Boekrecensies Minervaria

Gedachten
Onvoltooide symfonie
Home

Index recensies

Antropologie

Filosofie

Geschiedenis

Gezondheid en welzijn

Godsdienst

Maatschappij

Natuurwetenschappen

Pedagogie

Psychologie

Taal en Communicatie

Nieuw

Gedachten

Contact

Links
Een paar dagen geleden viel het me op. Boven in de kale kruin van een wel tien meter hoge boom achter de tuin zag ik een bolvormig ongeregeld dat zich heel langzaam uitbreidde. Zo van verre leek het op een onontwarbaar kluwen van kruidige stengels, waarin je voeten blijven hangen bij het doorkruisen van een verwilderde, tot natuurgebied uitgeroepen akker. Kon het maretak zijn? Het raadsel werd gisteren opgelost: het gaat om een eksternest in aanbouw.

IJverig vlogen de gewiekste blauw-wit-zwarte vogels af en aan met takjes in de bek. Soms was er maar een, en die hield dan de wacht tot de andere op het nest neer streek. Soms waren ze beide druk doende met hun bouwsel. Het was nog erg fragiel en doorzichtig, en je kon hen mooi met de bek de takjes op de juiste plaats zien steken. Af en toe bleef een van beide wat langer om hier en daar wat te verschikken. Zo doen mensen het ook als ze met hun interieur doende zijn. Dit beeldje een centimetertje naar rechts, een vaasje wat naar achter, dat bordje ietsje naar rechts. Even monsteren van op afstand en nog wat schuiven met een fotootje.

Het takkenbos ging steeds meer op een bol gelijken. Ik zocht het even op. Eksters bouwen een overdekt nest. Op een dergelijke hoogte is dit zeker geen overbodige luxe. Zou een eksternest geen dak hebben, dan vlogen eieren of jongen tijdens een voorjaarsstorm zó over de rand heen. In dit geval waren eksters al lang van de aardbodem verdwenen. Hoe zouden eksterjongen zich voelen als zij in hun veilig onderkomen door de zweepslagen van de wind heen en weer worden geslingerd? Er moest in elk geval nog heel wat getimmerd en gepleisterd worden, want het bouwsel zag er verre van stevig uit. En het moest uiteraard ook nog voorzien van een warme en zachte binnenbekleding.

Ik had schik in de bedrijvigheid. Straks zou ik het paartje naarstig zien af en aan vliegen met vette wormen en slakken voor de jongen. Na enkele weken zouden ze dan voor het eerst over de rand piepen en uitvliegen.

Maar er is iets aan de hand. Voor de middag nog waren mannetje en vrouwtje ekster druk doende met het aanslepen van takken en twijgjes. Sedert een paar uren hebben ze zich niet meer laten zien. In de naaste omgeving zitten nu zelfs een stuk of wat kleinere vogels. Het lijken wel aasgieren die geduldig zitten te wachten tot hun prooi het begeeft. Ze moeten wel lef hebben. Want eksters worden in de gevederde wereld door iedereen met groot ontzag bejegend.
Zou het bouwsel niet stevig genoeg bevonden zijn? Zou het paartje een betere stek gevonden hebben? Misschien zijn ze wel uit elkaar gegaan? Ook bij mensen komt het niet zelden voor dat bouwen of verbouwen de meningsverschillen, en niet alleen over kleur en inrichting, aanscherpt. Aan het ergste, een treurende, eenzame vogel, durf ik bijna niet te denken.

De hele middag regent het al, druilerig, zonder onderbreking. Het onafgewerkte nest ligt er triest en verlaten bij.

Ik zal ze missen, het jonge paar.


© Minervaria 20 februari 2007


 

 



© minervaria