld in een chronologisch perspectief. Daarbij moeten alle leerlingen kennis verwerven van voor het domein essentiële begrippen. Dat kunnen historische begrippen zijn (mercantilisme, industriëIe revolutie), maar ook meer abstracte begrippen die ook buiten de context van een specifieke periode kunnen worden toegepast (protectie, arbeidsverdeling). Van die laatste categorie begrippen mag een actieve beheersing worden verlangd. Tegelijkertijd ontwikkelen zij enig inzicht in de belangrijkste kwesties van de theorie van de geschiedenis, bijvoorbeeld betreffende de aard van historische kennis en de constructieelementen in historische voorstellingen. Tevens bekwamen de leerlingen zich in een aantal nader te omschrijven vaardigheden, bijvoorbeeld gericht op het opzoeken en verwerken van meer gecompliceerde informatieverwerking, met inbegrip van elementaire bronnenkritiek. Dit sluit aan bij de huidige vakspecifieke vaardigheden.

De commissie beveelt aan om ruimte te reserveren voor een 'vrij domein' waaraan de scholen naar gelang van aard en denominatie invulling kunnen geven; hierin zou bijvoorbeeld de klassieke oudheid aan de orde kunnen komen. Een nader uit te werken eindexamenregeling zou in essentie kunnen bestaan uit de periodieke aanwijzing van een (of twee) domeinen als centraal examen-onderwerp, en toetsing van alle overige domeinen in het schoolexamen.

De commissie is van mening, dat er sterke argumenten zijn aan te voeren voor de voorgestelde systematiek. Die is transparant, en biedt een verantwoord evenwicht tussen praktische inzichten en vaardigheden enerzijds en nuttige kennis anderzijds. De voorgestelde periode is compact genoeg voor een goed gestructureerd en veelzijdig overzicht, maar hoeft niet te zeer op het heden gefixeerd te zijn als consequent de situatie vóór de grote veranderingen als startpunt wordt genomen. Een bijkomend voordeel is, dat het meer recente verleden deze leeftijdsgroep in het algemeen meer blijkt aan te spreken. Doublures met het voorgestelde combinatievak geschiedenis-maatschappijleer zijn gemakkelijk te vermijden. Door de wisseling van centraal examen-domeinen kan tegemoet worden gekomen aan het vaak geventileerde en gerechtvaardigde verlangen bij de docenten naar afwisseling en gerichte nascholing. Een ander argument tegen verandering van het bestaande regime, namelijk de dreigende uitputting van toetsmogelijkheden als steeds dezelfde stof moet worden geëxamineerd, lijkt door de voorgestelde systematiek van wisselende centraal examen-domeinen ondervangen; het toetsen van de inzichten en vaardigheden kan bovendien heel wel gebeuren door de examinandi die te laten toepassen op nieuw en onbekend materiaal. Vanzelfsprekend behoeven deze voorstellen andere uitwerking.



Copyright © 1998 VLG, 03.10.1998