Historisch
Deel 1
Deel 2
Deel 3
Deel 4
Deel 5
Deel 6
 
Landschap
Kerk
Kapellen
Kerststallen
Diesveldpad
 
 
 
  Inhoud:

Deel 1: Otegem voor 998 en De Gentse St-Pietersabdij
Deel 2: Schenking aan de St-Pietersabdij Gent, ligging, Heren van Avelgem
Deel 3: Otegem vanaf de 13de eeuw en De Heren van Diesvelt (383-1766)
Deel 4: Vanaf 15de eeuw. Protestantisme, mislukte graanoogsten en godsdiensttroebelen
Deel 5: Aardbeving, wolvenplaag, rampen en oorlogen, heksenprocessen
Deel 6: Een periode van vrede, de Franse Revolutie, Brigands

Otegem vóór 998

Historische vondsten

Vóór 998 is er niets in de literatuur over Otegem te vinden. Toch zijn er recent een paar historische vondsten.
Wijlen Oswald Kinds ontdekte sedert 1990 ieder jaar afslagen van silexstenen op een veld tussen de Casselrijbeek en de Diesveltstraat. Na een eerste onderzoek blijken de kernen, schrabbers en klingen uit het Mesolithicum (rond 8000 voor Christus) te stammen. Ze werden ter plaatse afgeslagen daar ze geen sporen van rollen vertonen." (C. Casseyas) De mensen woonden toen op ruggen langs moerassige beken waar ze konden vissen en op wild jagen. Misschien is het voetwegje Diesvelt naar de St-Annastraat duizenden jaren oud?

J.Pierre Ghekiere vond een gepolijste bijl uit het Neolithicum (2000 jaar voor Christus) bij het aardappelrooien in de omtrek van de Pontstraat (Heestert). Ten oosten van de Klein Ronsebeek liggen afslagen waartussen een beiteltje gevonden werd uit die periode. In de Gallo-Romeinse tijd liepen vast Romeinen rond te Otegem.

Romeinse villa

Opgravingen bij de Blinde Kapel aan de grens met Otegem legden een Romeinse villa uit de tweede eeuw bloot. Er zijn sterke vermoedens dat er op de zuidelijke helling tussen Mussestraat, Zwevegemstraat en voetweg Klein Ronse, Romeinse resten zouden zitten. Ook tussen Wagemakersstraat en Zaveleinde zou het kunnen. Vlak bij de kapel vond men geraamten uit de zesde/zevende eeuw na Christus, de periode waarin we de Frankische stamvader Otto kunnen situeren.

De eerste geschiedkundige teksten die over Otegem werden gevonden zijn tot een beknopte historiek verwerkt door Professor Georges Declercq.


De Gentse St-Pietersabdij en de vroegste geschiedenis van Otegem

Otegem duikt in de geschiedenis op net voor het einde van het eerste millennium. In 998 wordt de naam Otingehem inderdaad voor het eerst geattesteerd. De nederzetting als dusdanig bestond toen echter reeds meerdere eeuwen. Otegem is immers een van de talloze heem-namen die herinneren aan de Frankische landname in onze gewesten van het midden van de 5de eeuw tot de 7de eeuw. Het betreft telkens namen die opgebouwd zijn uit een Germaanse persoonsnaam, gevold door het achtervoegsel -inga en het grondwoord haim, d.i. woonplaats.

Octingehem

De naam Otegem, waarvan andere vroege vermeldingen Octingehem (1038) en Otengem (1140) luiden, kan aldus verklaard worden uit "Utinga haim", wat "woning van de lieden van Uhto" betekent. In deze Uhto mogen we allicht een Frankische chef vermoeden die zich op het breukvlak van Oudheid en Middeleeuwen met zijn mannen en/of familie(clan) vestigde op de plaats waar zich thans het centrum van Otegem bevindt.

Blijkens het bijzonder grote aantal heem-namen in de Scheldevallei moeten de Germaanse inwijkelingen in dit vruchtbare landbouwgebied  in dichte drommen zijn neergestreken. In de directe omgeving van Uhto vestigden zich zo meer bepaald de lieden van Abulo (Avelgem), Ansuwald (Anzegem), Ingwiwald (Ingooigem), Theudabod (Tiegem), Askiwald (Assegem, thans de Dries te Avelgem), Landahari (Landergem te Anzegem) en Swibo (Zwevegem).

Romeinse vondsten

De vruchtbare zandleem- en leemstreek die deze Franken tot woonplaats kozen, moet al in de Romeinse tijd een niet onbelangrijke bewoning gekend hebben. Hiervan getuigen de Romeinse vondsten die her en der in de regio werden aangetroffen. Zo werd halfweg tussen Otegem en Heestert, nog op het grondgebied van deze laatste gemeente, naast de "Blinde Kapel" een Romeins landbouwbedrijf of villa uit de periode van de 1ste tot en met de 3de eeuw opgegraven.

Soortgelijke villae, die net als die van de "Blinde Kapel" in Heestert omstreeks 268/69 ten gevolge van Germaanse invallen werden opgegeven, zijn in deze streek ook bekend te Tiegem en Kooigem. Bij hun kolonisatie van dit gebied hebben de Frankische inwijkelingen de verlaten Romeinse landbouwbedrijven niet opnieuw in gebruik genomen, doch ze hebben zich bij voorkeur op enige afstand daar vandaan gevestigd en de Romeinse ruïnes als steengroeve en/of begraafplaats aangewend. Deze laatste vaststelling is, zoals gebleken is bij de opgravingen, ook van toepassing op de villa aan de "Blinde Kapel".

Nederzettingsnamen

Voor geschreven bronnen over de nederzettingen in dit oude bewoningsgebied moeten we, op één enkele uitzondering na (Tiegem, 768/814 of 840/77), wachten tot de 10de eeuw. In de tweede helft van deze eeuw duiken immers plots talrijke nederzettingsnamen op in het bronnenmateriaal: Anzegem (960), Outrijve (964), Avelgem (966), Moen (998), Rugge (993), Bossuit (998) en ook Otegem (998). In de 11de eeuw volgen Heestert (1048), Zwevegem (1063) en Waarmaarde (1072); nog later Sint-Denijs (1156) en Ingooigem (1179). Zowat alle hier aangestipte vermeldingen van voor 1000 zijn afkomstig uit het bijzonder rijke archief van de St-Pietersabdij te Gent, die in de 7de eeuw door de H. Amandus werd gesticht. Dit is meer in het bijzonder het geval met de vroegste attestatie van Otegem.

 

Top