|
Home
>
Prof William J. Meggs: "Hypothese voor Inductie en Propagatie van Chemische Sensitiviteit gebaseerd op Biopsie Studies"
Vertaald uit het Engels Inhoudsopgave:
RADS (reactive airways dysfunction syndrome), RUDS (reactive upper airways dysfunction syndrome), SBS (sick buiding syndrome) en MCS (meervoudige chemische sensitiviteit) zijn overlappende aandoeningen waarbij er zich een intolerantie voor omgevingschemicaliën voordoet. Het begin van deze aandoeningen is vaak geassocieerd met een initiële acute chemische blootstelling. Om de pathofysiologie van deze aandoeningen te begrijpen, werd de nasale pathologie van mensen met deze syndromen bestudeerd. Preliminaire gegevens geven aan dat de nasale pathologie van deze aandoeningen gekenmerkt wordt door mankementen in de nauwe verbingen ("tight junctions") tussen cellen, afschilfering van het respiratoir epitheel, hyperplasie van de klieren, lymfocietische infiltraten, en perifere proliferatie van zenuwvezel. Deze bevindingen suggereren een model voor een relatie tussen de chronische ontstekingen die men aantreft bij deze aandoeningen en de sensitiviteit van het individu aan chemicaliën. Een positieve feedbacklus wordt opgezet: de inflammatoire respons op lage niveau's van chemische irritanten wordt versterkt door de waargenomen veranderingen in het epitheel, en de epitheelveranderingen worden gepropageerd door de inflammatoire respons op chemicaliën. Dit model, gecombineerd met het concept van neurogeen switchen, kan vele aspecten van RADS, RUDS, SBS en MCS op een eengemaakte wijze verklaren. -- Environ Health Perspect 105(Suppl 2):473-478 (1997) Sleutelwoorden: rhinitis, astma, sick building syndrome, multiple chemical sensitivity syndrome, reactive airways dysfunction syndrome, reactive upper airways dysfunction syndrome, neurogene onsteking, neurogeen switchen
Deze paper is gebaseerd op een presentatie op de Conference on Experimental Approaches to Chemical Sensitivity die gehouden werd op 20-22 September 1995 in Princeton, New Jersey. Het manuscript werd ontvangen bij EHP op 6 maart 1996; manuscript aanvaard op 10 oktober 1996. De auteur dankt Drs. Tarik Elsheik, W. James Metzger, Marcus Albernaz, en Richard M. Bloch voor hun onaflatende steun en medewerking. Dit onderzoek werd gesteund door de North Carolina afdeling van de American Lung Association. Richt correspondentie aan Dr. W.J. Meggs, Room 4W54, Brody Building, Department of Emergency Medicine, East Carolina University School of Medicine, Greenville, NC 27858. Telefoon: (919) 816-2954. Fax: (919) 816-3589. Gebruikte afkortingen: TRO (tabaksrook in de omgeving, van het Engelse, ETS); MCS (multiple chemical sensitivity); RADS (reactive airways dysfunction syndrome); RUDS (reactive upper airways dysfunction syndrome); SBS (sick building syndrome); VIP (vasoactieve intestinale polypeptide)
Inleiding Dat chemische blootstelling ontsteking kan veroorzaken en dat zintuigelijke zenuwen in dit proces betrokken zijn, werd reeds in het begin van de jaren 1900 erkend. In 1910 toonde Bruce aan dat de ontstekingsrespons op chemische irritanten opgeheven kan worden door ablatie (verwijdering) van de sensibele zenuwen. (1) Deze respons is algemeen bekend. De rode ogen, neusverstopping en sinus hoofdpijnen die ontstaan door het vastzitten in de uitlaatgassen van het verkeer op het piekuur, het vertoeven in een rokerige bar, of het verven met verf op basis van organische solventen, zijn voorbeelden van ontstekingen door blootstelling aan chemische irritanten. Bij sommige mensen kan deze reactiviteit op chemicaliën gewijzigd worden, en er wordt erkend dat sommige mensen een verhoogde inflammatoire respons hebben op chemische irritanten. Een rol voor neurogene inflammatie bij chemische sensitiviteit werd bekeken. (2) Deze gewijzigde reactiviteit aan chemicaliën is best bekend bij rhinitis en astma, waarbij luchtwegontsteking getriggerd wordt door chemische irritanten. Zodoende, kan het begrijpen van chemische sensitiviteit in de luchtweg de sleutel bevatten voor het begrijpen van chemische sensitiviteit in het algemeen en van het meervoudig chemisch sensitiviteitssyndroom. Mijn collega's en ik stellen voor de nasale pathologie van individuën met allergische en chemisch irritant rhinitis, chemische sensitiviteit en meervoudig chemisch sensitiviteitssyndroom te onderzoeken. Velen van ons geloven evenwel dat chemische sensitiviteit een groot probleem is van volksgezondheid dat verband houdt met epidemiën van inflammatoire aandoeningen zoals astma en arthritis in de geïndustrialiseerde landen. Het begrijpen van de astma epidemie en het begrijpen van het meervoudig chemisch sensitiviteits syndroom, kunnen met elkaar verband houden, en de sleutel tot dit proces ligt in het inzicht in hoe een acute chemische blootstelling een aanhoudende onsteking in de luchtwegen en op andere plaatsen kan veroorzaken. RADS (Reactive airways dysfunction syndrome) is een chronische astma-achtige aandoening waarvan de aanvang verband houdt met een acute chemische blootstelling (3). RUDS (Reactive upper airways dysfunction syndrome) is chronische rhinitis met een aanvang die verband hout met een acute chemische blootstelling (4,5). Het onderscheid tussen deze syndromen en meervoudig chemisch sensitiviteits syndroom (MCS) is dat MCS patënten symptomen hebben op andere locaties dan de luchtwegen. Deze paper maakt een update van de voortuitgang van ons programma van nasaal biopsie onderzoek. Op basis van biopsiën van individuën met chemische sensitiviteit, werd een hypothetisch model ontwikkeld van het proces waardoor een acute chemische blootstelling kan leiden tot chronische ontsteking. In essentie, kan één enkele chemische blootstelling een chronische ziekte induceren. Na een paar algemene opmerkingen, zullen preliminaire biopsie-bevindingen en dit model gepresenteerd worden. Algemene Opmerkingen Chemische sensitiviteit aan inhalanten verwijst naar een abnormale sensitiviteit voor een klasse van inhalanten die verschillend is van allergie aan proteïne-aeroallergenen. Voorbeelden van deze klasse inhalanten worden gegeven in Tabel 1. Voor chemisch sensitiviteitssyndroom werden er een aantal case definities geformuleerd(6), maar wat al deze beschrijvingen gemeen hebben is de betrokken inhalanten. Deze inhalanten zijn vaak complexe mengsels die alomtegenwoordig zijn in de omgeving van geïndustrialiseerde landen. Typisch, bevatten deze inhalanten een of meer geurige, volatiele organische chemicaliën met laag moleculair gewicht. Het zijn toxines, maar de dosis die problemen veroorzaakt bij chemisch sensitieve mensen is veel lager dan de dosis die geassocieerd wordt met klassieke toxiciteit.
In de vroege beschrijvingen van chemische sensitiviteit, waren met ontsteking geassocieerde ziektetoestanden prominent aanwezig. Randolph beschreef patiënten met arthritis, rhinitis, astma, IBD [inflammatory bowl disease, dwz colitis ulcerosa en crohn - vertaler] en andere inflammatoire aandoeningen die asymptomatisch werden wanneer patiënten op een dieet van bronwater gezet werden met controle van zowel inhalanten als ingestanten in een eenheid voor omgevingscontrole (7). Daarenboven, werden mentale symptomen zoals hallucinaties, depressie en manie beschreven als verbeterend wanneer deze patiënten uit de chemische omgeving verwijderd werden. Eleminatie procudures bevatten zowel inhalanten als ingestanten. Symptomen werden uitgelokt door hernomen blootstelling aan voedsel en chemicaliën. Het is logisch om neurogene ontsteking als een mogelijk mechanisme voor chemische sensitiviteit te overwegen. Reeds vele decennia is geweten dat de sensibele zenuwen betrokken zijn in het ontstekingsproces, en dat deze neurogene ontsteking getriggerd wordt door chemicaliën die deze sensibele neuronen stimuleren. Bij de meeste mensen zijn deze reacties mild en kortstondig en geraken ze opgelost door in de frisse lucht te gaan staan. Voor sommige mensen kan zulke blootstellingen echter slopende ziekte veroorzaken met reacties die meerdere dagen aanhouden. Het werk van Bascom en haar medewerkers is betekenisvol. Een fysiologische respons op inhalant chemicaliën werd aangetoond in uitlokkingsstudies met tabaksrook in de omgeving (TRO). Zoals Bascom opmerkte, is deze respons consistent met neurogene ontsteking (8). Mijn onderzoek in dit gebied begon wanneer patiënten met chemische sensitiviteit verwezen werden naar een allergiekliniek. Deze patiënten klaagden van intolerantie aan chemicaliën gassocieerd met blootstellingen aan solventen of pesticides. Lichamlijk onderzoek, vooral wanneer aangevuld met vezeloptische rhinolaryngoscopie, toonde ernstige ontsteking van de bovenste luchtweg aan bij deze patiënten. Onder meer oedeem, abnormaal slijm, lymfoïde hyperplasie en kruimeligheid van het slijmvlies werden vastgesteld. Een raadselachtige bevinding die we consistent vaststelden was focale gebieden van wit slijmvlies met prominente bloedvaten. (4). Aanvankelijk dachten we dat dit atrofie van de slijmvliezen voorstelde, maar biopsieën die bij geselekteerde patiënten uitgevoerd werden voor klinische diagnose, toonden geen atrofie en geen verschil aan tussen de witte en de rode gebieden van de slijmvliezen. Tot onze verbazing, was er chronische ontsteking van de slijmvliezen met lymfocietische infiltraten in de biopsiestalen. Een preliminaire onderzoeksstudie met controlepersonen werd uitgevoerd. Het beeld dat daaruit naar voor komt wordt schematisch weergegeven in figuur 1. Figuur 1A is een schematische weergave van de anatomie van normaal respiratoir epitheel.
Abnormaliteiten van de nasale slijmvliezen die door dit onderzoek gesuggereerd werden, waren lymfocietische infiltraten, glandulaire hyperplasie, proliferatie van perifere zenuwvezels, gaten in de nauwe verbindingen ("tight junctions") tussen epitheelcellen, en focale gebiede van afschilfering van het epitheel. (9). Deze abormaliteiten worden schematisch weergegeven in figuur 1B. Een voorbeeld van een electron micrograaf van een patiënt wordt weergegeven in Figuur 2, met zichtbare afwijkingen in de nauwe verbindingen ("tight junctions") tussen respiratoire epitheelcellen en afschilfering van de epitheelcellen. Pogingen om de distributie te bestuderen van substantie P en vasoactieve intestinale polypetide (VIP) in deze stalen met immunoperoxidase vlekken specifiek voor deze substanties waren onsuksesvol omdat de momenteel beschikbare reagens verschillende sites bevlekken in het staalweefsel volgens een niet-specifiek patroon. In het onderzoek door Meggs et al (9), was de aanwezigheid van ontsteking in patiënten statistisch significant (p<0.05) ten opzichte van controlepersonen. Deze studie had niet het onderscheidingsvermogen om de zenuwvezelproliferatie die gezien werd bij chemisch sensitivieve personen ten opzichte van controlepersonen statistisch te verifiëren. De uitdagingsstudies van Bascom et al. en Willes et al. (8,10) en deze biopsiestudies zijn complementair en worden gesteund door ander bewijs dat luchtwegontsteking betrokken is bij chemische sensitiviteit. In een gecontroleerde studie van patiënten met chemische sensitiviteit, vonden Doty et al. (11) significante toenames in luchtwegresistentie in de chemisch sensitieve groep. Welch (12) vond siginficante verslechting van voorafbestaande allergische ziekte en nieuwe aanvang van astma in patiënten die chemische sensitiviteit ontwikkelden na plaatsen van tapijt. Witorsch et al. (13) stelden vast dat dat 100% van de 61 patiënten die aan de criteria van Cullen voor chemische sensitiviteit voldoen, luchtwegsymtomen hadden. Meggs and Cleveland (4) stelden vast dat 100% van 10 opeenvolgende patiënten die naar een allergiekliniek verwezen waren met klachten van chemische sensitiviteit, die allen voldeden aan de criteria van Cullen, ernstige ontsteking hadden die aangetoond werd met vezeloptische rhinoscopie zelfs wanneer ze ontkend hadden luchtwegsymptomen te hebben.
![]()
Figuur 2. De nasale slijmvliezen van een persoon met chemische sensitiviteit geassocieerd met rhinitis wordt getoond onder een electron micrograaf. Rechts worden drie epitheelcellen gezien met afwijkingen in de nauwe verbindingen ("tight junctions") tussen de cellen. Links, is er een afschilfering van de epitheel cellaag. Het basismenbraam blijkt verdikt.Het is gemakkelijk te begrijpen hoe chemische irritanten ontsteking van de luchtweg triggeren, en het is met name zo dat de meerderheid van patiënten met astma en rhinitis verslechtingen rapporteren aan dezelfde irritanten (14,15). Bij astma, werden verbanden geverifieerd voor parfum en tabaksrook (14,16). Bascom et al. en Willies et al. verifieerden een verband tussen TRO en een ontstekingsrespons in de bovenste luchtweg. (8,10). Neurogeen switchen
Hoe is het mogelijk dat stimulatie van de respiratoire receptoren door chemicaliën die door de lucht gedragen worden, kan leiden tot betrokkenheid van andere orgaansystemen? Er werd opgemerkt dat deze plaatsverwisseling goed bekend is in allergische ziekten. (17). Voedselallergie kan urticaria, rhinitis en astma triggeren. Zowel het innemen van voedsel of medicatie als de cutane inoculatie met wespengif kan systemische anafylaxis veroorzaken. In experimentele modellen van anafylaxis, elimineert ablatie (wegnemen) van neurale paden de anafylactische respons zonder het blokkeren van de histamine vrijgave of de produktie van antilichamen (18,19). Dit switchen van de locatie van de ontsteking en chemische sensitiviteit zou aan hetzelfde mechanisme te wijten kunnen zijn: er zijn neuronale paden van de locatie van de stimulatie doorheen het centraal zenuwstelsel naar andere periferale locaties. Dit mechanisme van plaatsverwisseling werd neurogeen switchen genoemd. (17). Zowel de betrokken paden als de relatie tussen neurogene ontsteking en allergische ontsteking worden voorgesteld in Figuur 3. Tabel 2 karakteriseert allergische rhinitis die ontstaat van mastcel degranulatie in de bovenste luchtweg zoals gezien wordt op locatie B in Figuur 3, en rhinitis door chemische irritanten, die ontstaat door vrijgave van substantie P van de sensibele zenuwen, zoals getoond op locatie A in Figuur 3.
![]()
Figuur 3. De relatie tussen allergische en immunogene onsteking wordt afgebeeld, met een voorgesteld gemeenschappelijk mechanisme voor site switching van de locatie van de stimulering naar een andere locatie van ontsteking. Op locatie A interageren chemische irritanten, Ch, met sensibele zenuwvezels om de vrijgave van substantie P, Sp, alsook andere mediatoren van neurogene ontsteking te triggeren. Op locatie B, worden antigenen, Ag, voorgesteld die interageren met antilichamen op mastcellen om histamine, H, en andere mediatoren van allergische ontsteking vrij te geven. Histamine interageert met zenuwvezels om een signaaltransmissie te produceren naar het centraal zenuwstelsel. Locatie C stelt deze mediatoren voor die ageren op effector cellen om een ontstekingsrespons te produceren. Locatie D beeldt de ontsteking af die getriggerd wordt op een site die op een afstand ligt van de stimuli. Signalen van A of B worden via het centraal zenuwstelsel naar site D gestuurd, waar substantie P, Sp, vrijgegeven wordt van de zenuweinden om daar een onstekingsrespons te initiëren.
Mechanisme van Verworven Chemische Sensitiviteit Bevindingen van biopsieën suggereren een mechanisme waarbij een acute hoge-dosis chemische blootstelling kan leiden tot permanente luchtwegontsteking en chemische sensitiviteit. De sensibele zenuwvezels die reageren op de chemische irritanten om ontsteking te produceren, zijn gelocaliseerd onder een epitheel cel laag, zoals op Figuur 1 kan gezien worden. Deze cellaag ageert als een barrière tussen chemicaliën in de luchtweg en de zenuwcellen. Het is aanvaardbaar om te veronderstellen dat een hoge dosis blootstelling deze barrière kan penetreren om ontsteking teweeg te brengen en deze laag ook kan beschadigen zodanig dat er zich daar een achteruitgang voordoet van de epitheel laag. Wanneer de epitheel barrière verloren is, kan neurogene inflammatie bij veel lagere dosissen teweeg gebracht worden. Bijgevolg, is er aanhoudende ontsteking, wat op zijn beurt schade toebrengt aan de epitheel barrière. Een proliferatie van zenuwvezels zou betekenen dat er meer receptoren zijn voor chemische irritanten en dat er meer ontstekingsmediatoren vrijgegeven worden. De integriteit van de nauwe verbindingen ("tight junctions") tussen de epitheelcellen gaat acheruit, en van tumor necrose factor is bekend dat het gelijkaardige defecten veroorzaakt in de integriteit van de nauwe verbindingen ("tight junctions"). Eén vorm van tumor necrose factor wordt geproduceerd door de lymfocieten, en lymfocietische infiltraten worden gezien in deze patiënten populatie.
![]() Figure 4. Voorgesteld mechanisme, gebruikt om een hoge-dosis chemische blootstelling te induceren die leidt tot sensitiviteit aan laag gedoseerde chemische blootstellingen via epitheelschade. Een positieve feedbacklus wordt gecreëerd waarin aanhoudende laag gedoseerde blootstellingen de epitheelschade bestendigen, wat op zijn beurt leidt tot een lagere drempel waarop chemicaliën het epitheel zullen beschadigen.Samgevat, kan er een positieve feedbacklus ontstaan, waarbij epitheelschade leidt tot een lagere drempel waarop chemicaliën ontsteking veroorzaken. Deze ontsteking kan op zijn beurt leiden tot een aanhoudend verlies van integriteit van het epitheel. Deze feedbacklus wordt schematisch weergegeven in Figuur 4. Een andere factor die in het spel kan zijn, is dat lymfocieten specifieke antigen receptoren kunnen hebben voor chemicaliën; dit doet zich voor bij contact dermatitis. De details van het voorgesteld mechanisme worden schematisch weergegeven in Figuur 5. Stippellijnen duiden op relaties die op dit ogenblik gesuggereerd worden door gegevens maar niet rigoreus gestaafd zijn.
![]() Figure 5. Details voor het voorgestelde mechanisme van aanhoudende onsteking en chemische sensitiviteit volgend op een inducerende hoog gedoseerde chemische blootstelling. Stippellijnen duiden op relaties die speculatief zijn een verder onderzoek rechtvaardigen.De proliferatie van perifere zenuwvezels die hier beschreven wordt, wordt ook vastgesteld bij andere gevallen van ontstekingsrespons en wordt remodellering genoemd (20). Dit hermodellerend effect zou geproduceerd kunnen worden door zenuw groeifactor aktiviteit, en het is bekend dat lymfocieten deze aktiviteit bezitten. (21) Relaties tussen RADS, RUDS en MCS Figuur 6 toont drie van de mogelijke scenarios voor de relaties tussen RADS, RUDS en MCS. Wanneer het afzonderlijke aandoeningen zou betreffen, d.w.z., wanneer er geen relaties zouden zijn, zou men enkele incidentele overlappingen kunnen zien bij onfortuinlijke individuën die twee of alle drie de aandoeningen hebben (Figuur 6A). Een ander scenario wordt weergegeven in Figuur 6B, dat suggereert dat RADS en RUDS subsets zijn van MCS. Deze patiënten zouden MCS hebben maar zouden luchtwegontsteking als een zeer prominent onderdeel van hun ziekte hebben. RADS wordt afgebeeld als een subset van RUDS omdat patiënten met ontsteking van de onderste luchtwegen doorgaans een zekere mate van ontsteking van de bovenste luchtwegen hebben. Figuur 6C geeft de mogelijkheid weer dat RUDS en MCS dezelfde aandoening zijn, met als hoofdletsel ontsteking van de bovenste luchtweg en symptomen in andere organen die ontstaan door neurogeen switchen. Figuur 6C is het scenario dat meest consistent is met mijn klinische ervaring. De patiënten die ik gezien heb met MCS, zelfs diegenen met hoofdzakelijk mentale symptomen en geen klachten van rhinitis, hebben bij fysisch onderzoek allemaal ontsteking van de onderste luchtwegen. De patiënten die ik gezien heb met zowel RADS als RUDS rapporteerden allemaal symptomen waarbij ook andere orgaansystemen betrokken waren gerelateerd aan chemische blootstellingen en ze beantwoorden allemaal aan de case definities voor MCS.
![]() Pathogenese van inflammatoire aandoeningen van onbekende etiologie
Speelt het mechanisme dat hier voorgesteld wordt een rol in aandoeningen zoals rheumatoide arthritis, inflammatory bowel disease en migraine hoofdpijn? Kunnen chemicaliën in de luchtweg deze ziektetoestanden versterken door de locatie van de ontsteking te switchen van de luchtweg naar andere locaties? Misschien houdt de pathofysiolologie van deze aandoeningen het vestigen van neuronale paden in naar de locaties van terugkerende ontstekingen. Meervoudige stimuli zoals chemicaliën in de luchtweg, infecties, allergieën en emiotionele stress zouden kunnen resulteren in prikkeling van deze paden.
Er is nog veel werk nodig aan dit model, zoals samengevat wordt in Tabel 3. Tot de elementaire wetenschappelijke noden behoort het verhelderen van de chemoreceptoren van de sensibele zenuwen. Deze receptoren worden geacht proteïnes te zijn op de membranen van de sensibele zenuw en moeten geïsoleerd worden zodat de sequentie bepaald kan worden en de struktuur ervan bestudeerd kan worden. Klinisch, is er een specificieit aan de respons op chemicaliën. Sommige patiënen met ernstige chemische sensitiviteit kunnen substanties verdragen die voor anderen verschrikkelijk zijn. Zo reageren bijvoorbeeld niet alle patiënen met astma slecht op blootstelling aan sigarettenrook, al kan dit voor andere patiënten wel vreselijk zijn. Is er een specifiek karakter van de chemoreceptor, of ligt de specificiteit bij de lymfocieten? Er is geweten dat chemisch specifieke receptoren op lymfocieten voorkomen bij contact dermatitis, en een gelijkaardige situatie zou zich kunnen voordoen in de luchtweg. Wat is het mechanisme van de proliferatie van de perifere zenuwvezels dat gesuggereerd wordt in de biopsieën van patiënten? Produceren lymfocieten of zenuwen een factor die deze proliferatie veroorzaakt? Wat is het mechanisme waardoor de integriteit van de verbindingen tussen de gaten ("gap junction integrity") vernietigd wordt? Is de tumor necrose factor betrokken bij dit proces?
De rol van chemische sensitiviteit in inflammatoire aandoeningen van onbekende etiologie zoals inflammatory bowel disease, rheumatoide arthritis, en andere collageen vasculaire ziekten moet uitgeklaard worden. Dit kan alleen gebeuren in eenheden met omgevingscontrole omdat adaptieve fenomenen en maskering zo prominent zijn in de populaties die ter studie zijn. Meest belangrijk is dat klinisch onderzoek moet gebeuren om de behandeling van chemisch sensitieve patiënten te verbeteren. Hebben anti-inflammatoire medicijnen zoals NSAIDS (nonsteroidal anti-inflammatory drugs) en lokale steroiden een rol in de behandeling van chemisch sensitieve patiënten? Hebben substantie P inhibitoren die nu in klinische trials zitten een rol in het managen van chemische sensitiviteit? Verkleint het vermijden van chemische inhalanten de reactiviteit aan chemische irritanten? Geneest het nasale epitheel als de patiënt verwijderd wordt uit de chemische omgeving? Leidt deze genezing ertoe dat de patient minder reageert op chemicaliën?
Referenties
1. Bruce AN. Uber die Beziehung der Sensiblen Nervenendigungen zum Enzundungsvorgang. Arch Exp Pathol Pharmakol 63:424 (1910).
2. Meggs WJ. Neurogenic inflammation and sensitivity to environmental chemicals. Environ Health Perspect 101:234-238 (1993).
3. Brooks SM, Weiss MA, Bernstein IL. reactive airways dysfunction syndrome (RADS): persistent asthma syndrome after high level irritant exposure. Chest 88:376-384 (1985).
4. Meggs WJ, Cleveland CH Jr. Rhinolaryngoscopic examination of patients with the multiple chemical sensitivity syndrome. Arch Environ Health 48:14-18 (1992).
5. Meggs WJ. RADS and RUDS: the toxic induction of asthma and rhinitis. Clin Toxicol 32:367-371 (1994).
6. Miller CS. White paper: chemical sensitivity: history and phenomenology. Toxicol Ind Health 10:253-276 (1994).
7. Randolph TG, Moss RW. An Alternative Approach to Allergies, Rev ed. New York:Harper and Row, 1989.
8. Bascom R, Kulle T, Kagey-Sobotka A, Proud D. Upper respiratory tract environmental tobacco smoke sensitivity. Am Rev Respir Dis 143:1304-1311 (1991).
9. Meggs WJ, Elsheik T, Metzger WJ, Albernaz M, Bloch RM. Nasal pathology and ultrastructure in patients with chronic airway inflammation (RADS and RUDS) following an irritant exposure. J Toxicol Clin Tox 34:383-396 (1996).
10. Willes SR, Fitzgerald TK, Bascom R. Nasal inhalation challenge studies with sidestream tobacco smoke. Arch Environ Health 47:223-230 (1992).
11. Doty R, Deems DA, Frye RE, Pelberg R, Shapiro A. Olfactory sensitivity, nasal resistance, and autonomic function in patients with multiple chemical sensitivities. Arch Otolaryngol Head Neck Surg 114:1422-1427 (1988).
12. Welch LS, Sokas R. Development of multiple chemical sensitivity after an outbreak of sick-building syndrome. Toxicol Ind Health 8:47-50 (1992).
13. Witorsch P, Ayesu K, Balter NJ, Schwartz SL. Multiple chemical sensitivity: clinical features and causal analysis in 61 cases (abstract). Clin Toxicol 33:524-525 (1995).
14. Shim C, Williams MH Jr. Effect of odors in asthma. Am J Med 80:18-22 (1986).
15. Meggs WJ. Health effects of indoor air pollution. NC Med J 53:354-358 (1992).
16. Danuser B, Weber A, Hartmann AL, Krueger H. Effects of bronchoprovocation challenge test with cigarette sidestream smoke on sensitive and healthy adults. Chest 103:353-358 (1993).
17. Meggs WJ. Neurogenic switching: a hypothesis for a mechanism for switching the site of inflammation in allergy and chemical sensitivity. Environ Health Perspect 103:54-56 (1995).
18. Levy RM, Rose JE, Johnson JS. Effect of vagotomy on anaphylaxis in rat. Clin Exp Immunol 24:96-101 (1976).
19. Leslie CA, Mathe AA. Modification of guinea pig lung anaphylaxis by central nervous system (CNS) perturbations. J Allergy Clin Immunol 83:94-101 (1989).
20. Stead RH, Kosecka-Janiszewska U, Oestreicher AB, Dixon MF, Bienenstock J. Remodeling of B-50 (GAP-43) and NSE-immunoreactive mucosal nerves in the intestines of rats infected with Hippostrongylus brasiliensis. J Neurosci 11:3809-3821 (1991).
21. Gozes Y, Moskowitz MA, Strom TB, Gozes I. Conditioned media from activated lymphocytes maintain syjpathetic neurons in culture. Brain Res 282:93-97 (1982). Laatste update : 18 maart, 1997
Deze website is vrijblijvend informatief en is geen medisch advies. Raadpleeg steeds uw gediplomeerd medisch deskundige
voor alles wat met uw gezondheid te maken heeft. Lees onze Disclaimer.
|