Home


denko-logoNatuurbehoud en Evolutie

een denkologische benadering

INHOUD :


In Recht op Luiheid behandelde ondergetekende de denkologische aspecten van de relatie tussen de mens en zijn werk. Hoewel uitermate waardevol, was deze uiteenzetting toch onvolledig. Er werd namelijk geen aandacht besteed aan de invloed van de mens en zijn werk op de omgeving, het milieu.

Eén van de aspecten van deze invloed is het verschijnsel dat omschreven kan worden als pollutie, milieuvervuiling. Soms wordt er zelfs gesproken van 'verstoring van het natuurlijk evenwicht', en er worden acties ondernomen om er iets aan te doen. Deze emotionele reactie (Red de panda! Leve de zeehond! Alle macht aan de kakkerlak! …) is, hoewel begrijpelijk, onnatuurlijk, ja zelfs tegennatuurlijk te noemen.

Natuurlijk Evenwicht

De natuur volgt namelijk haar eigen weg. Toen een aantal jaren geleden de dinosauriërs uitstierven, hetzij omdat zij niet aangepast waren aan de veranderende klimatologische omstandigheden, hetzij door concurrentie van andere levensvormen, of om andere redenen (aids ? longkanker ? zie ook hier), was er geen enkele andere diersoort die zich geroepen voelde daar iets aan te doen. En ze hadden gelijk : voor hen was het leven veel gemakkelijker zonder Sauriërs. Voor ons, mensen, trouwens ook. Denk alleen al aan de verkeersproblemen die die wezens zouden kunnen veroorzaken.

Het verdwijnen van diersoorten is dus een natuurlijk proces, en dus ecologisch, denkologisch en evolutie-biologisch verantwoord : wie niet is aangepast aan de omstandigheden sterft uit, de rest blijft leven, en veranderd door zijn activiteiten de levensomstandigheden, waardoor bepaalde diersoorten het makkelijker krijgen, en andere in de problemen komen of zelfs uitsterven. En de evolutionaire biologie vaart er wel bij. Dat is natuurlijk evenwicht.

Een voorbeeld. Neem een braakliggend stuk grond, en laat het liggen. Op een dag (welke dag dat is doet er niet toe, al bestaan er een meer dan 14.85% waarschijnlijkheid dat het een dinsdag was - zie ook Genesis 1.1), ontstaat op dit stuk grond leven, in de vorm van pionierplantjes, de enige planten die op zo'n stuk grond kunnen overleven : varens, of een bloemetje zoals het herdestasje. Omdat ze geen concurrentie hebben, palmen ze het stuk grond volledig in. Gedurende hun leven onttrekken ze stikstof aan de lucht. Als er een plantje sterft komt die stikstof in de grond terecht. Daardoor wordt die grond rijker aan stikstof, en daardoor minder geschikt voor pionierplanten, maar beter geschikt voor andere, zogenaamd 'hogere' planten. De pioniersplanten hebben - in een volkomen natuurlijk proces - hun milieu zo "vervuild" dat ze moeten concurreren met andere planten, een strijd die ze gewoonlijk verliezen.

Deze nieuwe soorten die de pioniersplanten verdreven hebben, sterven ook wel eens, komen in de grond terecht als kompost en humus, en bieden zo een voedingsbodem voor bijvoorbeeld bomen, die een bladerdak vormen, dat zonlicht tegenhoud, waardoor de andere planten uitsterven door gebrek aan licht.

Dat is dus het natuurlijk evenwicht : een situatie die door natuurlijke activiteit verstoord wordt zodat er een nieuwe situatie ontstaat die eigenlijk even natuurlijk is.

En zoals het herderstasje zijn milieu ten gevolge van natuurlijke activiteiten zoals eten en zich voortplanten, zo vervuild dat het er zelf van uitsterft, zo ook vervuilt de mens zijn milieu door louter natuurlijke activiteiten zoals eten, zich beschermen tegen de kou, enz.

En zo speelt de mens, net als de andere levensvormen, zijn rol in het natuurlijk evenwicht.

Evolutie

Zwaluwen zijn ook geen vegetariërs, termieten bouwen flatgebouwen, mollen graven tunnels, bevers bouwen dammen waarbij hele vlakten onder water gezet worden. Uiteraard wordt hierbij wel eens een boom omgeknaagd.

De mens doet eigenlijk ook maar alleen dat, maar de invloed van de mens op zijn omgeving is beduidend groter dan die van pakweg het pantoffeldiertje.

Dat de mens op grotere schaal te werk gaat en gebruik maakt van meer gesofisticeerde hulpmiddelen, is slechts een gevolg van de evolutie : het toont aan dat de mens er in geslaagd zich te handhaven; en een efficiënte manier gevonden heeft om de soort te laten oerleven. God, Darwin en het WWF kunnen tevreden zijn.

En dat de mens uiteindelijk zijn omgeving uiteindelijk zo veranderd dat de mens zelf uitsterft, is uiteindelijk een even natuurlijk proces als het herderstasje dat plaats maakt voor de appelboom, of de dinosaurus die, ondanks een goed ontwikkelde dinosauruscultuur, plaats maakt voor zoogdieren.

Plaats en Betekenis van de Dinosuariër in de Denkologie

Eén van de redenen dat dinosauriërs al uitgestorven zijn en de mens nog niet, is dat ze vroeger begonnen zijn. Ze hebben er ook hun tijd voor genomen. Maar ze zijn uiteindelijk wel verdwenen. Ze waren namelijk niet erg flexibel, en toen ze voor de keuze kwamen te staan tussen zich aanpassen of vertrekken …

In evolutionaire termen : door natuurlijke selectie blijven alleen die soorten over die passen in de huidige omstandigheden. De eenvoudigste, maar weinig flexibele, en heel tijdrovende methode om zich aan te passen aan de omstandigheden is het ontwikkelen van gespecialiseerde lichaamsfuncties, zoals klauwen, slurven, vleugels, slagtanden, enz.

De mens koos voor de meer flexibele oplossing : stokken, stenen, vliegdekschepen, e.d. Waar dolfijnen en walvissen er generaties over deden om een aangepaste ademhalingstechniek te ontwikkelen om in het water te kunnen overleven, bouwde de mens boten, kikvorspakken en onderzeeërs.

Op het eerste zicht lijkt dat omslachtiger, en je blijft afhankelijk van de vakbonden in de metaalindustrie, maar het toont aan dat de mens zich kon handhaven door zijn creativiteit, het vermogen al dan niet technologische oplossingen te verzinnen. De drang tot zelfbehoud, het vermogen tot overleven, komt bij de mens dus niet tot uiting in het ontwikkelen van gespecialiseerde lichaamsfuncties, maat in het ontwikkelen van één bepaalde lichaamsfunctie, namelijk de fantasie, de creativiteit, het vermogen technologische hulpmiddelen te bedenken en te bouwen, de vaardigheid alternatieven te verzinnen.

De huidige technologie, grotendeels uitgevonden in de 19de eeuw, is ondertussen wel een beetje uit de tijd. De grondstoffen die er voor nodig zijn raken op. De effecten op het milieu vormen een bedreiging. De behoefte aan energie neemt nog steeds toe, de bronnen die die energie kunnen leveren raken uitgeput. Het wordt dus tijd weer eens wat alternatieven te gaan verzinnen. En aangezien we de toekomst niet kunnen voorspellen, is het onmogelijk te zeggen of experimentele energievormen meer aandacht moeten krijgen dan experimentele poëzie : we weten nog niet welke alternatieven we in de toekomst nog nodig gaan hebben.

De dinosauriërs zijn tenslotte ook uitgestorven omdat ze geen alternatieven hadden : hun ruimtevaartprogramma had hun kunnen redden, maar ze hadden er geen. Zo gaat dat.