Functie van de muziek

Inleiding

Muziek had in de oudheid een heel andere functie dan nu. Muziek had vooral een begeleidende functie, maar was wel erg belangrijk. Muziek was een essentieel onderdeel van het leven. Het Griekse woord voor muziek, moesikè technè, dat "Muzenkunst" betekent, omvatte poëzie (dichtkunst), harmonie (muziek) en ritme (dans). Muziek was altijd bedoeld als begeleiding of bij zang, of bij dans; zuiver instrumentale muziek bestond niet. De begeleiding volgde de melodie en speelde af en toe een noot die afweek van de zang, maar begeleiding en zang waren overwegend monofoon. Poëzie en dans waren niet los van muziek te zien: de dichters waren tegelijk componist en omgekeerd. Muziek was ook niet los van godsdienst te zien: bijna elke muziekuitvoering was ter ere van een god.

Ook tijdens sportfeesten (die ter ere van de goden werden gehouden) werden de atleten begeleid met muziek. De atleten moesten aangevuurd worden, dus werd de aulos (zie dubbelhobo) veel toegepast. Ook gaf de muziek vaak het ritme aan, waarop atleten zich bewogen, en werden dus relatief veel slaginstrumenten gebruikt. De musici zelf namen deel aan musische wedstrijden die eens in de vier jaar in verschillende plaatsen werden georganiseerd. Die spelen heetten hetzelfde als de sportfeesten die in de plaatsen gehouden werden: de "Panathaeën" in Athene, de "Olympische Spelen" in Olympia, de "Karneia" in Sparta en de "Pythische Spelen" in Delphi.

Muziek in het onderwijs

De muziekleraar leerde de (rijkere) kinderen de kunst van de lier, de fluit en de citer. Omdat er geen muziekpartituren bestonden, werd dit onderricht gegeven op gehoor en ook zo ingeoefend. Maar niet alleen het leren spelen was van belang, ook moest men de invloed van de Muzen ondergaan door te luisteren naar muziek. Als een meisje muzieklessen had gevolgd, verhoogde dat zeker haar kansen op de huwelijksmarkt.
Het leven van de burger werd namelijk helemaal bepaald door de muziek: de atleet oefende op het ritme van de muziek (zie inleiding), de arbeider werkte op de toon van één of andere melodie, het kind leerde al zingend, de krijger bestormde zijn vijand bij het zingen van een lofzang, het bestaan van gevangenen werd verzacht door de muziek. Misschien verschillen de liefhebbers van de moderne "walkman" wel niet zoveel van hun Griekse voorouders.
De Grieken wisten dat ze hun eerste kennismaking met de muziek te danken hadden aan hun buren uit Thracië, want de legende van Orpheus en Euridike en de eredienst van Dionysus waren inderdaad afkomstig uit dat land.

Plato over "muziek"

De filosoof Plato leefde van ca. 429 - 347 v.Chr. Hij was een leerling van Socrates en schreef in de vorm van dialogen waarin Socrates de hoofdpersoon is. Socrates vertolkt hierin Plato's eigen mening. In deze dialogen bespreekt Plato tamelijk vaak de muziek. Plato schreef muziek een zeer belangrijke rol toe: muziek was niet zozeer een kunstuiting, maar een middel tot vorming van de harmonische mens; door muziek kon men een beter mens worden. Muziek was een middel bij de opvoeding tot de ideale mens en staatsburger. Samengevat heten deze denkbeelden de ethosleer (afgeleid van het Griekse ethos, wat "volk" betekent). De ethosleer bestond al veel langer, maar Plato heeft de ideeën verder uitgewerkt.

  1. Kinderen moesten leren zichzelf te begeleiden bij zang: de snaarinstrumenten waren daarvoor dus uitermate geschikt, want met een snaarinstrument konden ze tegelijkertijd zingen en spelen. Als ze dat hadden geleerd, hoefden ze niet verder te leren: Plato was een fel tegenstander van briljantheid op een instrument, dat was nergens voor nodig, dat tastte de eenheid muziek-dans-poëzie aan.
  2. Kinderen moesten ook veel met muziek in aanraking komen, maar wel met de juiste muziek. Plato had namelijk uitgesproken denkbeelden over muziek met een positieve en muziek met een negatieve invloed: respectievelijk Apollinische en Dionysische muziek. Hij was een tegenstander van grote en vergrote instrumenten, waarmee je in alle toonsoorten kon spelen. Deze instrumenten waren een nabootsing van de aulos, een instrument met veel tonen, waarmee je in veel toonladders kon spelen. En de aulos was een minderwaardig instrument. Bovendien waren er veel toonladders met een verkeerde uitwerking, waarin dus eigenlijk niemand zou moeten spelen. De lier en kithara waren de enige bruikbare instrumenten, volgens Plato. Op het platteland mochten de herders de panfluit bespelen, omdat zij nu eenmaal niet beter wisten.

Aan de verschillende toonladders kende Plato verschillende werkingen toe:

 

De Dorische toonladder zou een positieve invloed op de mensen hebben, die maakte de mens evenwichtig. De Dorische toonladder was dus ideaal voor de opvoeding.

 

De Phrygische toonladder wekte de mens op tot dapperheid en had ook Plato's voorkeur.

 

De Mixolydische toonladder diende voor klaagzangen, en was dus onbruikbaar, want de mens moest zich gepast gedragen en zich niet overgeven aan klaagzangen.

 

De Ionische en de Lydische toonladder werkten verslappend en waren dus ook verwerpelijk.

Ook over stemmingen had Plato zijn oordeel klaar: er waren 3 verschillende stemmingen: de diatonische, de entharmonische en de chromatische stemming. Van deze drie stemmingen vond Plato maar één stemming passend bij een Griek, namelijk de diatonische stemming. Omdat deze stemming slechts 2 toonladders bevatte, keurde Plato met andere woorden niet minder dan 19 toonladders af, omdat deze enkel door hem als "minder Grieks" werden aangevoeld !

 

 


vorige   top