Header image  
Vereniging voor natuur en landschap
in de Ninoofse regio
 
line decor
  
line decor
 
 

 

 

 
 

Nieuwsprik 2 oktober 2007 :

Bezwaarschrift algemeen delfstoffenplan

  1. Methodisch: Wij hebben een fundamenteel en ernstig probleem met een algemeen oppervlaktedelfstoffenplan dat pas opgesteld en bevraagd wordt op het moment dat er al een aantal gedetailleerde bijzondere delfstoffenplannen in een veel meer verregaande fase zitten. Het algemene kader wordt dus uitgeschreven op het moment dat er al visieontwikkeling is over de deelplannen. Dit komt bij ons sterk over als het achteraf na de match bepalen van de krijtlijnen waarbinnen een wedstrijd wordt (lees: ‘werd’) gespeeld. Als men dan vaststelt dat een aantal van deze bijzondere delfstoffenplannen op maat van de grootindustrie werden opgesteld, dan kunnen we bij het verder lezen van dit plan alleen maar concluderen dat dit plan toekomstvisie en een samenhangend grondstoffenbeleid ontbreekt. Naast deze puur fundamentele kritiek over de methodiek hebben wij ook vragen bij de wettelijkheid van een dergelijke kar-voor-het-paard-procedure. Met andere woorden: moeten alle stappen die reeds gezet werden in de bijzonder delfstoffenplannen niet van voor af aan herbegonnen worden?
  2. Methodisch: Het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan analyseert de grondstoffenbehoefte voor de komende vijf jaar, terwijl de bijzondere oppervlaktedelfstoffenplannen wel de ontwikkelingsperspectieven bekijken voor de komende 25 jaar. Ook dit omgekeerde tijdsperspectief is de logica op zijn kop zetten. (zie tijdspad pagina 1).
  3. Methodisch. Pagina 4, afdeling3:  De procedure voor actieve openbaarheid die in dit hoofdstuk beschreven wordt, komt zeker niet overeen met de procedure die gevolgd is voor het bijzonder delfstoffenplan voor de Vlaamse leemstreek. Wij eisen dan ook dat voor het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan voor de Vlaamse Leemstreek dezelfde, meer transparante inspraakprocedure wordt hernomen. Gelijke kansen voor iedereen. Ook hier komt men nog met de spelregels af als al een deel van de competitie verlopen is. Dit kan echt niet. Als deze eis niet als legitiem behandeld wordt, zien we ons genoodzaakt juridische stappen te ondernemen, wat ons toch nog altijd meer vertraging lijkt, en dus te vermijden is.
  4. Methodisch. Wij gaan helemaal niet akkoord met de suggestie midden bladzijde 14 om de oppervlaktedelfstoffenplannen te laten screenen door een methodiek die eigenlijk een afgezwakte vorm van een MER is, “die de essentiële kenmerken van een MER heeft”. Diverse voorgaande dossiers hebben laten blijken dat de oppervlaktedelfstofplannen vaak vragen oproept bij mogelijke omwonenden omtrent leefbaarheid, verkeersveiligheid, hinder, ecologische impact en dergelijke. De gevoeligheid en het particuliere belang zijn hier zo groot dat we enkel vrede kunnen nemen met een toetsing door een volwaardig MER. We vinden een MER een uitgebalanceerd instrument dat we niet wensen uit te hollen.
  5. Inhoudelijk, algemeen. Wij zijn van oordeel dat het huidige plan in algemene lijn totaal niet voldoet aan de basisdoelstelling van het Oppervlaktedelfstoffendecreet: het ‘ten behoeve van de huidige en toekomstige generaties, op een duurzame wijze voorzien in de behoefte aan delfstoffen’. Vooral op het vlak van de invulling van de deeldoelstellingen die verder uitgewerkt worden in artikel 3 van dit decreet gaapt een diepe kloof als het aankomt op zuinigheid en doelmatigheid, aanmoediging van alternatieven en het rekening houden met het maximale behoud van het natuurlijk milieu. Op de eindigheid van de grondstof wordt nergens in het plan geanticipeerd of worden fundamentele oplossingspistes aangereikt.
  6. Inhoudelijk. De tabel 10 pagina 57 geeft aan dat het leemtransport economisch verantwoord is over een afstand van 40 tot 70 km. Ecologisch gezien liggen deze afstanden echter nog veel dichter en kan men er zelfs voor pleiten om geen grondstoffen onnodig te transporteren (= ter plaatse produceren), teneinde de levenscyclus -transportafstanden van de materialen zo laag mogelijk te houden. Waarom worden economische en ecologische aspecten hier niet samen besproken? De redenering onderaan pagina 61 geeft aan dat de Vlaamse overheid kiest voor schaalvergroting teneinde aan de emissienormen te kunnen voldoen. Hierdoor dreigen kleinere lokale steenbakkerijtjes uit de boot te vallen en zal mengmateriaal over grotere afstanden moeten getransporteerd worden. Worden de emissies van dit transport ook in rekening gebracht? Nee. Eigenlijke moet de transportemissie bij de bakemissie gevoegd worden, teneinde de totale productie-emissie te kennen. In dit (milieu-)licht komen kleinere lokale steenbakkerijtjes in een meer concurrentiële positie op basis van de effectieve pollutie. Dit geeft hen meer eerlijke kansen op overleven. Wij pleiten dan ook voor een duurzaam plan dat de emissiecijfers op deze absolute wijze benadert.
  7. Inhoudelijk. Pagina 68 en verder. Het plan neemt de sectorvisies gewoonweg over. Is er dan nog een plan of visie nodig als de overheid toch niets van krijtlijnen zelf wil uitzetten? Wij verwachten in dit plan ook initiatief van de overheid: het aansturen op innovaties, materiaalefficiëntiewinst, en dergelijke. Als we de behoefteraming op basis van de huidige capaciteit vergelijken met de voorgestelde raming op basis van de potentieel volle productiecapaciteit, dan voorziet het plan een productie die maar liefst 65% hoger is. Het plan voorziet eigenlijk vanaf morgen al en dan voor de komende vijf jaar 65% meer productie is, vijf jaar lang. En dit terwijl het zelfs economisch weinig realistisch is dat op het einde van de vijf planjaren de gecumuleerde stijging 65% zou bereikt worden. Met andere woorden: men heeft voor al die voorgaande jaren een sterke overschatting gemaakt. Dergelijke groeicijfers gelooft de meest optimistische econoom nog niet. Sterker nog: men voorziet die groei niet voor binnen vijf jaar, maar begint onmiddellijk vanaf nu aan een behoefte van +65% te rekenen. De bewering van zware kapitaalsinvesteringen om deze mega-aanpak te verantwoorden worden niet cijfermatig onderbouwd (omzet versus investering, …) en klinken ons zeer gratuit.
    - We gaan niet akkoord met de berekeningswijze (p.153) die hier vooropgesteld wordt. Deze vertrekt van de netto - capaciteit, wat een totaal vertekend beeld geeft. (zie ook punt 6)
    - Op p.154 doet men er bij bovenstaande redenering nog een schep bovenop door een worst-case ontwikkeling van 25% groei voor zowel de rood- als de geelbakkende leem te voorzien voor de komende 25 jaar. Het was ons intellectueel eerlijker overgekomen als hier ook een tweetal andere scenario’s waren voorzien, afgewogen en besproken. Het enige scenario dat nu uitgewerkt is, is het totaal onduurzame scenario. We verwachten in dit plan ook een duurzaamheidscenario en daaropvolgend een duidelijke keuze van de Vlaamse overheid hiervoor. We menen in dit bezwaar voldoende aanzetten te geven om een scenario in deze richting uit te werken.
  8. Inhoudelijk. Pagina 68 en verder. Dit plan hanteert een interpretatie van het begrip “Vlaamse behoefte” zoals voorzien in het grondstoffendecreet. P.154 licht het plan overigens haar interpretatie toe. Men interpreteert dit hier als de eigen Vlaamse behoefte + de behoefte van de lokaal gevestigde multinationals voor export. Er is nergens in dit document een afwegingskader te vinden voor welk deel van de wereld wij mee in de behoeften moeten voorzien. The sky is the limit. Voor ons had dit plan mogen beperkt blijven tot de eigen Vlaamse behoeften + het ecologisch verantwoorde aandeel voor omliggende markten die zelf geen volwaardig alternatieve lokale grondstoffen hebben. Het plan geeft dus een eigenzinnige globalistische invulling aan het woord “Vlaamse behoeften” en stelt onmiddellijk een internationale markt voorop. Als dit plan deze logica wil verder zetten, was het dan ook verplicht om minstens alles te duiden in West-Europees marktverband. Het plan stelt deze markt voorop, dan had het ook cijfers moeten voorzien van de volledige grondstoffenmarkt op deze schaal en een visie ontwikkelen op dit niveau. Het plan is blijkbaar niet geïnteresseerd in dergelijk cijfermateriaal. We durven dan ook te stellen dat het geen rekening houdt met leefbaarheid en ecologie en enkel maar economische groei vooropstelt. Het woord “Duurzaam ontginningsbeleid” en het inleidende hoofdstuk “duurzame ontwikkeling” klinken in dit plan dan ook als een even hol als frivool verplicht nummertje.
  9. Inhoudelijk, algemeen. Het plan stelt de steenbakkerijsector nergens voor haar verantwoordelijkheid. Technologisch gezien is er de laatste jaren een merkbare trend naar dematerialisering. Hierbij tracht men een gelijkwaardig of beter product te produceren met minder grondstof. Zo scoren bakstenen met perforaties erin bijvoorbeeld beduidend beter op het vlak van isolatiewaarde. Nergens wordt in het plan een beleid op dit vlak – hetzij opgelegd door de overheid, hetzij op initiatief van de sector zelf – in rekening gebracht.
  10. Inhoudelijk. Het hoofdstuk rond de hinder (pagina 208 en volgende) staat vol algemeenheden die niets zeggen. Aangezien 95% van de bezwaren tegen delfstoffenplannen een gegronde vrees voor hinder onderbouwen, hadden we echt gedacht hier toch een zwaarder wegend afwegingskader te krijgen. In een Vlaanderen met tien keer meer ruimtevragers dan ruimte -aanbod; in een Vlaanderen dat ruimtelijk dichtslibt; in een Vlaanderen dat een verkeersinfarct nabij is, in een Vlaanderen waar de gevoeligheden omtrent ontginning zo hoog liggen, hadden we hier toch wel wat meer visievorming verwacht inzake keuze van gebieden en zoekzones.  Op dit vlak gaat het plan voor ons terug naar af. Je kunt in Vlaanderen geen ruimtelijke afbakeningen voorzien die zich louter en alleen baseren op economische gegevens. Leefbaarheid dient een beter uitgewerkt afwegingskader te worden in dit plan.
  11. De impact van het plan op natuur en landschap is bijzonder zwak uitgewerkt in het plan. De economische cijfers is men in dit plan blijkbaar in staat om tot op de kiloton te berekenen. Men weet eigenlijk ook al over welke gebieden het zal gaan dus, kon men ook hier de te verwachten invloeden globaliserend kwantificeren en evalueren, teneinde bijstellingen mogelijk te maken. De impact op de natuur wordt te rooskleurig voorgesteld. Zo gaan vele ontginningen in het plan momenteel te diep om nadien nog een volwaardige landbouwkundige of natuurwaarde te hebben.
  12. Inhoudelijk. Het gehele hoofdstuk over alternatieve materialen (p.81 en volgende) wordt niet echt ernstig genomen. Kenschetsend hierin is het aantal prerogatieven dat reeds in de inleiding wordt aangehaald. Als men alternatieve materialen ernstig neemt, had dit punt ergens meer in de marge behandeld worden.  Dan had men in een positief verhaal kunnen uitgaan van de sterke punten van alternatieve materialen. Het innovatieve karakter en de economische impulsen die hier bijhoren, de lokale werkgelegenheid, het milieuvriendelijke karakter… Dit is een totaal tegengestelde benaderingswijze… Wij hadden minstens een tabel verwacht met aanbevelingen aan de Vlaamse overheid over kansen en de te stimuleren initiatieven. De conclusie op pagina 105 zegt op dit vlak genoeg: het onderzoek naar minerale materialen in alternatieve toepassingen heeft een lage prioriteit. En dat in een tijd waar er zoveel aandacht gaat naar klimaatopwarming, innovatieve kenniseconomie, leefkwaliteit, lokale tewerkstelling… Eens te meer lijkt de grootindustrie hier kortzichtig de pen vast te houden.
  13. Inhoudelijk. Wij verwachten minstens een degelijke verrekening van volgende alternatieven:
    1. Verrekenen van de indicatieve cijfers voor ‘bodem uit grondverzet’ in de confrontatie tussen vraag en aanbod (wordt nu niet in rekening gebracht).
    2. In rekening brengen dat er ook andere toelagestoffen zijn dan leem, om het zwavelgehalte naar beneden te krijgen, bijvoorbeeld leisteen.  Landschappelijke schade bij de ontginning van leisteen is kleiner dan bij de ontginning van leem. Misschien moet hier een beleid van draagkrachtspreiding ontwikkeld worden.
    3. Rekening houden met gereinigd bouwzand uit baggerspecie. Relevante cijfers hiervoor zijn beschikbaar.
    4. Rekening houden met een marktgroei in de nieuwe bouwtechnieken, zoals bijvoorbeeld houtskeletbouw. Bij de leemverwerkende bedrijven aandringen op een participatie in deze markt, zodat egelstellingen vermeden worden.
    5. Voor Leem zou er specifiek een actieplan moeten toegevoegd worden om het gebruik van opportuniteiten (bijvoorbeeld grote infrastructuurwerken) te optimaliseren. Dit dient ook in rekening gebracht in de cijfers van het plan.
  14. Wij kunnen onder geen enkel beding akkoord verklaren met de logica dat een triumviraat van besluiten “algemeen delfstoffenplan – bijzonder delfstoffenplan leem – Ruimtelijk uitvoeringsplan” de juridische basis zou betekenen van een vergunningenbeleid waar de verantwoordelijkheid van de gemeente ontnomen wordt en de eindverantwoordelijkheid voor de vergunning volledig bij de minister komt te liggen. Gezien de lokale impact van dergelijke inrichtingen verwachten we juist dat een eindbeslissing van de gemeente noodzakelijk blijft.