Otegem historisch

De Gentse St-Pietersabdij

De Gentse St-Pietersabdij heeft een grote rol gespeeld in de vroege geschiedenis van Otegem. Vóór 998 is er niets in de literatuur over Otegem te vinden. Toch zijn er de laatste jaren enkele belangrijke historische vondsten.

Otegem vóór 998

Historische vondsten

Wijlen Oswald Kinds ontdekte sedert 1990 ieder jaar afslagen van silexstenen op een veld tussen de Casselrijbeek en de Diesveldstraat. Na een eerste onderzoek blijken de kernen, schrabbers en klingen uit het Mesolithicum (rond 8000 voor Christus) te stammen. Ze werden ter plaatse afgeslagen daar ze geen sporen van rollen vertonen." (C. Casseyas) De mensen woonden toen op ruggen langs moerassige beken waar ze konden vissen en op wild jagen. Misschien is het voetwegje Diesveld naar de St-Annastraat duizenden jaren oud?

J.Pierre Ghekiere vond een gepolijste bijl uit het Neolithicum (2000 jaar voor Christus) bij het aardappelrooien in de omtrek van de Pontstraat (Heestert). Ten oosten van de Klein Ronsebeek liggen afslagen waartussen een beiteltje gevonden werd uit die periode. In de Gallo-Romeinse tijd liepen vast Romeinen rond te Otegem.

Romeinse villa

Opgravingen bij de Blinde Kapel aan de grens met Otegem legden een Romeinse villa uit de tweede eeuw bloot. Er zijn sterke vermoedens dat er op de zuidelijke helling tussen Mussestraat, Zwevegemstraat en voetweg Klein Ronse, Romeinse resten zouden zitten. Ook tussen Wagemakersstraat en Zaveleinde zou het kunnen. Vlak bij de kapel vond men geraamten uit de zesde/zevende eeuw na Christus, de periode waarin we de Frankische stamvader Otto kunnen situeren.

"De eerste geschiedkundige teksten die over Otegem werden gevonden zijn tot een beknopte historiek verwerkt door Professor Georges Declercq."

De Gentse St-Pietersabdij en de vroegste geschiedenis van Otegem

Otegem duikt in de geschiedenis op net voor het einde van het eerste millennium. In 998 wordt de naam Otingehem inderdaad voor het eerst geattesteerd. De nederzetting als dusdanig bestond toen echter reeds meerdere eeuwen. Otegem is immers een van de talloze heem-namen die herinneren aan de Frankische landname in onze gewesten van het midden van de 5de eeuw tot de 7de eeuw. Het betreft telkens namen die opgebouwd zijn uit een Germaanse persoonsnaam, gevold door het achtervoegsel -inga en het grondwoord haim, d.i. woonplaats.

Octingehem

De naam Otegem, waarvan andere vroege vermeldingen Octingehem (1038) en Otengem (1140) luiden, kan aldus verklaard worden uit "Utinga haim", wat "woning van de lieden van Uhto" betekent. In deze Uhto mogen we allicht een Frankische chef vermoeden die zich op het breukvlak van Oudheid en Middeleeuwen met zijn mannen en/of familie(clan) vestigde op de plaats waar zich thans het centrum van Otegem bevindt.

Blijkens het bijzonder grote aantal heem-namen in de Scheldevallei moeten de Germaanse inwijkelingen in dit vruchtbare landbouwgebied in dichte drommen zijn neergestreken. In de directe omgeving van Uhto vestigden zich zo meer bepaald de lieden van Abulo (Avelgem), Ansuwald (Anzegem), Ingwiwald (Ingooigem), Theudabod (Tiegem), Askiwald (Assegem, thans de Dries te Avelgem), Landahari (Landergem te Anzegem) en Swibo (Zwevegem).

Romeinse vondsten

De vruchtbare zandleem- en leemstreek die deze Franken tot woonplaats kozen, moet al in de Romeinse tijd een niet onbelangrijke bewoning gekend hebben. Hiervan getuigen de Romeinse vondsten die her en der in de regio werden aangetroffen. Zo werd halfweg tussen Otegem en Heestert, nog op het grondgebied van deze laatste gemeente, naast de "Blinde Kapel" een Romeins landbouwbedrijf of villa uit de periode van de 1ste tot en met de 3de eeuw opgegraven.

Soortgelijke villae, die net als die van de "Blinde Kapel" in Heestert omstreeks 268/69 ten gevolge van Germaanse invallen werden opgegeven, zijn in deze streek ook bekend te Tiegem en Kooigem. Bij hun kolonisatie van dit gebied hebben de Frankische inwijkelingen de verlaten Romeinse landbouwbedrijven niet opnieuw in gebruik genomen, doch ze hebben zich bij voorkeur op enige afstand daar vandaan gevestigd en de Romeinse ruïnes als steengroeve en/of begraafplaats aangewend. Deze laatste vaststelling is, zoals gebleken is bij de opgravingen, ook van toepassing op de villa aan de "Blinde Kapel".

Nederzettingsnamen

Voor geschreven bronnen over de nederzettingen in dit oude bewoningsgebied moeten we, op één enkele uitzondering na (Tiegem, 768/814 of 840/77), wachten tot de 10de eeuw.

In de tweede helft van deze eeuw duiken immers plots talrijke nederzettingsnamen op in het bronnenmateriaal: Anzegem (960), Outrijve (964), Avelgem (966), Moen (998), Rugge (993), Bossuit (998) en ook Otegem (998).

In de 11de eeuw volgen Heestert (1048), Zwevegem (1063) en Waarmaarde (1072); nog later Sint-Denijs (1156) en Ingooigem (1179). Zowat alle hier aangestipte vermeldingen van voor 1000 zijn afkomstig uit het bijzonder rijke archief van de St-Pietersabdij te Gent, die in de 7de eeuw door de H. Amandus werd gesticht. Dit is meer in het bijzonder het geval met de vroegste attestatie van Otegem.

Schenking aan St-Pietersabdij Gent

Herebrandus

Op 1 november 998 schonk een zekere Herebrandus zijn vrijeigen goed te Otegem met de kerk die in dit domein gelegen was en al wat ertoe behoorde (kouters, weiden, meersen, lijfeigenen) aan de St-Pietersabdij te Gent. In het Latijn luidt dit als volgt:

Herebrandus tradidit sancto Petro alodem suum, id est Otingehem cum eacclesia in eadem villa sita super fluvium Scaldum, cum omni integritate in culturis, pratis, pascuis et mancipiis ad ipsam aecclesiam pertinentibus.

De originele oorkonde van deze schenking is niet bewaard gebleven. We kennen de tekst enkel in de vorm van een korte samenvatting of notitie in het beroemde Liber Traditionum of "boek der schenkingen" van de St-Pietersabdij, d.i. het register waarin abt Wichard van Sint-Pieters kort na 1042 alle bezitsverwervingen van zijn klooster sinds de Merovingische tijd (7de eeuw) liet optekenen.

Het vormt daarmee de voornaamste bron voor de geschiedenis van Vlaanderen tijdens de vroege Middeleeuwen. De moeilijkheid is evenwel dat dit Liber Traditionum niet vrij is van tekstverdraaingen en andere manipulaties.

Schenking van Otegem

Wat de schenking van Otegem betreft, dient vooral ten opzichte van het opgegeven jaartal 998 ernstig voorbehoud te worden gemaakt. De samensteller van het "boek der schenkingen" heeft immers systematisch alle schenkingsnotities gedateerd volgens de christelijke jaartelling (die ook wij thans nog gebruiken), alhoewel dit chronologisch systeem in de originele oorkonden pas vanaf ca. 1050 in voege was in Gent.

In de late 10de vroege 11de eeuw dateerde men in de St-Pietersabdij de schenkingcharters doorgaans alleen door de opgave van, de namen van de Franse koning (het graafschap Vlaanderen maakte immers deel uit van het Franse koninkrijk) en van de eigen abt. Het jaartal 998 is derhalve duidelijk een toevoeging van de samensteller van het Liber Traditionum.

Daar de schenking van Otegem staat opgetekend tussen diverse schenkingen uit de tijd van koning Robrecht de Vrome (996-1031) en abt Rodbold (995-1029), betekent dit concreet dat de betrokken schenking slechts met zekerheid kan gedateerd worden op 1 november tussen 996 en 1029.

Allodium

Het goed dat Herebrandus aan de St-Pietersabdij schonk wordt een "allodium" genoemd, d.w.z. dat de schenker het in volle eigendom bezat. Het was derhalve "vrijeigen" en werd niet in leen gehouden van een of andere heer, een precisering die zeker in een tijd dat het zgn. leenstelsel (of feodaliteit) tot volle ontwikkeling kwam niet zonder belang was.

Interessant is tevens dat het voorwerp van de schenking omschreven wordt als "zijn allodium, met name Otegem, met de kerk die in dit domein gelegen was". Daaruit kunnen we opmaken dat Herebrandus blijkbaar het grootste deel van het toenmalige Otegem in zijn bezit had en dat zijn vrijeigen goed in feite een villa of domein was, dat ook de dorpskerk omvatte.

Deze interpretatie wordt bevestigd door het grote privilegie dat de Franse koning Hendrik I in 1038 aan de St-Pietersabdij verleende. Daarin is immers uitdrukkelijk sprake van de villa Otegem met de erbijhorende kerk (in Octingehem villam cum aecclesia).

Eigenkerk

De kerk van Otegem was met andere woorden wat men een "eigenkerk" noemt: ze was gelegen op het domein van een grootgrondbezitter, die als eigenaar van de kerk het recht had om er een priester aan te stellen. De tekst van de schenking preciseert verder dat het allodium van Herebrandus in zijn volle integriteit wordt overgedragen aan de St-Pietersabdij, d.w.z. met de kouters, weiden, meersen en lijfeigenen die tot het domein, en meer in het bijzonder tot de kerk ervan, behoorden.

De soortnaam "kouter" (cultura) wordt in Vlaanderen vanaf ca. 1000 gebruikt om de voornaamste en beste landbouwgronden van een nederzetting aan te duiden die gegroepeerd lagen in één of meerdere grote en open complexen akkerland. Voor de bewerking van de landbouwgronden stonden, voortgaande op de tekst, lijfeigenen (mancipia) in. Dit zijn onvrije mensen die aan de grond waren gebonden en bijgevolg ook - zoals in het geval van Otegem duidelijk blijkt - samen met de grond konden weggeschonken (of verkocht) worden.

Ligging aan de vallei van de Schelde

Het "boek der schenkingen" situeert Otegem langs de Schelde, die op dat ogenblik (ca. 1000) een strategische rol speelt als grens tussen het graafschap Vlaanderen, dat tot het koninkrijk Frankrijk behoorde, en het Duitse Rijk, waar de Ottoonse keizers kort voordien op de rechter Scheldeoever een machtige burcht hadden gebouwd in Ename.

Alhoewel zelf eigenlijk niet aan de Schelde gelegen, behoort Otegem inderdaad geografisch tot de vallei van de Schelde, waarop het dorp eeuwenlang in politiek, kerkelijk en economisch opzicht was gericht. Hier, in de vruchtbare zandleemstreek op de linkeroever van de Schelde, wist de Gentse St-Pietersabdij, die in de tweede helft van de 10de eeuw een periode van ongekende bloei doormaakte, kort voor het jaar 1000 een belangrijk aantal goederen te verwerven.

Gentse benedictijnermonniken

Tussen 981 en 985 kreeg het klooster van een zekere Rodgerus het domein Anzegem in handen, dat de man al in 960 aan het klooster had toegezegd. In 988 schonk de Vlaamse graaf Boudewijn IV samen met zijn moeder Susanna de villa Avelgem met alles wat ervan afhing. Enkele jaren later, in 993, droeg een verwant van de graaf van Vlaanderen, nl. graaf Dirk III van Holland, zijn allodium te Rugge aan de Schelde over aan de Gentse benedictijnermonniken, terwijl een zekere Hezelo in hetzelfde jaar als de schenking van Otegem (998) de kerk van Bossuit met de gronden en lijfeigenen die ertoe behoorden zou hebben geschonken. Een paar decennia eerder, in 964, had graaf Arnulf I van Vlaanderen reeds de kerken van Outrijve en Wortegem gegeven en na zijn overlijden in 965 voegden zijn testament-uitvoerders daar nog het op het grondgebied van Wortegem gelegen domein Walem met zijn afhankelijkheden Ooike en Moregem aan toe.

Acquisitiepolitiek

De schenking van Otegem staat dus niet alleen, maar vormt blijkbaar een schakel in een vrij systematische acquisitiepolitiek van de grote Gentse abdij in de Scheldestreek. Aanvankelijk bleef de St-Pietersabdij het domein Otegem als een afzonderlijke entiteit beheren. Dit is althans de conclusie die men kan afleiden uit de al vermelde bevestigingsprivilegie van de Franse koning Hendrik I uit 1038.

Daarin staan de villa en de kerk van Otegem opgesomd na de domeinen van Walem, Rugge en Avelgem, een stuk land te Assegem (d.i. thans de Dries te Avelgem) en de tol van Ename enerzijds, en voor een bosje te Landergem (op het grondgebied van Anzegem), het domein Anzegem en de kerken van Outrijve en Bossuit anderzijds.