De Vlaamse Leeuw (juli 1845)
Zij zullen hem niet temmen, de fiere Vlaamse Leeuw, Al dreigen zij zijn vrijheid met kluisters en geschreeuw. Zij zullen hem niet temmen, zolang een Vlaming leeft, Zolang de Leeuw kan klauwen, zolang hij tanden heeft.
Zij zullen hem niet temmen, zolang een Vlaming leeft, Zolang de Leeuw kan klauwen, zolang hij tanden heeft.
De tijd verslindt de steden, geen tronen blijven staan: De legerbenden sneven, een volk zal nooit vergaan. De vijand trekt te velde, omringd van doodsgevaar. Wij lachen met zijn woede, de Vlaamse Leeuw is daar.
Hij strijdt nu duizend jaren voor vrijheid, land en God; En nog zijn zijne krachten in al haar jeugdgenot. Als zij hem machteloos denken en tergen met een schop, Dan richt hij zich bedreigend en vrees’lijk voor hen op.
Wee hem, de onbezonnen, die vals en vol verraad, De Vlaamse Leeuw komt strelen en trouweloos hem slaat. Geen enkle handbeweging die hij uit ’t oog verliest: En voelt hij zich getroffen, hij stelt zijn maan en briest.
Het wraaksein is gegeven, hij is hun tergen moe; Met vuur in ’t oog, met woede springt hij den vijand toe. Hij scheurt, vernielt, verplettert, bedekt met bloed en slijk En zegepralend grijnst hij op’s vijands trillend lijk.
Over ‘De Vlaamse Leeuw’ Gedicht door de toneelschrijver Hippoliet J. van Peene (Kapelrijke 1811 – Gent 1864). Gecomponeerd door Karel van Miry (Gent 1823 – 1889). ‘De Vlaamse leeuw’ is een strijdlied, karakteristiek voor de strijdliteratuur uit het midden van de 19de eeuw. De tekstdichter inspireerde zich op de ‘Leeuwenzang’ in de Brabantse Yeesten van Jan van Boendale
Traditioneel wordt bij officiele gebeurtenissen enkel de eerst twee strofen gezongen.