Skip to: site menu | section menu | main content

Miriam Van hee

..........................................

Gedichten

 

op de watersportbaan


daar gaat in een bootje mijn vader te water
hij roeit met langzame halen waartussen


het stil is, hij roert met een spaan in het water
hij maakt golven die later de oever bereiken


waar ik niet meer ben, ik fiets op het land
ik roep dat hij zeven en half gaat per uur


hij zit met zijn rug naar mijn uitzicht, hij ziet
waar we waren, ik zie wat er komt, hij draagt


een kirgizische hoed, geen echte maar een
van verschoten katoen want er is te veel wind


zegt hij, voor een pet en hij heeft aan zijn voeten
galochen die nog van zijn schoonvader waren


en goed blijven zitten, zegt hij, mocht hij dan
toch in het diepe belanden, hij hield van het


water, zoals van mijn moeder want midden
op zee ontbrak alleen zij, zo liet hij zich vroeger


ontvallen en wij dan, zo dacht ik en wuifde
ten afscheid, hij kon niet terugwuiven, ik riep


maar hij kon mij niet horen, hij roeide, het leek
hem geen moeite te kosten, langzaam vervulde


hij zijn aardse plicht af en toe kijkend naar mij
op de oever, bewogen misschien maar dat was


van hier niet te zien, het kon evengoed nog
een spelletje zijn waarvan ik de regels niet kende


en ik dacht dat ik hem daar kon laten, het water
verstond hem en droeg hem achterstevoren


terug naar het land


uit: 'Ook daar valt het licht', De Bezige Bij, 2023
---------------------------------------

zomereinde aan de leie

dit is wat een schilder zou zien:
de gebleekte graskant, kastanjes
en linden, het warme maar heengaande
licht van de avond en tegen de haag
op de andere oever een loper, en zijn
gedachten, hoe schilder je die
en boven het water de meeuwen
en tussen het licht- en het donkerder groen
de plecht van een jacht, het schuiven
der dingen, de richtingen

het water zelf kun je hier waar wij zitten
niet zien en ik vraag me nog af hoe je
afstanden schildert, steeds lichter misschien
tot je wit overhoudt, en hoe het verleden
toen jij daar nog liep

hoe schilder je dat je nooit weer
daar zult lopen, tegenstribbelend
aan je vaders hand

uit: 'Buitenland', De Bezige Bij, 2007, p. 8
---------------------------------------

op de snelweg

wij zagen een hond op een terras
het was ochtend en koud, toch
was de deur achter hem
half geopend, naast het huis
stonden dennen en
aan de sneeuw op hun takken
kon je nog zien hoe
de wind had gehaaid

het was zondag, een ochtend
uit zijn en ons leven
hij stond er zo stil
als een paard in de wei
voorbij te gaan

wij hebben een uur
of nog langer gezwegen
toen nam ik papier en ik schreef
er stond een hond op een terras
het was ochtend en koud
en wij snelden voorbij
op de wegen

© Miriam Van hee
uit de bundel de bramenpluk

---------------------------------------

 

Het karige maal

Onder de lamp aan tafel
zwijgend eten wij; onze handen
als witte vlekken komen en gaan;
onze beringde vingers achteloos
met het vertrouwde brood spelend.

Geen vreugde niets ongewoons
is er in de klank van onze
messen en vorken.

En natuurlijk weten wij niets
van het geluk van reizigers
in een avondtrein.

Miriam Van hee
uit: Het karige maal,
in de poëziereeks van het
Masereelfonds 1978.

---------------------------------------

 

Winter 2

langzaam glijden hier de uren
in een bestaan waarin het spreken
al bijna onmogelijk het lachen
ongehoord is het zwijgen
een ziekte

een bestaan waarin de nachten
wakend worden doorgebracht wachtend
op wat niet komt dromend van
rumoerige trottoirs en teder
geruzie onder de bruggen

langzaam sneeuwt de voortuin vol en
een vreemd samengaan van ongeloof
en verlangen houdt ons staande
als zagen wij alsmaar witte,
wegvarende schepen

Miriam Van hee
uit: 'Ingesneeuwd',
De Bezige Bij 1984.

---------------------------------------

 

Dood in Lissabon

wat konden wij doen, beginnen
als alles een einde kon nemen -
een ogenblik, wisten we, maar wanneer
dat wisten we niet, daarom
schreven we toch
en waren alleen

er waren musea, straten en pleinen
wind van de zee, van de verte
je weet wel van angst en verlangen
van wachten, van ooit

stel je dan voor hoe verloren
we liepen, altijd uitkomend
bij de rivier, we vroegen ons af
wie de lichten ontstak op de brug,
wie de vrachtwagens nieuwe
opschriften gaf en waarvandaan
al het stof in de wereld bleef komen.

Miriam Van hee
uit: Nieuw wereldtijdschrift,
1997 dubbelnummer 5/6

Gedicht naar aanleiding van
de dood van Herman de Conink

---------------------------------------  

 

Lente in de schildersstraat

ik zag je aan de overkant
als was je uit een schuilkelder
gekomen: voorzichtig en verbaasd
over het licht dat op de huizen scheen
je had je lange winterjas nog aan
ik had een teken kunnen geven
ik had je vragen kunnen stellen
de straat lag tussen ons als water

achter mij zaten moeders in het park
rond het museum, hun kinderen
kregen klappen tot ze huilden
mij heeft de tijd gered,
de afstand, dit gedicht

Miriam Van hee

uit: Het verband tussen de dagen
De Bezige Bij 1998


---------------------------------------

 

Le mistral

welke naam de wind ook heeft
hij is mannelijk in alle talen
of liever jongensachtig
overal blaast hij jurken bol
rukt hij aan wasgoed
en slaat verwoed en wispelturig
de bladen om van boeken
en van kranten

waar het niet waait
vallen geen bladeren
en maakt niemand bewegingen
zoals jij nu met je hand
door je haar zo sierlijk
en vergeefs

De bramenpluk, Miriam Van Hee, De Bezige Bij

---------------------------------------

 

De eerste lentedag

op het plein werd nog gevoetbald
aan open ramen werd muziek geoefend
er was iets zuiders in de straat
de deuren stonden op een kier

wij brachten brieven naar de post
blij en opgewonden als kinderen
de avond voor de schoolreis

elders kwamen de troepen
weer in beweging

Miriam Van hee
uit: 'Het verband tusen de dagen', 1998.

---------------------------------------  

 

tekening

tenslotte willen wij steeds opnieuw
hetzelfde zien: een huis tussen de bomen
zoals kinderen het onvermoeibaar
tekenen: een raam, een deur, een leien dak
en achter het raam een familie en laten we
vooral de schoorsteen niet vergeten
waar rook komt uitgekringeld
op de lege plekken komen bergen
hier en daar een vogel
en sneeuw misschien waardoor
het binnen warmer wordt

we zijn niet gauw tevreden
op een nieuw blad, in het midden
weer dat huis tussen de bomen, een raam
een deur, een leien dak en
de draden van de telefoon, doen we die
of toch maar niet?

uit: 'Vrouwen dichten anders', 2000.

---------------------------------------  

 

de ribben zijn van het geraamte

de ribben zijn van het geraamte
het mooiste onderdeel, ze doen
aan vleugels denken of een soort
accordeon waar leven in- en uitgaat
je ziet ze beter
na de hongersnood of in het massagraf
het zijn de rimpels in het zand
als de zee zich heeft teruggetrokken
het zijn de breekbaarste takken
van de bomen die in open vrachtwagens
worden weggevoerd

Miriam Van hee
Uit: 'Reisgeld', 1992.

---------------------------------------  

 

deze lente, dit

deze lente, dit
nerveuze regenen maakt
alles weer onzeker en toch
buiten door het raam
gaat alles verder:

onrust ingemetseld in
huisnummers buslijnen
rekeningen dagen
graden en

daar lopen onder paraplu's
allen die wat willen worden
die al huizen hebben
schoenen auto's
kinderen

ach, deze lente dit
uitgesteld ontluiken, dit
regenen waarin je
afscheid neemt, de trein
mist, rondhangt, rechtstaand
eet, ontredderd, vrij

Miriam Van hee
Uit: Vrouwen dichten anders, 2000.

---------------------------------------

 

afscheid in poleskoje anno 1994

omdat lopen beter is
dan stilstaan hebben zij
niet op de bus gewacht
maar gaan alvast gestaag
het uitzicht in, met grote ogen
kijken hen de dieren na

zij namen afscheid
zij hielden even bij elkaar
wat straks uiteen zal vallen
huil niet, zegden ze
omdat woorden beter zijn dan stilte

een jongen loopt hen tegemoet
met rubberlaarzen in de modder
hij draagt een emmer in het veld
hij zal de avond halen

Miriam Van hee
(Poleskoje is een dorp in de buurt van Tsjernobyl - red.)

---------------------------------------

 

new york

ik droomde: ik was in de metro

gestapt in new york maar ik hield

mijn bagage niet samen, koffer

na koffer verdween in de massa,

toen gaf ik maar zelf alles weg:

mijn stadsplan, mijn pennen, mijn jas

in ruil vroeg ik slaapplaats want

het werd nacht

 

een man in een kleed van pierrot

gaf mij een kamer, ze

lag tussen twee verdiepingen in

maar ze was al bewoond door een vrouw

die ik kende, ze liet mij niet binnen,

ze was niet alleen

 

ik stond daar besluiteloos toen er

een kat langs mijn benen kwam scheren

ik streelde haar en was getroost

maar mijn gids was intussen verdwenen

en alles begon van voren af aan

Miriam Van hee

---------------------------------------

 

Brussel - de mutsaard

 

uit brussel weggelopen als een vlek

heeft deze plek van alles meegenomen:

haar warme en haar kille stijlen, haar asfalt

en haar kasseien, haar tweetaligheid

en haar reliëf, maar in bescheiden mate

je reist er niet naartoe, je gaat er op bezoek

je wandelt er op zondagmiddag in de tuinwijk,

in een mist die maar niet optrekt en je staat er stil

bij late rozen die de eerste nachtvorst

brozer heeft gemaakt en donkerder van kleur

het mooiste hier zijn nog de namen: de wannekouter

en de schaepenweg, de dikke linde en de wand

het kan niet anders of het gras komt hier gewillig

steeds terug tussen de stenen, alsof het leven hier

voor alle zekerheid geen vaste vorm heeft aangenomen

alleen de muur rond het domein lijkt nooit meer

van zijn plaats te zullen komen, hij heeft een donkere,

een onbekende kant, je kunt maar beter

in het tijdelijke wonen, hier aan de halte van de tram

waar nu de zon zich moeizaam door de mist beweegt

Miriam Van hee, november '05

---------------------------------------