Wat is het voorzetselvoorwerp?

Lees de zinnen aandachtig. Kijk dan wat het voorzetselvoorwerp in elke zin is. Dit voorzetselvoorwerp moet je volledig overtypen!
1. De vakbonden verzetten zich fel tegen het regeringsvoorstel.

VZV =


2. Oma verdiept zich in een tijdschrift met feestmenu's.

VZV =


3. De secretaresse herinnert haar verstrooide baas aan zijn zakenlunch.

VZV =


4. Mijn buurjongen gelooft in een paashaas die eieren in de tuin verstopt.

VZV =


5. Een goede restauranthouder is op de hoogte van de kwaliteit van de wijn.

VZV =