Gedichten
dit is wat een schilder zou zien:
de gebleekte graskant, kastanjes
en linden, het warme maar heengaande
licht van de avond en tegen de haag
op de andere oever een loper, en zijn
gedachten, hoe schilder je die
en boven het water de meeuwen
en tussen het licht- en het donkerder groen
de plecht van een jacht, het schuiven
der dingen, de richtingen
het water zelf kun je hier waar wij zitten
niet zien en ik vraag me nog af hoe je
afstanden schildert, steeds lichter misschien
tot je wit overhoudt, en hoe het verleden
toen jij daar nog liep
hoe schilder je dat je nooit weer
daar zult lopen, tegenstribbelend
aan je vaders hand
uit: 'Buitenland', De Bezige Bij, 2007, p. 8
---------------------------------------
wij zagen een hond op een terras
het was ochtend en koud, toch
was de deur achter hem
half geopend, naast het huis
stonden dennen en
aan de sneeuw op hun takken
kon je nog zien hoe
de wind had gehaaid
het was zondag, een ochtend
uit zijn en ons leven
hij stond er zo stil
als een paard in de wei
voorbij te gaan
wij hebben een uur
of nog langer gezwegen
toen nam ik papier en ik schreef
er stond een hond op een terras
het was ochtend en koud
en wij snelden voorbij
op de wegen
© Miriam Van hee
uit de bundel de bramenpluk
---------------------------------------
Onder de lamp aan tafel
zwijgend eten wij; onze handen
als witte vlekken komen en gaan;
onze beringde vingers achteloos
met het vertrouwde brood spelend.
Geen vreugde niets ongewoons
is er in de klank van onze
messen en vorken.
En natuurlijk weten wij niets
van het geluk van reizigers
in een avondtrein.
Miriam Van hee
uit: Het karige maal,
in de poëziereeks van het
Masereelfonds 1978.
---------------------------------------
langzaam glijden hier de uren
in een bestaan waarin het spreken
al bijna onmogelijk het lachen
ongehoord is het zwijgen
een ziekte
een bestaan waarin de nachten
wakend worden doorgebracht wachtend
op wat niet komt dromend van
rumoerige trottoirs en teder
geruzie onder de bruggen
langzaam sneeuwt de voortuin vol en
een vreemd samengaan van ongeloof
en verlangen houdt ons staande
als zagen wij alsmaar witte,
wegvarende schepen
Miriam Van hee
uit: 'Ingesneeuwd',
De Bezige Bij 1984.
---------------------------------------
wat konden wij doen, beginnen
als alles een einde kon nemen -
een ogenblik, wisten we, maar wanneer
dat wisten we niet, daarom
schreven we toch
en waren alleen
er waren musea, straten en pleinen
wind van de zee, van de verte
je weet wel van angst en verlangen
van wachten, van ooit
stel je dan voor hoe verloren
we liepen, altijd uitkomend
bij de rivier, we vroegen ons af
wie de lichten ontstak op de brug,
wie de vrachtwagens nieuwe
opschriften gaf en waarvandaan
al het stof in de wereld bleef komen.
Miriam Van hee
uit: Nieuw wereldtijdschrift,
1997 dubbelnummer 5/6
Gedicht naar aanleiding van
de dood van Herman de Conink
---------------------------------------
ik zag je aan de overkant
als was je uit een schuilkelder
gekomen: voorzichtig en verbaasd
over het licht dat op de huizen scheen
je had je lange winterjas nog aan
ik had een teken kunnen geven
ik had je vragen kunnen stellen
de straat lag tussen ons als water
achter mij zaten moeders in het park
rond het museum, hun kinderen
kregen klappen tot ze huilden
mij heeft de tijd gered,
de afstand, dit gedicht
Miriam Van hee
uit: Het verband tussen de dagen
De Bezige Bij 1998
---------------------------------------
welke naam de wind ook heeft
hij is mannelijk in alle talen
of liever jongensachtig
overal blaast hij jurken bol
rukt hij aan wasgoed
en slaat verwoed en wispelturig
de bladen om van boeken
en van kranten
waar het niet waait
vallen geen bladeren
en maakt niemand bewegingen
zoals jij nu met je hand
door je haar zo sierlijk
en vergeefs
De bramenpluk, Miriam Van Hee, De Bezige Bij
---------------------------------------
De eerste lentedag
op het plein werd nog gevoetbald
aan open ramen werd muziek geoefend
er was iets zuiders in de straat
de deuren stonden op een kier
wij brachten brieven naar de post
blij en opgewonden als kinderen
de avond voor de schoolreis
elders kwamen de troepen
weer in beweging
Miriam Van hee
uit: 'Het verband tusen de dagen', 1998.
---------------------------------------
tekening
tenslotte willen wij steeds opnieuw
hetzelfde zien: een huis tussen de bomen
zoals kinderen het onvermoeibaar
tekenen: een raam, een deur, een leien dak
en achter het raam een familie en laten we
vooral de schoorsteen niet vergeten
waar rook komt uitgekringeld
op de lege plekken komen bergen
hier en daar een vogel
en sneeuw misschien waardoor
het binnen warmer wordt
we zijn niet gauw tevreden
op een nieuw blad, in het midden
weer dat huis tussen de bomen, een raam
een deur, een leien dak en
de draden van de telefoon, doen we die
of toch maar niet?
uit: 'Vrouwen dichten anders', 2000.
---------------------------------------
de ribben zijn van het geraamte
de ribben zijn van het geraamte
het mooiste onderdeel, ze doen
aan vleugels denken of een soort
accordeon waar leven in- en uitgaat
je ziet ze beter
na de hongersnood of in het massagraf
het zijn de rimpels in het zand
als de zee zich heeft teruggetrokken
het zijn de breekbaarste takken
van de bomen die in open vrachtwagens
worden weggevoerd
Miriam Van hee
Uit: 'Reisgeld', 1992.
---------------------------------------
deze lente, dit
deze lente, dit
nerveuze regenen maakt
alles weer onzeker en toch
buiten door het raam
gaat alles verder:
onrust ingemetseld in
huisnummers buslijnen
rekeningen dagen
graden en
daar lopen onder paraplu's
allen die wat willen worden
die al huizen hebben
schoenen auto's
kinderen
ach, deze lente dit
uitgesteld ontluiken, dit
regenen waarin je
afscheid neemt, de trein
mist, rondhangt, rechtstaand
eet, ontredderd, vrij
Miriam Van hee
Uit: Vrouwen dichten anders, 2000.
---------------------------------------
afscheid in poleskoje anno 1994
omdat lopen beter is
dan stilstaan hebben zij
niet op de bus gewacht
maar gaan alvast gestaag
het uitzicht in, met grote ogen
kijken hen de dieren na
zij namen afscheid
zij hielden even bij elkaar
wat straks uiteen zal vallen
huil niet, zegden ze
omdat woorden beter zijn dan stilte
een jongen loopt hen tegemoet
met rubberlaarzen in de modder
hij draagt een emmer in het veld
hij zal de avond halen
Miriam Van hee
(Poleskoje is een dorp in de buurt van Tsjernobyl - red.)
---------------------------------------
ik droomde: ik was in de metro
gestapt in new york maar ik hield
mijn bagage niet samen, koffer
na koffer verdween in de massa,
toen gaf ik maar zelf alles weg:
mijn stadsplan, mijn pennen, mijn jas
in ruil vroeg ik slaapplaats want
het werd nacht
een man in een kleed van pierrot
gaf mij een kamer, ze
lag tussen twee verdiepingen in
maar ze was al bewoond door een vrouw
die ik kende, ze liet mij niet binnen,
ze was niet alleen
ik stond daar besluiteloos toen er
een kat langs mijn benen kwam scheren
ik streelde haar en was getroost
maar mijn gids was intussen verdwenen
en alles begon van voren af aan
Miriam Van hee
---------------------------------------
uit brussel weggelopen als een vlek
heeft deze plek van alles meegenomen:
haar warme en haar kille stijlen, haar asfalt
en haar kasseien, haar tweetaligheid
en haar reliëf, maar in bescheiden mate
je reist er niet naartoe, je gaat er op bezoek
je wandelt er op zondagmiddag in de tuinwijk,
in een mist die maar niet optrekt en je staat er stil
bij late rozen die de eerste nachtvorst
brozer heeft gemaakt en donkerder van kleur
het mooiste hier zijn nog de namen: de wannekouter
en de schaepenweg, de dikke linde en de wand
het kan niet anders of het gras komt hier gewillig
steeds terug tussen de stenen, alsof het leven hier
voor alle zekerheid geen vaste vorm heeft aangenomen
alleen de muur rond het domein lijkt nooit meer
van zijn plaats te zullen komen, hij heeft een donkere,
een onbekende kant, je kunt maar beter
in het tijdelijke wonen, hier aan de halte van de tram
waar nu de zon zich moeizaam door de mist beweegt
Miriam Van hee, november '05
---------------------------------------