Pythagoras
Inleiding
Waarom besteed ik aan Pythagoras een heel hoofdstuk en aan andere filosofen niet? Dat doe
ik, omdat Pythagoras niet zomaar een paar theorieën over muziek heeft opgesteld, maar de
basis heeft gelegd voor muziek in de Griekse Oudheid. Andere filosofen hebben zijn theorieën
aangepast, overgenomen of verworpen, maar de ideeën van Pythagoras waren zo belangrijk,
dat ze er wel aandacht aan moesten besteden. Het toonsysteem van Pythagoras was weliswaar
niet perfect, maar dat is later dan ook verbeterd door anderen. Pythagoras was de eerste,
die zich aandachtig met muziektheorie heeft beziggehouden, en tot op vandaag worden zijn
theorieën nog gebruikt. Vóór Pythagoras werd ook muziek gemaakt, maar Pythagoras legde een
wetenschappelijke basis. Voor mij zijn dat genoeg redenen om zoveel aandacht aan Pythagoras
te schenken.
Pythagoras: de filosoof
Pythagoras werd ca. 570 v.Chr. geboren op het eiland Samos. In die tijd heerste de
tiran (niet negatief bedoeld, in de strikte zin van het woord, dus een letterlijke
"alleenheerser")
Polykrates over het eiland. Om aan hem te ontsnappen, verliet
Pythagoras ca. 530 v.Chr. het eiland en vestigde zich in Kroton, een plaatsje in
Zuid-Italië. Zijn toespraken maakten veel indruk en al gauw had hij een groep van
ongeveer 300 mensen om zich heen verzameld, de Pythagoreeërs. Hoewel zij de Pythagorese
school genoemd werden, waren zij een sekte. Zij leefden samen als een sekte, volgens
strenge voorschriften, afgescheiden van de rest van de wereld, met Pythagoras als
autoritaire leider. Binnen in de sekte gold een spreekverbod: geen van de leden mocht
aan buitenstaanders iets over de leer meedelen. Daarom is alle informatie over
Pythagoras secundair en is het moeilijk te bepalen, welke theorieën van hem, en welke
van zijn volgelingen afkomstig zijn. Pythagoras werd door latere filosofen zo bewonderd,
dat er waarschijnlijk ook theorieën aan Pythagoras toegeschreven zijn, die totaal niet
van hem afkomstig zijn. Wat wel bekend is, is dat Pythagoras als eerste het woord
"filosoof" (afkomstig van het Griekse filosofos, wat letterlijk vriend van de wijsheid
betekent) gebruikte, om zichzelf te bestempelen. Hij had een geweldig grote eigendunk;
hijzelf was het beste wat de wereld ooit was overkomen. De wereldbevolking bestond uit
twee soorten mensen: de akousmatici en de mathematici. De akousmatici waren mensen die
wel konden luisteren, maar niet konden begrijpen - niet in de wieg waren gelegd voor
wiskunde. De tweede groep mensen, de mathematici, bestond uit mensen die konden
luisteren en begrijpen. Deze groep mensen was zeer klein, hoewel er wel een redelijk
grote groep was van mensen die probeerden een mathematicus te worden. Pythagoras
beschouwde zichzelf uiteraard wel als een mathematicus.
Pythagoras: de canonicus
Pythagoras is vooral bekend geworden door zij "Stelling van Pythagoras" (bij een
rechthoekige driehoek is de som van de kwadraten van de rechthoekszijden gelijk aan het
kwadraat van de schuine zijde, of a²+b²=c²), maar hij heeft meer gedaan. Het bijzondere
aan hem was, dat hij alles wiskundig bekeek: getallen fascineerden hem. Hij probeerde de
hele wereld te verklaren met wiskundige figuren en getallen (alleen de natuurlijke
getallen, dus 1,2,3,4). Ook muziek bestond volgens hem uit getallen: hij ontdekte dat de
hoogte van een toon evenredig is met de lengte van de snaar, en wist intervallen in
getallen uit te drukken. Muziek was voor het niets meer dan een opeenvolging van
getallen. Pythagoras was de eerste
canonicus: iemand die muziek wiskundig wilde
verklaren. De tegenhangers van de canonici zijn de harmonici, de mensen die muziek met
het oor willen verklaren. Pythagoras heeft veel theorieën over muziek ontworpen, waarvan
de belangrijkste het Pythagorese toonsysteem en de theorie over de harmonie der sferen
zijn. Pythagoras heeft een grote invloed op muziek in de Griekse Oudheid gehad, en hij
had vele navolgers die zijn theorieën verder uitgewerkt en aangepast hebben (bijvoorbeeld
Aristoteles en Arestoxenos). Ondanks het spreekverbod binnen de Pythagorese sekte is
via zijn (voor een groot deel Griekse) volgelingen veel bekend geworden over zijn
theorieën, en vanaf ongeveer 400 v.Chr. werd door beroepsmusici overwegend de
Pythagorese stemming gebruikt.
De harmonie der sferen
De Pythagoreeërs waren gefascineerd door het heelal, de kosmos, en hadden dan ook
uigesproken theorieën over de manier waarop het heelal in elkaar zat. Volgens hen was de
kosmos niet oneindig, maar eindig. De kosmos was een overzichtelijk, begrensd geheel. Alle
kosmische processen verliepen met een bepaalde regelmaat, die uit te drukken was in
getallen en wiskundige figuren.
Volgens de Pythagoreeërs bestond het heelal uit drie gebieden:
-
Het gebied dat het verst van het centrum van het heelal vandaan lag, noemden ze Olympos,
waar de goden woonden en de sfeer van de
sterren was (het Griekse sfaira betekent letterlijk "bal"). De sterren draaiden om het
centrum van de kosmos, het centrale vuur. Buiten Olympos was niets.
-
Het tweede gebied was dat van de sferen van de toen bekende planeten: Saturnus, Mars,
Venus en Mercurius. Ook de planeten cirkelden om het centrale vuur.
-
In het derde gebied draaiden de zon, maan en de aarde. De Pythagoreeërs waren de eersten
in Europa, die de aarde als bol zagen. Het middelpunt van het heelal was volgens hen een
onzichtbaar vuur, de "haard van het heelal".
De Pythagoreeërs hechtten veel waarde aan het getal tien; ze waren ervan overtuigd dat:
|
|
* 1 = punt
|
|
|
* 2 = lijn
|
|
|
* 3 = vlak
|
|
|
* 4 = lichaam
|
Omdat 1+2+3+4 = 10, moest 10 wel een volmaakt getal zijn, en dus moest het heelal, gezien
zijn volmaaktheid, wel 10 hemellichamen bevatten. De sfeer van de sterren telden zij als 1,
ze kenden 5 planeten + de zon, maan en aarde = 9 hemellichamen (het centrale vuur was
onzichtbaar en telde dus niet mee). Omdat er maar 9 hemellichamen zichtbaar waren,
verzonnen ze een tiende, de tegenhanger kon dus niet gezien worden door de mensen.
Alle tien hemellichamen brachten door de cirkelbeweging een toon voort. De hoogte van die
tonen was afhankelijk van de afstand tot het centrale vuur: hoe dichterbij, hoe lager de
toon. Deze klanken werden de harmonie der sferen of de muziek der sferen genoemd. Normale
mensen horen deze muziek niet, omdat ze er vanaf hun geboorte door omringd zijn en niet
meer weten hoe het zou zijn als het geluid er niet meer zou zijn, maar Pythagoras claimde
deze hemelse muziek wel te horen en ervan te genieten. Alle muziek op aarde was volgens
hem een nabootsing van de muziek der sferen.
De natuurlijk-harmonische stemming
De natuurlijk-harmonische stemming is een stemming, die niet meer gebruikt wordt. De
natuulijk-harmonische stemming is volkomen rein: alle intervallen klinken zonder zweving.
De natuurlijk-harmonische stemming volgt uit de boventonenreeks (ook wel natuurreeks
genoemd). De intervallen bestaan uit simpele verhoudingen. De stemming van de kruisen
en mollen hangt van de toonsoort waarin gespeeld wordt af en is dus nogal willekeurig.
Iedere keer dat je dus van toonsoort wilt wisselen, moet je instrument opnieuw gestemd
worden.
Het gelijkzwevende systeem
Het toonsysteem dat tegenwoordig gebruikt wordt is het gelijkzwevende toonsysteem: het rein
octaaf is in twaalf gelijke delen van een halve toon verdeeld. Hoewel de priem, kwart
en kwint als "rein" bestempeld worden, zijn ze het niet: in het gelijkzwevende toonsysteem
is alleen het rein octaaf volkomen rein. Het gelijkzwevende toonsysteem is een compromis
om maar in alle toonsoorten te kunnen spelen, zonder iedere keer het instrument opnieuw
te moeten stemmen. Het gelijkzwevende toonsysteem is echter niet zuiver, maar "gelijkmatig
vals" gestemd. Omdat wij aan dit systeem gewend zijn, klinkt het voor ons niet meer vals.
Er bestaan vele verschillende toonsystemen, waarvan het Pythagorese er één is. Al deze
systemen hebben een ander uitgangspunt: Pythagoras ging uit van de reine kwint en wilde
de andere intervallen wiskundig berekenen. Zijn reine kwint was niet dezelfde als
de huidige "reine" kwint. Pythagoras' reine kwint was groter dan de onze, en volkomen
rein (uit de boventonenreeks). De huidige "reine" kwint is getempereerd en dus niet
volkomen rein.
Het Pythagorese toonsysteem
De reine kwint en het rein octaaf
Pythagoras ontdekte dat verschillende tonen zich op een bepaalde manier tot elkaar
verhouden. Hij ontdekte dat, wanneer je de lengte van een snaar halveert, de nieuwe
ontstane toon een (rein) octaaf hoger is dan de oude toon. De hele snaar verhoudt
zich dan tot het ingekorte deel als 2:1. Hij ontdekte dat de hoogte van een toon
evenredig is met de lengte van de snaar. Hij ontdekte ook dat, om een reine kwint
te bekomen, de verhouding van de hele snaar tot het ingekorte deel 3:2 moet zijn.
Het Pythagorese toonsysteem is gebaseerd op reine octaven en reine kwinten: met
behulp van deze twee intervallen kon Pythagoras ook alle andere intervallen berekenen.
Pythagoras' intervallen
Pythagoras heeft alle intervallen berekent met kwint- en octaafafstanden. Hij kwam op de
volgende verhoudingen:
|
Reine priem
|
1 : 1
|
|
Kleine secunde
|
256 : 243
|
|
Grote secunde
|
9 : 8
|
|
Kleine terts
|
32 : 27
|
|
Grote terts
|
81 : 64
|
|
Reine kwart
|
4 : 3
|
|
Overmatige kwart
|
729 : 512
|
|
Verminderde kwint
|
302 : 215
|
|
Reine kwint
|
3 : 2
|
|
Kleine sext
|
128 : 81
|
|
Grote sext
|
27 : 16
|
|
Klein septiem
|
16 : 9
|
|
Groot septiem
|
243 : 128
|
|
Rein octaaf
|
2 : 1
|