Header image  
Vereniging voor natuur en landschap
in de Ninoofse regio
 
line decor
  
line decor
 
 

 

 

 
 
Foto- en tekstarchief Activiteiten

Publicatie van de foto's enkel met toelating van de respectievelijke eigenaars.
Contacteer hiervoor webmaster via natuurpuntninove@telenet.be.

Bezoek begrazingsprojecten omgeving Leuven (24 febr 2007) :

Uitgebreid verslag van Stefan Kestens onder de sfeerfoto's van Thierry Onkelinx.





Begrazing met schapen: verslag van een studiebezoek

Met de toename van het aantal gebieden in eigendom stelt zich voor NP de vraag hoe we al die gebieden moeten beheren. Voor bossen kan het beheer in sommige gevallen nog meevallen, maar voor hooilanden en meersen stelt is dat anders. Maaien en afvoeren is een mogelijkheid. Maar het is arbeidsintensief - vooral het afvoeren. Begrazen is een andere mogelijkheid.
In NP-Ninove werden de mogelijkheden van begrazing met schapen reeds besproken in het bestuur. Op één plaats gebeurt het ook, zij het zeer beperkt. Om met correcte argumenten te kunnen oordelen over de zin en onzin van begrazing zochten we iemand met ervaring op het vlak van begrazing met schapen in natuurgebieden. Die iemand is Patrick Stubbe, uit Kessel-Lo. Hij bezit momenteel zo’n 160 schapen, verdeeld over verschillende kudden. De schapen grazen in gebieden van Afdeling Natuur en van Natuurpunt in de ruime omgeving van Leuven. Aan de hand van de toelichtingen van Patrick en de discussies met de lokale conservator van NP en van afdeling Natuur leerden we dat volgende punten belangrijk zijn.

Rassenkeuze: - juiste beheer door het juiste ras
“Schapen zijn schapen” dachten wij en die doen allemaal hetzelfde: gras eten. Niets blijkt minder waar. Patrick Stubbe geeft ons verschillende voorbeelden:

  1. Shropshire schapen: ideale (vlees)schapen, vrij zelfredzaam en zelfstandig. Ze eten enkel gras en kruiden, maar absoluut geen boomopslag of boomschors. Ze worden vandaag gebruikt om te grazen tussen kerstboomplantages. Schapen in plaats van Round-up, dus. Heeft u een boomgaard? Wilt u begrazen en de verbossing toch niet tegengaan? Shropshires zijn het antwoord.
  2. Hebrideans en Soays (2 oersoorten uit Noord Schotland): zeer zelfredzaam, absoluut ongevoelig voor voetrot en veel minder gevoelig voor andere ziekten van ‘moderne’ schapen. Het zijn geen echte grazers, maar ‘browsers’. Dat betekent dat ze van alles wat eten zonder echte voorkeur voor iets: bramen, netels en distels naast gewoon gras, ruigtekruiden, jonge twijgen en bladeren van bomen: het gaat allemaal naar binnen.  In de winter kunnen ze zelfs op schors en andere houtige restanten overleven !  Ze blijven ook het hele haar buiten staan. In periodes van sneeuw eten ze bij voorkeur restanten van bramen en pitrus en verder  zoeken ze hun eten onder de sneeuwlaag !  Alleen bij langere sneeuwperiodes krijgen ze ruwvoer (hooi) bij.
  3. Voskoppen, Houtlanders, Mergellander, Vlaams Heideschaap (Belgische soorten): eveneens zelfredzaam, met vergelijkbare kwaliteiten (weinig gevoelig voor ziekten, …) als de Hebrideans of Soays. Hun echte voorkeur gaat uit naar grassen en ruigtekruiden. Boomopslag eten ze ook, maar in verhouding minder dan Hebrideans en Soays. Ze beginnen er pas aan wanneer het gras- en kruidaanbod sterk is afgenomen. Daardoor geven ze boomopslag een voorsprong. Indien dit vanuit beheeroogpunt gewenst is, is dat een voordeel. Meestal is het echter een nadeel.

Er zijn tal van schapenrassen, teveel eigenlijk om hier op te noemen. Globaal genomen kunnen ze onderverdeeld worden in zeer oude (primitieve) rassen (bv. Hebrideans, Soays, Ouessantschapen), oude rassen (bv. Voskoppen, Houtlanders, tal van Engelse rassen…) en moderne of nieuwere schapenrassen (Texels, Swifter,…). Typisch voor de oudere rassen is dat ze veel minder gevoelig zijn voor allerhande ziektes (voetrot,…) maar ook dat ze veel minder productief zijn inzake vlees. 
Voor Natuurpunt komen de moderne rassen niet in aanmerking voor begrazing: ze zijn te ziektegevoelig en kunnen onvoldoende ‘alleen’ aflammeren. Daarnaast vragen deze rassen ook mooie grazige weiden (dus zonder ruigtekruiden) wat onze natuurgebieden per definitie niet zijn.
Patrick Stubbe werkt vooral met Hebrideans.  Hij bezit ook nog een aantal andere soorten. Voor het beheer en de soort biotopen waar hij de schapen inzet bleken de Hebrideans het meest geschikt, meer dan Voskoppen, Mergellanders en Houtlanders,  Black Welsh Mountain, Scottish Blackface enz… Deze schapen vormen op sommige gebieden zeker een volwaardig alternatief. Maar ze beginnen pas echt aan de houtige ruigtes wanneer het gras grotendeels kort gevreten is.  Dan zijn die ruigtes dikwijls al te hoog opgeschoten om nog echt helemaal afgegraasd te worden.  Ze zijn ook absoluut beter gewapend tegen natte bodems op sommige kwellanden !
Hij ontwikkelt ook zelf een eigen ras met kwaliteiten gericht op natuurbeheer. Deze zijn 1) browserkwaliteiten ipv graaskwaliteiten, 2) hoog resistent voor allerlei schapenkwalen en 3) zelfstandig aflammeren 4) meer vleesopbrengst realiseren 5) zelfruiend zijn. Dit betekent in de eerste plaats het grote voordeel dat ze niet moeten geschoren worden.  Zelfruiend betekent ook dat ze beschermd zijn tegen aanvallen van de myasisvlieg. Meer vleesopbrengst is vooral uit noodzaak om de onvermijdelijke veeartskosten e.d. te dekken. Al blijft dat de moeilijkste component om samen met de andere 3 streefdoelen te realiseren !  Voor deze ‘Nolana-natuur’-kudde gebruikt hij Afrikaanse haarschapen, een ram met een beetje moeflonbloed, BlackWelsh Mountainsheep. Bij zijn grootste ooien zet hij daar nu een Wiltshire Horn ram bij die voor de snelle groei en de vleesopbrengst helpt zorgen.

Hebrideans kunnen veel, maar niet alles…
De Hebrideans van Patrick Stubbe worden ingezet in verschillende biotopen. Een eerste biotoop omvat bosgebieden met op de heuveltoppen restanten van heidevegetaties. De schapen worden er in het bosgebied ingezet om deze heiderestanten uit te breiden. In bepaalde stukken werden de volwassen bomen eerst gekapt. Op andere plaatsen hebben de heidegebieden sterk te lijden onder de vergrassing met Pijpestrootje en verbossing met o.a. berken, fijnspar en vooral Amerikaanse vogelkers. De Hebrideans eten de opnieuw doorschietende boomopslag evenals het Pijpestrootje en de varens (als die pas uit de grond komen). Ze eten in de winter ook de verhoutte delen van de heide waardoor deze verjongt en krachtiger wordt. Na enkele jaren blijkt dat door de begrazing de heideoppervlakte zeer sterk is toegenomen.
Een ander biotoop waar zijn schapen ingezet worden, was een vochtig/nat meersengebied langs de Laanbeek (zijrivier Dijle) dat beheerd wordt door afdeling Natuur. Hier werden de Hebrideans ingezet om na de eerste maaibeurt in juni het gebied open te houden. De schapen grazen er de gehele winter tot de lammertijd. Ook al betreft het een zeer nat gebied, de schade door het vertrappelen is nagenoeg onbestaande. Ook hier waren de gevolgen zeer gunstig: het aantal orchideeën was van een paar tiental gestegen naar een van de grootste populaties in Vlaanderen.  De Hebrideans blijken hier in staat om de verschillende soorten zegge onder controle te houden en een totaal kortgegeten grondoppervlakte achter te laten tegen begin april. Dat doet wonderen voor de orchideeëngroei in deze gebieden!
We bezochten er ook een gebied (oud hooiland) dat tot voor enkele jaren volledig overgroeid was met brandnetel, distels, bramen en andere ruigtekruiden. Het gevolg van een exploitatie met populieren. Ervaringen met Swifters  (een productieschaap) vielen erg tegen in dergelijke gebieden. Hebrideans echter aten tegelijk met het gras zowel de bramen, netels als distels en de andere ruigtekruiden op. De enige ingreep van de natuurbeheerders was dat bij aanvang er in het netelveld een aantal doorgangen met de bosmaaier gemaakt werden (1m breed). De schapen deden de rest. Ondertussen wordt het gebied een 3-tal jaar begraasd, wat tot gevolg heeft dat het brandnetel/bramenareaal sterk is teruggedrongen. De Hebrideans eten de brandnetel vooral in de hoogzomer-periode, wanneer de “brand” wat uit de plant raakt.  Daardoor vermindert het voedselaanbod voor deze plant. Ze worden elk jaar minder groot én ze nemen minder ruimte in. Zo komt er licht en ruimte vrij voor ‘concurrerende kruiden’. Het gebied wordt geleidelijk aan meer open (meer hooilandvegetatie). Binnen enkele jaren kan nagedacht worden over andere beheersvormen.  Dan wordt er waarschijnlijk overgestapt naar een zomerse stootbegrazing (die een maaibeurt vervangt) en nabegrazing in de winter.
Hebrideans kunnen dus echt wel het ‘ruige’ werk aan. Ze doen het echter niet altijd even ‘consequent’. We stelden vast dat er plaatsen zijn waar ze de brandnetels en ruigte nagenoeg ongemoeid laten en andere plaatsen waar ze de brandnetels praktisch tot tegen de grond afvreten. Hetzelfde geldt voor de boomopslag. Je kan dit ook zien als een voordeel: ze creeëren diversiteit.  Ze ‘kunnen’ veel maar niet alles.  Ook hier spelen diverse factoren een rol: periode in het jaar, aantal dieren, soorten begroeiing, weersomstandigheden, …

Uitwijkmogelijkheden beschikbaar?
Oerschaap of niet: schapen moeten verzorgd worden. Ze moeten geschoren worden, ontwormd en de hoeven verzorgd.
Op sommige plaatsen hebben ze veel te lijden aan de Leverbotworm. Dit is op vochtige plaatsen het geval waar ook de tussengastheer voorkomt: de Leverbotslak. Komt de slak niet voor dan is er geen probleem: de schapen zullen geen Leverbot krijgen. Het aantal effectieve medicamenten is beperkt. Hun werking is daarentegen zeer schadelijk en zeker niet beperkt tegen de Leverbot alleen. De ontwormingsproducten zijn immers ook schadelijk voor de insecten en de bodemfauna. Voor het ontwormen worden schapen dan ook beter naar een andere plaats overgebracht. In sommige gevallen past dit perfect binnen het voorgestelde beheer.

In vele gevallen wordt vanuit NP ook gesteld dat het gebied mag begraasd worden gedurende een beperkte termijn (bv. juli tot december). Voor een schapenhouder is echter de vraag waar hij met zijn dieren naartoe moet buiten die periode, net op het moment dat het voedselaanbod het laagst is. Als hijzelf onvoldoende over grond beschikt waar hij nadien terecht kan dan is de termijnbeperking een onmogelijke opdracht. Patrick Stubbe maakt ons bijgevolg duidelijk dat bij een vraag van NP ‘Kan je 20 schapen op dat gebied zetten van juli tot december’ onmiddellijk antwoordt met een wedervraag: ‘Kan NP zorgen voor een weide voor 20 schapen buiten die periode’.
Je kan immers na die periode de schapen niet zomaar wegtoveren. Die dieren hebben ook dan eten nodig! Sommige zeggen dan: dood doen of verkopen of wat dan ook. Maar dat is natuurlijk geen oplossing. Volgend jaar moet je weer over 20 schapen beschikken om in dat gebied te grazen.
Op dit moment heeft onze herder een jaarplan waarbij de dieren maximaal op verschillende natuurgebieden staan, het hele jaar door. Dat vraagt wat puzzelwerk en ook wat overleg met verschillende natuurbeheerders. Alleen gedurende de aflammerperiode staan ze op een gewone weide. Daar kan er worden bijgevoederd zodat de moeders rijkere melk kunnen maken en de lammeren dus een betere start hebben alvorens ze méé worden ingezet in het graasbeheer.

Een goede werkhond is nodig!
Als je beschikt over een beperkt aantal schapen kan je je nog bezig houden met ze achterna te zitten om te vangen. In natuurgebieden en met een grotere hoeveelheid schapen is dit quasi onmogelijk. Een goede werkhond is dan onontbeerlijk. We konden eigen-ogig vaststellen hoe de hond van Patrick Stubbe (een Australische Kelpie) in 1 minuut (echt waar!) een kudde van 30 schapen bijeendrijft naar zijn baas. Voor de schapen is de mens het opperschaap die hen beschermt tegen de gevaarlijke ‘wolf’ en voor de hond is de mens de opperwolf naar wie de prooien moeten gedreven worden.
Eerder op de dag deed Stefan er een half uur over om uit een groep van 5 schapen 1 bok weg te vangen… 

Elk zijn taak en verantwoordelijkheid!
De conservator van het gebied is verantwoordelijk voor alles wat te maken heeft met het conservator zijn. Dit houdt ook in dat de conservator verantwoordelijk is voor het plaatsen (en de kosten) van de omheining. Dit behoort tot het beheer van het terrein. De conservator is niet verantwoordelijk voor de schapen.
Een andere  persoon moet verantwoordelijk zijn voor de schapen en ook  alleen voor dat. Waarom moet dat iemand anders zijn? Eenvoudigweg omdat er ook bij het schapenbeheer zoveel komt kijken dat er dat als taak echt niet meer bijkan voor een conservator. De schapenhouder zorgt dan enkel voor het wel een wee van de schapen (veearts en verzorging, verplaatsing van de dieren, scheren, …). Je kan ook het verzorgen en oppassen van dieren – hoe zelfredzaam ze ook zijn – niet overlaten aan een ’vrijwilliger’! Dat wil niet zeggen dat de schapenhoeder als een herder dagdagelijks moet aanwezig zijn. Patrick Stubbe stelt dat hij in de regel slechts 1x per week langs gaat bij de schapen. In sommige periodes is dat 1x per 2 weken. Maar soms is dat ook 2-3 keer per week. In ieder geval als er iets mis is met de dieren, moet je beschikbaar zijn. En vergeet niet wat elke boer weet: ‘Wanneer is er iets mis met de dieren? Als je op reis bent, of op een feest zit, of slaapt …’ Kortom: nooit als je beschikbaar bent.

Goede afspraken tussen schapenhouder en conservator, maar ook flexibiliteit van beide kanten
Goede afspraken zijn nodig. Indien de conservator wil dat er begraasd wordt met 20 schapen gedurende een beperkte periode, dan moet dat ook zo concreet worden afgesproken. Nochtans is ook flexibiliteit nodig van beide kanten. In sommige jaren zullen door weersomstandigheden de dieren vroeger moeten weggehaald worden. Of soms zelfs later.
Daarnaast kan een schapenhouder niet zomaar alles veranderen. Het gaat om levende dieren. En die heb je niet altijd ‘in de hand’. Begrip moet  dus komen van beide kanten.

En tot slot: de voordelen
Begrazing heeft duidelijke voordelen tegenover maaien, de nadelen liggen vooral in het beheren van de dieren zelf. Dieren breken uit, ze worden ziek, enz... Daarnaast mag niet vergeten worden dat minstens 1 schapenhoeder er zijn tijd moet insteken.

De voordelen tegenover maaien zijn:

  1. Maaien is abrupt, dieren grazen continu, dit geeft bv. insecten de kans om uit te wijken,…
  2. Er wordt  geen kleine fauna gedood, wat bij het maaien zeker gebeurt (hoeveel kikkers, muizen, enz… sneuvelen er niet tijdens het maaien?) Begrazing houdt het ecologisch evenwicht in stand.  De beperkte mest die ze achter laten is bovendien gunstig voor diverse kevers.
  3. Schapen dragen bij tot het verspreiden van zaden over een heel terrein. Via de mest, maar ook via plantenrestjes die in de wol een tijdje blijven hangen, dragen ze zaaigoed met zich mee dat over groter oppervlaktes verspreid wordt.  Dit is heel belangrijk om bijvoorbeeld het uitbreiden van heidebegroeiing te stimuleren.
  4. Schapen verarmen de bodem. Ze nemen beduidend méér biomassa (wol, lammeren) mee dan ze er achterlaten in de vorm van mest.  En die mest wordt vrij verspreid achtergelaten.  Recent onderzoek heeft aangetoond dat de kever die leeft op dergelijke mest; zijn buit meeneemt tot een stukje onder de humuslaag. Daardoor heeft schapenmest ook minder effect op de verrijking van de bodem.
  5. Schapen creëren diversiteit: bepaalde stukken grazen ze korter af dan andere. Het geheim is hier vooral de keuze voor het aantal dieren dat ingezet worden.  Je kan met schapen zowel een intensieve stootbegrazing als een extensieve onderhoudsbegrazing realiseren. Alles hangt af van de hoeveelheid dieren, de begroeiing en uiteraard de te begrazen oppervlakte.
  6. Minder arbeidsintensief voor de beheerders van het terrein zelf: er moet geen maaisel afgevoerd worden.
  7. Schapenrassen die “browsen” houden de boomopslag kort, waardoor zwaar kapwerk door vrijwilligers veel langer effect heeft.  Dergelijke schapen trekken ook voortdurend rond in het gebied. Zo wordt het hele gebied tegelijk aangepakt. 
  8. Schapen hebben een zekere “aaibaarheidsfactor” die aan de natuurgebieden een extra rustiek karakter geven.  Ze zijn toegankelijker voor bezoekers die geen ervaring hebben met vee. Bovendien zijn ze véél handelbaarder bij verzorging dan grootvee dat in extensieve begrazing wordt ingezet. Omgekeerd vraagt een vrij rondlopende schapenkudde dan weer wat extra discipline van wandelaars. Het is zeer onwenselijk dat ze door regelmatige bezoekers bijgevoederd worden. Maar vooral loslopende honden kunnen hier en daar een bijzonder probleem vormen !

Wie meer inlichtingen wil kan terecht bij Patrick Stubbe.  (patrick.stubbe@pandora.be)
Wie Hebrideans in de Denderstreek zelf eens wil zien, kan terecht bij Stefan Kestens (054/50.35.65). Hij heeft er een paar lopen.
O ja, we zagen die dag ook nog wat beversporen in de Laanbeek, met dank aan Koen De Witte.

Stefan Kestens