|
Tekenen van een patroon
Er zijn ontelbare mogelijkheden om te spelen met lijnen, vlakken, en/of cirkels.
De lijnen kunnen het vlak verdelen in stroken, kleinere vierkanten, rechthoeken, driehoeken,… . Kortom men kan zo allerlei geometrische patronen vormen. De cirkels, ovalen, kurven… maken het geheel nog meer fascinerend. Zij maken het patroon wel iets moeilijker voor ons quilters, vooral bij machinaal werk worden ze eerder vermeden.
Voor het tekenen van de geometrische patronen, moet ik toegeven dat de computer hier voor heel wat tijdswinst zorgt, maar uiteraard kan je ook met meetlat en passer aan de slag.
Door het inkleuren van de afwisselend zwart en witte vakjes, krijg je een idee van het uiteindelijk resultaat.
Ook hier is de computer een grote hulp.
Hoe gaan we dit nu uitvoeren in stof?
|
|
|
Maken van een basistekening
Voor het patroon op de foto ( patroon wit zwart ) werkte ik als volgt:
Ik maak een basistekening op de computer ( zie foto basispatroon ).
De tekening bestaat uit een vierkant ( 18 cm x18 cm ), verdeeld in 12 horizontale stroken, elk 1,5 cm breed.
Ik neem links en rechts nog een marge van 1 cm voor de naadwaarde. Het teveel aan naadwaarde kan je altijd nog later afhalen.
Boven en onder heb ik automatisch voldoende stofoverschot voor de naadwaarden.
Ik teken 6 concentrische cirkels met een straal achtereenvolgens 1x strookbreedte, 2 x , 3 x,…..
De zones waar de raakpunten met de cirkels zitten, markeer ik met een viltstift.
|
|
|
De paper piecing
Met de paper piecing techniek naai ik de stroken alternerend van kleur. Ik naai met steeklengte 1,5 mm op de zwarte horizontale lijnen. Daar waar de fluostift zit, naai ik met een grotere steeklengte ( 3 mm ), later zie je waarom. Na iedere lijn wordt de naad direct bijgesneden tot 0,5 à 0,75 cm. De strook wordt omgeplooid en met de nagel wordt over de naad gegaan. Opletten voor valse plooien, de naad moet goed opengemaakt zijn !!!
Dit patroon doe ik tweemaal volledig op identieke wijze, dus bij ieder patroon beginnend bv. met zwart en in dezelfde richting het geheel opbouwend. Bij draaien van één van de basispatronen, kom je dan automatisch aan de gewenste tegengestelde naadrichting, wat handig uitkomt verder in de techniek. Verder noem ik die 2 basispatronen : stof A en stof B.
Eens de stroken genaaid, stik ik nog eens net buiten de tekening, zodat alle stof goed vast zit ( steeklengte 3 mm ).
Ik overstik nauwkeurig alle cirkels van het basispatroon met een stiksteek met steeklengte 3 mm.
De gestikte cirkels zijn slechts hulplijnen, maar wel heel praktische:
- door de grootte van de steken zijn deze, later in de techniek, makkelijk terug uit te halen.
- de gaatjes die dan achterblijven in het papier zijn een hulp bij het appliquéren. Je voelt als het ware met je naald of je juist zit.
- de gaatjes in het papier zijn ook een hulp bij het wegscheuren van het papier tot de cirkellijn.
- het ganse patroon blijft door de gestikte cirkels mooi op zijn plaats en kan niet vervormen tijdens het manipuleren.
- je bent op die manier zeker dat wat je gaat appliquéren ook juist zal zitten, qua vorm, qua middelpunt, enz… Dit alles is van essentiëel belang bij deze techniek.
Nu komen we aan de volgende fase: Het appliquéren
Als je werkt zoals ik met een vierkante vorm als basis, neem je stof A zoals die nu is.
Stof B wordt nu gebruikt voor de eerste te appliquéren cirkel ( de buitenste, want we werken van buiten naar binnen ).
Het papier aan de achterkant, buiten de buitenste cirkel wordt weggehaald.
Als je met je naald eens over de stiklijn gaat, scheurt het papier zeer makkelijk.
De naadwaarde wordt bijgeknipt, beter 0,75 dan 0,50 cm.
Ik plooi de randen om en drieg ze vast, er goed oplettend dat de stiksteken mooi aan de rand van de cirkel zitten. Dat driegen heb ik gedaan omdat ik vooraleer te apliquéren, nu beetje bij beetje, de hulpcirkels uithaal met een tornmesje. Omdat het geheel wat steviger is dankzij het driegen, riskeer je minder dat je naden lostrekt of vervormt.
Zo wordt de eerste volledige cirkel geappliquéerd.
Bij de overgangen van zwart naar wit probeer ik de “ puntjes “ goed te verzorgen.
Eens de eerste volle cirkel geappliquéerd, snij je het teveel van stof A aan de achterkant op 0,5 mm à 0,75 mm van de genaaide cirkel weg.
De stof die je achteraan weghaalt, is nu juist datgene wat je nodig hebt aan de voorkant, voor de tweede volle te appliqueren cirkel. Soms zitten stukjes stof aan de uitgesneden cirkel die eigenlijk niet hoeven. Ik haal ze er wel af, vandaar het stikken met grotere steeklengte in de met de viltstift gemarkeerde zones.
Omdat de afgewerkte concentrische cirkels hier op een afstand van 1,5 cm van elkaar liggen, is er hier geen stofverlies.
Na opnieuw weghalen van papier buiten de buitenste cirkel van dit nieuwe stuk stof, kan je de tweede volledige cirkel appliquéren.
We herhalen keer op keer deze manier van werken tot alle cirkels op hun plaats zitten. Dus in totaal worden 6 concentrische volle cirkels keer op keer geappliquéerd.
Langzamerhand komt het totale patroon op zijn plaats ( zie foto's werkstuk 1-2 ).
|

|