Visie op historische vorming

8 Randvoorwaarden

 

Voor de haalbaarheid van de aanbevelingen van de commissie is het van groot belang dat aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan. Deze betreffen de infrastructuur voor het vak geschiedenis in het basis- en voortgezet onderwijs: opleiding en nascholing; beschikbaar aantal lesuren; vakdidactiek.

Voor wat betreft het basisonderwijs wil de commissie haar zorg over de kwalificatie van het onderwijzend personeel voor het verzorgen van het vak geschiedenis niet verhelen. Deze zorg wordt ingegeven doordat de PABO toegankelijk is voor studenten zonder het vak geschiedenis in het examenpakket van hun voor-opleiding, gevoegd bij de zeer beperkte ruimte voor de vakgerichte geschiedeniscomponent op de PABO-opleiding zelf: in de regel twee modules, d.wz. tachtig studiebelasting-uren. Daarbij moet worden bedacht dat bij de vorming van het basisonderwijs sprake is geweest van instroom van leerkrachten uit het voormalige kleuteronderwijs die een andere vooropleiding hebben genoten. Een en ander kan slechts een grote mate van heterogeniteit in de kwaliteit van het geschiedenisonderricht in het basisonderwijs tot gevolg hebben.

De commissie brengt het hieraan verbonden risico met nadruk onder de aandacht en geeft in overweging langs twee wegen verbetering na te streven. In de eerste plaats adviseert zij meer ruimte vrij te maken voor de vakgerichte geschiedeniscomponent op de PABO; daarnaast zal er een veel gerichter nascholing moeten plaatsvinden. Weliswaar is er nu een nascholingsplan per basisschool verplicht, maar dat draagt nog te zeer een individueel en vrijwillig karakter.

Voor het voortgezet onderwijs heeft de commissie reeds elders in dit rapport gewezen op het probleem van het sterk wisselende aantal uren geschiedenis, met name op het vbolmavo-niveau in de basisvorming. Zij onderstreept de wenselijkheid dat er een minimum aantal uren geschiedenis voor de basisvorming wordt vastgesteld. in algemene zin merkt de commissie op dat uit internationale vergelijking blijkt dat het aantal uren geschiedenis in het voortgezet onderwijs in Nederland relatief aan de lage kant is (onder meer als gevolg van het relatief grote aantal uren voor talenonderwijs). Omdat de commissie de mogelijkheden voor een vergroting van het aantal uren geschiedenis en de implicaties daarvan voor andere schoolvakken niet goed kan overzien stelt zij zich op dit punt terughoudend op. Mede gelet op de internationale achtergrond meent zij echter wel dat behoud van tenminste het huidige aantal uren (voor de basisvorming conform de adviestabel) voor het vak geschiedenis als een minimum-vereiste moet worden beschouwd. Voorts wijst de commissie op het belang van het behoud van de vakgerichte (tweede graads)leraren-opleidingen ten behoeve van een adequate kwalificatie van de toekomstige leraren geschiedenis in het voortgezet onderwijs. Daarnaast geldt ook hier naar analogie met het basisonderwijs de noodzaak van een veel systematischer aanpak van nascholing. Het spreekt voor zich dat deze zich slechts laat realiseren wanneer daarvoor de nodige faciliteiten beschiktbaar worden gesteld.

Elders in dit rapport is reeds bij herhaling bijzondere aandacht gevraagd voor de positie van de vakdidactiek. Een structurele versterking van de vakdidactiek is naar het oordeel van de commissie zeer gewenst. De bestaande voorzieningen voorzien in ontoereikende mate in het leggen van het verband tussen enerzijds de reflectie over wat 'geschiedenis' nu eigenlijk is (een component uit de theoretische geschiedenis), welke functies het in de samenleving heeft en de daarmee samenhangende keuzes voor de inhoud van het onderwijs, anderzijds de didactische en leerpsychologische doordenking daarvan. Vergelijkenderwijs attendeert de commissie in dit verband op de ontwikkelingen in het wiskundeonderwijs waarbij het Freudenthal instituut van grote betekenis is.

De commissie adviseert een substantiële institutioneel-universitaire versterking van de vakdidactiek in de vorm van tenminste één leerstoel met bijbehorende formatie. De expertise die in deze groep moet worden samengebracht zal betrekking dienen te hebben op het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs in brede zin. Het verdient aanbeveling om in deze leerstoel-groep specifieke know how te incorporeren ten aanzien van de mogelijkheden die de moderne informatietechnologie voor het geschiedenisonderwijs biedt. Ook de ontwikkeling van expertise voor intercultureel geschiedenisonderwijs vormt een aandachtspunt voor deze groep. Op termijn zou zij tevens moeten uitgroeien tot een volwaardig documentatiecentrum voor de geschiedenisdidactiek.

In algemene zin is een nauwer contact tussen universiteit en voortgezet onderwijs een wenselijke aangelegenheid. Samenwerking tussen de VGN en het KNHG - deze is inmiddels op gang gebracht - alsmede universitaire betrokkenheid bij nascholing vormen daartoe geëigende wegen.



Copyright © 1998 VLG, 03.10.1998