Was de muziek in de Griekse Oudheid monofoon of heterofoon ?
In het algemeen wordt er van uit gegaan dat de muziek in de Griekse Oudheid monofoon was: alleen de melodie werd gespeeld, er waren geen ondersteunende akkoorden. De enige samenklank die kon ontstaan, was het octaaf wanneer mannen en vrouwen samen zongen. De meeste bronnen lijken te onderstrepen dat de muziek monofoon was. De paar fragmenten tekst met muziektekens lijken monofonie ook te ondersteunen: bij iedere lettergreep hoort één muzikaal teken, en dus met andere woorden ook één noot.
In enkele bronnen komt echter het verschijnsel heterofonie naar voren:
Aristoteles heeft het over twee snaren, waarvan de laagste de melodie heeft,
en waarvan de hoogste dus iets anders speelt. Dit wijst op een vorm van meerstemmigheid,
misschien op heterofonie.
Als "bewijs" voor het bestaan van heterofonie kunnen vele gevonden illustraties
aangevoerd worden. Op vele plaatjes van mensen met een snaarinstrument bevinden
de handen zich op verschillende snaren. Dat is op twee manieren te verklaren:
|
|
|
Deze tweede mogelijkheid is echter minder waarschijnlijk: uit de gevonden muziekfragmenten blijkt dat de meeste melodieën stapsgewijs (met secundesprongen) verliepen, zoals ook nu meestal het geval is. Er zaten geen grote sprongen in de melodie. Sprongen van een kwart of hoger kwamen niet al te vaak voor. Als men naar de handen op de illustraties kijkt, liggen die dikwijls ver uit elkaar, met sprongen van een kwart of kwint. Het is dus waarschijnlijk, dat er heterofonie werd toegepast.
Op het eerste gezicht zou ook de aulos een goed bewijs voor het bestaan van meerstemmigheid zijn: de aulos bestond immers uit twee buizen, en waarom zouden er twee buizen zijn, als er toch alleen eenstemmig gespeeld werd? Afbeeldingen op Griekse vazen laten echter zien dat men vrijwel altijd de handen in dezelfde stand had staan. Het verschil in de twee buizen zat waarschijnlijk in de rietjes, waardoor de buizen toch allebei een verschillende klank hadden. Door twee buizen tegelijk te bespelen, zou de klank voller worden. Op enkele illustraties van aulos-spelers staan de handen in verschillende standen. Die illustraties stammen echter uit de tijd van het hellenisme, uit de tijd dat er nieuwe muzikale ideeën ontstonden en veel met muziek werd geëxperimenteerd. In het algemeen werd er op de aulos monofoon gespeeld.
Ik duid er echter op dat deze bewijzen gestaafd zijn op het idee dat de afbeeldingen die teruggevonden zijn, gespiegeld waren aan de werkelijkheid en dus volledig waarheidsgetrouw werden nagemaakt.