W.J. Maryson
Het vierde zwaard: Fiander.
De gebeurtenissen raken in een stroomversnelling. Tot ontsteltenis van alle betrokkenen wordt het elfenzwaard, Fiander, plotseling ontvreemd. Gevreesd wordt dat het in de handen is gevallen van de Zwarte Heer, Yrroth. Goede raad is duur. Intussen ontdekt D' Anjal- voorheen Jill geheten - tijdens een van zijn droomreizen van wat, en vooral van wie, hij de Erfgenaam is. Tevens moet hij opnieuw met magische middelen strijd leveren tegen de zo gevreesde Kartha. Maar er gebeurt meer. Zo worden tijdens het Convent van Bregaua afspraken gemaakt die moeten leiden tot een
gezamenlijke aanval van alle goedwillende op de legers van de Zwarte Heer, en doemen er mysterieuze wezens uit een ver verleden op ...
Een passage :
De gebieder van Gormorod bevond zich in een grottenzaal waarvan alleen hij en zijn vader het bestaan kende. Ver van Voldsorch en Souminu Sovoch, ergens onder de bergen die Gormorod van de naargeestige klooflanden in het zuidoosten scheidden.
De plaats heette Lyd. Dat betekende, zowel in het Soalv als in het Orch's, nacht. Het was een toepasselijke naam omdat rondom de diepe kloof waarin de grot zich bevond bergtoppen oprezen die niet eens de weerschijn van daglicht op de bodem van het ravijn toelieten.
Zelfs Vy en Kartha, de enige wezens die hij tot op zekere hoogte vertrouwde kwamen hier nooit. Dit was zijn geheim, ontdekt dankzij een van zijn schaarse versprekingen van zijn vader.
Hij was deze weg alleen gegaan. Dagenlang had hij gewikt en gewogen. In het besef dat het tijd werd om zich daadwerkelijk met de strijd te bemoeien. Maar het kiezen van het geschikte moment was zoals zovaak van doorslaggevende betekenis. Het wankele machtsevenwicht op Aidèn was misschien al ver genoeg in zijn voordeel doorgeslagen. Het had er immers alle schijn van dat hij spoedig het Spoor, de steden en alle andere gebieden van belang zou bezitten. Op de plekken waar energielijnen samenkwamen had hij een sterke toename van magische activiteit waargenomen. Er naderde een knooppunt in de tijd en er diende zich een samenballing van toverij aan. Beide krachten groeide onverwacht snel in
intensiteit. Hij mocht geen ogenblik meer verspillen, er moest worden gehandeld. Rymles boek had hem de sleutel verschaft. Yrroth lachte inwendig. Als de grote tovenaar dat ooit te weten zou komen!
Op deze plaats kon hij zijn overwicht dramatisch vergroten door de proef van ondeelbaarheid met succes te volbrengen. Als ondeelbare zou hij door niets of niemand kunnen worden vernietigd, behalve wellicht door het zwaard C'hart in handen van de Erfgenaam. Maar het wapen uit de legende bestond niet en zou ook nooit bestaan zolang hij Rastoth in zijn bezit had.
De tweede mogelijkheid was dat er een andere Ondeelbare zou opstaan, maar niemand kende de weg naar ondeelbaarheid.
Hij ging er vanuit dat hij, als hij zou slagen voor de proef, ook het Ermonzwaard zou kunnen losmaken uit de rotsen in Souminu Sovoch. En eenmaal in het bezit van dat zwaard kon hij de Erfgenaam vernietigen. Hij had een voorsprong op zijn tegenstrever: hij bezat kennis die de Ene ontbeerde. Hij wist meer over zijn eigen wezen en wortels die hem met het verre verleden verbonden.Hij wist wie hij was, iets wat de Erfgenaam nog maar pas bezig was te ontdekken. En die ontdekkingstocht zou
binnenkort krachtig worden gedwarsboomd. Een aantal van zijn stemmen zette een gorgellach in. Plotseling vervuld van sombere gedachten trad hij achteruit, hees zijn enorme lichaam op een
zeshoekige verhoging van grijze brokken basalt en liet zich, veelstemmig zuchtend, op een brede zetel van zwart met rood dooraderd marmer zakken. Enkele schemerfakkels verspreidde blauw licht.
'HA' DE ERFGENAAM BEHEERST DE TOEKOMST, MAAR WIJ HEBBEN HET VERLEDEN IN ONZE MACHT. HET VERLEDEN IS TASTBAAR EN DE TOEKOMST IS 0NGRIJPBAAR. HAHA.'
Opnieuw zwegen de meerdere stemmen,veel te snel naar zijn zin. Een woede die te groot was voor deze ruimte spoelde als door een door storm voortgejaagde golf door zijn brein, maar hij wees elke vorm van emotie terug. De stilte van het gesteente rondom hem sloop zijn gedachte binnen. Yrroth knikte langzaam, tastte in zijn binnenste en bracht een proces op de gang dat veel weghad van de droomreizen die D'Anjal ondernam.
Degene die daar gevoelig voor was, zou alleen hebben ontdekt, dat de richting die hij daarbij insloeg een andere was.
Het bewustzijn van Yrroth, dat honderden aanwezigheden omvatte, bewoog door een schemerige wereld vol nevelflarden en schaduwen. Een wirwar van hellingen, stenen, rotsen en kloven werd doorstoken door een pad van vier passen breed, dat een kloof indook. Op de bodem van de kloof liep een kronkelpad een smallere kloof in. Yrroth wist dat het dag was, maar op deze plek had de nacht de wereld in het bezit genomen. Aan het eind van het pad werd een bouwwerk zichtbaar dat was opgetrokken uit ruw, donker gesteente. Vier lompe ronde torens van veertig passen hoog, zonder venster of zonder raamnis, flankeerde een achthoekig gebouw. In elke toren hing een zwart bronzen klok.
Een koepeldak rustte op vier brede pilaren die tussen de torens stonden. Op deze plaats zouden weinig normale wezens het lang hebben uitgehouden, want hoewel er nergens iemand te bekennen was, loerde achter elk rotsblok en uit elke nis ogen die het daglicht meden. En al die blikken behoorde een wezen toe.
Er was een zichtbare toegang: een brede dubbele deur zonder deurkruk. Yrroth gleed op de deur af. Een klok sloeg vier keer. Het
dissonanten geluid zou alles wat harmonie bezat hebben getart, maar harmonie was hier afwezig. De deuren zwaaiden krakend open en onthulden een gapende duisternis. Een stem uit de aarde drong door tot in zijn droom.
" JAYRAATH ASSYRUM. "
De twee woorden rolden als brokstukken van een grote steen door de kloof. Een tweede klok liet zich horen, schril en atonaal.
" JAYRAATH LOYGUUM TAR. "
Opnieuw wrongen de woorden zich tussen de hoogoprijzende bergmuren door en stierven weg. De derde klok dreunde met twee dicht langs elkaar schurende bastonen. De kloof schudde en er verschenen scheuren in de muur.
" JAYRAATH YAZULAY SUUM. "
Dit waren de woorden zonder echo of galm die, meteen nadat ze waren uitgesproken wegstierven. De vierde klok wiegde heen en weer, krakend aan zijn balk. Een toon bleef uit, maar de lucht om Yrroth heen kolkte wild. Een schaduw kwam over de bergtoppen aanjagen en nam de kloof in bezit. Het werd aardedonker. Een hese stem, vlak naast Yrroth, fluisterde:
" JAYRAATH SUUM JAYRAATH. "
In de volslagen duisternis manifesteerde zich een vlek die intens zwart was. Een aanwezigheid, iets, gluurde door een kier van de werkelijkheid. Yrroth schoof erheen. Het zwart- in- zwart, de vlek, schokte achteruit. Yrroth wist dat hij nu in het gebouw stond. Ooit had hij maanden doorgebracht in duisternis, alvorens de aanwezigheid tegemoet te durven treden. Dat lange verblijf in het donker had ham in staat gesteld alle denkbare en ondenkbare nuances van grijs en zwart te ontwaren. Maar ditmaal ontbrak daarvoor de tijd. Hij kende geen angst. Hij was hier tweemaal eerder geweest en hij wist wat hem te wachten stond, alleen kende hij deze keer de afloop van de gebeurtenissen niet. Achter hem knarste de deuren in hun zware scharnieren en sloegen dicht. Een golf van kou wervelde om hem heen. Het zwart- in - zwart bewoog, kwam iets dichterbij. Een tinteling voer door Yrroths geest, maar nog altijd dwong hij zichzelf tot kalmte. Angst, als het zich manifesteerde, had met licht te maken, niet met deze vertrouwde duisternis. Zijn ogen pasten zich snel aan het diepe duister aan. De vlek nam de vorm van een reusachtige wendelworm aan.
" DURUUM. SPREEK. "
De stem omvatte hem, daverde door hem heen en rukte aan alle kanten aan zijn samenhang. De entiteit, van wie Yrroth slechts een van zijn vele namen kende, sprak eerst in gedachtetaal, maar schakelde na een ogenblik van stilte over op een oude variant van het Orc'hs. Het woord drong door tot in elke hoek van Yrroths geest. Er vlak achteraan glipte een overweldigende macht tussen zijn gedachten door. Bijna elk ander wezen op
Aiden zou krijsend van waanzin zijn weggerend met maar een doel: zo ver mogelijk van dit godvergeten oord geraken. Yrroth huiverde, trok de teugels van zijn zelfbeheersing strak aan, en zei zonder een spoor van trilling in al zijn stemmen:
" ASC' HMON. ONDEELBARE. "
Het noemen van die naam, de enige naam waaronder hij het wezen kenden, bezorgde hem een sensatie alsof alles in hem bevroor. Voor het eerst sinds eeuwen trok een diepe rilling sporen van onnoemelijke kou door zijn geest.
" DURUUM "
" ONDEELBARE, JAYRAATH VRAAGT OM DE PROEF. OP DEZE PLAATS, IN DIT TIJDPERK? "
Een lange stilte, waarin het zwart - in - zwart dichterbij kwam.
" T'EHR YNKHAR RO. ZO ZAL HET GEBEUREN. ALS JE SLAAGT ZUL JE MIJN GELIJKE ZIJN. NIETS BOVEN MIJ, NIETS BOVEN JOU. ONDEELBAAR JOUW SAMENHANG. MYLEK REGEERT, JAYRAATH REGEERT MET HEM. "
![]()
14-12-2002 18:19:31