Publicaties
Index:
- Boeken
Recent 2010-2011
- Handboek Taalbeleid Secundair Onderwijs - Kris van den Branden en Nora Bogaert (juni 2011)
- Bulkboeken 2011-2012
- Ideeënboek Sociale media in het onderwijs - Erno Mijland (maart 2011)
- 'Naar taalkrachtige lerarenopleidingen. Bouwstenen voor taalbeleid' red.
Dorothea Van Hoyweghen - uitg. Plantyn
- Het nieuwe "Groot Woordenboek Afrikaans en Nederlands (ANNA)"
- Taalbeleid in het hoger onderwijs: de hype voorbij? Elke Peters en Tine Van Houtven mei 2010
- Taal in het onderwijs. Van academicus tot zittenblijver - Peter Debrabandere uitg. Acco sept. 2010
- Beter leren lezen. De directe systeemmethodiek - Raf Feys en Pieter Van Biervliet uitg. Acco april 2010
Eerder
- 'Over grenzen - Oor grense - Een vergelijkende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poëzie | 'n Vergelykende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poësie' Ronel Foster, Yves T'Sjoen en Thomas Vaessens (red.) - uitg. Acco Leuven Den Haag 2009
- Literatuur leren lezen in dialoog - Tanja Janssen
- Taalbeleid in de praktijk. Een uitdaging voor elke school (rec.)
- Handboek Taalgericht Vakonderwijs 2e druk 2009
- Competent, een algemene didactiek in 100 lemma's (Van In, 2009)
- Een Vlaamse diplomaat schreef een boeiend boek over Zuid-Afrika.
“Verhalen van een vervelling. Zuid-Afrika zwart op wit” door Bart Pennewaert (Uitg. Manteau 2008)
- Het schoolvak Nederlands opnieuw onderzocht (dec. 2008)
- Nederlands in hoger onderwijs & wetenschap? - bundel congres 10 oktober 2008 in het Vlaams Parlement
- Het oog van de meester - Theo Witte
- Literaire competenties: hoe bepaal je het leesniveau van je leerllingen?
- Dyslectisch en dan...? - Bieke De Becker
- De leraar taalvaardig - René Berends
- Taalkunde voor de Tweede Fase van het VWO - Hans Hulshof, Maaike Rietmeijer en Arie Verhagen
- Andere publicaties
- Afscheidscollege Hans Hulshof (Leiden): "Taalkunde op school, hier en daar na veertig jaar"-
vrijdag 9 december 2011
- Mondelinge taalvaardigheid in het basisonderwijs - Een inventarisatie van empirisch onderzoek
door Helge Bonset en Mariette Hogeveen - SLO - nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling - juli 2011
- Conceptnota 'Samen taalgrenzen verleggen' - talennota van het Ministerie van Onderwijs en Vorming -
versie 22 juli 2011
- Taalbeschouwing - Een inverntarisatie van empirisch onderzoek in basis- en voortgezet onderwijs
door Helge Bonset en Mariette Hogeveen - SLO - nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling - december 2010
- Woordenschatontwikkeling in het basisonderwijs -
Een inventarisatie van empirisch onderzoek
door Helge Bonset en Mariette Hoogeveen -
SLO – nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling – juni 2010
- Taalbeleid in de lerarenopleiding: percepties van studenten en docenten - verslag van een bevraging
- Taalkunde en het schoolvak Nederlands - special Levende Talen - 6 mei 2010
- Talige startcompetenties Hoger Onderwijs - Publicatie Nederlands/Vlaams Platform Taalbeleid Hoger Onderwijs - SLO van de hand van Helge Bonset en Hans de Vries - aug. 2009
- Advieslijst taalbeschouwelijke termen Nederlands
Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming - Entiteit Curriculum
- Kennisbasis voor Nederlands voor Nederlandse onderwijzersopleidingen
- De Technische Handleiding regels voor de officiële spelling van het Nederlands
- De conferentiebundels van de HSN-conferenties staan alle online op Taalunieversum
- Lezen in het basisonderwijs. Een inventarisatie van empirisch onderzoek naar begrijpend lezen, leesbevordering en fictie - Helge Bonset en Mariette Hoogeveen SLO 2009 (hier te downloaden)
- Taal centraal - Taalbeleid in het Nederlandse en Vlaamse onderwijs
Speciale uitgave van Levende Talen Magazine - 2009
- De cultuur van het lezen - Ronald Soetaert
- Aan het werk! Adviezen ter verbetering van functionele leesvaardigheid in het onderwijs - Publicatie van een Werkgroep van het Platform Onderwijs Nederlands van de Nederlandse Taalunie - 2008
- In de kijker bij de Nederlandse Taalunie - december 2008
- Eindrapport Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen (H. Meijerink)
- Publicatie van de Peiling Nederlands: lezen (bis) en luisteren
in het basisonderwijs
op 7 juni 2007
- Taalpeil 2011 en vorige
- Taalschrift
- Tijdschriftenoverzicht
- Tijdschrift voor lerarenopleiders Velon
- Tijdschrift 'Over taal'
- De Nieuwsbrief van de vakcommunity Nederlands
- Etoc Nieuwsbrief januari 2011
- Adviezen van de Raad voor Taal en Letteren van de Nederlandse Taalunie
Omhoog
Boeken
Recent 2010-2011
Handboek Taalbeleid Secundair Onderwijs - Kris van den Branden en Nora Bogaert (juni 2011)
Uitgeverij Acco publiceert in juni 2011 het ‘Handboek Taalbeleid Secundair Onderwijs’ van de hand van Kris van den Branden en Nora Bogaert. Het verschijnt na het ‘Handboek Taalbeleid basisonderwijs’, na 'Taalbeleid in het hoger onderwijs: de hype voorbij?' beide Acco-uitgaven en na ‘ Naar taalkrachtige lerarenopleidingen: Bouwstenen voor taalbeleid’ bij Plantyn. Taalbeleid staat dus nog volop in de belangstelling bij uitgeverijen en onderwijsverstrekkers.
De auteurs brengen in dit boek alle belangrijke informatie over taalbeleid op de secundaire school bijeen. Hoe kan je de taalontwikkeling van leerlingen in de verschillende studierichtingen stimuleren? Hoe omgaan met taal in alle vakken? Hoe taalcompetenties opvolgen en evalueren? Hoe schrijf je een taalbeleidsplan? En hoe werk je met een team dat taalbeleid uit?
Zie de Inhoudsopgave [PDF]
Bij de presentatie van hun boek brengen de auteurs alvast de volgende boodschap over dat taalbeleid op school:
“Alle leerkrachten gaan van ’s morgens vroeg tot laat in de namiddag met taal aan de slag: ze gebruiken taal om hun leerlingen te onderwijzen, om met hen een band te smeden, om hen te evalueren, om hen huistaken te geven, enzovoort. En leerkrachten vragen ook de hele dag dat leerlingen taal gebruiken: dat ze luisteren, praten, schrijven en lezen in allerlei uiteenlopende situaties. In alle vakken gebeurt dat, niet alleen tijdens de taalactiviteiten. Elke leerkracht zal daarbij, bewust en onbewust, zijn taalgebruik en taaleisen aanpassen aan de leerlingen die hij
voor zich heeft. De vraag is dan: wanneer wordt dat dagelijks omgaan met taal een echt 'strategisch' en 'structureel' taalbeleid op school?
Taalbeleid krijgt op een secundaire school systematisch vorm als een schoolteam:
- bewust stilstaat bij wat alle leden van het team concreet met taal doen en zich afvraagt hoe effectief en efficiënt dat is voor de ontwikkeling van de leerlingen;
- beslist aan welke problemen en zwaktes prioritair aandacht moet worden geschonken;
- voor die prioritaire aandachtspunten doelstellingen bepaalt en aan die doelstellingen gepaste acties verbindt;
- die acties met alle betrokkenen probeert uit te voeren;
- het effect van die acties evalueert en waar nodig bijstuurt.
Een taalbeleid begint en eindigt bij de leerlingen. Het komt tot leven in de dagdagelijkse preventieve acties op het vlak van taal die alle leerkrachten in de klas nemen ten behoeve van het leerproces van de leerlingen. Het moet staan voor de gezamenlijke inspanning van alle schoolteamleden om het gebruik van taal in het onderwijs zo goed mogelijk aan te passen aan de noden van de leerlingen, zonder bepaalde kwaliteitsnormen in het gedrang te laten komen. De ultieme toetssteen voor een geslaagd taalbeleid is dus niet hoe tevreden de leerkrachten of de directie erover zijn maar of de leerlingen, dankzij de uitvoering van het taalbeleid, sterker tot ontwikkeling komen.
Van deze basisboodschap is het hele handboek doordrongen. De vele praktijkvoorbeelden, ideeën en argumenten die in dit boek werden beschreven, wapenen de lezer hopelijk om in hun school een echt taalbeleid tot leven te brengen.”
ISBN: 978-903348075-1 – 280 blz. – prijs: € 30.
Meer info: www.acco.be
Omhoog
Bulkboeken 2011-2012
De mooiste Nederlandse Literaire Klassieken voor de lezer van nu!

Alle direct leverbare klassieken op een rij.
Deze bulkboeken zijn nu nog klassikaal te bestellen voor € 1,50 per exemplaar.
(U kunt van elke titel een aantal pagina's bekijken op www.bulkboek.nl)
Middeleeuwen
1 – Karel en Elegast (12e eeuw), de ridderroman die elke scholier gelezen zou moeten hebben. Met de volledige originele tekst en een respectvolle hertaling van Karel Eijkman. Uitvoerig ingeleid en toegelicht.
2 – Reinaert de vos (begin 13e eeuw). Het intussen wellicht bekendste bulkboek met de originele tekst en de prachtige hertaling van Ernst van Altena.
3 – Beatrijs (13e eeuw), een van de mooiste liefdesverhalen uit de geschiedenis, met de integrale tekst, en een hele mooie hertaling-op-rijm van Willem Wilmink.
4 – Mariken van Nieumeghen (16e eeuw), een voor alle scholieren herkenbare ‘loverboy story’, en een prachtige schildering van het dagelijks leven in de late Middeleeuwen, ook virtuoos hertaald door Willem Wilmink (naast het volledige origineel in Middelnederlands).
17e eeuw
5 – Liefde in de 17e eeuw. Met het recent herontdekte Wonderlicke avontuer van twee goelieven (1624), over de liefde van een jonge Nederlandse huursoldaat voor zijn meisje dat hij trouw blijft, dwars door alle realistisch beschreven godsdienst oorlogen en veldslagen heen. Ontdekt, ingeleid en hertaald door prof. em. Eddy Grootes. Een prachtig tijdsdocument met een happy end. Aangevuld met 'Liefdesemblemen' van o.a. Heinsius, P.C. Hooft en Jacob Cats.
6 – Het journaal van Bontekoe (1647), in de sobere en onopgesmukte hertaling van Lennart Nijgh in ere hersteld als het mooiste reisverhaal uit de 17e Eeuw.
18e eeuw
7 – Het wederzijds huwelijksbedrog (1712), het verrassend moderne toneelstuk van Pieter Langendijk, op verzoek van veel docenten. Volledig geannoteerd. Voortaan opvoerbaar in elke klas of aula.
8 – Opkomst en val van een koffiehuisnichtje (1727). Een tragisch liefdesverhaal (“Ik was ongerust als ik hem niet zag, en ik was niet gerust als ik hem zag”. Welke verliefde scholier herkent zich daar niet in?). En een juweel van een verhaal om de alledaagse wereld van de 18e eeuw, en vooral de stadswereld met haar uitgaansleven, te leren kennen door de ogen van een mooi jong meisje van het platteland. Uit de 18e eeuwse straattaal hertaald door Jan Rot.
9 – Sara Burgerhart (1782). De weergaloze brievenroman rond de (liefdes)perikelen van een 17-jarige. Eindelijk in moderne spelling, en ingekort (maar ‘geen bomen gekapt, alleen wat gesnoeid’), en de vele door de dames zelf verzonnen woorden en uitdrukkingen blijven door de context voor de huidige jonge lezers begrijpelijk.
19e eeuw
10 – Camera Obscura (1839) (een groot deel daarvan althans), prachtig hertaald door Ivo de Wijs, en rijk geïllustreerd met mode, etiquette en gewoontes in de negentiende eeuw.
11 – Woutertje Pieterse (1862-1877), het ‘andere meesterwerk’ van Multatuli, samengesteld uit de vele afleveringen en liefdevol hertaald door Ivo de Wijs.
12 - De kleine Johannes (1885-1906) van Frederik van Eeden, in moderne spelling opnieuw een betoverende novelle.
Vriendelijke groet,
Theo Knippenberg
Stichting Bulkboek Literaire Klassieken
(Medegedeeld)
Omhoog
Ideeënboek Sociale media in het onderwijs - Erno Mijland (maart 2011)
Enkel digitaal in pdf-formaat beschikbaar.
Met ideeën voor Nederlands en voor andere onderwijsdomeinen.
Inleiding
Sociale media zijn internettoepassingen, waarmee mensen online met elkaar in contact
kunnen komen. Je kunt ze op een informele manier en voor je plezier gebruiken, maar ook voor samenwerking op afstand én om met en van elkaar te leren. Voor het onderwijs is met name dat laatste van belang.
Op vrijdag 18 februari 2011 verzorgde ik in opdracht van SchoolnetBrabant.nl een workshop
over sociale media in het onderwijs. Na een introductie op het thema gingen de deelnemers aan de slag met het bedenken en beschrijven van een praktische toepassing van sociale media in het onderwijs.
Een van de kenmerken van sociale media is dat je tijd- en plaatsonafhankelijk kennis kunt delen en kunt samenwerken. Om die invalshoek te illustreren, leek het me een mooi experiment de buitenwereld bij de workshop te betrekken. Voor wie er niet bij kon zijn, maar wel mee wilde doen, bood ik op mijn weblog een artikel aan met de samenvatting van mijn introductie en een beschrijving van het praktijkgedeelte. Om het aantal deelnemers zo groot mogelijk te maken, postte ik aankondigingen van deze activiteit in een aantal LinkedIngroepen en op Twitter (hashtag: #smiho).
Voor het verzamelen van de lesideeën gebruikten we de formulier-functie van Google Docs. Het formulier dat de deelnemers in moesten vullen, correspondeerde met het format dat ik had opgesteld voor het beschrijven van het lesidee. De ingevulde gegevens kwamen binnen in een online spreadsheet, waar ik ze vervolgens uithaalde om ze te verwerken en redigeren in deze verzamelbundel.
Op maandagochtend, 21 februari, 8.30 uur was de deadline. Ik was aangenaam verrast door de creatieve energie die vrij was gekomen op één vrijdagmiddag en in één weekend. Wat een mooie, diverse oogst! En wat een toewijding: er kwam zelfs een inzending binnen om half een in de nacht van zaterdag op zondag. Aan iedereen die heeft bijgedragen daarom een ‘thumbs up’ en veel dank voor de inspiratie!
Het resultaat is een deze bundel met ideeën. Sommige gaan over een heel specifiek onderwerp, andere zijn breed inzetbaar. Met een aantal kun je direct aan de slag, andere zul je nog moeten vertalen naar je eigen praktijk. Volg de instructies nauwgezet of ga er losjes mee om, schaaf bij op basis van ervaring, vraag feedback aan je leerlingen of studenten en... deel je inzichten met je netwerken.
Erno Mijland

onderwijsjournalist/schrijver, trainer en adviseur
auteur ‘Nu leren voor morgen’
mede-auteur en -eindredacteur leergang ‘Slimmerkunde’ [www.slimmerkunde.nl]
www.ernomijland.com
Inhoud
Learning apart together 4
Over het format 7
1 Overhoringen delen met Wrts 8
2 Een klassenblog met Blogger 9
3 Een Guyku gedichtenbundel met Google Docs 10
4 Een opdracht visualiseren met Scribblar 11
5 School2School met Blogger 12
6 Een online enquête maken met Google Docs 13
7 Droombaan 14
8 Skype Discovery 15
9 Hoe wonen de mensen in... 16
10 Online imago 17
11 Psychofarmacologie database met PB Works 18
12 Voedselweb met Scribblar 19
13 Stelopdracht/instructiefilmpje met Screencast-O-Matic 20
14 Oriëntatie op de sector Zorg en Welzijn 21
15 Mindmappen met Mindmeister 22
16 Kennisdatabase maken met Evernote 23
17 Online leerstrategieën bij afwezigheid docent 24
Hall of Fame: de makers van deze bundel 25
Overzicht besproken online tools 26
Twee commerciële oplossingen 27
Een gratis workshop op uw school? 27
Het ideeënboek sociale media in pdf
Omhoog
'Naar taalkrachtige lerarenopleidingen. Bouwstenen voor taalbeleid'
red. Dorothea Van Hoyweghen - uitg. Plantyn
Algemene presentatie
Om de grote diversiteit in startcompetenties op te vangen, moeten de lerarenopleidingen niet alleen over kijkwijzers en over geschikte screenings- en toetsingsinstrumenten beschikken. Zij moeten ook hun talige eisen expliciteren en gepaste remediëringsroutes opzetten. Efficiënte leertrajectbegeleiding of monitoraat op maat vergen een grondige analyse van de startcompetenties, maar ook van de academische en professionele taalcompetenties die de studenten op het einde van hun studieloopbaan verworven moeten hebben.
Alleen een didactiek die rekening houdt met meervoudige multiculturele en multimediale geletterdheid, biedt een afdoend antwoord op de huidige diverse instroom en op de eisen van onze maatschappij.
Professionalisering van het corps is onvermijdelijk, als de lerarenopleidingen het principe 'Teach what you preach' willen huldigen en willen overschakelen op taalontwikkelend onderwijs en op de inzet van geschikt taalondersteuningsmateriaal.
Dit boek:
- wijst op de grootste taalstruikelblokken bij beginnende studenten en op de taalnoden die docenten ervaren,
- reikt een specifiek referentiekader aan om te komen tot een kwaliteitsvol eindproduct,
- bevat praktijkvoorbeelden die aantonen hoe gelijke uitgangspunten kunnen leiden tot verschillende resultaten.
Het boek biedt een 'blended learning solution', een multimediaal pakket met oog voor parallellen en verschillen in het taalbeleid van universiteiten, hogescholen en cvo's. Bij de verschillende fasen die de universiteit, de hogeschool en het cvo doorlopen van noodzakelijke startcompetentie, over academische tot professionele taalcompetentie, dient de uitgave zich aan als de geschikte gids.
* Frank Vandenbroucke, voormalig onderwijsminister, schreef het woord vooraf: klik hier (pdf)
* Beschrijving van de inhoud met de krachtlijnen van elk hoofdstuk: klik hier (pdf)
* Auteurs: Frans Daems, Jeroen Lievens, Nora Bogaert, Tine Van Houtven, Elke Peters, Guido Cajot, Joke Vrijders, Tom Venstermans, Lieve Verheyden, Riet Jeurissen, Elly Quanten, Hilde Van den Bossche, Carine Steverlynck, Dirk Berckmoes, Hilde Rombouts, Véronique Minnebo, Jan Loosveld, Wouter Schelfhout, Roger Van den Borre, William Vroonen, José Vandekerckhove, Ingrid Evers, Piet-Hein van de Ven, Bart Van der Leeuw, Mieke Lafleur, Johanna van der Borden, Jo Van den Hauwe, Bart Horemans, An De Moor.
Recensie
Dit boek sluit aan bij de reflectie rond taalbeleid in het hoger onderwijs dat onder impuls van de vorige onderwijsminister werd ingezet en het is in feite een gerijpte en gediversifieerde voortzetting daarvan.
Visie
De inleiding van onderwijsminister Frank Vandenbroucke geeft al heel duidelijk aan wat de opzet, de zin en de effectiviteit kan zijn van dit bij uitstek belangrijk didactisch werk voor de hogere onderwijsopleidingen. Naast remediale aanpakvormen inzake taalbeleid lijkt de idee van taalontwikkelend lesgeven een vernieuwende dominante te zijn in dit boek. De idee wordt gelanceerd, ze wordt al toegepast in enkele lerarenopleidingen en ze biedt perspectieven op grotere efficiëntie en meer kansen voor meer studenten in de lerarenopleidingen. Het loont alvast de moeite voor lerarenopleiders er zich op toe te leggen, de idee mee te nemen in de eigen praxis en ze ruimer ook uit te dragen naar de aankomende leraren.
In het eerste deel rond visieontwikkeling treffen we het vlot leesbaar en uitstekend gestoffeerd ‘Elke leraar is taalleraar. Een referentiekader voor taalbeleid in de lerarenopleiding’ van Frans Daems. Het begrip taalbeleid in zijn smalle en brede opzet wordt in herinnering gebracht en de drie vormen van taalbeheersing voor het hoger onderwijs krijgen hier als concept hun volle invulling: de starttaalcompetentie om de studies aan te vatten, de academische taalcompetentie die nodig is om het curriculum succesvol te doorlopen en de professionele taalcompetentie die op het einde van de studie verworven moet zijn om de aankomende leraar in staat te stellen zijn rol te spelen in het opzetten en uitvoeren van het taalbeleid in de school waar hij zijn lerarenfunctie opneemt.
Uit een heel ander vaatje tapt communicatiedocent Jeroen Lievens in een tweede visieartikel ‘Meervoudige geletterdheid als gewenste hoeksteen van een krachtig, hedendaags en sociaal inclusief hogeschooltaalbeleid. Dit streven naar meervoudige geletterdheid, waarbij de studenten actief en creatief leren omgaan met de eigentijdse gemediatiseerde en gedigitaliseerde communicatievormen, is baanbrekend voor het onderwijsontwikkelend leren. Het vergt wel een hele ommezwaai in het denken van de doorsnee lerarenopleiders en de stap naar deze pedagogie van meervoudige geletterdheid als daartoe beslist wordt, zal een bijzondere inspanning vergen om die op effectieve wijze te leren beheersen om ze in praktijk te brengen. Wellicht is het die inspanning en dat engagement waard.
Noden
In het tweede deel wordt getast naar de taalnoden in de lerarenopleidingen. In elk van de drie bijdragen blijkt dat taalontwikkelend tewerk gaan veel verkieselijker is dan de gebruikelijke praktijk van de instaptoetsen die remediërend bedoeld zijn maar die het veruit moeten afleggen tegenover gedegen behoefteanalyses. Die laatste laten toe de reële noden aan te wijzen en voor het geheel van de studentengroepen taalondersteunend te werken met gebruikmaking van het passende materiaal. In ‘Taalnoden in de lerarenopleiding’ van het expertisenetwerk van de Associatie K.U. Leuven werd in vijf hogescholen een digitale bevraging uitgevoerd om de noden te kennen zowel voor de starttaalcompetentie als voor de academische en professionele taalcompetenties van de aspirant-leraren. Hierin wordt dieper en concreter ingegaan dan in het referentiekader van Frans Daems op die drie vormen van taalvaardigheid. Daaraan hebben lerarenopleiders alvast een beter inzicht in wat zij binnen het curriculum als taalontwikkelende gegevens moeten meenemen. Het was de bedoeling om aansluitend bij dat onderzoek het nodige materiaal en de strategieën te ontwikkelen. Wij zijn benieuwd naar de (publicatie van) de resultaten. In een 3e bijdrage ‘Taalbeleid uit de startblokken. Een taaltest of een behoefteanalyse als startschot?’beantwoorden Tine Van Houtven, Elke Peeters en Guido Cajot of een taaltest of een behoefteanalyse de beste aanpak is. Zij steunen zich op een behoeftenanalyse leesvaardigheid in de lerarenopleiding bachelors en op een zesdelig taalvaardigheidsonderzoek. Gewone screening blijkt veruit inferieur tegenover een volwaardige behoeftenanalyse.
Fundamenteel voor de opzet van een taalbeleid in het hoger onderwijs zoals dat beoogd wordt in het hele boek is wel het 2e hoofdstuk van Nora Bogaert ‘Instaptoetsen volgens de regels van de kunst’. In enkele bladzijden herhaalt de auteur nog eens duidelijk en indringend welke de criteria zijn voor adequate toetsen: ze moeten fair, valide en betrouwbaar zijn. Ze toont ook de complexiteit aan van de opzet van toetsing en pleit voor gebruik ervan voor taalontwikkelend lesgeven. In kort bestek en overzichtelijk kunnen hier lectorenteams vinden wat en hoe ze het voor elkaar moeten krijgen.
Taalbeleid
Drie lerarenopleidingen beschrijven in dit deel hoe ze elk op zijn eigen manier taalbeleid organiseren in de praktijk. In een vierde bijdrage geeft de onderwijsinspectie haar bevindingen over het taalbeleid in de specifieke lerarenopleidingen in het volwassenenonderwijs.
In ‘Taalbeleid werkt, maar niet vanzelf’ brengt Joke Vrijders verslag uit van de organisatie en de bevindingen gedurende al drie academiejaren van het taalbeleid in de Arteveldehogeschool in Gent op het niveau van de bacheloropleiding Secundair onderwijs bij zowat 2.000 studenten. Dat gaat van screening naar remediëring met zelfstudie, taalworkshops met studenten als taalcoach en individuele begeleiding op maat, maar ook naar professionalisering van docenten, die studenten moeten kunnen doorverwijzen, feedback geven via kijkwijzers en een modelfunctie moeten kunnen uitstralen. Voor de professionele taalcompetentie van de studenten krijgen de collega’s de vaardigheid om hun studenten taalgericht vakonderwijs te leren vormgeven om de studenten weerbaar te maken een taalbeleid op schoolniveau te helpen ontwikkelen. In deze hogeschool wordt gewerkt met een flankerende taalbeleidslijn met o.m. breed ontwikkeld ondersteuningsmateriaal.
Vanuit een andere invalshoek schetst Tom Venstermans het taalbeleid op de Karel de Grotehogeschool in ‘Van screening naar onderwijs op maat’. Hier voeren screenings en beginassesments van startcompetenties naar aangepaste leerroutes waarbij individuele studenten bijgestaan worden door een leertrajectbegeleider nog verder geassisteerd door een taalvaardigheidslector. Ook begeleidingsintrumenten en –instanties helpen naar behoefte de taalvaardigheid van de studenten te verbeteren. Een geïndividualiseerde volgfiche voor mondelinge en schriftelijke taalvaardigheid houdt de vorderingen bij tijdens de leerroute. Dat alles moet de slaagkansen vanuit een toenemende taalbeheersing bevorderen.
Dan brengen drie lerarenopleidingen hun praktijkverhaal met parallellen en verschillen onder de beeldende titel ‘Mol, uil of libel… drie stadia in een taalbeleidsproces’: de Xioshogeschool in Hasselt met Riet Jeurissen en Elly Quanten (bachelor basisonderwijs), de K.H. Leuven met Lieven Verheyden (bachelor KO), de KaHo Sint-Lieven Campus Waas met Hilde Van den Bossche (bachelor basisonderwijs)..
De verhaallijn in Xios loopt van veel aandacht voor taal naar taalvaardigheidsonderwijs gekoppeld aan taalleerstrategieën, naar een reëel taalbeleid met aanvankelijk geïsoleerde initiatieven vanuit lectoren Nederlands en de vakgroep Nederlands naar een integraal taalbeleid van het volledige opleidingsteam aan de hand van een taalbeleidsplan. Het verhaal loopt steeds verder met nu heel veel aandacht voor de ontwikkeling van kernleertaken met een leerlijn. Daarbij viseert het team als teksttypen gesprekken – vragen, instructies, werkbundels – informatieve teksten – verslagen – presentaties gekoppeld telkens aan de daarbij passende taalhandelingen. Voor de K.H. Leuven loopt het verhaal nagenoeg parallel met dien verstande dat de basis van het taalontwikkelend leren gevormd wordt door de Kijkwijzer Mondelinge Communicatie en de Kijkwijzer Schriftelijke Communicatie die afdelingsbreed worden gehanteerd. Waar de K.H. Leuven zich inzette voor de bevordering van de academische taalcompetentie, richt de KaHo Sint-Lieven zich krachtig op de professionele taalvaardigheid van haar studenten. Daarbij wordt vooral gemikt op de realisering van de NTU-taaldoelen. Ook hier pogen de docenten van een integrerend taalbeleid naar een integraal taalbeleid door te stoten wat niet zonder knelpunten en hindernissen verloopt.
Uit de drie verhalen blijkt hoe complex en dynamisch een taalbeleidssysteem is. In het conclusief gedeelte van deze bijdrage worden in dat perspectief belangrijke gevolgtrekkingen afgeleid die relevant kunnen zijn voor andere lerarenopleidingen, beleidscoördinatoren en –medewerkers. De factoren die een taalbeleidssysteem in beweging brengen worden opgesomd. De combinaties van acties die een taalbeleidsproces vooruit helpen worden aangegeven. Zeker belangrijk in die conclusie zijn de hefbomen voor taalbeleid: een stevig doordacht curriculum dat rekening houdt met een taalleertraject met daarbij een stevige verankering van het vak communicatieve vaardigheden in het totale opleidingsgebeuren, een stagegerichte insteek inzake professionele taal met de impact van de dertien doelen in het dozijn, een stevige vakgroep Nederlands, de passende professionalisering van de betrokken docenten, de student als aankomende leerkracht, de structurele inbedding van een taalbeleids(coördinatie)opdracht in het takenpakket van een of meer docenten.
Onderwijsinspecteur Carine Steverlynck geeft in haar bijdrage ‘Een ‘aparte’ taalkracht? Taalbeleid binnen de specifieke lerarenopleiding in het volwassenenonderwijs’ het relaas van de resultaten van haar onderzoek op de websites van de CVO’s en via een uitgebreide bevraging met een bevragingsformulier. Die resultaten geven aan dat zowat 75 % zich bekommert en zich inspant voor taalbeleid, maar dat er buiten enkele opmerkelijk goede opzetten nog weinig sprake is van een systematisch, coherent en doeltreffend taalbeleid. Het is in die onderwijssector in ontwikkeling zonder dat er al van evaluatie van resultaten sprake kan zijn. De auteur meent dat dit boek ,Naar taalkrachtige lerarenopleidingen’ dan ook bijzonder inspirerend zou kunnen zijn voor die specifieke lerarenopleidingen.
Taalcompetentie
In haar bijdrage ‘Wijzer kijken met kijkwijzers? Over een tussentijds product van taalbeleid’ geeft Lieve Verheyden de resultaten weer van haar kritisch onderzoek van negen erg verschillende kijkwijzers of observatielijsten. Zij puurt daaruit 13 tips voor een optimaliserende aanpak bij de constructie van kijkwijzers en voegt er ter voltooiing nog haar eigen ‘Kijkwijzer voor kijkwijzers voor communicatieve competenties’, haar ‘checklist waarmee kijkwijzers voor communicatieve competenties doorgelicht en bijgestuurd kunnen worden’.
Treffend is de titel van de bijdrage van Hilde Rombouts en Dirk Berckmoes van het ‘Monitoraat op maat’ van de Universiteit Antwerpen ‘Academische taalvaardigheid voor elke student. De meerwaarde van een taalmonitoraat op maat’. Op basis van vrijwilligheid en persoonlijke aanmelding kunnen de studenten uit alle faculteiten van de universiteit die aanvoelen dat zij bepaalde noden hebben inzake taalvaardigheid op een bepaald ogenblik van het academiejaar naast een aanpak binnen hun opleiding een extracurriculaire begeleiding aanvragen bij het monitoraat. De intentie “Ik wil academisch taalvaardiger worden” voert tot een concreet individueel taalbegeleidingstraject met (een combinatie van) groepslessen, individuele ondersteuning en begeleide zelfstudie. De klemtoon in dit hoofdstuk ligt bij de voorstelling van drie casussen op de prominente rol van de taalbegeleider voor de betrokken student.
Een andere maar bijzonder boeiende invalshoek biedt de bijdrage van Véronique Minnebo, taalbeleidscoördinator in het Departement Sociaal-Agogisch werk van de Plantijn Hogeschool in Antwerpen. Ze is getiteld ‘Alle studenten taalvaardig! Taalbeleid, taalbegeleiding en taalontwikkelend lesgeven in een niet-taalgerichte opleiding’. De titel houdt de twee vormen van taalbeleid in die in haar departement gecultiveerd worden. Het taalbeleid omvat taalbegeleiding van alle studenten enerzijds en taalontwikkelend lesgeven anderzijds. Alle klemtonen in Minnebo’s hoofdstuk liggen op het cruciale thema taalontwikkelend lesgeven waarbij de professionalisering van de andervakdocenten o.l.v. de taalbeleidscoördinator in die richting nagenoeg alle aandacht krijgt. Aspecten daarvan zijn bijscholing van de collega’s in een paar workshops, individuele coaching, de beschikking over een materialenbank voor de docenten en studenten, de uitwerking van hulpmiddelen, regelmatig overleg en bijkomend een studententutoraat voor taalbegeleiding van hogerejaarsstudenten naar eerstejaars toe. Bij de beslissing om vooral taalontwikkelend les te geven blijken de verwachte valkuilen en struikelblokken maar ook voorstellen tot aanpak van die hindernissen.
Ook de onderwijsinspectie presenteert haar kijkwijzer voor taalbeleid. Vier onderwijsinspecteurs reiken die aan de lerarenopleidingen aan in hun bijdrage ‘Talenbeleid in dienst van de leerling. Voorstelling en duiding van de Kijkwijzer Talenbeleid van de onderwijsinspectie’. Hij is ontworpen ten behoeve van de inspectie zelf die een onderzoek uitvoert naar de manier waarop scholen van het leerplichtonderwijs aan talenbeleid gestalte geven. De inspecteurs menen dat in het licht van de verwerving van de professionele taalvaardigheidscompetentie van aspirant-leraren dit observatiemodel dienstig en nuttig kan zijn. Ons vallen daarbij als aandachtspunten op de aspecten van het Nederlands als vak, het Nederlands als instructietaal en het gebruik ervan voor de communicatie.
Taalkrachtig vormen
In een kortere bijdrage brengt José Vandekerckhove in zijn hoofdstuk vanuit zijn ervaringen als lerarenopleider slo K.U. Leuven en als pedagogisch begeleider enkele lossere ideeën samen in ‘De lerarenopleiding: een hefboom voor het taalbeleid in het secundair onderwijs’. Van groot belang vindt hij in de opleiding van aspirant-leraren hun competentie om taalgericht vakonderwijs te kunnen geven in hun stages en in de beginperiode van hun leraarschap. Vermetel is wel zijn relativering van de verankering van de standaardtaal in de basiscompetenties voor de leraar s.o... voor ruimte voor taalvariatie in navolging van de relativering van de betekenis van de standaardtaal in de geschriften van Joop van der Horst. In dat verband verwijzen we van in zijn referentiekader graag naar de genuanceerde visie van Frans Daems rond "Taal in de klas” op p. 16 van dit boek.
Een substantiële bijdrage leveren Ingrid Evers en Piet-Hein van de Ven van de Radboud Universiteit Nijmegen met ‘Taalbeleid ook op de universitaire lerarenopleiding’. Daar wordt de module Vakspecifiek leren en taal aan de leraren-in-opleiding voor alle schoolvakken aangeboden. Een 2e module is die rond de NT2-problematiek over schooltaal en thuistaal, taalverwerving en woordenschatontwikkeling, plurilingualiteit en multiculturaliteit. De module Vakspecifiek leren en taal omvat vier sessies van anderhalf uur. Elke sessie vertrekt vanuit praktijksituaties en kent een eigen thema en een onderzoeksopdracht op dat thema geënt. Nauwkeurige interactieanalyse van getranscribeerde klasgesprekken, bewustmaking van de verschillende referentiekaders bij docenten en leerlingen rond een opdracht, het leren van vakspecifieke concepten en begrippen, een geoptimaliseerde formulering van een schrijftaak opende verrassende taalinzichten en perspectieven voor de lio’s, inzetbaar bij klassikale interacties in de bovenbouw. Daaruit ontstond vanwege de auteurs omwille van de positieve perspectieven een pleidooi voor institutionalisering van de module aan de eigen universiteit en naar veralgemening naar de andere universitaire lerarenopleidingen gericht op alle docenten van alle vakken. Bijzondere waardering kwam er ook voor het digitale kennisplatform van LEONED met zijn Kennisbasis Nederlands.
Van daaruit krijgen we in de bijdrage van Bart van der Leeuw, Johanna van der Borden en Mieke Lafleur ‘Kennisbasis Nederlands voor de lerarenopleiding’ een ruim overzicht van inhouden en een helder inzicht in de ordening van de beide kennisbases Nederlands enerzijds voor de pabo en anderzijds voor de tweedegraadsopleiding. Ze dateren van 2009. Die kennisbases stimuleren een bijzonder fundamentele omslag in de aanpak van de lerarenopleidingen in Nederland. Die worden nu wel bepaald competentiegericht. De te verwerven competenties worden onderbouwd met de nu voorliggende kennisbasis. Met die kennisbasis komt vast te liggen wat aankomende leraren moeten kennen op het ogenblik dat zij de lerarenopleiding verlaten. De relevante beroepscompetenties moeten dan worden aangetoond en daarbij wordt geconstateerd of de afstudeerstudenten de vastgestelde kennis paraat hebben. Voor alle studenten wordt dan dezelfde norm gebruikt. In de hogeschool Utrecht wordt nu al in de tweedegraadsopleiding de kennisbasis op een eigen doordachte wijze gehanteerd als instrument voor curriculumverbetering.
Aansluitend bij de voorstelling van de kennisbasis brengt Jo van den Hauwe een laatste bijdrage ‘De betekenis van de Kennisbasis Nederlands (pabo) voor Vlaanderen’. Voor hem gaat het in de kennisbasis om declaratieve kennis waarbij geen handelingsrepertoire aanwezig is en ze heeft dan ook vooral een encyclopedische waarde voor de Vlaamse lerarenopleidingen. Voor de ontwikkeling van de professionele taalvaardigheid van de studenten lerarenopleiding is er voor de auteur dan ook een eigen instrument gewenst dat onderliggende kennis beschrijft. Niettemin beschouwt hij de Kennisbasis Nederlands van Van der Leeuw e. a. als een waardevol document voor studenten en lerarenopleiders in Vlaanderen...
Knooppunt*

Merkwaardig, maar zin- en beloftevol is Deel 6 Taalkoppelingen zoeken. An De Moor verzorgde dit afsluitend zesde deel. Het is enkel voor bezitters van het boek alleen maar online beschikbaar. Zij moeten surfen naar www.knooppunt.net - zich registreren, hun persoonlijke gegevens invullen en hun licentie activeren met behulp van de code die ze bovenaan pagina 2 van het boek vinden. Mogelijk komen later nog digitale aanvullingen daarbij.

Deel 6 bevat de volgende hoofdstukken
1. Een lerend netwerk. Samenwerking tussen de lerarenopleidingen in de cvo's van het GO!
2. Inventaris e-platformen voor lerarenopleiders
3. Taalkoppelingen.
Tot slot
Als je het boek op je bureautafel legt, krijg je meteen op het voorplat de grote bol met vele kleine bolletjes daarop geënt in het vizier. Het is het vergrote facetoog van de libel. Het staat symbool voor de veelzijdige kijk op taalbeleid dat dit werk te bieden heeft en het verwijst naar de beeldrijke presentatie van de bijdrage van drie hogescholen die hun taalbeleid verbeelden met de mol, de uil en de libel.
Met de visie op taalbeleid en met de praktische uitwerking in aanzet of in uitvoering bij vele lerarenopleidingen kunnen wij ons volmondig aansluiten. Wellicht kon er wat meer nadruk worden gelegd op attitudevorming binnen het taalbeleid. Hoe moeilijk ook te vatten en te realiseren is het taalontwikkelend lesgeven als uitvloeisel van de didactiek van het taalgericht vakonderwijs de dominante stimulans in dit werk. Taalvaardigheid functioneel verwerven gelijktijdig met en verankerd in de leerinhouden kan op termijn een substantiële kwaliteitsverbetering en meer slaagkansen van aspiranten maar ook meer taalcompetente leraren opleveren in het onderwijs.
Het boek is ook aangenaam om te hanteren. Het bevat de nodige geraadpleegde lectuur. Het is keurig en leuk geïllustreerd met samenvattende of toelichtende tabellen en zeker is het prettig om tussendoor ook even te toeven bij de toepasselijke en puntige tekeningetjes van oud-collega Ides Callebaut. Het is ook degelijk gestructureerd in delen en hoofdstukken met telkens voor elk hoofdstuk de oriënterende en synthetiserende krachtlijnen ervan. De NTU-doelen en de basiscompetenties zijn als bijlagen toegevoegd.
Met veel belangstelling hebben we uitgekeken naar de publicatie van ‘Naar taalkrachtige lerarenopleidingen – BOUWSTENEN VOOR TAALBELEID. Na de aandachtige lectuur ervan zijn we niet ontgoocheld. Integendeel. We beseffen nu maar al te goed hoe belangrijk taalbeleid is in de lerarenopleidingen voor alle leraren. We begrijpen nu ook hoe stevig aan dat taalbeleid in het tertiair onderwijs wordt gewerkt. Dit boek is rijk aan relevante ideeën, geeft de diversiteit weer waarmee opleiders taalbeleid bekijken en bewerken. Het is inspirerend voor andere niveaus van onderwijs, maar evenzeer is het een visie- en ideeënuitwisseling van lerarenopleidingen onderling. We willen dit boek bij alle beleidsmensen, bij alle lerarenopleiders en leraren betrokken bij de lerarenopleiding en bij alle studenten die een lerarenopleiding hebben gekozen met veel genoegen aanbevelen: om het boek te lezen, te raadplegen en er op passende momenten naar terug te grijpen, om ondersteuning te vinden bij de eigen aanpak van zoveel wat thuis te brengen is onder dat taalbeleid. Wij zijn er dan ook zeker van dat het zijn weg, zijn lectuur en zijn gebruik in het werkveld van de lerarenopleidingen in Vlaanderen zal vinden. Wij bevelen het evenzeer aan voor de Nederlandse lerarenopleiders op elk niveau. Ook zij kunnen er enorm voordeel aan hebben.
Zovele toegewijde lerarenopleiders in Vlaanderen hebben een grote inzet opgebracht om hun bijdragen aan te leveren in een samenwerkingsbestek gestuurd door een coördinerende redactie en bezield en geleid door didactica Nederlands Dorothea Van Hoyweghen. Aan allen een hartelijke proficiat met deze prestatie.
Ghislain Duchâteau
Netwerk Didactiek Nederlands
*Knooppunt is de realisatie van een online portaal voor digitale leermiddelen. Met één login en paswoord krijgen leerlingen en leerkrachten toegang tot alle digitale leerinhouden die ze aangekocht hebben bij uitgevers van leerboeken die lid zijn van de vereniging.
Knooppunt werd opgestart door de educatieve uitgeverijen Van In en Plantyn en werd overgenomen door de groep Educatieve en Wetenschappelijke uitgevers (GEWU), een subgeleding van de Vlaamse Uitgeversvereniging (VUV) vzw.
________________________________
Uitgeverij Plantyn
Omhoog
Het nieuwe “Groot Woordenboek Afrikaans en Nederlands (ANNA)”
|
| |
Em. prof. dr. Willy Martin, lexicoloog en lexicograaf, is de ontwerper van een nieuw woordenboekmodel: het amalgatiemodel waarin de twee talen samengevoegd of in elkaar geschoven zijn in één boekdeel voor beide talen. In het woordenboek worden de Nederlandse woorden in gewone drukletter, in romein, weergegeven, de Afrikaanse in cursiefletter, zodat de talen binnen een artikel perfect van elkaar te onderscheiden zijn. Dat amalgatiemodel kan worden toegepast, omdat de talen zo verwant zijn in betekenis en vorm dat ze samen beschreven kunnen worden.
In een interview zegt hij over het project:
“Voor zo’n aparte situatie heb je een bijzonder woordenboek nodig en op een gegeven moment zag ik heel duidelijk in hoe we het zouden gaan doen: om de overeenkomsten en de verschillen in één oogopslag duidelijk te maken, staan de Nederlandse en Afrikaanse trefwoorden door elkaar in plaats van in twee afzonderlijke delen. ANNA is daarmee het enige echte contrastieve, geamalgameerde woordenboek. Dat amalgamatiemodel was nog nooit eerder toegepast en ik had best wat koudwatervrees maar kijk, het is goed uitgedraaid... Het model is ook perfect bruikbaar voor andere talen die dicht bij elkaar liggen, zoals de zwarte talen in Zuid-Afrika.” Martin bedoelt hier o.m. de Afrikaanse talen uit de Nguni-familie met Xhosa, Zoeloe, Ndebele en Swati en de Sotho-familie met Sesotho sa Leboa, Sesotho en Setswana. Ook Slavische talen vertonen grote verwantschap: Servisch, Kroatisch, Sloveens, Tsjechisch, Slovaaks. Dat geldt beslist ook voor de Scandinavische talen. In een ruimer perspectief zou dat de harmonisering van verschillende culturen kunnen bevorderen. Het hele project voor ANNA duurde elf jaar, een normale termijn voor een woordenboek.
Bron: Campuskrant Tijdschrift van de K.U. Leuven – nr. 9 van 25 mei 2011.
|
Tekening van Willy Martin van de hand van
Anne Van Herreweghen |
Het Groot Woordenboek Afrikaans en Nederlands – ANNA – bevat één boekdeel, maar naar de inhoud is het tweedelig. In een eerste deel worden de lexicale woorden uit de twee talen beschreven. Dat zijn zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, bijwoorden en tussenwerpsels. Het beslaat met inleiding 2177 bladzijden. In het tweede deel, het ‘Nawerk’, komen in aparte onderdelen respectievelijk de functiewoorden (in woordgroep of zin) in een grammaticaal compendium, de lijst met de onregelmatige Nederlandse werkwoorden, de geografische namen en de afkortingen. Het grammaticaal compendium bevat enkel de functiewoorden met voorzetsels, telwoorden, voegwoorden, voornaamwoorden en lidwoorden van bladzijde 2180 tot 2212.
Het geamalgameerd woordenboek is in de eerste plaats een vertaalwoordenboek, in de tweede plaats is het ook contrastief: aan de gebruiker worden verschillen en gelijkenissen tussen woorden en de betekenissen in de twee talen op een overzichtelijke en systematische wijze getoond. En prettig N grasduinen / A rondsnuffel in het woordenboek is uiteraard ook mogelijk.
Ere wie ere toekomt.
Naast hoofdredacteur Willy Martin vormden de redactie:
Else Boekkooi, Rufus Gouws, Isa Maks en Luc Renders en werkten mee aan de redactie:
Karlien Cillié, Adri van Eeden, Daniël Hugo en Martien Schrama.
G. D.
Lees ook "Woordfeest voor een grappige taal - Groot woordenboek Afrikaans en Nederlands" auteur Lennie Stinissen
‘Groot Woordenboek Afrikaans en Nederlands’, Het Spectrum, 2.228 blz., 69,99 euro
Dit artikel is ook verschenen in de NDN-Nieuwsbrief 23-4 van juli-augustus-september 2011 |
Omhoog
Taalbeleid in het hoger onderwijs: de hype voorbij? Elke Peters en Tine Van Houtven mei 2010
Taalbeleid inzake Nederlands staat al een tijd op de agenda in het hoger onderwijs en in de politiek. Veel hogeronderwijsinstellingen zijn intussen op verschillende manieren aan de slag gegaan. Vaak werd gestart met aparte bijspijkercursussen en/of taaltoetsen maar geleidelijk aan evolueren veel instellingen naar een taalbeleid dat in de opleiding geïntegreerd is. Maar werpt het ook vruchten af? Of is taalbeleid al de hype voorbij?
Het boek bestaat uit drie delen: taaltesten in het hoger onderwijs, taalbeleid in het hoger onderwijs in de praktijk en ten slotte kritische reflecties bij taalbeleid in het hoger onderwijs. In 15 hoofdstukken biedt dit boek een uitgebreid overzicht van wat er de laatste jaren inzake taalbeleid in het hoger onderwijs in Vlaanderen en Nederland gerealiseerd is maar plaatst er ook kritische kanttekeningen bij. Verschillende thema’s komen aan bod: ontwikkeling van taaltoetsen, het nut van oriënterende en diagnostische taaltoetsen, het uitvoeren van een behoefteanalyse, ontwikkeling van taalondersteuningsmateriaal, het opstarten van taalgericht vakonderwijs of taalonderwijs geïntegreerd in het curriculum en taalbeleid in de lerarenopleiding. Naast een stand-van-zaken werpt het boek ook een blik op de toekomst.
Het boek biedt beleidsmensen, taalcoördinatoren, docenten en lectoren concrete tips om zelf met taalbeleid aan de slag te gaan of nieuwe ideeën op te doen.
Inhoudsopgave [PDF] zie Uitg. Acco
Over de auteurs:
ELKE PETERS is stafmedewerker onderwijs en docente aan de Lessius Hogeschool in Antwerpen. Ze doceert Engels in de opleiding Handelswetenschappen. Haar onderzoeksinteresses gaan uit naar taalvaardigheidsonderzoek, taalbeleid, woordenschatverwerving en taaltesten. Ze is coördinator van de cel taal en leren op CODE, expertisecentrum aan de Lessius Hogeschool.
TINE VAN HOUTVEN werkt momenteel als projectmedewerker aan de Lessius Hogeschool in Antwerpen en is onderzoeks-medewerkster binnen de cel taal en leren op CODE, expertisecentrum aan de Lessius Hogeschool.
Het werk is een uitgave van uitgeverij Acco, het omvat 240 pagina's, ISBN: 9789033479298 en het kost € 30.
Omhoog
Taal in het onderwijs. Van academicus tot zittenblijver
- Peter Debrabandere
Zijn zowel monitoraat als mentoraat bruikbaar in de Nederlandse standaardtaal? Wat is tutoraat? Hebben leerlingen en studenten een lesrooster, een lessenrooster of een uurrooster? Kun je ook aan de middelbare school afstuderen? Wat is het verschil tussen atelier, werkplaats, practicum en praktijklokaal? Is het meervoud van kopie kopies of kopieën? Moeten leerlingen prenten in hun schrift plakken of kleven? Kunnen woorden uit de informele studententaal als gebuisd en (studenten)kot ook gewoon in de standaardtaal gebruikt worden? Moet je een leerling of student vragen om aan het bord te komen of om voor het bord te komen? Is er een verschil tussen corrigeren en verbeteren? Op die en nog veel meer andere vragen geeft dit boek het antwoord.
Taal in het onderwijs. Van academicus tot zittenblijver is een normatief naslagwerk over het Nederlands in het onderwijs. Het is bedoeld voor onderwijzend en administratief personeel (van de kleuterschool tot de universiteit), directies, schoolbesturen, coördinatoren, studiebegeleiders, surveillanten, opvoeders, lerarenopleiders, pedagogen, onderwijskundigen, ambtenaren van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming en iedereen die beroepshalve met Nederlandstalig onderwijs in Vlaanderen te maken heeft. Het kan in het bijzonder dienstig zijn in de lerarenopleiding, zowel aan de universiteit als aan de hogescholen.
Heldere betekenisomschrijvingen, gebruiksvoorbeelden, synoniemen, antoniemen, verwante termen, verwijzingen naar andere trefwoorden, toelichtingen en expliciete markering met een asterisk (*) van wat niet tot de standaardtaal behoort, zorgen ervoor dat de gebruiker van dit woordenboek duidelijke en direct bruikbare taaladviezen krijgt.
Over de auteur:
Peter Debrabandere is docent Nederlands en Duits aan het departement lerarenopleiding en het departement handelswetenschappen en bedrijfskunde van de Katholieke Hogeschool Brugge-Oostende (KHBO). Hij is sinds 1995 hoofdredacteur van het tijdschrift Nederlands van Nu en sinds 2009 van het fusietijdschrift Neerlandia/Nederlands van Nu, waarin hij regelmatig publiceert. Hij is samen met Siegfried Theissen auteur van het Woordenboek voor correct taalgebruik. Zijn specialisaties en interesses zijn: Belgisch-Nederlands, Standaardnederlands, taalnormen, taalzorg, taalpolitiek.
(Meegedeeld)
Boekgegevens:
ISBN: 9789033480386 - 152 bladzijden - prijs € 24,50
Bestellen: http://www.acco.be/
Omhoog
Nederlands in hoger onderwijs & wetenschap? -
bundel congres 10 oktober 2008 in het Vlaams Parlement

Albert Oosterhof, Willy Martin, Jan Roukens & Els Ruijsendaal (red.). (2010).
Gent: Academia Press. X + 180 pagina’s -17 euro.
De bundel behandelt de vraag hoe we om moeten gaan met de voertaal in ons hoger onderwijs. Moet de onderwijstaal zo veel mogelijk Nederlands blijven, mogen er ook andere talen een rol spelen, of moeten instellingen voor hoger onderwijs massaal overschakelen op het Engels? Welke keuzen moeten gemaakt worden ten overstaan van de taal waarin wetenschappelijke publicaties worden gesteld?
Op 10 oktober 2008 werd over de onderwijstaal in het hoger onderwijs en in de wetenschap een congres gehouden in het Vlaamse Parlement in Brussel. De deelnemers werden verzocht hun bijdragen te publiceren en van de meesten kon een artikel worden opgenomen in deze bundel. Omwille van een totaalbeeld rond deze problematiek kregen in de loop van 2009 een aantal academici en anderen de gelegenheid bepaalde aspecten van de problematiek bijkomend toe te lichten. Enkele bijdragen in dit boek zijn (bewerkte) versies van artikelen die al elders verschenen zijn. Bijdragen werden verzameld zowel uit Vlaanderen en Nederland als van buiten het Nederlandse taalgebied.
De bundel omvat vier delen. In het eerste deel (De voertaal in ons hoger onderwijs: Stand van zaken en achtergronden) zitten twee artikelen waarin de resultaten worden besproken van recente kwantitatieve studies naar het gebruik van Engels in het hoger onderwijs. Vandenbussche bespreekt de studie van 2007 in opdracht van de Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland, waarin een beeld wordt gegeven van de situatie in ons taalgebied. Oosterhof gaat in op de algemene relevantie van enquêteresultaten, waarbij hij ook enkele gegevens uit de ACA-studie die English-Taught Programmes in European Higher Education (Wächter & Maiworm 2008) presenteert.
Het tweede deel (Nederlands of Engels?) bevat artikelen die antwoord geven op de vraag of ons hoger onderwijs en de wetenschap het Nederlands en/of het Engels als onderwijstaal moet gebruiken. Hierin zijn teksten opgenomen die vooral ook een bijdrage leveren aan de opinievorming over de ‘verengelsing’ van ons hoger onderwijs. In de eerste bijdrage, van Van Marle, worden de gevolgen van de ‘verengelsing’ besproken voor (de positie van) de Nederlandse taal in het algemeen en in het bijzonder onze standaardtaal. De wat kortere bijdragen van Devreese (wetenschapper) en De Cock (politicus) zijn in andere vorm eerder verschenen als opiniestukken in landelijke kranten. Beiden presenteren argumenten tegen de ‘verengelsing’ van ons hoger onderwijs. Ook in het essay van Von der Dunk staan kritische kanttekeningen bij deze ontwikkelingen. Hij brengt als nuancering aan dat er bepaalde vakken zijn waarvoor het begrijpelijker is dat cursussen in het Engels worden gegeven. Het gaat dan om vakgebieden die inderdaad in groten getale buitenlandse studenten trekken, of die uit de aard der zaak bij uitstek internationaal zijn.
De bijdragen in het derde deel van de bundel (De internationale context) plaatsen deze discussie over de onderwijstaal in een internationaal/Europees of intercultureel perspectief. Peeters bespreekt een aantal ontwikkelingen op het internationale toneel die illustratief zijn voor de invloed die het Engels heeft op andere talen, taalgebieden en culturen in Europa en de wereld. Zijn artikel biedt ook een overzicht van relevante internationale literatuur en onderzoeksprojecten ter zake. Arntz bekijkt de ontwikkelingen die internationaal leiden tot de verengelsing van het hoger onderwijs vanuit een Duits perspectief en bespreekt een aantal voorstellen en projecten die er juist voor kunnen zorgen dat bijvoorbeeld Duitsers en Nederlanders hun eigen talen kunnen blijven gebruiken in communicatie op internationaal niveau. Van Keymeulen (taalkundige) betoogt dat internationalisering van de wetenschap en de dominantie van het Engels kunnen leiden tot verschraling en verlies aan internationale culturele diversiteit. Draaisma (psycholoog) en Celens (ingenieur) bespreken een aantal internationale ontwikkelingen in hun specifieke vakgebieden en de (deels) nadelige gevolgen van de opkomst van het Engels als voertaal.
In het vierde deel van de bundel wordt de discussie toegespitst op maatregelen die in verschillende contexten genomen (moeten) worden als reactie op de ‘verengelsing’ en op verschillende scenario’s die zich in de toekomst voor kunnen doen. Martin bekijkt de gevolgen van deze ontwikkelingen voor de Nederlandse wetenschappelijke vaktalen en brengt deze gevolgen in verband met functie- en domeinverlies van het Nederlands in het algemeen. Een aantal maatregelen worden voorgesteld die ons dichter kunnen brengen bij een ideale situatie voor het Nederlands als cultuurtaal in relatie tot wetenschappelijke vaktalen. Van der Horst gaat in op de vraag in hoeverre een taalsituatie beïnvloed kan worden door de inspanningen van taalverzorgers en taalpolitici. Zijn stelling is dat het wetenschappelijk gezien nog maar de vraag is of taalpolitiek effect heeft, een stelling die uiteraard relevant is voor de discussie over wat er moet gebeuren als reactie op de aanwezigheid van het Engels in het hoger onderwijs. Vanneste presenteert in zijn bijdrage een discussie over het beleid dat aan een specifieke instelling, de Universiteit Antwerpen, gevoerd wordt in verband met de onderwijstaal. Sercu denkt na over de implicaties van een ruimer gebruik van het Engels als onderwijstaal op het niveau van het hoger onderwijs voor het secundair onderwijs. Els Ruijsendaal brengt een afsluitende bijdrage vanuit het perspectief dat de organisatoren van het congres in 2008 hadden. Vanuit die doelstellingen wordt een samenvattend overzicht gegeven van verschillende facetten die tijdens het congres in oktober 2008 en nu ook in deze bundel aan de orde zijn gekomen.
Zie het Woord vooraf tot de bundel VII tot IX
Omhoog
Beter leren lezen. De directe systeemmethodiek - Raf Feys en Pieter Van Biervliet
uitg. Acco april 2010 (aanvankelijk lezen)
In dit boek stellen de auteurs hun ‘Directe systeemmethodiek’ (kortweg: DSM) voor.
- In deel 1 schetsen de auteurs het ontstaan en de invloed van hun methodiek voor het aanvankelijk lezen (in Vlaanderen in het 1ste leerjaar, in Nederland in groep 3). Zo maakt de lezer meteen ook kennis met de basisprincipes van de DSM.
- Deel 2 brengt een diepgaande analyse van de leesmethodes doorheen de tijd. Dat lijkt een interessante invalshoek te zijn om te begrijpen hoe de methodes van vandaag tot stand zijn gekomen en hoe ook de DSM schatplichtig is aan eeuwen ervaringswijsheid.
-
In deel 3 beschrijven Feys en Van Biervliet meer uitvoerig hun directe systeemmethodiek. Ze presenteren dan o.a. recente wetenschappelijke studies die de DSM-visie ondersteunen en beter helpen begrijpen (neuropsychologische bevindingen, de connectionistische visie, theorieën over letterclustering enz.).
De DSM kent al enkele succesvolle toepassingen in methodes voor het aanvankelijk lezen: Leessprong (Van In), mol en beer (die Keure) en de verbeterde Leessprong-versie: ik lees met hup (Van In). De DSM-principes worden ook met succes toegepast bij de leeshulp die door remedial teachers, logopedisten e.a. aan leeszwakke of dyslectische kinderen wordt gegeven.
Over de auteurs:
De auteurs zijn verbonden aan de lerarenopleiding van de Katholieke Hogeschool Zuid-West-Vlaanderen (KATHO), departement RENO te Torhout.
RAF FEYS, pedagoog, was er docent en opleidingscoördinator. Momenteel is hij coördinator van het Hoger Instituut Voor Opvoedkunde Brugge. Hij is verder ook hoofdredacteur van het kritische onderwijsblad Onderwijskrant.
PIETER VAN BIERVLIET, eveneens pedagoog, is docent vakdidactiek aan de Torhoutse lerarenopleiding. Van Biervliet is medeauteur van de diagnostische en remediërende pakketten Leeskist en Rekenkist, en van het succesvolle Tijd voor Taal – Spelling voor de basisschool.
(Meegedeeld)
Boekgegevens:
ISBN: 9789033479397 - 208 bladzijden - prijs € 19,50
Bestellen: http://www.acco.be/
Omhoog
Eerder
'Over grenzen - Oor grense - Een vergelijkende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poëzie | 'n Vergelykende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poësie' Ronel Foster, Yves T'Sjoen en Thomas Vaessens (red.) - uitg. Acco Leuven Den Haag 2009

De flaptekst geeft een goede beknopte karakterisering van dit belangwekkende boek.
‘Deze tweetalige bundel Over grenzen / Oor grense is het eerste resultaat van een jarenlange samenwerking tussen letterkundige onderzoekers van de Afrikaanse en de Nederlandstalige poëzie na 1945. Het boek biedt niet alleen een staalkaart van lopend onderzoek, maar wil ook een aanzet zijn voor nieuw onderzoek dat het vakgebied bredere perspectieven aanreikt.
Het boek presenteert zestien gevallenstudies waarin ontwikkelingen, auteurs en publicaties in de naoorlogse literatuur van Zuid-Afrika (Afrikaans), Nederland en Vlaanderen centraal staan. Academici verbonden aan universiteiten in Zuid-Afrika en in het Nederlandse taalgebied hebben met het oog op deze vergelijkende studies van moderne poëzie bijdragen geleverd die speuren naar raakvlakken en verschillen tussen literaire velden. De interactie tussen literaire actoren is nog maar zelden supranationaal, grens- en taaloverschrijdend onderzocht. In comparatistische deelstudies wordt ingegaan op de wijze waarop teksten interageren, hoe schrijvers elkaar inspireerden en konden beïnvloeden, en in welke mate vormen van samenwerking en uitwisseling van ideeën heeft plaatsgevonden in de respectieve literaire systemen.
Zestien verhalen. Verhalen over Anna Enquist en Antjie Krog, Karel Jonckheere en N.P. van Wyk Louw, M. Vasalis en Elisabeth Eybers, Annie M.G. Schmidt en Philip de Vos, J. Slauerhoff en C. Louis Leipoldt, Mustafa Stitou en Sydda Essop, performances en smartlappoëzie. De auteurs kijken ook hoe poëzie in de Afrikaanse kritiek en de Nederlandse/Vlaamse kritiek toen en nu wordt gelezen, hoe literaire thema’s andere invullingen krijgen en schrijvers toch verwant maken.
RONEL FOSTER (Universiteit van Stellenbosch), YVES T’SJOEN (Universiteit Gent) en THOMAS VAESSENS (Universiteit van Amsterdam) zijn de samenstellers van de bundel.’
Uitgave Acco Leuven | Den Haag 2009
D/2009/0543/79 NUR 610 ISN 978-90-334-7355-5
Prijs: € 37
Uitgeverij Acco, Blijde Inkomststraat 22, 3000 Leuven (België)
E-mail: uitgeverij@acco.be – Website: www.uitgeverijacco.be
Het Woord vooraf (blz. 9-17) van de drie samenstellers geeft een uitgebreidere rake karakterisering van de inhoud van het werk met weergave wat elk van de 16 studies behandelt. Het is zoals de flaptekst in het Nederlands gesteld. Hoofdstuk 7 van de hand van Yves T’Sjoen over de maidentrip van Vlaams literair ambassadeur Karel Jonckheere in Zuid-Afrika is ook in het Nederlands geschreven. De andere studies zijn in het Afrikaans.
Inhoudsopgave [PDF]
Een eerste verkenning van het werk levert het inzicht op dat het voor belangstellenden en professionelen voor de moderne poëtische thematiek in Zuid-Afrika en Nederland/Vlaanderen bijzonder boeiende materie oplevert, die vooral bij het onderwijs waarbij het Afrikaans en het Nederlands betrokken zijn bijna onmisbaar lijkt. Dit bericht is een warme aanbeveling voor het boek
Omhoog
Literatuur leren lezen in dialoog
Lezersvragen als hulpmiddel bij het leren interpreteren van korte verhalen

Omschrijving
In dit boekje presenteert Tanja Janssen een didactische aanpak, gebaseerd op het principe van 'dialogisch leren'.
De methode omvat twee stappen: de dialoog met de tekst, waarbij de leerling zichzelf vragen stelt tijden het lezen, en de dialoog met anderen, waarbij leerlingen vragen en hypotheses uitwisselen en ze met elkaar bespreken. De didactische aanpak bestond deels al. Nieuw is dat wij het effect ervan in de praktijk op scholen hebben vastgesteld . Twee experimenten zijn uitgevoerd in het vierde leerjaar van havo/vwo. Door middel van voor- en nametingen onderzochten we de invloed van de aanpak op het leesproces, verhaalinterpretatie en verhaalwaardering van leerlingen. Daarnaast hebben we ervaringen van docenten en leerlingen verzameld en in kaart gebracht met behulp van lesobservaties, logboekjes, interviews en vragenlijsten.
Het onderzoek wees uit dat de methode het literaire leesgedrag positief beïnvloedde: bij de nameting stelden leerlingen meer vragen tijdens het lezen, hun verhaalinterpretaties vertoonden meer diepgang en zij hadden na afloop meer waardering voor complexe korte verhalen. Ook hadden zij meer oog gekregen voor de meerduidigheid en openheid van literatuur.
De docenten waren unaniem positief over de literatuurdidactische aanpak. Niettemin signaleerden zij enkele problemen in de praktijk, die samenhangen met het feit dat vragen in deze aanpak een andere functie hebben dan in 'gewone' lessen, en met de veranderde rol van docent en leerlingen in het onderwijsleerproces. Deze problemen komen in dit boekje aan de orde, met suggesties voor mogelijke oplossingen.
Ten slotte presenteert Janssen enkele varianten op de didactische aanpak: met andere literaire genres, in andere leerjaren en bij andere schoolvakken dan het schoolvak Nederlands.
Een presentatie van het boek door de auteur Tanja Janssen:
klik hier
Advies van Helge Bonset - didacticus Nederlands SLO
Iedereen kan ik het inspirerende boekje
van Tanja Janssen aanbevelen, Literatuur leren lezen in dialoog (Kohnstamm Kennisreeks,
Vossiuspers UvA, Amsterdam 2009). Tanja Janssen heeft een aanpak ontwikkeld waardoor
leerlingen leren zelf vragen te stellen en met elkaar te beantwoorden over korte verhalen.
Haar aanpak heeft ze ook onderzocht: het bleek dat die positief effect had op de
waardering van verhalen bij alle leerlingen, en positief effect op het verhaalbegrip
bij leerlingen die (vrijwel) nooit lazen.
Haar aanpak en onderzoek vind ik een belangrijke aanvulling op het momenteel
veel besproken onderzoek van Theo Witte, omdat het ook een oplossing vormt
voor de naar mijn indruk steeds toenemende "verschriftelijking" (ook een
term van Janssen) van het literatuuronderwijs: leerlingen krijgen een tekst
(in het gunstigste geval op hun niveau), krijgen een opdracht (idem), en
moeten dan individueel aan de slag en hun opdracht inleveren bij de docent.
Daarmee blijven kansen liggen op ontwikkeling van begrip en waardering voor fictie
(via praten erover, net zoals je doet na een film; reflectie zogezegd!) die
met Janssens aanpak wel worden benut.
Bron: Bericht op de Mailinglist Nederlands Kennisnet 17-11-2009 - 10 u.
Boekgegevens:
| Reeks |
Kohnstamm kennisreeks |
| Uitgever |
Amsterdam University Press bestellingen@aup.nl
tel 020-420 00 50
fax 020-420 32 14 |
| ISBN |
9789056295714 |
| ISBN10 |
9056295713 |
| Bindwijze |
Paperback |
| Productsoort |
boek |
| Verschijningsdatum |
juli 2009 |
| Categorie |
Literatuurwetenschap |
| Leeftijd |
Volwassenen |
| Prijs |
9,50 |
Omhoog
Een uitdaging voor elke school: Taalbeleid in de praktijk
|

Eind 2008 verscheen bij uitgeverij Plantyn “Taalbeleid in de praktijk - Een uitdaging voor elke secundaire school ” met als redacteur Wilfred De Hert - 278 bladzijden - € 29.
Na het Woord vooraf van de redacteur volgen 16 bijdragen van voornamelijk Vlaamse didactici en praktijkmensen rond diverse aspecten van taalbeleid in het onderwijs zoals die nu in de praktijk gebracht worden of zoals die gewenst toegepast worden.
We kunnen de essays in drie categorieën indelen:
- de achtergrondbijdragen die meer een theoretisch kader beschrijven
- de praktijkvoorbeelden
- korte blikvangers waarbij dieper wordt ingegaan op bepaalde toepassingen, wetenswaardigheden of realisaties.
We stellen hier in het kort enkele belangrijke essays voor, hoewel ook de andere teksten hun waarde hebben en bijdragen aan de volwaardigheid van het boek als geheel.
Het boek zet in op p. 9 met een opmerkenswaardige bijdrage van prof. em. Frans Daems met als titel “Van droom naar werkelijkheid: taalbeleid in het onderwijs”. Daarin schetst de auteur het theoretisch kader waarin taalbeleid gesitueerd wordt. Hij zorgt voor een duidelijke omschrijving en afbakening van de meest gebruikelijke concepten die aan de orde zijn als over taalbeleid gesproken of geschreven wordt. Wat is taalbeleid op school? Er zijn de domeinen van de communicatie en de instructie - met het taalprobleem bij de instructie: de schooltaal, de communicatievormen voor onderwijzen en leren, de contextualisering en cognitieve complexiteit, de instructietaal Nederlands en taalvaardigheid als deel van taalbeleid. Ook geeft de auteur in nauwelijks twee bladzijden precies en helder de beleidsvisie over talenbeleid van de onderwijsminister weer.
Vanaf p. 69 vinden we de bijdrage van inspectrice Els Vermeire over de “Rol van de inspectie bij de controle van taal-/talenbeleid.” In deze boeiende tekst constateert de inspectie dat de eindtermen en ontwikkelingsdoelen niet bereikt worden bij leerlingen, omdat ze de schooltaal onvoldoende beheersen. De invoering van het instrument taalbeleid in doorlichtingen sinds 2002 was een enorme stimulans voor scholen om echt beginnen te werken aan een taalbeleid. Vanaf september 2008 hanteert de inspectie bij de controle van taal-/talenbeleid een nieuw doorlichtingsconcept.
Een derde belangrijke bijdrage is die van Maaike Hajer “De lat hoog voor vakonderwijs: taalbeleid in de klas via taalgerichte vakdidactiek” (ab p. 107). De auteur, die het Platform Taalgericht Vakonderwijs in Nederland voorzit, heeft samen met Teun Meestringa het “Handboek taalgericht vakonderwijs”, waarvan sinds 2004 al een drietal steeds bijgewerkte uitgaven zijn verschenen, op haar naam staan. In een kort bestek beschrijft en omschrijft ze hier wat taalgericht vakonderwijs inhoudt met de essentialia die leraren moeten onthouden als ze zelf die didactiek willen praktiseren en als ze zich daarin willen bekwamen. Zij stelt dat leren en taal onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en dat het hier gaat om een didactiek die de taalontwikkeling van de leerlingen in de zaakvakken wil bevorderen door contextrijk interactief onderwijs aan te bieden mét taalsteun. Dat alles rendeert slechts binnen het ruimere kader van een schooltaalbeleid, waarin de schoolleiding een stimulerende en coördinerende functie heeft. Naast die bevattelijke beschrijving van wat taalgericht vakonderwijs inhoudt en hoe het optimaal functioneert stelt Maaike Hajer op het einde van haar bijdrage een aantal concrete hulpmiddelen voor het werken eraan voor, die de laatste tijd ontwikkeld werden en die via publicaties op schrift of via het internet ter beschikking staan van schoolleiders en docenten die TVO in de praktijk brengen. Om slechts één hulpmiddel te noemen o.m. zijn er de lessenseries die werden uitgewerkt binnen een project van het Platform Taalgericht Vakonderwijs op basis van het computerprogramma “Lesfabriek voor taalrijk onderwijs”.
“Taalgericht vakonderwijs in de praktijk. Drie vakleerkrachten over hun ervaringen als trainer in een TVO-project” (ab. p. 127) voert een lerares wiskunde, een lerares muziek en een leraar houtbewerking op die in interviewvorm getuigen van hun eigen lesgeven met de TVO-didactiek. Ze vertellen daarbij hoe ze twee nascholingssessies gaven binnen het prioritaire nascholingsproject. Daaruit blijkt niet enkel hun enthousiasme maar ook hun genuanceerde kijk op de reactie van hun collega’s bij hun vernieuwende aanpak en aanbod van het TVO.
“Taalgericht vakonderwijs in het Imelda-Instituut in Brussel: van atelier naar taalwerkplaats” (ab p. 145). Het Imelda-Instituut is een Nederlandstalige school met TSO- en BSO-leerlingen. De instroom van leerlingen wordt gekarakteriseerd door taalzwakte en taalachterstand bij het merendeel van de leerlingen. Bij de doorlichting worden de eindtermen Nederlands niet behaald. Door een grondige ingreep van de schooldirectie in samenwerking met BROSO, het Brussels Ondersteuningscentrum Secundair Onderwijs, werd een optimalisering tot stand gebracht in de leersituatie van de leerlingen door implementering van geschakeld taal/vakonderwijs. Daarbij werken een vakleerkracht en een taalleerkracht die tegelijk aanwezig zijn, samen aan taal- en vakdoelen. Het leerrendement voor begrijpend lezen en woordenschat vanaf schooljaar 2004-2005 naar schooljaar 2007-2008 werd opgedreven met voor begrijpend lezen wat meer dan 4 % en voor woordenschat met een kleine 9 %, wat voor begrijpend lezen tot een effectuering komt van zowat 50% en voor woordenschat tot 53,7 %. De positieve resultaten werden gerealiseerd in een integraal zorgtraject, de atelierwerking, dat geïntroduceerd werd naast de basiswerking. De school veranderde, de veranderingsprocessen werden begeleid en de leerkrachten werden geprofessionaliseerd.
Als korte blikvanger (pp. 168-169) signaleren we hier graag Luc Wyns’ ‘Focus op geletterdheid’, waarin hij het begrip geletterdheid definieert vanuit een OESO-definitie en waarbij hij ook de resultaten van een IALS-onderzoek kort voorstelt. Uit de cijfers vernemen we dat 16,8% van de bevolking in Vlaanderen onvoldoende geletterd is om optimaal te functioneren in onze maatschappij.
Wij blijven ook even stilstaan bij “Het meten van taalvaardigheid en het opstellen van een begeleidingstraject via taaltoetsen” (ab p. 203). Hoewel de confrontatie met het nogal technisch beschouwen van taaltoetsen wel even wat terughoudendheid kan opwekken, bevelen we de lectuur toch echt aan. Voor elke vakdidacticus en vakleraar die bekommerd is om onderwijsefficiëntie, is de kennismaking met de beschikbare (genormeerde) taaltoetsen beslist relevant. De taaltoetsen dragen bij tot het opzetten van een effectief begeleidingstraject van leerlingengroepen.
In de slotbijdrage (ab p. 264) “Met vereende (leer)krachten! Taalbeleid in scholen met anderstalige ‘nieuwkomers’ en anderstalgie ‘eindkomers’” introduceert Kris Van den Branden de taalproblematiek in de onthaalklas met anderstalige ‘nieuwkomers’. Duidelijk blijkt dat ondanks alle goed opgezette inspanningen dat overgangsjaartje naar het regulier onderwijs voor die leerlingen ontoereikend is om hun een geslaagde schoolcarrière te garanderen. Hij toont manifest aan dat ondersteuning van die leerlingen blijvend nodig is in de vervolgjaren soms door het hele schoolteam, soms door een vervolgcoach.
Het boek “Taalbeleid in de praktijk. Een uitdaging voor elke secundaire school” bezorgt ons een heldere en vaak concrete kijk op de problematiek en de praktijk van het taalbeleid in de Vlaamse secundaire onderwijsinstellingen zoals die zich in de actualiteit voltrekt en evolueert. Het is geen gewoon leesboek geworden. Het is wel degelijk opgevat als een studieboek. Dat blijkt uit de inhoudelijke diversiteit van de bijdragen, maar ook uit de vormgeving. Bij de achtergrondbijdragen en bij de praktijkvoorbeelden zitten telkens de synthetiserende “Krachtlijnen” van de tekst. Die bijdragen worden ook ingeleid met het schema van de inhoudsstructuur van de tekst. De lees- en bestudeerbaarheid wordt dan nog verhoogd door in cursief de tekstthema’s links op de bladspiegel weer te geven. Zo krijgt de aandachtige lezer alles overzichtelijk voorgesteld om effectief indringend en studerend te lezen.
We verheugen er ons met Frans Daems over dat een jarenlange gekoesterde droom van echt en effectief taalbeleid moeizaam en geleidelijk aan maar gedragen met veel enthousiasme en inzet werkelijkheid wordt in onze scholen. Dit boek levert aan de verwezenlijking daarvan een substantiële bijdrage.
Ghislain Duchâteau
21 april 2009 |
| |
Omhoog
Handboek taalgericht vakonderwijs
(tweede, herziene druk)
11 februari 2009, door TGVO Admin

Handboek taalgericht vakonderwijs
Maaike Hajer & Theun Meestringa
Docenten die vakonderwijs verzorgen, hebben tegelijk te maken met de taalontwikkeling van de leerlingen. Op school worden leerlingen geconfronteerd met het speciale taalgebruik en de denkwijzen van de verschillende vakken. Als zich in een groep grote verschillen in taalvaardigheid voordoen, worden leerresultaten beter wanneer docenten bewust die vaktaal opbouwen.
Het boek bestaat uit drie delen.
-
In het eerste deel komt het hoe en waarom van taalgericht vakonderwijs aan de orde. Het draait om context, taalsteun en interactie in de lessen.
* hoofdstuk 1 inleiding.
* hoofdstuk 2 geeft een kenmerkende schets van taalgericht vakonderwijs en bespreekt de basis voor deze didactische aanpak.
- In het tweede deel van het boek worden suggesties en vuistregels gegeven waarmee docenten deze drie aspecten in hun werk kunnen opnemen.
* hoofdstuk 3 bespreekt wat er met de klas in de oriëntatie op een nieuw thema kan gebeuren rond de items voorkennis activeren, richten van aandacht en ruimte geven voor interactie
* hoofdstuk 4 geeft aan hoe in de verwerking van de leerstof aan taalsteun, contextuele steun en interactie gewerkt kan worden
* hoofdstuk 5 laat zien hoe ook in de toetsing en beoordeling, aandacht voor taalvaardigheid en voor vakdoelen in samenhang bekeken kunnen worden.
- De auteurs gaan in het derde deel in op het schoolbreed inzetten van taalgericht vakonderwijs. Aan de hand van voorbeelden uit diverse leergebieden en kenmerken van verschillende vakken laten de auteurs zien wat de uitwerking is van taalgericht vakonderwijs.
* hoofdstuk 6 beschrijft hoe docenten samen aan de ontwikkeling van taalgericht vakonderwijs in hun school kunnen werken. Daarbij komen ook de rol van de schoolleiding en relevante verschillen tussen de vakken aan bod.
Deze opbouw maakt het mogelijk het boek op verschillende manieren te gebruiken:
- Docenten en studenten die ideeën zoeken voor de start van een lessenserie, voor de verwerking van de leerstof en voor de beoordeling van het resultaat van de lessenreeks, kunnen die in repsectievelijk hoofdstuk 3,4 en 5 vinden.
- Docenten die met hun collega's willen besrpeken of ze gericht aan taalgericht vakonderwijs willen gaan werken, vinden argumenten in hoofdstuk 2.
- Studenten die meer willen weten over de achtergronden van taalgericht vakonderwijs, kunnen beginnen bij hoofdstuk 2 en vooral aan de slag met hoofdstukken 3,4 en 5. Vooral ook voor hen zijn in de literatuurlijst meer bruikbare bronnen opgenomen.
- Schoolleiders en taalcoördinatoren die een impuls willen geven aan de invoering van taalgericht vakonderwijs, kunnen hiervoor terecht in hoofdstuk 6.
- Opleiders, begeleiders en nascholers - en hun studenten - kunnen putten uit de informatie, suggesties doen en daarbij voorbeelden uit de hoofdstukken en verewerkingsopdrachten geven. De aanwijzingen in hoofdstuk 6 kunnen hen daarbij mogelijk inspireren.
Handboek taalgericht vakonderwijs wil leraren in opleiding ondersteunen, maar is tevens een praktisch hulpmiddel voor iedereen die zich in het voortgezet onderwijs richt op het versterken van vakonderwijs via een taalgerichte didactiek.
In deze tweede, herziene druk is vooral de structuur van het boek verbeterd.
Handboek taalgericht vakonderwijs door Maaike Hajer & Theun Meestringa
ca. 248 pp. / € 24,50 / isbn 978 90 469 0136 6 / tweede, herziene druk / januari 2009
Uitgeverij Coutinho.
Bron: http://www.taalgerichtvakonderwijs.nl/nieuws/nieuws/00035/
Maaike Hajer is lector Lesgeven in de multiculturele school aan de Hogeschool Utrecht. Van haar verschenen bij Uitgeverij Coutinho eveneens Open ogen in een kleurrijke klas en Leraar in een kleurrijke school.
Theun Meestringa werkt voor Nederlands en Nederlands als tweede taal in het voortgezet onderwijs bij SLO, nationaal expertisecentrum voor leerplanontwikkeling te Enschede. Hij is tevens medeauteur van het bij Uitgeverij Coutinho verschenen praktische didactiekboek Nederlands in de tweede fase.
Omhoog
Competent, een algemene didactiek in 100 lemma's (Van In, 2009)

Algemene didactiek: wat mag je van een leraar verwachten? – José Vandekerckhove, e.a. [SECUNDAIR ONDERWIJS & VOLWASSENENONDERWIJS]
Dat je van een leraar heel wat mag verwachten, blijkt uit de beschrijving van de ‘basiscompetenties van de leraar’ die op 5 oktober 2007 door de Vlaamse regering werden goedgekeurd en op 17 januari 2008 in het Belgisch Staatsblad verschenen. Het boek ‘Competent, een algemene didactiek in 101 lemma’s’ vertrekt van de tien basiscompetenties en geeft uitleg, voorbeelden en tips bij een zeer uiteenlopend gamma van didactische begrippen en vaardigheden. De auteurs onder wie projectleider José Vandekerckhove – vice-voorzitter NDN, pedagogisch begeleider Nederlands, lerarenopleider KULeuven en talenleraar - zoomen in op een aantal aspecten die belangrijk zijn voor talendidactiek in het bijzonder en vakoverschrijdende didactiek in het algemeen.
Recensie
Van een leraar wordt veel verwacht. Dat besef je ten volle als je het beroepsprofiel van de leraar leest en de basiscompetenties waarover hij geacht wordt te beschikken. Er is ook ontzettend veel gepubliceerd voor de leraar, een zomervakantie volstaat nauwelijks om je te verdiepen in een aspect van het onderwijs.
Een synthese van de beschikbare kennis is dus welkom. Het boek Competent biedt die kennis in 101 lemma’s, met een sortering en categorisering in functie van de basiscompetenties.
Een naslagwerk en inspiratiebron in een eigentijdse en handige 'format'
Verscheidene lemma’s vatten op een duidelijke manier nuttige achtergrondkennis voor het onderwijs samen. Enkele voorbeelden: meervoudige intelligentie, intelligentie en hoogbegaafdheid, leerstijlen, communicatiecriteria, attributiegedrag, dyslexie, de nieuwe evaluatie, het probleem van de schooltaal enzovoort.
Andere lemma’s staan dichter bij de klaspraktijk en kunnen inspireren om onderwerpen eens op een andere manier aan te pakken. Enkele voorbeelden: werken met schrijfkaders, schematiseren, studerend lezen, vraagvormen, begeleid zelfstandig leren en studiewijzers enzovoort.
Je vindt ook basisinformatie om in schoolteams te gebruiken bij overleg en bij het nemen van beslissingen. Bijvoorbeeld: spelling en onderwijs, leren leren, projectonderwijs, hoe kies je een leerboek enzovoort.
Het boek is een algemene didactiek, maar vertaalt de theorie en de kennis ook naar de praktijk. Zo vind je bij de meeste lemma’s tips voor de leraar, bijvoorbeeld bij didactische werkvormen zoals het debat en de discussie of bij groepswerk. En wie toch nog dieper wil gaan, vindt verwijzingen naar andere publicaties in Verder lezen.
Het ‘format’ waarbij de informatie in lemma’s onderverdeeld is, sluit goed aan bij het hedendaagse internetlezen: niet van de eerste pagina tot de laatste, maar grasduinend volgens de eigen interesse en focus en hoppend van het ene lemma naar het andere via verwijzingen.
Kortom, een nuttig boek voor de leraar en het schoolteam en een prima remediëringsmiddel voor studenten in de lerarenopleiding.
De auteurs
José Vandekerckhove (lector aan de Specifieke Lerarenopleiding van de K.U.Leuven en pedagogisch begeleider Nederlands), Bert Cruysweegs (lector Nederlands), Fons Vandergraesen (hoofdlector Nederlands) en Ludo Sollie.
Bea Claeys
Bron: Klascement - 18 juni 2010
Omhoog
Een Vlaamse diplomaat schreef een boeiend boek over Zuid-Afrika.
“Verhalen van een vervelling. Zuid-Afrika zwart op wit” door Bart Pennewaert (Uitg. Manteau 2008)

De auteur verbleef er een vijftal jaren als beginnend diplomaat vanaf eind 2002-begin 2003. Hij wisselt persoonlijke notities af met het relaas en zijn bedenkingen bij de eigentijdse geschiedenis van het land.
In zijn Mijmeringen in het leegland (p. 255 e.v.) maakt hij op de N1 een autoreis doorheen de bijna eindeloze Karoo, van Pretoria naar Kaapstad. Merkwaardig genoeg stopt hij in Matjiesfontein, ‘ een gehucht van twee straten en een treinspoor dat op een drietal uur rijden van Kaapstad ligt’. Hij komt er ook terecht in het hotel-restaurant Lord Milner. Die plek komt mij bijzonder bekend voor. Daar speelt zich het belangrijkste gedeelte af van de merkwaardige roman “In de plaats van liefde” (‘In stede van die liefde’) van Etienne van Heerden uit 2005.
Tijdens zijn tocht is hij wat weemoedig, omdat zijn Afrikaner vriend Johannes naar Londen gaat emigreren. Dat brengt hem tot de overweging “Ik heb te doen met de Afrikaners” (p. 256). Het landschap roept bij hem ook de herinnering op aan de westernfilms die hij ooit heeft gezien. En even later roept hij voor zichzelf uit “Wat doet zo’n landschap met een taal?” En dan volgen een drietal bladzijden reminiscenties over het Afrikaans, heel de moeite waard om ze even na te lezen.
“Wat doet zo’n landschap met een taal?
Het beent die taal uit. Het dwingt ze tot een nieuwe cadans, een nieuw geluid. Van zeventiende-eeuws Nederlands naar Afrikaans.
In de wildernis, zo beeld ik me in, kon zo’n Boer niet anders dan zijn imperfectum, zijn beschrijvende wijs, laten vallen. Zo vormloos waren de tijd en ruimte waarin hij vertoefde, dat hij ze wel moest opdelen in feiten, verwerkte geschiedenis, voltooide deelwoorden. Alleen zo slaagde hij erin zijn greep op de werkelijkheid te behouden. Als zijn dag erop zat, zei de boer niet: ‘Het koren wuifde in de wind vandaag. En toen ik mijn rode akker overschouwde, ging de zon onder’. Maar wel: ‘die koring het in die wind gewaai. Terwyl ek my rooi veld kyk, het die son in die aarde gesak.’
In het onophoudelijke beuken tegen de elementen sleep de Boer zijn taal als een hakmes. Al het overbodige moest weg. Dus kliefde hij zijn lidwoorden weg (alleen ‘die’ bleef over), liet hij zijn vervoegingen voor wat ze waren (bijvoorbeeld ‘ek werk, jy werk, hy werk, ons werk, jullie werk, hulle werk’) en gooide hij de onregelmatige werkwoordsvormen overboord. Zelfs aan het naakte woord houwde hij tot het goed was. Zo moest de intersyllabische v of g eraan geloven (oral in plaats van ‘overal’, hoër in plaats van ‘hoger’) en verviel de doffe e in zwak beklemtoonde voorvoegsels (‘glo in plaats van ‘geloven’, vrek in plaats van ‘verrekt’).
Wat hield hij van het woord! Hij benoemde de dingen vaak lichtjes anders, alsof ze door het harde Afrikaanse licht een aparte glinstering hadden gekregen. Hij delfde in de woordenschat van de volkeren die hem omringden, de Khoi-khoi, de Xhosa en zelfs de Maleise slaven. Hij zwolg op wat hem mooi of handig leek (gogga in plaats van ‘ongedierte’, baaie in plaats van ‘veel’). Zo volkseigen werd zijn taal, zo’n perfecte ‘vertaling’ van zijn Afrikanerschap, dat ze hem later zou wapenen tegen het oprukkende Engels, nochtans de officiële taal van de Zuid-Afrikaanse Unie sinds 1910 (het Afrikaans kreeg pas in 1925 eenzelfde statuut) en later de taal van handel en technologie. De Afrikaner had tegen die tijd genoeg zelfvertrouwen ontwikkeld om vast te houden aan zijn eigen klanken en woorden.
Mijn persoonlijke top tien:
10. sleephut (caravan)
9. moltrein (metro)
8. rekenaar (computer)
7. kookwater (een opvliegend karakter)
6. wielbek (fig. een grote mond)
5. babalaas (kater na een drinkgelag)
4. gemorskos (fastfood)
3. skoenlapper (vlinder)
2. donsdosies (tienermeisjes)
1. spookasem (suikerspin)
Het resultaat is tot vandaag een beeldend en lichtvoetig idioom, dat voortdurend flirt met het poëtische. Zelfs een verloren (verkeers)berichtje midden in de krant wordt al gauw een versje om in te lijsten. ‘Verkeersmanne het gister blitsig ’n stokkie gesteek voor die dolle gejaag van ’n spoedvraat wat teen 179 km/h op die N 3 voortgesnel het.’ Nog eens:
Verkeersmanne het gister
blitsig ’n stokkie gesteek
voor die dolle gejaag
van ’n spoedvraat wat teen
179 km/h
op die N 3 voortgesnel het.
Een zin zo zoet als spookasem!
Niet iedereen deelt dit enthousiasme. Nederlanders, zo is me in de loop der jaren opgevallen, zijn minder opgetogen met ‘die taal’. Daar zit hun nuchtere koopmansgeest voor een groot deel tussen, maar meer nog de schande van apartheid – door Hollands zonen ingevoerd en nog steeds de bekendste Nederlandse term wereldwijd. De schaamte daarover lijkt nog niet verteerd.
Ik had daar ooit woorden over met een Nederlandse vriendin. ‘Als de wereld ooit een bastaardtaal heeft gebaard, dan wel het Afrikaans’, verklaarde ze met het aplomb van een pilaarbijtster. ‘Het is simpel, grappig, kinderlijk. En in het nieuwe Zuid-Afrika wat mij betreft ook overbodig. Het verdient geen voorkeursbehandeling meer. Dit land heeft een eenheidstaal. Het Engels. Eigenlijk zou het beter zijn als Die Taal een stille dood sterft. De wereld zal er geen traan om laten.’
‘Maar hoe kun je zoiets zeggen?’ reageerde ik geprikkeld. ‘Taal is toch het penseel van ieders gedachten? Het is alles wat ons tot subtiele mensen maakt. Bovendien is het complexe niet noodzakelijk superieur aan het eenvoudige. Dat zullen taalwetenschappers je bevestigen. Geleidelijke simplificatie is de weg die alle talen bewandelen. Kijk maar naar het Sanskriet of het klassiek Latijn. Die zijn stukken complexer dan de moderne talen die ervan zijn afgeleid. En allemaal liggen ze op het kerkhof. Welke variant is er dan superieur?’
‘Je reageert emotioneel’, merkte ze geamuseerd op. ‘Maar jij bent natuurlijk een Belg. Dat verklaart een en ander. Hebben jullie Belgen zelf geen taalstrijd meegemaakt? Ja toch? Dan hoor je net te weten dat taal politiek is, en dat het behoud van het Afrikaans gelijkstaat aan verborgen ambities om machtsbehoud’. Aangezien het gesprek nergens naartoe ging, vroeg ik of ze Afrikaners als vrienden had.
‘Ja, natuurlijk. Maar dat soort discussies vermijd ik’, zei ze. ‘Trouwens, we spreken Engels met elkaar. Waarom zou ik Afrikaans spreken? Zij spreken toch ook geen Nederlands? Really, it’s no big deal’.
‘Doe me een plezier’, zei ik zo luchtig mogelijk. ‘Volgende keer als je naar de Kaap trekt, ga eens met de auto. Neem je tijd. Kijk eens naar het landschap. Stop eens in Matjiesfontein. Wie weet wat je daar allemaal ziet, wat voor klanken er opborrelen.’
Ze haalde de schouders op. ‘Jezus, wat ben jij in een rare bui, zeg.’ “
Mijn slotbedenking: Deze tekst behoeft geen commentaar. Hij spreekt voor zichzelf.
Een naklank na het heerlijke Seminarie Afrikaanse taalkunde van 5 tot 11 juli 2009 in de Universiteit Hasselt met de professoren Alfred Jenkinson en Frank Hendricks en o.l.v. prof. Luc Renders.
Ghislain Duchâteau
Hasselt, 15 juli 2009.
- Recensie van "Verhalen van een vervelling"
- Beluister deel 1 van het Radio 2 - gesprek met Bart Pennewaert 5'18"
- Beluister deel 2 van het Radio 2 - gesprek met Bart Pennewaert 4'06"
- Beluister het Radio 1 - gesprek met Bart Pennewaert 9'54"
Omhoog
Het schoolvak Nederlands opnieuw onderzocht (dec. 2008)
SLO • nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling
door Helge Bonset en Martine Braaksma
Een inventarisatie van onderzoek van 1997 tot en met 2007
In samenwerking met: Instituut voor de Lerarenopleiding
van de Universiteit van Amsterdam, Nederlandse Taalunie,
Stichting Lezen
Het onderzoek is ingedeeld in domeinen van het vak Nederlands die per hoofdstuk aan de orde
komen:
- Onderzoek naar literatuuronderwijs
- Onderzoek naar leesonderwijs
- Onderzoek naar schrijfonderwijs
- Onderzoek naar onderwijs in mondelinge taalvaardigheid
- Onderzoek naar onderwijs in taalbeschouwing en argumentatie
- Domeinoverschrijdend onderzoek
Uit de inleiding noteren we:
“Dit boek wil voor het vak Nederlands de kloof tussen wetenschap en onderwijspraktijk helpen
dichten, ten behoeve van docenten maar ook van anderen in en om het onderwijs: opleiders,
ontwikkelaars, onderzoekers, (taal)beleidsmakers op scholen en op landelijk niveau. We hebben
een praktijkgerichte rapportage gemaakt waarin het onderzoek naar het vak Nederlands uit
het afgelopen decennium wordt beschreven, en waarin wordt nagegaan wat we nu wel en niet
weten over het onderwijs in dat vak. Dat levert kennis op over effectieve aanpakken, maar ook
kennis over wat er gebeurt in lessen Nederlands, over de manier waarop leerlingen het vak
waarnemen, of over beoordelingsinstrumenten voor het vak.
Het boek is een vervolg op en een actualisering van Het Schoolvak Nederlands onderzocht
(Hoogeveen & Bonset, 1998), waarin het onderzoek naar het vak Nederlands van 1969-1997 is
beschreven. In grote lijnen hebben we dezelfde werkwijze gevolgd als in die publicatie.” Blz. 9-10.
Wij bevelen van harte deze rapportage aan.
U kunt de versie in pdf-formaat bereiken onder de titel
Het schoolvak Nederlands opnieuw onderzocht
Omhoog
Nederlands in hoger onderwijs & wetenschap? -
bundel congres 10 oktober 2008 in het Vlaams Parlement

Albert Oosterhof, Willy Martin, Jan Roukens & Els Ruijsendaal (red.). (2010).
Gent: Academia Press. X + 180 pagina’s -17 euro.
De bundel behandelt de vraag hoe we om moeten gaan met de voertaal in ons hoger onderwijs. Moet de onderwijstaal zo veel mogelijk Nederlands blijven, mogen er ook andere talen een rol spelen, of moeten instellingen voor hoger onderwijs massaal overschakelen op het Engels? Welke keuzen moeten gemaakt worden ten overstaan van de taal waarin wetenschappelijke publicaties worden gesteld?
Op 10 oktober 2008 werd over de onderwijstaal in het hoger onderwijs en in de wetenschap een congres gehouden in het Vlaamse Parlement in Brussel. De deelnemers werden verzocht hun bijdragen te publiceren en van de meesten kon een artikel worden opgenomen in deze bundel. Omwille van een totaalbeeld rond deze problematiek kregen in de loop van 2009 een aantal academici en anderen de gelegenheid bepaalde aspecten van de problematiek bijkomend toe te lichten. Enkele bijdragen in dit boek zijn (bewerkte) versies van artikelen die al elders verschenen zijn. Bijdragen werden verzameld zowel uit Vlaanderen en Nederland als van buiten het Nederlandse taalgebied.
De bundel omvat vier delen. In het eerste deel (De voertaal in ons hoger onderwijs: Stand van zaken en achtergronden) zitten twee artikelen waarin de resultaten worden besproken van recente kwantitatieve studies naar het gebruik van Engels in het hoger onderwijs. Vandenbussche bespreekt de studie van 2007 in opdracht van de Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland, waarin een beeld wordt gegeven van de situatie in ons taalgebied. Oosterhof gaat in op de algemene relevantie van enquêteresultaten, waarbij hij ook enkele gegevens uit de ACA-studie die English-Taught Programmes in European Higher Education (Wächter & Maiworm 2008) presenteert.
Het tweede deel (Nederlands of Engels?) bevat artikelen die antwoord geven op de vraag of ons hoger onderwijs en de wetenschap het Nederlands en/of het Engels als onderwijstaal moet gebruiken. Hierin zijn teksten opgenomen die vooral ook een bijdrage leveren aan de opinievorming over de ‘verengelsing’ van ons hoger onderwijs. In de eerste bijdrage, van Van Marle, worden de gevolgen van de ‘verengelsing’ besproken voor (de positie van) de Nederlandse taal in het algemeen en in het bijzonder onze standaardtaal. De wat kortere bijdragen van Devreese (wetenschapper) en De Cock (politicus) zijn in andere vorm eerder verschenen als opiniestukken in landelijke kranten. Beiden presenteren argumenten tegen de ‘verengelsing’ van ons hoger onderwijs. Ook in het essay van Von der Dunk staan kritische kanttekeningen bij deze ontwikkelingen. Hij brengt als nuancering aan dat er bepaalde vakken zijn waarvoor het begrijpelijker is dat cursussen in het Engels worden gegeven. Het gaat dan om vakgebieden die inderdaad in groten getale buitenlandse studenten trekken, of die uit de aard der zaak bij uitstek internationaal zijn.
De bijdragen in het derde deel van de bundel (De internationale context) plaatsen deze discussie over de onderwijstaal in een internationaal/Europees of intercultureel perspectief. Peeters bespreekt een aantal ontwikkelingen op het internationale toneel die illustratief zijn voor de invloed die het Engels heeft op andere talen, taalgebieden en culturen in Europa en de wereld. Zijn artikel biedt ook een overzicht van relevante internationale literatuur en onderzoeksprojecten ter zake. Arntz bekijkt de ontwikkelingen die internationaal leiden tot de verengelsing van het hoger onderwijs vanuit een Duits perspectief en bespreekt een aantal voorstellen en projecten die er juist voor kunnen zorgen dat bijvoorbeeld Duitsers en Nederlanders hun eigen talen kunnen blijven gebruiken in communicatie op internationaal niveau. Van Keymeulen (taalkundige) betoogt dat internationalisering van de wetenschap en de dominantie van het Engels kunnen leiden tot verschraling en verlies aan internationale culturele diversiteit. Draaisma (psycholoog) en Celens (ingenieur) bespreken een aantal internationale ontwikkelingen in hun specifieke vakgebieden en de (deels) nadelige gevolgen van de opkomst van het Engels als voertaal.
In het vierde deel van de bundel wordt de discussie toegespitst op maatregelen die in verschillende contexten genomen (moeten) worden als reactie op de ‘verengelsing’ en op verschillende scenario’s die zich in de toekomst voor kunnen doen. Martin bekijkt de gevolgen van deze ontwikkelingen voor de Nederlandse wetenschappelijke vaktalen en brengt deze gevolgen in verband met functie- en domeinverlies van het Nederlands in het algemeen. Een aantal maatregelen worden voorgesteld die ons dichter kunnen brengen bij een ideale situatie voor het Nederlands als cultuurtaal in relatie tot wetenschappelijke vaktalen. Van der Horst gaat in op de vraag in hoeverre een taalsituatie beïnvloed kan worden door de inspanningen van taalverzorgers en taalpolitici. Zijn stelling is dat het wetenschappelijk gezien nog maar de vraag is of taalpolitiek effect heeft, een stelling die uiteraard relevant is voor de discussie over wat er moet gebeuren als reactie op de aanwezigheid van het Engels in het hoger onderwijs. Vanneste presenteert in zijn bijdrage een discussie over het beleid dat aan een specifieke instelling, de Universiteit Antwerpen, gevoerd wordt in verband met de onderwijstaal. Sercu denkt na over de implicaties van een ruimer gebruik van het Engels als onderwijstaal op het niveau van het hoger onderwijs voor het secundair onderwijs. Els Ruijsendaal brengt een afsluitende bijdrage vanuit het perspectief dat de organisatoren van het congres in 2008 hadden. Vanuit die doelstellingen wordt een samenvattend overzicht gegeven van verschillende facetten die tijdens het congres in oktober 2008 en nu ook in deze bundel aan de orde zijn gekomen.
Zie het Woord vooraf tot de bundel VII tot IX
Omhoog
Het oog van de meester
Een onderzoek naar de literaire ontwikkeling van havo- en vwo-leerlingen in de tweede fase van het voortgezet onderwijs
Theo Witte
gepubliceerd proefschrift 2008 – Delft: Eburon.
ISBN 9789059722460 (Stichting Lezen Deel 12).
Paperback 612 blz.
ISBN: 9789059722460 - € 39,95.
Dit werk is een bijzonder stevige publicatie rond de actuele literatuurdidactiek binnen het Nederlandse taalgebied. Het is gericht op het literatuuronderwijs Nederlands in havo en vwo. De basisbedoeling is een handreiking te verstrekken aan leraren om leerlingen literair competent te laten worden, waarbij die leerlingen in staat zijn om over literaire teksten zinvol te reflecteren en daarover ook betekenisvolle uitspraken te doen. De uitgangspositie van die leerlingen met elk zijn eigen literair referentiekader is ongelijk en ook de uitkomsten van het onderwijsproces zijn gedifferentieerd. Het beschrijvingsinstrument waaraan die literaire competentie gemeten kan worden omvat zes niveaus van literaire competentie van beperkt naar uitgebreid. Welke teksten kan een leerling aan? Welke opdrachten kan hij bij teksten uitvoeren? Hoe leest de leerling?
De zes niveaus kunnen als volgt getypeerd worden:
- Belevend: de leerling ervaart het lezen van de tekst als een louter genoegen met spanning, met dramatiek
- Herkennend: de leerling herkent de gebeurtenissen, de personages en de verhaalstructuur
- Reflecterend: hij dialogeert met de tekst en beseft dat hij wat aan de tekst heeft
- Interpreterend: hij realiseert zich dat de tekst geconstrueerd is en dat interpretatie nodig is
- Letterkundig: hij wil de tekst in verband brengen met de schrijver en met de context waarin hij geschreven werd
- Academisch: hij neemt een metapositie in en beoordeelt gefundeerd het gelezen werk desgevallend vanuit een literair-wetenschappelijke invalshoek.
In zijn wijze van lezen evolueert de leerling van lezen omdat het bij de opleiding hoort, naar het ontdekken van verscheidene functies van literatuur en bewustwording van behoeftes: het lezen is leuk ( 1), het lezen geeft herkenning van eigen leefwereld en zelfbevestiging (2), verbreding van eigen horizon (3). In teksten worden diepere betekenissen herkend en het lezen verschaft esthetisch genoegen (4). Letterkundig en cultuurhistorisch kan je je erin verdiepen (5) en je kan je er intellectueel mee voeden (6). De lezende leerling breidt zijn repertoire van leesmanieren uit en ontdekt verscheidene functies van literatuur. Daardoor breidt hij zijn waarderingsschema uit met nieuwe typen waardeoordelen: pragmatische en emotieve criteria (1), realistische criteria (2), cognitieve en morele criteria (3), structurele en esthetische criteria (4), intentionele en cultuurhistorische criteria (5) en stilistische en vernieuwingscriteria (6). (blz. 436-437).
Uitgaande van de (h)erkenning van het probleem dat er ontoereikende empirisch gefundeerde vakdidactische kennis aanwezig is over de literaire ontwikkeling van leerlingen in de context van het literatuuronderwijs in de tweede fase baseert de auteur zijn bevindingen op grond van drie sturende onderzoeksvragen:
- Welke niveaus van literaire competentie onderscheiden docenten in de bovenbouw van het havo en vwo?
- Wat is het verloop van de literaire ontwikkeling van leerlingen met verschillende beginsituaties in de bovenbouw van het havo en vwo?
- Welke didactische factoren en omstandigheden stimuleren de literaire ontwikkeling van leerlingen in de bovenbouw van het havo en vwo?
Daarbij heeft de auteur de volgende doelen voor ogen: inzicht in de literaire socialisatie van leerlingen van 15 tot 19 jaar, inzicht in factoren die de ontwikkeling van literaire competentie bevorderen of belemmeren, een empirisch gefundeerde basis tot stand brengen voor een goed gestructureerd curriculum voor dat literatuuronderwijs, een literatuurdidactische kennisbasis ontwikkelen om een bijdrage te leveren aan de oplossing van het differentiatieprobleem. (blz. 54-57).
Hoewel de auteur zelf onderzoekstechnische beperkingen onderkent, slaagt hij erin een representatief en betrouwbaar instrument te ontwikkelen waarmee literaire competentie kan worden beschreven. Hij koppelt daaraan de relevante en nuttige consequenties voor een veel doeltreffender aanpak van het literatuuronderwijs voor adolescenten.
Zo bezorgen zijn competentieprofielen (deel II) en zijn handelingsoriëntaties (deel III) de docent ‘een gevarieerde gereedschapskist’. Differentiatie wordt mogelijk aan de hand van de dimensies en indicatoren van literaire competentie. De gedragskenmerken als lezer staan beschreven op de verschillende niveaus. Bij een boek kunnen opdrachten worden gegeven op verschillende niveaus of bij boeken kan een opdracht worden gezocht voor verschillende niveaus (blz. 459).
In hoofdstuk 4 wordt een dataverzameling van boeken aangereikt met daarbij de analyse van die verzameling voor de verschillende niveaus. Dat kan een aanzet zijn voor een vakdidactische catalogus voor het literatuuronderwijs op het internet en toegankelijk voor docenten en leerlingen (blz. 472). *
De auteur pleit in opvolging van zijn bevindingen ook voor de vervanging van kerndoelen en eindtermen fictie en literatuur door een doorlopende leerlijn waarin de verschillende niveaus zijn onderscheiden. Hierin zit wel stof voor discussie.
Over de kwaliteit van het huidige literatuuronderwijs kan worden gesteld dat de ontwikkelingsresultaten uit het onderzoek van Theo Witte te wensen overlaten. Het beginniveau van nagenoeg de helft van de leerlingen is ontoereikend. Het eindniveau van de VWO-leerlingen is dat ook. De overgang naar niveau 4 vormt een probleem. Leerlingen in het VWO met een lage en een hoge startcompetentie komen onvoldoende aan hun trekken. Daartegenover verlaten 87 % van de leerlingen het havo en vwo met een positieve attitude en het eindniveau van 73 % van de leerlingen van het havo voldoet aan de norm. (blz. 517).
Met de inhouden die Theo Witte ons aanbiedt, kan zeker de literaire socialisatie van adolescenten worden bevorderd. Beslist kan met Wittes didactisch instrument de literaire ontwikkeling van leerlingen optimaal worden gestimuleerd. Volgens de auteur moeten de docenten die de literaire ontwikkeling van alle leerlingen tot doel hebben “niet alleen de beperkingen en mogelijkheden van leerlingen in een bepaalde ontwikkelingsfase kunnen doorzien, zij moeten ook weten wat de didactische beperkingen en mogelijkheden van boeken en opdrachten in die fase zijn. Daarin schuilt het meesterschap van de docent” (slotzin blz. 476). “Het oog van de meester.”
Alle geëngageerde literatuurdocenten met leerlingen van 15 tot 19 jaar en zeker alle literatuurdidactici en ook literatuurdocenten van de Nederlandstalige universiteiten in Nederland en Vlaanderen hebben aan “Het oog van de meester” een waardevolle handreiking voor optimalisering van het literatuuronderwijs nu en in de toekomst. De verwachtingen van Theo Witte zijn in dat opzicht hoog gespannen, maar we beseffen dat er nog veel werk moet worden verzet om die in te lossen. Het adequaat instrument daartoe is wel beschikbaar.
Ghislain Duchâteau
* Op 30 januari 2009 werd tijdens de Dag van Taal, Kunsten en Cultuur in Groningen de website lezenvoordelijst.nl op het internet gepubliceerd. Een selectie van 100 titels kan je er vinden. De docenten worden verzocht op de lijst te reageren en zelf aanvullingen aan te reiken. De catalogus die daaruit uiteindelijk wordt samengeseld wordt een gids voor leerlingen en docenten bij de keuze van het juiste boek op het juiste ogenblik. Daarbij is het een letterkundige en didactische vraagbaak voor docenten en een hulp voor mediathecarissen bij de samenstelling en actualisering van hun boekencollectie. In deze fase wordt Nederlands proza gepresenteerd. Later komt literatuur uit vreemde talen en mogelijk ook poëzie. De site wordt geproduceerd door het Universitair Onderwijscentrum van de Rijksuniversiteit Groningen. Ze wordt financieel ondersteund door Stichting Lezen.
http://www.lezenvoordelijst.nl
Het is de publicatie van de doctoraatsthesis die Theo Witte verdedigde 29 mei 2008 aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Theo Witte (1952) studeerde Nederlands in Groningen. Hij is werkzaam als onderzoeker en vakdidacticus bij het Universitair Onderwijscentrum van de Rijksuniversiteit Groningen.
Hij was lid van de Vakontwikkelgroep Nederlands en projectleider van het netwerk Geïntegreerd Literatuuronderwijs. Op dit moment is hij betrokken bij de ontwikkeling van de doorlopende leerlijn Taal. Hij publiceerde onder andere over de kwaliteit van schoolboeken, de integratie van moedertaal- en NT2-onderwijs, schrijfvaardigheidsdidactiek, het literatuuronderwijs en de literaire ontwikkeling van adolescenten.
Correspondentieadres: Universitair Onderwijscentrum Groningen (UOCG), Rijksuniversiteit Groningen, Landleven 1, 9747 AD Groningen
E-mail: t.c.h.witte[at]rug.nl
Omhoog
Literaire competenties - Leesniveau bepalen
Het leesniveau van je leerling bepalen kan aan de hand van korte gesprekjes.
Deze video die 6'02" duurt toont je hoe je dat doet:
http://www.leraar24.nl/video/2549
Dyslectisch… en dan? Bieke De Becker
|
| |
Over het boek:
Dyslexie hebben hoeft helemaal niet zo’n onoverkomelijk probleem te zijn. Dat ondervond Bieke De Becker aan den lijve. Het komt erop aan in je eigenheid bevestigd te worden. Wanneer je weet wat je goede kanten zijn, dan neem je er je moeilijkere kanten makkelijker bij, zoals dyslexie.
Eerst legt zij uit welke leerstoornissen er bestaan en wat dyslexie precies is. Ze geeft vele voorbeelden uit het dagelijkse leven, anekdotes en tips.
Maar dyslexie hebben heeft niet alleen nadelen. Vooral voor kinderen is het erg belangrijk dat hun omgeving hun pluspunten bekrachtigt, ook wanneer het om ‘buitenschoolse’ talenten gaat. Tot slot volgt een overzicht van zeer eenvoudige maar afdoende hulpmiddelen voor in de klas, thuis en daarbuiten.
Rode draad door het hele boek zijn de concrete tips, de vaak humoristische verhalen en de korte doe-momenten. Mensen met dyslexie, van welke leeftijd ook, zullen zich gesteund voelen door het aanstekelijke optimisme van de auteur en zullen baat hebben bij alle inside tips.
Leerkrachten en ouders horen uit eerste hand wat het is om dyslexie te hebben en hoe ze het best kunnen helpen.
Over de auteur:
Bieke De Becker is leerkracht lichamelijke opvoeding aan Scholengemeenschap De Kraal in Herent. Voor Joker begeleidt ze (jongeren)reizen in Afrika. Zij heeft zelf dyslexie.
ISBN: 9789085750208
Aantal Pagina's: 258
Status: Verschenen - bestelbaar - leverbaar
Prijs: € 29,00
Uitgever : Cyclus
B.De Becker
|
Omhoog
Persbericht
De leraar taalvaardig
13 praktische taaldoelen voor studenten aan de pabo
14 mei 2007

De leraar taalvaardig
13 praktische taaldoelen voor studenten aan de pabo
René Berends
2007. 176 p. € 26,50 - ISBN 978 90 232 4318 2
Een leraar basisonderwijs staat voortdurend in interactie met zijn leerlingen. Hij voert gesprekken met kinderen, hij vertelt verhalen, leest voor, geeft mondelinge opdrachten en instructies, vaak met een schriftelijke ondersteuning. Hij beoordeelt ook teksten, herschrijft ze soms zelfs om ze toegankelijk te maken voor zijn leerlingen. Hij formuleert schriftelijke vragen en opdrachten en schrijft commentaren en evaluaties bij het werk van kinderen. Een moderne leraar basisonderwijs communiceert ook veel met volwassenen in en rond de school. Hij voert gesprekken met ouders, collega’s en externen, kan een presentatie houden op een ouderavond of op een studiedag voor collega’s. Hij moet artikelen, rapporten, notulen kunnen schrijven en zal ook regelmatig teksten die over de school of zijn beroep gaan, moeten lezen. De snelle ontwikkelingen in het beroep vereisen dat een leraar basisonderwijs zich op het gebied van de taalvaardigheid voortdurend ontwikkelt en professionaliseert.
Studenten die leraar basisonderwijs willen worden, moeten kennis en vaardigheden ontwikkelen om de taalontwikkeling van leerlingen te begeleiden. Ze worden daarvoor geschoold in taaldidactiek. Daarnaast vergroten studenten in hun opleiding hun eigen taalvaardigheid, tot op het niveau dat voor het beroep vereist is. De leraar taalvaardig is bedoeld als opleidingsboek voor pabostudenten die zich dit voor het beroep vereiste niveau van eigen taalvaardigheid eigen willen maken.
In De leraar taalvaardig worden dertien taalvaardigheidsdoelen onderscheiden, verdeeld over drie domeinen: de leraar in interactie met zijn leerlingen, de leraar in interactie met volwassenen en de leraar als lerende. Voor elk taaldoel worden informatie en praktische opdrachten gegeven die studenten kunnen gebruiken om hun eigen kennis en vaardigheden verder te ontwikkelen. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van het boek, maar ook van filmfragmenten, uitwerkingen en voorbeelden die op internet beschikbaar zijn. Bovendien worden studenten in de gelegenheid gesteld hun ontwikkelingen in een portfolio bij te houden.
De leraar taalvaardig
1 Inleiding: Hoe dit boek te gebruiken?
2 Welke taalvaardigheden heeft de leraar?
3 Een plan van aanpak voor het werken aan de taaldoelen
4 De taaldoelen onder de loep
Domein 1: de leraar in interactie met zijn leerlingen
Domein 2: de leraar in interactie met volwassenen in en rond de school
Domein 3: de leraar als lerende
Bijlagen: De reflectielijsten
Literatuur
Contactpersoon
Hilly Udding

Koninklijke Van Gorcum BV
Postbus 43
9400 AA Assen
[t] +31 (0) 592 379 567
[f] +31 (0) 592 379 552
[e] h.udding@vangorcum.nl
http://www.vangorcum.nl
Omhoog
Taalkunde voor de tweede fase van het vwo

Hans Hulshof, Maaike Rietmeijer, Arie Verhagen
Uitg. Amsterdam University Press, Amsterdam 2006,
ISBN 90 5356 864 6, 232 pagina’s, € 29,50.

Dit leerboek over taalkunde is gepubliceerd, nadat de aspiratie bij prof. Hulshof al verscheidene jaren aanwezig was om opnieuw ruimte te creëren in het curriculum van het voortgezet wetenschappelijk onderwijs in Nederland voor leerstof “taalkunde”. Die ruimte binnen het schoolvak Nederlands is er nu. Daarom komt de publicatie van deze deelmethode Nederlands op het passende moment. Leerlingen moeten niet alleen vaardig worden in taal, maar behoren ook wel wat te weten over de verschillende aspecten van taal en van de eigen taal.
Die “wetenschap” kan hun worden bijgebracht door dit handboek, dat heel wat facetten rond taal aan de orde stelt. Er is een hoofdstuk rond ‘Taal en communicatie’, rond ‘Taalvariatie’, rond ‘Taalverwerving’, rond ‘Taalverandering’, rond ‘Pragmatiek’, rond ‘Semantiek’ en ten slotte over ‘Grammatica’.
Het is zeker de moeite waard om met dit leerboek kennis te maken.
Voor meer informatie klik hierboven op de titel.
Sinds 2007 mag in het Nederlands onderwijs (het is facultatief) taalkunde onderwezen worden.
Nog meer informatie over de thematiek en het boek leest u in het artikel "Eindelijke taalkunde op het VWO"
Ghislain Duchâteau
Omhoog
Andere publicaties
Afscheidscollege Hans Hulshof (Leiden): "Taalkunde op school, hier en daar na veertig jaar"-
vrijdag 9 december 2011
Rede uitgesproken door
Prof. dr. H. Hulshof

ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar in de
Didactiek van het Nederlands, in het bijzonder in het voortgezet onderwijs
aan de Universiteit Leiden
op vrijdag 9 december 2011
Universiteit Leiden
Dames en heren,
Ik wil beginnen met twee voor mij opmerkelijke uitspraken,
voorzien van enig commentaar.
De eerste:
“Docenten dienen zich bovenal te kunnen richten op lesgeven in hun vakgebied”.
Dat eigen vakgebied, de inhoudelijke kant van het lesgeven, verdiende kennelijk extra aandacht in de troonrede dit jaar. De regering zou met voorstellen komen.
De tweede:
“Dit is het Spoetnik-moment van onze generatie”, stelde president Obama in zijn State of the Union, de Amerikaanse ‘troonrede’, in januari. Een oproep tot herstel van competitiviteit via een link met de start van de ruimterace met de Sovjet Unie in 1957. Een oplossing voor de moeizame situatie in het Amerikaanse onderwijs kwam zo in zicht, toen de Sovjet Unie in
1957, eerder dan de VS een satelliet, de Spoetnik, in een baan om de aarde wist te brengen. De Amerikaanse regering nam meteen allerlei initiatieven, onder andere gericht op de verbetering van het onderwijs, vooral van de bètavakken. Aandacht voor de inhoud van de schoolvakken was een direct gevolg, waarbij de relatie met de actuele stand van zaken in de vakwetenschap het uitgangspunt werd.
Zijn wij in Nederland wat de vormgeving van het onderwijs betreft ook aan een Spoetnik-moment toe om een pijnlijke achterstand in te lopen?
Lees verder…
Omhoog
Mondelinge taalvaardigheid in het basisonderwijs - Een inventarisatie van empirisch onderzoek
door Helge Bonset en Mariette Hogeveen - SLO - nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling - juli 2011
20-07-2011
Resultaten van de zesde literatuurstudie binnen het project Het Taalonderwijs Nederlands Onderzocht (HTNO). Deze studie behandelt het domein mondelinge taalvaardigheid. Achtereenvolgens komen onderzoeken aan de orde die gericht zijn op: doelstellingen, beginsituatie van de leerling, onderwijsleermateriaal, onderwijsleeractiviteiten, instrumentatie en evaluatie. Een korte nabeschouwing geeft inzicht op de vraagstelling en de conclusies van het onderzoek.
Download Mondelinge taalvaardigheid in het basisonderwijs
De prijs voor de gedrukte brochure is € 6,69 per stuk (incl. 6% BTW)
Bestellen: via de website van het SLO
Omhoog
Conceptnota 'Samen taalgrenzen verleggen' - talennota van het Ministerie van Onderwijs en Vorming -
versie 22 juli 2011
Bij een eerste verkenning van de talennota van de Vlaamse minister Pascal Smet valt heel vlug op dat de term Nederlands
vervangen werd door de term Standaardnederlands. Dat is een blijk van grote belangstelling binnen het onderwijsbeleid voor de standaardvorm van onze taal. Dat is de allerkeerste keer dat wij dat met veel voldoening mogen constateren.
In het document dat door de Vlaamse regering al een eerste keer werd goedgekeurd eind juli 2011 blijkt de bekommernis voor de ontwikkeling van de algemene standaardtaalvaardigheid van de lerenden op alle niveaus van onderwijs. Het belang ervan wordt uitdrukkelijk onderstreept in de tekst: "Een rijke kennis van het Standaardnederlands als standaardtaal blijft ook in deze nota de eerste prioriteit." Daarnaast blijkt de minister ook de meertaligheid in (en buiten) het onderwijs met innovatieve beleidsmaatregelen te willen bevorderen.
Ook de recente idee van taalontwikkelend lesgeven heeft hier en nu al ingang gevonden in de tekst.
We kopiëren hier de inleiding van de conceptnota en daarna maken we de hele tekst toegankelijk via een verwijzing.
INLEIDING
De beleidsnota Onderwijs kondigt een ambitieus talenbeleid aan . Deze talennota wil daarvoor een spalier zijn. Hij bouwt verder op de realisaties van de vorige talenbeleidsnota: kleuters gaan vroeger en regelmatiger naar school, de eindtermen en ontwikkelingsdoelen van het Standaardnederlands en van moderne vreemde talen werden versterkt, taal kreeg een plaats in de basiscompetenties van de leraar en scholen werden gestimuleerd om een actief en expliciet talenbeleid te voeren. Een rijke kennis van het Standaardnederlands als standaardtaal blijft ook in deze nota de eerste prioriteit. De initiatieven die in de vorige talenbeleidsnota geïnitieerd werden, worden onverkort verdergezet: inzetten op de regelmatige aanwezigheid van kinderen in de kleuterklas, de tweedelijnsondersteuning van kleuteronderwijzers in gebieden met een hoge GOK-concentratie, projecten in het kader van het lokaal flankerend onderwijsbeleid, de doorlichting van het talenbeleid door de onderwijsinspectie.
We zetten daarom in op de competenties van de school om de ambitie van een rijke kennis van het Standaardnederlands een centrale plaats in een talenplan te geven, op de competenties van alle leraren om rijk Standaardnederlands te hanteren in de omgang met de kinderen, en op het creëren van stimuli voor taalarme en anderstalige kinderen om zoveel mogelijk en zo vroeg mogelijk actief met het Standaardnederlands in aanraking te komen. Hierbij willen we, inhakend op het inburgerings- en integratiebeleid, anderstalige ouders voldoende wapenen, via taallessen Nederlands op school.
In vergelijking met andere Europese landen bieden we heel wat andere talen in het leerplichtonderwijs aan, maar we beginnen daarmee laat in het curriculum. De noodzakelijke focus op het wegwerken van een tekort aan competenties Standaardnederlands bij taalarme en anderstalige kinderen in functie van een gelijke kansenbeleid, willen we aanvullen met een even noodzakelijke focus op het valoriseren van competenties die kinderen wél hebben: door thuistalen buiten het curriculum een plaats in het talenbeleid van de school te geven, door kinderen heel jong voor talen te sensibiliseren en door scholen onder andere de mogelijkheid te geven vroeger met vreemdetalenonderwijs te starten.
We motiveren deze keuze door de premisse, ondersteund door onderzoek, dat kinderen op jonge leeftijd makkelijker een vreemde taal verwerven dan op latere leeftijd, en door ons talenbeleid te enten op Europa. We brengen daarbij de evaluaties in rekening van lopende proefprojecten: Content and Language Integrated Learning (CLIL), het project Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur (OETC), het onderzoek naar talenbeleid door de onderwijsinspectie, de resultaten van de peiling Nederlands in de derde graad secundair onderwijs (aso, kso, tso), de evaluatie van de ondersteuning van de basisscholen van de rand- en taalgrensgemeenten en de gemeenten in de brede rand rond Brussel via het project Rand en Taal en het syntheserapport van acht jaar wetenschappelijke begeleiding van het Voorrangsbeleid Brussel (VBB) . Bovendien zullen de eindtermen vreemde talen worden doorgelicht en moeten ze deze regeerperiode ambitieuzer worden geformuleerd .
Vanuit de fundamenten van het verleden en de beschouwingen van het heden, proberen we een visie en een beleid voor de toekomst uit te tekenen. We doen dat door in te zetten op innovatie en door aansluiting te zoeken bij andere beleidsdomeinen.
De Onderwijsspiegel 2009-2010, p. 29-30 definieert “talenbeleid” als volgt: “Afhankelijk van de invalshoek onderscheiden we twee grote componenten van het talenbeleid: taalbeleid en taalvakkenbeleid.
Taalbeleid betreft het beleid op school in twee grote domeinen:
- het gebruik van het Nederlands voor de communicatie van en met leraren, leerlingen, ouders en omgeving.
- de dubbele functie van het Nederlands als instructietaal: het is zowel middel als doel. Taalbeleid in dit domein heeft betrekking op alle leergebieden van het basisonderwijs en alle vakken van het secundair onderwijs: de algemene vakken, technische vakken, kunst- en praktijkvakken.
(…)
Het taalvakkenbeleid wil ertoe bijdragen dat zoveel mogelijk leerlingen de doelstellingen in de taalvakken bereiken. Het gaat om alle aangeboden talen: Nederlands, moderne vreemde talen zoals Frans, Engels, Duits, Spaans, Italiaans en de klassieke talen Latijn en Grieks.
(…)
In dit verslag kiezen we consequent voor de term talenbeleid omdat dit het best het geheel van zowel taalbeleid (met aandacht voor Nederlands als instructietaal en Nederlands voor de communicatie), als taalvakkenbeleid (met aandacht voor Nederlands en moderne vreemde talen als leergebied/vak) weergeeft.”
Samenvatting evaluaties als bijlage.
Regeerakkoord Vlaamse Regering 2009-2014, p. 28.
De Talennota 2011 omvat 42 bladzijden, maar voor wie belangstelling heeft voor het talenbeleid in het onderwijs is het
uitermate aanbevolen lectuur.
Voor de hele tekst van de nota 'Samen taalgrenzen verleggen' klik hier
Omhoog
Taalbeschouwing - Een inverntarisatie van empirisch onderzoek in basis- en voortgezet onderwijs
door Helge Bonset en Mariette Hogeveen - SLO - nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling - december 2010
In deze publicatie geven Helge Bonset en Mariëtte Hoogeveen een overzicht van het empirisch onderzoek in de afgelopen veertig jaar, in het Nederlandse en Vlaamse primair en secundair onderwijs.
Ze omschrijven het domein Taalbeschouwing en beschrijven vervolgens het onderzoek naar traditioneel grammaticaonderwijs (zinsontleding en woordbenoeming), alternatief grammaticaonderwijs (bijvoorbeeld zinsopbouwonderwijs), geïntegreerd taalbeschouwings- en taalvaardigheidsonderwijs, en taalkundeonderwijs.
Daarbij komen vragen aan de orde als: heeft grammaticaonderwijs effect op de taalvaardigheid van leerlingen? Heeft het onderwijs in de moderne vreemde talen baat bij grammaticaonderwijs binnen het eerstetaalonderwijs? Is taalkundeonderwijs in de bovenbouw haalbaar en wenselijk?
Ook wordt beschreven wat leerkrachten in de praktijk doen aan taalbeschouwingsonderwijs, en wat leerlingen op dit gebied presteren aan het einde van het basisonderwijs.
De inventarisatie is uitgevoerd binnen het kader van Het Taalonderwijs Nederlands Onderzocht en Het Schoolvak Nederlands Onderzocht: projecten van SLO, SCO-Kohnstamminstituut, Instituut voor de Lerarenopleiding van de UvA en Nederlandse Taalunie. Zie www.slo.nl/htno
Download Taalbeschouwing
Omhoog
Woordenschatontwikkeling in het basisonderwijs -
Een inventarisatie van empirisch onderzoek
door Helge Bonset en Mariette Hoogeveen -
SLO – nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling – juni 2010
Deze inventarisatie werd uitgevoerd op zowat 800 onderzoeken uit zowel Nederlandstalige als buitenlandse tijdschriften tussen 1969 en 2004. Het is de vierde studie die werd verricht binnen het project Het Taalonderwijs Nederlands Onderzocht (HTNO) gericht op het basisonderwijs. Daarbij beogen de onderzoeken het taalonderwijs in het basisonderwijs te inventariseren, te beschrijven en te interpreteren.
Ook deze studie, zoals die eerder in het project HSNO (Het Schoolvak Nederlands onderzocht), dat gericht was op het onderwijs Nederlands in het voortgezet onderwijs, beoogt een bijdrage te leveren tot het wat dichten van de kloof tussen onderwijsonderzoek en de onderwijspraktijk.
Vandaar dat de resultaten van de inventarisatie relevant kunnen zijn zeker voor onderwijspractici die in lerarenopleidingen functioneren, maar ook voor ernstige onderwijsverstrekkers in het werkveld zelf.
De inventarisatie overziet de onderzoeken naar doelstellingen, beginsituatie, onderwijsleeractiviteiten, het instrumentatie- en het evaluatieonderzoek.
In de nabeschouwing komen de auteurs tot de volgende synthese
"
Hoe is het al met al gesteld met de woordenschatontwikkeling en het woordenschatonderwijs
in ons land?
Laten we beginnen met de positieve kant: er zijn enkele valide en betrouwbare meetinstrumenten
om de woordenschat van de leerlingen in het basisonderwijs in kaart te brengen.
Ook is er, in de vorm van streefwoordenlijsten, consensus over wat leerlingen aan woorden
zouden moeten kennen op bepaalde leeftijden in het basisonderwijs.
Aan de negatieve kant constateren we het volgende.
De prestaties van de leerlingen op het gebied van woordenschat liggen gemiddeld onder wat
beoordelaars zien als voldoende, zowel aan het einde van als halverwege het basisonderwijs.
De prestaties van allochtone leerlingen blijven gemiddeld ver achter bij die van autochtone,
en in de loop van het basisonderwijs blijft deze achterstand bestaan. Hierdoor dreigen
allochtone leerlingen ook extra achterstand op te doen in begrijpend lezen; de samenhang
tussen woordenschat en begrijpend lezen is bij hen immers nog sterker dan bij autochtone
leerlingen (Droop en Verhoeven 1995). Ook kennen ze veel belangrijke woorden niet uit de
teksten van hun methodes, wat negatief uit zal werken op hun schoolloopbaan, niet alleen
in het domein taal.
Het bovenstaande maakt duidelijk dat er behoefte is aan een effectieve woordenschatdidactiek,
die helpt de achterblijvende prestaties van de leerlingen, vooral ook de allochtone,
te verbeteren. Daarbij zal afgewogen moeten worden in welke mate en in welke omstandigheden
wordt gekozen voor intentioneel dan wel incidenteel woorden leren.
Bij intentioneel woorden leren is er sprake van expliciet woordenschatonderwijs, waarbij
woordbetekenissen worden geleerd in het kader van vergroting en verdieping van de woordenschat
(zie paragraaf 4.3.1).
Bij incidenteel woorden leren gaat het om het afleiden en onthouden van woordbetekenissen
uit de context tijdens het gewone leesproces, zonder dat op die specifieke woorden de aandacht
wordt gericht. Wanneer leerlingen getraind worden in het afleiden en onthouden van
woorden uit de context, is er weer sprake van intentioneel leren, maar nu ten behoeve van het
verbeteren van de vaardigheid incidenteel woorden te leren (zie paragraaf 4.3.2).
Dat leerlingen in hoge mate incidenteel woorden leren uit de context, zagen we in de metaanalyse
van De Glopper, Fukkink en Swanborn (2000, paragraaf 4.3.2). Gemiddeld worden
15 van de 100 woorden geleerd. Hoe ouder de leerlingen zijn, hoe groter de woordleerkans:
lezers van circa 8 jaar leren een op de twaalf onbekende woorden die ze tegenkomen, lezers
van circa 18 jaar een op de drie onbekende woorden. Amerikaanse schattingen (Beck &
McKeown 1991; Miller 1991, Anglin 1993, Aitchinson 1994) van de hoeveelheid woorden die
leerlingen incidenteel leren per dag, lopen uiteen van zeven tot meer dan tien, waarbij ook
weer geldt dat oudere leerlingen veel meer woorden incidenteel leren per dag dan jongere.
De vaardigheid om incidenteel woorden te leren uit de context kan via instructie nog worden
vergroot, zo blijkt uit dezelfde meta-analyse, al is dit in een aantal Nederlandse onderzoeken
niet bevestigd.(zie paragraaf 4.3.2).
Als incidenteel leren van woordbetekenissen eerder regel dan uitzondering is en bovendien
nog via instructie zou kunnen worden versterkt, kan expliciet woordenschatonderwijs dan
nog wel meer dan een marginale bijdrage leveren aan de woordenschatontwikkeling? Er
zijn een paar redenen om deze vraag niet zonder meer met nee te beantwoorden.
De eerste is dat een aantal programma’s ter vergroting en verdieping van de woordenschat
in ons land effectief zijn gebleken (zie paragraaf 4.3.1).
De tweede is dat de meta-analyse van De Glopper, Fukkink en Swanborn indicaties oplevert
dat jongere leerlingen, zwakkere lezers en leerlingen met een kleinere woordenschat minder
woorden uit de context afleiden dan de andere leerlingen (voor zwakkere lezers blijkt hetzelfde in het onderzoek van Swanborn en De Glopper, 2002, zie paragraaf 2.1). Voor deze leerlingen zou expliciet woordenschatonderwijs een nuttige aanvulling kunnen betekenen.
De derde reden is het sterke vermoeden dat leerlingen vandaag de dag gemiddeld minder
lezen dan enkele decennia geleden. Als dat vermoeden klopt, zal het gevolgen hebben voor
de hoeveelheid woorden die incidenteel geleerd worden tijdens het lezen en dus voor de
groei van de woordenschat. Expliciet woordenschatonderwijs kan dan helpen (naast intensief
lees- en schrijfonderwijs) om deze terugloop in groei te compenseren, vooral bij die
groep leerlingen die het minste leest."
Blz. 63-65
Zie: http://www.slo.nl/organisatie/recentepublicaties/woordenschat/
Van hieruit kunt u het hele document in pdf op uw computerscherm oproepen.
Omhoog
Taalbeleid in de lerarenopleiding: percepties van studenten en docenten
Het Perspectief Provinciaal Centrum voor Volwassenenonderwijs
Diederik De Beir
Taalbeleid in de lerarenopleiding: percepties van studenten en docenten
Verslag van een bevraging voor de Taalactiedag Lerarenopleiding 15 mei 2009
Voor de Taalactiedag van 15 mei 2009 werd een kleinschalig onderzoek gevoerd bij studenten en lerarenopleiders van 3 niveaus van lerarenopleiding: drie hogescholen (HUB Brussel, Xios Hogeschool en KH Sint-Lieven), één universiteit (Universiteit Antwerpen) en één centrum voor volwassenenonderwijs (Het Perspectief PCVO).
Het gaat hier om een kleinschalig onderzoek dat in de eerste plaats tot doel had mogelijke getuigenissen en open antwoorden uit te lokken voor de drie taalcompetentiegebieden starttaalvaardigheid, academische taalvaardigheid en professionele taalvaardigheid. Het onderzoek heef twee grote centrale vragen. Waar staan staan we nu inzake taalbeleid in de lerarenopleidingen? Welke uitdagingen liggen voor ons?
De vragenlijsten van de bevraging zijn opgemaakt door Diederik De Beir. Voor de afname en organisatie van de schriftelijke enquêtes kreeg hij de hulp van Frans Daems, Riet Jeurissen, Hilde Van den Bossche en Silvie Vanoosthuyze. De resultaten van het onderzoek zijn door Diederik De Beir verwerkt tot dit uitgebreid onderzoeksverslag. Frans Daems citeerde uit dit onderzoek tijdens zijn inleidende presentatie op de Taalactiedag Lerarenopleiding van 15 mei 2009 die georganiseerd werd door het expertisenetwerk ElAnt (Expertisenetwerk Lerarenopleidingen Antwerpen) in Antwerpen.
- Hoofdstuk 1 geeft informatie over de twee groepen bevraagden aan de lerarenopleidingen: lerarenopleiders en studenten.
-
Hoofdstuk 2 geeft de resultaten van het onderzoek: de gecategoriseerde antwoorden van de studenten en lerarenopleiders op de vragen per taalcompetentiegebied in de vragenlijsten.
- Hoofdstuk 3 schetst de probleemgebieden van de resultaten opnieuw per taalcompetentiegebied.
-
Hoofdstuk 4 vat de resultaten van de bevraging samen in de vorm van conclusies.
Voorts treft u nog een bronnenlijst aan en twee bijlagen met de vragenlijst studenten en de vragenlijst lerarenopleiders.
(Bron: Voorwoord)
Voor het volledige verslag : klik hier
Contact en informatie:
diederik.debeir@hetperspectief.net
Diederik De Beir - 09 267 12 58 - adjunct-directeur taalbeleid
www.hetperspectief.net
Het Perspectief PCVO, Nonnemeersstraat 15, 9000 GENT
Omhoog
Taalkunde en het schoolvak Nederlands - special Levende Talen - 6 mei 2010

Twee pleitbezorgers voor taalkunde in het voortgezet of secundair onderwijs Hans Hulshof en Ton Hendrix stelden voor Levende Talen deze derde special samen na die rond letterkunde en taalbeleid. Bijdragen van gerenommeerde taalkundigen, lerarenopleiders en docenten die taalkundeonderwijs in het voortgezet onderwijs gunstig gezind zijn, vinden we in deze publicatie.
Met genoegen stellen we u hier de inhoud voor.
5 |
|
Ten geleide: Het schoolvak Nederlands inhoudelijk aanvullen | Ton Hendrix & Hans Hulshof
In deze bijdrage beschrijven Ton Hendrix en Hans Hulshof de plaats van taalkunde in het schoolvak Nederlands in de laatste 20 jaar. Het is ondertussen namelijk twintig jaar geleden dat het vorige themanummer van Levende Talen Magazine over taalkunde in het voortgezet onderwijs in Nederland verscheen. Deze bijdrage biedt een didactisch kader, waarin de overige bijdragen in de Special geplaatst kunnen worden. Volgens de auteurs biedt het rapport 'Over de drempels met taal' (Meijerink, 2008) geen uitkomst over de niveaus van grammatica en taalkunde. De bijdragen uit de special kunnen mogelijk tot uitdieping en aanvulling van het rapport leiden. |
12 |
|
Van grammatica naar taalkunde: Van een doodlopende naar een doorlopende leerlijn | Hans Hulshof
Dit artikel biedt een theoretisch kader voor de samenhang van grammatica- en taalonderwijs en werkt een leerlijn uit vanuit het basisonderwijs naar de bovenbouw voor havo en vwo. Daarmee krijgt de linkerpoot van de stemvork een cursorische leerlijn taalkunde als aanvulling op die van de rechterpoot met taalvaardigheid, die opnieuw ruimschoots aandacht krijgt van de Commissie Meijerink |
20 |
|
Taalkundig denken: Denken als een taalkundige | Arie Verhagen
De bijdrage van de Leidse taalkundige, Arie Verhagen, demonstreert hoe grammaticale scholing die geen doel in zich blijft, kan leiden tot een geheel andere en nieuwe wijze van denken over taal. Verhagen blaast de distributionele analyse, bekend van Van der Lubbe en Paardekooper nieuw leven in met wel degelijk didactische mogelijkheden voor het voortgezet onderwijs |
26 |
|
De taal is een rommeltje | Peter-Arno Coppen
In dit artikel laat de Nijmeegse taalkundige, Peter-Arno Coppen, zien dat taal bepaald geen toonbeeld is van structuur en regelmaat, maar zeker ook heel veel slordigheden en toevalligheden kent. Dat vraagt om afstand. Grammaticaonderwijs moet de taalbeschouwer uitrusten met adequate denkvaardigheden om juist deze rommelige (taal)problemen te kunnen aanpakken. Niet blijven steken dus in een grammaticadidactiek die zich beperkt tot instructies om oefeningen te maken. |
29 |
|
Taal moet je niet alleen gebruiken! Taalkunde bij Fontys lerarenopleiding Sittard | Tim Neutelings
Velen twijfelen over het nut van grammatica- en taalkundeonderwijs in het voortgezet onderwijs. Neutelings laat in zijn bijdrage zien hoe de toekomstige taalleraren een gedegen taalkundige grondslag moeten leggen onder hun beroepsopleiding. Wie leest wat er van de studenten in het hbo verwacht wordt, zal kunnen vaststellen dat het achterwege blijven van een taalkundige vooropleiding in het voortgezet onderwijs de studenten in het hbo behoorlijk op achterstand plaatst. |
33 |
|
Taalkunde in het schoolvak Nederlands in de tweede fase | Maria van der Aalsvoort
Van der Aalsvoort zet in haar artikel overzichtelijk op een rij in hoeverre het vakonderdeel 'taalkunde' nog een kans heeft in het reguliere onderwijs. Ze geeft een overzicht van het onderdeel taalkunde in de meest gebruikte lesmethodes en geeft aan waar de aandacht naar uit is gegaan. Bovendien kondigt ze nieuw onderzoek aan. |
38 |
|
Leerlingen stellen vragen aan taal: Taakundeonderwijs op het Greijdanus | Margreet Moesker & Hans Das
Er zijn scholen waar neerlandici tegen de keer in hun leerlingen de kans hebben geboden met taalkundige onderwerpen aan de slag te gaan. Moesker en Das doen in hun bijdrage verslag van hun aanpak om leerlingen van het reproduceren van grammaticaregels te brengen naar het nadenken over taal ten gunste van het vormen van hun eigen mening over taal en taalverschijnselen. Een praktijkverhaal. |
43 |
|
Didactische modellen taalkunde voor de tweede fase | Hans Hulshof & Ad van der Logt
Het algemeen blijvend didactisch model van de stemvork vraagt om een nadere, specifieke invulling. Hulshof en Van der Logt presenteren in hun bijdrage het OVUR-model als didactisch richtsnoer voor het uitvoeren van complexe (thematisch-cursorische) taaltaken. |
47 |
|
De macht van de markt: Taalkunde in een tweedefaseleergang | Henk van Roozendaal
Van Roozendaal, een van de auteurs van de tweedefasemethode 'Kiliaan', beschrijft in zijn impressie hoe bevlogen enthousiasme bekneld raakt in de principes van de markt. |
48 |
|
Wetenschappelijke geschiedenis van de syntaxis spreekt leerlingen aan | Twan Robben
Wie ooit de twee dikke pillen van Joop van der Horst, 'Geschiedenis van de Nederlandse Syntaxis' (2008) ter hand heeft genomen, beseft pas goed de durf en vooral het vertrouwen in leerlingen van Robben. In zijn artikel schetst Robben de ontdekkingstocht van een groepje leerlingen door de historische achtergrond van een aantal syntactische verschijnselen in het Nederlands. |
51 |
|
Levende taalkunde | Jan-Wouter Zwart
In zijn artikel vraagt de Groningse taalkundige Zwart zich af of het 'klassieke' grammaticaonderwijs niet eindelijk toe is aan een ingrijpende vernieuwing die veel meer geënt is op moderne taalkundige inzichten. Hij formuleert daarover 5 stellingen. |
56 |
|
Aandacht voor de zin | Peter Nieuwenhuijsen
Nieuwenhuijsen biedt in zijn bijdrage allerlei bespiegelingen over taal en taalonderwijs. Hij constateert dat in het computertijdperk de communicatie gehaaster, ruwer en minder verfijnd verloopt. Het examenprogramma is globaal, terwijl het onderwijs eigenlijk vraagt om detaillering. Nieuwenhuijsen zoekt een oplossing in een examen Nederlands op een globaler blijvend A-niveau en een specifieker, meer taalgericht B-niveau, waarin een portie grammatica en taalkunde een plek zou moeten krijgen. Vervolgopleidingen die juist afhankelijk zijn van een goede taalopleiding van leerlingen zouden dan het B-niveau kunnen eisen. Om over door te denken. |
60 |
|
De Talenquiz: Een maandelijkse quiz over taal en taalkunde | Anna de Graaf & Maaike Verrips
Veel docenten die in taalkundeonderwijs geïnteresseerd zijn, zullen de Taalquiz kennen. De Graaf en Verrips beschrijven in hun artikel hoe de Taalquiz leerlingen kan prikkelen en motiveren om naar taal te kijken. Op een speelse manier raken leerlingen betrokken bij taal en taalkunde. Voor leerlingen en docenten een verrassende uitdaging. |
62
|
|
Auteurs
|
Naast zoveel belangstelling voor taalbeheersing is deze uitgave een welgekomen pendant in het didactisch discours rond het schoolvak Nederlands.
NDN beveelt deze special rond taalkunde van harte aan.
U kunt hem bestellen bij Levende Talen voor 18 euro: klik hier
Omhoog
Talige startcompetenties Hoger Onderwijs -
Publicatie Nederlands/Vlaams Platform Taalbeleid Hoger Onderwijs - SLO
van de hand van Helge Bonset en Hans de Vries - aug. 2009
Geachte geadresseerde,
Met veel plezier presenteer ik u de beschrijving van de Talige startcompetenties Hoger Onderwijs. Voor het eerst zijn die beschreven onafhankelijk van de eisen van de examens die toelating bieden tot het hoger onderwijs (havo, vwo en mbo-4). De beschrijving maakt goed zichtbaar waar de kloof zit en waarom (en waarin) de taalvaardigheid van inkomende studenten tekort schiet.
Het Nederlands / Vlaams Platform Taalbeleid Hoger Onderwijs heeft samen met de sectie Nederlands van de vakvereniging van docenten Levende Talen, in 2007 bij de SLO een aanvraag ingediend om te komen tot een beschrijving van de talige startcompetenties voor hoger onderwijs. Die aanvraag is gehonoreerd, het project is in 2008 uitgevoerd, op 18 mei 2009 gepresenteerd aan het platform en verschenen in brochurevorm. De beschrivjing is als pdf-document te downloaden van de site van de SLO*. De beschrijving kent een hbo-niveau (B2) en een universitair niveau (C1) en borduurt verder op het hoogste niveau van de commissie Meijerink.
Voor het opzetten van taalbeleid, denk o.a. aan instaptoetsen en ondersteunende programma's binnen het hoger onderwijs, maar ook voor de toeleverende scholen die aansluiting met hoger onderwijs willen bevorderen, is zicht nodig op de taalvaardigheid die nodig is om een opleiding in het hoger onderwijs met succes te kunnen doorlopen.
Graag zou het platform met u van gedachten wisselen over de erkenning en implementatie van de Talige startcompetenties.
Met vriendelijke groet,
Wilma van der Westen
voorzitter Nederlands / Vlaams Platform Taalbeleid Hoger Onderwijs.
* Talige competenties Hoger Onderwijs (331 kB)
Omhoog
Advieslijst taalbeschouwelijke termen Nederlands
Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming - Entiteit Curriculum
Voormalig onderwijsminister Frank Vandenbroucke liet de Entiteit Curriculum een
advieslijst taalbeschouwelijke termen Nederlands (pdf, 662 kb, 70 p.) samenstellen.
Prof. Frans Daems verzorgde de wetenschappelijke begeleiding. Ze verscheen in april 2009. Ze werd opgesteld ten behoeve van leraren, lerarenopleiders, leerplanmakers, nascholers, leermiddelenontwikkelaars en anderen.
Volgens de minister is kunnen reflecteren over taal voor de ontwikkeling van taalcompetentie essentieel. “Deze lijst biedt daartoe een hulpmiddel, een instrument dat in alle Nederlandstalige scholen gelijkvormigheid én eenduidigheid in het gehanteerde termen- en begrippenapparaat mogelijk maakt. Dat faciliteert het leren over de verschillende talen, de studiejaren en de onderwijsvormen, en zeker over de scholen heen.” (Uit het voorwoord van de minister).
De advieslijst suggereert enkel en is op te vatten als een vrije, vrijblijvende handreiking. Eén bepaalde term wordt telkens als standaardterm aanbevolen. De lijst omvat een 530 termen, waarvan er een 120 zijn opgenomen in de geactualiseerde eindtermen van het basisonderwijs en de eerste graad van het secundair onderwijs. (Blz. 4) Er is zowel een thematische lijst (met illustraties ter verduidelijking en toelichtingen) als een alfabetische lijst, waar de standaardtermen vetgedrukt staan.
De thematische indeling in negen domeinen gaat grosso modo van klein naar groot.
INDELING IN NEGEN DOMEINEN
- fonologisch domein - klanken
- orthografisch domein - spelling
- morfologisch domein - woorden
- syntactisch domein - woordgroepen en zinnen
- semantisch domein - betekenissen
- tekstueel domein - teksten
- pragmatisch domein - taal en communicatief handelen
- sociolinguïstisch domein - taal als sociaal fenomeen
- psycholinguïstisch domein - taalverwerking en -verwerving
|
De advieslijst taalbeschouwelijke termen wordt enkel elektronisch ter beschikking gesteld van het onderwijsveld via de talenwebsite www.delathoogvoortalen.be en via www.ond.vlaanderen.be/dvo/nieuw/index.htm.
In het tijdschrift Vonk - 39e jg. - december 2009 blz. 47-51 publiceert Hilde Vanderheyden van de Entiteit Curriculum haar artikel "Advieslijst taalbeschouwelijke termen Nederlands: een voorstelling". Vragen, voorstellen en
suggesties kunnen aan haar bezorgd worden: hilde.vanderheyden@ond.vlaanderen.be
Voor een effectief gebruik van de Advieslijst is een grondige lectuur van de inleiding ten stelligste aanbevolen.
Omhoog
Kennisbasis voor Nederlands voor de Nederlandse onderwijzersopleidingen
Ten behoeve van de Nederlandse onderwijzersopleidingen is een zogenaamde Kennisbasis ontwikkeld voor Nederlands, en een andere voor rekenen-wiskunde. Een Kennisbasis omvat in principe alle vakmatige en vakdidactische kennis die een onderwijzer tijdens de pabo-opleiding dient te verwerven. Ze vormt een soort van uitvoerige uiteenzetting van inhoudelijke eindtermen voor een bepaald vakgebied. Daarmee wil de bevoegde staatssecretaris in het verlengde van de rapporten van de commissie-Meijerink tegemoet komen aan de vele klachten over te zwakke kennis van taal en rekenen bij nieuwe onderwijzers.
Meer informatie is te vinden op http://www.kennisbasispabo.nl/.
Zie voor de 'Kennisbasis voor de Nederlandse taal voor de pabo' daar ook het toelichtende artikel van ontwikkelcommissievoorzitter Bart van der Leeuw.
Ook kunnen de beide Kennisbasissen daar afgehaald worden.
Omhoog
De Technische Handleiding regels voor de officiële spelling van het Nederlands
Is het BAMA-structuur, bamastructuur, BA-MAstructuur
of BaMastructuur?
De Technische Handleiding
De zogenoemde Technische Handleiding is de brontekst voor de Leidraad. Hierin zijn de officiële spellingregels op een wetenschappelijke manier beschreven.
De herwerkte Technische Handleiding werd gepubliceerd in juni 2009.
Bij de voorbereiding van de herwerkte uitgave van de Woordenlijst of het Groene Boekje in 2005 werd een eerste versie overgemaakt aan de uitgevers met het oog op de aangepaste spelling in hun komende publicaties. Een afgeslankte Commissie Spelling van de Nederlandse Taalunie heeft nu de handleiding herwerkt.
De Technische Handleiding is geschreven voor lezers met een wetenschappelijke interesse en met een taalkundige kennis. De Leidraad, die vooraan in het Groene Boekje staat, is een ‘beknopte handleiding’ gebaseerd op de Technische Handleiding versie 2005. Zij is duidelijk voor een lekenpubliek bestemd als een publieksvriendelijke vertaling ervan.
De nu voorliggende versie van de Technische Handleiding is ten opzichte van de tekst uit 2005 anders ingedeeld, her en der voorzien van meer of betere voorbeelden en in een enkel geval is een slordigheid gecorrigeerd. De spellingregels zijn niet veranderd of uitgebreid ten opzichte van de eerdere versie.
Een voorbeeld:
Welke is de juiste spelling: BAMA-structuur, bamastructuur, BA-MAstructuur
of BaMastructuur ?
Samenstellingen met een afkorting als eerste lid worden in één woord geschreven zonder hoofdletter als de letters van de afkorting niet afzonderlijk worden uitgesproken. In bamastructuur worden de letters bama voluit samen uitgesproken. De correcte spelling is dan bamastructuur.
Download de Technische Handleiding als pdf-bestand (2,1 MB).
Omhoog
De conferentiebundels van de HSN-conferenties staan alle online op Taalunieversum
Van 1986 tot 2010 grepen 24 Conferenties van Het Schoolvak Nederlands plaats.
De reeks gaat verder, want in november 2011 is er in Den Haag opnieuw de volgende conferentie.
De Conferentie Het Schoolvak Nederlands wordt jaarlijks met steun van de Taalunie georganiseerd door de Stichting Conferenties Het Schoolvak Nederlands.
De HSN-conferentie vindt afwisselend plaats in Nederland en in Vlaanderen.
De 23ste conferentie voltrok zich in de Hogeschool Den Haag. De conferentiebundel is gepubliceerd op Taalunieversum van de Taalunie. Ook de bundels van de vorige conferenties zijn via de portaalsite van de Taalunie te raadplegen.
Graag verwijzen we hier naar de pagina met die conferentiebundels.
Omhoog
Lezen in het basisonderwijs. Een inventarisatie van empirisch onderzoek naar begrijpend lezen, leesbevordering en fictie - Helge Bonset en Mariette Hoogeveen SLO 2009 (hier te downloaden)
In Lezen in het basisonderwijs wordt alle empirisch onderzoek weergegeven dat is verricht naar begrijpend lezen, leesbevordering en fictie in het basisonderwijs, in Nederland en Vlaanderen, vanaf 1969 tot 2004.
Deel 1 van het boek gaat over begrijpend lezen en behandelt vragen als:
- Hangt een positieve leesattitude samen met vaardigheid in begrijpend lezen?
- Heeft onderwijs in leesstrategieën een positief effect op de vaardigheid in begrijpend lezen?
- Hoe presteren leerlingen in het basisonderwijs op toetsen begrijpend lezen?
Deel 2 heeft betrekking op leesbevordering en fictie en gaat in op vragen als:
- Zijn leerlingen de afgelopen decennia minder gaan lezen, onder invloed van tv en internet?
- Hoeveel tijd en aandacht besteden leerkrachten in het basisonderwijs aan leesbevordering?
- Heeft voorlezen een positief effect op de taal- en leesontwikkeling van leerlingen in het basisonderwijs?
Lezen in het basisonderwijs is de opvolger van Schrijven in het basisonderwijs (2007, ook te downloaden van de site van SLO).
Auteurs: Helge Bonset, Mariëtte Hoogeveen.
Omhoog
Taal centraal - Taalbeleid in het Nederlandse en Vlaamse onderwijs
Speciale uitgave van Levende Talen Magazine
Deze uitgave is een ruime brochure van zowat 90 bladzijden geworden met voorbeelden van schoolbreed taalbeleid van zowel Nederlandse als Vlaamse bodem. De artikelen bestrijken de volledige onderwijsloopbaan, die begint bij basis- of primair onderwijs, die doorloopt via voortgezet of secundair onderwijs om te vervolgen via het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) of technisch of beroepssecundair onderwijs en die tot slot eindigt in het hoger onderwijs.
Aan elke fase in die leerlijnen zijn van vier tot zeven betrekkelijk korte artikelen gewijd. In een laatste gedeelte komen in negen artikelen deskundigen en beleidsmakers aan het woord over taalbeleid.
In het volgende pdf-documentje stelt Levende Talen zijn publicatie voor, waar, wanneer en hoe je ze kan bestellen en verstrekt een overzicht van de inhoud met de titels van de artikelen. Klik daarvoor hier. Redacteurs van de uitgave zijn Patrick Rooijackers, Wilma van der Westen en Johan Graus.
In de inleiding onder de titel “Taalbeleid in de praktijk” stellen Patrick Rooijackers en Wilma van der Westen dat deze uitgave een staalkaart wil bieden van verschillende vormen van taalbeleid in de praktijk. Verder onderscheiden zij grofweg drie typen taalbeleid:
1. de ‘smalle’ variant. Hier richt het taalbeleid zich op het wegwerken van deficiënties of taaltekorten, de verbetering van taalfouten of het behalen van een bepaalde taaltoets. Taalbeleid richt zich hier enkel op de taalzwakke studerenden.
2. de ‘schoolse’ variant. Dit type van taalbeleid richt zich op de taalontwikkeling van alle leerlingen. Elke leerling moet aan het einde van de opleiding een minimumniveau in taalvaardigheid hebben bereikt. De taalondersteuning is daarom breed ingebed in de school of de opleiding.
3. de ‘zelfontwikkelende’ variant. Elke leerling moet niet enkel een minimumniveau van taalbeheersing bereiken, maar elke leerling wordt gestimuleerd om een zo hoog mogelijk taalniveau te verwerven. De school werkt er daarom systematisch aan om het initiatief van taalontwikkeling bij de leerling zelf te leggen. De lerende legt vast hoe zijn taalvaardigheid zich ontwikkelt, welke taalleerstrategieën hij inzet en ontwikkelt. Hij werkt systematisch aan o.m. een woord- en tekstendossier. Doel is de leerling tot een autonome en competente taalgebruiker én taalleerder te maken.
Zelf menen wij dat het tweede type het meeste voorkomt. Dat kan blijken bij de lectuur van de artikelen op de verschillende niveaus, die vele vormen van taalbeleid demonstreren.
De auteurs van de inleiding wijzen er nog eens op dat de tijd waarin het vak Nederlands alleen zich bekommerde om de taalvaardigheid in het Nederlands definitief voorbij is. Taalbeleid wordt schoolbreed en gestructureerd gedragen en alle docenten hebben daarin hun verantwoordelijkheid.
In het slotgedeelte van de special komen eerst de beleidsmakers aan de orde. Mevrouw Marja van Bijsterveldt-Vliegenhart, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verwijst naar de resultaten van de expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen, die voor de doorlopende leerlijnen een referentiekader hebben ontworpen in vier niveaus. Zij neemt het advies over om referentieniveaus voor taal en rekenen vast te leggen voor de basisschool, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs en die schoolbreed in te voeren. De scholen bepalen zelf hoe ze die niveaus invoeren en de onderwijsondersteunende instellingen zorgen voor goed ondersteuningsaanbod. Frank Vandenbroucke, minister van Werk, Onderwijs en Vorming licht de belangrijkste punten uit zijn bekende en ambitieuze talenbeleidsnota toe.
Bij de deskundigen pleit Ronald Zwiers voor een landelijk taalbeleid voor het basisonderwijs. Hij doelt daarmee op het zittende personeel in het basisonderwijs dat een bijkomende scholing nodig heeft voor de eigen vaardigheid in het Nederlands. De titel van Maaike Hajers bijdrage “Opbouw van taalgebruik in de school voor alle leerlingen” laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Zij verwijst daarbij naar het actuele ontwikkelwerk van het Platform Taalgericht Vakonderwijs. Taal en leren vormen een universeel aspect in leren en onderwijzen, dat centraal staat. We zouden volgens haar moeten benoemen hoe we binnen een schoolbrede aanpak voor verschillende vakgebieden en verschillende onderwijsniveaus effectief taalontwikkelend kunnen werken. Wat is bijvoorbeeld het typische taalgebruik van een historicus dat je leerlingen leert herkennen in teksten en in de loop van zes jaar steeds preciezer leert hanteren in eigen schrijfopdrachten? Die vakspecifieke verdieping is volgens Hajer een van de speerpunten voor de komende jaren. Ook Frans Daems brengt verhelderend aan hoe taal op elk niveau een dubbele rol vervult: ze is middel en doel. Zo vereisen talige informatiebronnen in de verschillende vakken een hoog niveau van receptieve taalvaardigheid van de leerders, waarbij ondersteuning door de vakleraar noodzakelijk is. Bij alle vakken en leergebieden is taal ook een belangrijk leerdoel. Er is het schoolse of academische taalgebruik, er zijn de eigen vaktaal en het specifieke talige discours, de retoriek, de manier van denken en praten eigen aan elke discipline. De leerdoelen omvatten hier niet enkel de disciplinegbonden kennis en vaardigheid maar ook de talige kanten daarvan.
Wie geboeid is door de zich ruim ontwikkelende belangstelling voor en de ontwikkeling van het taalbeleid in het onderwijs in Nederland en in Vlaanderen vindt in deze publicatie meer dan zijn gading.
Ghislain Duchâteau
Omhoog
Den Haag, 22 september 2006
Publicatie van de Taalunie: De cultuur van het lezen
Ronald Soetaert zoekt antwoorden op prangende vragen over lezen en ontlezing
Vele waarden die de westerse wereld koestert als ‘essentieel’, zijn ontstaan in nauwe verwevenheid met de opkomst van de leescultuur: ontwikkeling, verdieping, ontplooiing, reflectie, inleving, verbeelding, zingeving en het vermogen om zelfstandig een oordeel te vormen.
Wat betekent ‘ontlezing’ voor de waarden die we aan lezen verbinden? Verdwijnen deze waarden samen met het lezen, leven ze voort buiten de culturele context waarin ze tot ontwikkeling zijn gekomen of leven ze voort binnen een veranderende culturele context?
In De cultuur van het lezen zoekt Ronald Soetaert (hoogleraar vakgroep onderwijskunde, Universiteit Gent) antwoorden op deze en andere vragen rond lezen. In zijn essay benadert hij lezen en literatuur vanuit vele gezichtspunten en betrekt hij het op cultuuroverdracht, jeugdcultuur, internet, multiculturaliteit en onderwijs. De publicatie werd aangevuld met een beschouwing over empirisch onderzoek door Dick Schram (hoogleraar leesgedrag, Universiteit Amsterdam), interviews met leraren-in-opleiding door André Mottart & Kris Rutten (respectievelijk doctor en assistent vakgroep onderwijskunde en lerarenopleiding, Universiteit Gent) en een essay van Jan-Hendrik Bakker (recensent en filosoof).
De cultuur van het lezen kan gratis gedownload worden op www.taalunieversum.org/taalunie/publicaties/
20 jaar Conferenties Het Schoolvak Nederlands
Naar aanleiding van dit jubileum presenteerde de Nederlandse Taalunie op 17 november 2006 in Gent een themaprogramma rond De cultuur van het lezen. Zie de rubriek Agenda op de NDN-website.
Omhoog
Aan het werk! Adviezen ter verbetering van functionele leesvaardigheid in het onderwijs - Rapport van een Werkgroep van het Platform Onderwijs Nederlands van de Nederlandse Taalunie - 2008
Te veel leerlingen tussen 10 en 18 jaar kunnen niet voldoende lezen om mee te kunnen komen op school. Vooral deze jongeren hebben een grote kans om de school zonder diploma te verlaten en in de werkloosheid terecht te komen. Daar kan iets aan gedaan worden: leerlingen laten lezen omdat ze het nodig hebben.
Het beleid op het gebied van alfabetisering in Nederland en Vlaanderen richt zich tot nu toe sterk op laaggeletterde volwassenen die het onderwijs al hebben verlaten. Het voorkomen van laaggeletterdheid bij kinderen en jongeren van 10 tot 18 jaar krijgt veel minder aandacht.
Dit rapport spitst zich toe op het lezen van teksten voor school. De vaardigheid om teksten in het kader van de school met voldoende begrip te kunnen lezen, is immers een cruciale factor voor het succesvol kunnen doorlopen van de school.
De belangrijkste boodschap in het rapport: goed leren lezen is niet alleen iets voor de taalles. Alles begint met aandacht van de school voor 'functionele leesvaardigheid'. Dat heeft betrekking op lezen omdat je het nodig hebt. In het geval van leerlingen: lezen om hun leerstof te begrijpen. Als ze leestaken vermijden omdat ze daar moeite mee hebben, komen leerlingen gemakkelijk terecht in een negatieve spiraal. De school moet dat onderkennen en proberen die spiraal om te buigen. Dat kan door in alle vakken systematisch aandacht te besteden aan lezen, geschikte leesteksten te gebruiken en betekenisvolle, behoeftescheppende leestaken op te geven, die zijn afgestemd op het niveau en de interesse van leerlingen.
Lees verder
Auteurs: Nora Bogaert, Jeroen Devlieghere, Hilde Hacquebord, Jan Rijkers, Saskia Timmermans, Marianne Verhallen
Pagina's: 52
De adviestekst in pdf-formaat
Omhoog
In de kijker bij de Nederlandse Taalunie - december 2008
Aan de databank Het Taalonderwijs Nederlands Onderzocht (HTNO) van de Nederlandse Taalunie zijn 24 beschrijvingen van onderzoeken naar het onderwijs Nederlands in het voortgezet/secundair onderwijs die in 2007 zijn verschenen, toegevoegd. Lees meer.

Eind november 2008 publiceerde de Taalunie Het Nederlands in Nieuwe Vormen van Leren, een brochure en twee dvd's met videomateriaal over het onderwijs Nederlands in nieuwe vormen van Het materiaal is gericht op iedereen die scholen in Nederland en Vlaanderen begeleidt bij het implementeren van nieuwe vormen van taalleren: lerarenopleiders, nascholers, onderwijsbegeleiders, schooldirecties en leraren met een voortrekkersrol binnen de school.
Onlangs lanceerde de Nederlandse Taalunie de webpagina www.literatuuronderwijs.org, een themapagina met informatie over het literatuuronderwijs in Nederland en Vlaanderen.
Omhoog
Eindrapport Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen
10-4-2008
Een speciaal ingestelde Expertgroep pleit voor voorgeschreven tussenniveaus voor taal en rekenen tijdens de hele schoolcarrière van leerlingen in het Nederlandse onderwijs. De Expertgroep overhandigde zijn rapport aan minister Plasterk en aan de beide staatssecretarissen Van Bijsterveldt en Dijksma van het ministerie van OCW tijdens de Panamaconferentie over rekenen en wiskunde in Noordwijkerhout.
‘Kwaliteitsimpuls onderwijs door verplichte niveaus taal en rekenen in alle schooltypen’
Consequenties voor de lerarenopleiding
De Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen is door de bewindslieden van OCW ingesteld met de opdracht te adviseren over de vraag wat leerlingen van taal en rekenen moeten kennen en kunnen op een aantal overgangen tussen de verschillende schooltypen van primair onderwijs tot hoger beroepsonderwijs en van onderwijs naar arbeidsmarkt. ‘Wat is van belang voor alle leerlingen en wat zijn de consequenties daarvan voor de lerarenopleiding’, waren daarbij vragen van het ministerie. De opdracht is zo uitgevoerd dat er nu ‘doorlopende leerlijnen’ zijn die ervoor zorgen dat het onderwijsresultaat van de ene sector naadloos aansluit op dat van de andere. Voor de lerarenopleidingen moeten niveaus voor taal en rekenen worden gehanteerd, zowel bij de aanvang van de studie als bij de afsluiting ervan
De Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) bericht erover en biedt vanop haar website de gelegenheid het eindrapport en de bijhorende deelrapporten te downloaden: http://www.slo.nl/nieuws/dll/
Omhoog
Publicatie van de Peiling Nederlands: lezen (bis) en luisteren
in het basisonderwijs
op 7 juni 2007
Persmap met samenvatting Peiling begrijpend lezen en luisteren (pdf, 27 p.)
Meer info op de site Curriculum
Omhoog
Taalpeil 2011
In deze krant van de Nederlandse Taalunie:
feiten cijfers en meningen over de Nederlandse taal in Suriname, Nederland en Vlaanderen.
Thema 2011: Tweetalig, meer talig. Over mensen die meer talen gebruiken.

Af en toe ben ik een beetje jaloers op meertaligen - mensen die met groot gemak van de ene taal overstappen op de andere. Ze leven in meer werelden, lijkt het wel. En ze zijn klaar voor een toekomst waarin meertaligheid de norm is. Maar ik vraag me ook wel eens af: hoe doen ze het? Is het moeilijk? Welk voordeel hebben ze ervan?
De Nederlandse Taalunie houdt zich bezig met het Nederlands. We doen dat voor alle gebruikers van de taal, ongeacht of het hun moedertaal is of een taal die ze op latere leeftijd leren. Heel wat mensen gebruiken in hun dagelijks leven twee of meer talen.
Tussen de 3 en 4 miljoen mensen in Nederland, Vlaanderen en Suriname, schatten we. Vanuit de Taalunie wilden we wel eens weten hoe zij hun meertaligheid beleven.
Er zijn veel verschillende soorten meertaligen. Ik denk aan Chika Unigwe, een Afrikaanse vrouw die nu in Vlaanderen schrijfster is geworden. Of aan de kinderen van Prinses Máxima, die ook Spaans met hun moeder spreken. En aan iedereen die ik in Suriname tegenkom en voor wie meertaligheid de gewoonste zaak van de wereld lijkt. In deze Taalpeil staan hun verhalen en de uitkomsten van een enquête onder ruim 1000 Nederlanders, Vlamingen en Surinamers.
Linde van den Bosch
algemeen secretaris Nederlandse Taalunie
Download Taalpeil 2011 in pdf-formaat
Taalpeil+: filmpje over Engels op straat
Omhoog
Taalpeil 2010
In deze krant van de Nederlandse Taalunie:
feiten cijfers en meningen over de Nederlandse taal in Suriname, Nederland en Vlaanderen.
Thema 2010: Nederlands Wereldtaal!

Nora (Oostenrijk), Annamaria (Hongarije), Giannola (Italië), Mareike (Duitsland) en Ben (VS)
branden van enthousiame om vlot Nederlands te leren spreken. Hoe dat komt? Lees pagina 2
van Taalpeil.
Negen op tien zijn trots op het Nederlands p.1
Bijna de helft hoort niet graag Nederlands tijdens vakantie p. 2-3
BlØf, Clouseau en Jan Smit zingen het mooiste Nederlands p. 4-5
Klassieken en bestsellers zijn het meest bekend p. 6-7
70% wil het liefst Nederlandstalige websites p. 8
En er staat nog veel meer op www.taalpeil.org
De krant als pdf-bestand
20 november 2010
_________________________
Taalpeil 2009
In deze krant van de Nederlandse Taalunie:
feiten cijfers en meningen over de Nederlandse taal in Suriname, Nederland en Vlaanderen.
Thema 2009: Al die soorten Nederlands! Over taalvariatie.

Download de krant (in pdf)
Taalvariatie in Taalpeil 2009
Het jaarlijks verschijnend taalkrantje van de Nederlandse Taalunie Taalpeil 2009 is net uit. Het thema dit jaar is ‘Al die soorten Nederlands’ en dat is taalvariatie. Het blad geeft een algemeen beeld van de taalvariatie in het Nederlandse taalgebied, Suriname inbegrepen. De presentatie van deze verscheidenheid in taalgebruik is opvallend objectief weergegeven. Subjectiviteit en emoties rond taalgebruik worden zorgvuldig geweerd. Het geheel van onderwerpjes in het blad berust op een publieksonderzoek bij een representatieve steekproef van de Vlaamse en Nederlandse bevolking van 18 jaar en ouder. 500 Nederlanders en 306 Vlamingen namen deel. Naast de leuke titeltjes boven de tekstjes duikt ook binnen de taalvariatiethematiek de term ‘straattaal’ op. Het is een soort gemeenzaam Nederlands dat blaakt van informele termen en uitdrukkingen. Een grote titel is evenwel op blz. 7 “Standaardnederlands blijft norm op school”. Uit het Taalpeilonderzoek blijkt dat vele ondervraagden het er niet mee eens zijn en ook wordt duidelijk dat er nogal wat dialect wordt gesproken in de klas. Toch is het van het grootste belang voor de taalweerbaarheid van leerlingen en aankomende burgers dat die norm bevestigd wordt en stevig gehandhaafd blijft. In haar hoofdartikel ter introductie op de voorpagina houdt Linde van den Bosch, algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie nog een treffend pleidooi voor dat Algemeen Nederlands of Standaardnederlands. Ze onderstreept dat het belangrijk is dat zo veel mogelijk mensen deze standaardtaal beheersen. “Het onderwijs doet daar grote inspanningen voor en de Taalunie staat voor de positie van de standaardtaal, maar het is ook een zaak van ons allemaal.”
Taalpeil 2009 kunt u ook van het internet afhalen via http://taalunieversum.org/taalpeil/2009/
10 november 2009
__________________
Taalpeil 2008

In deze krant van de Nederlandse Taalunie feiten cijfers en meningen
over de Nederlandse taal in Suriname, Nederland en Vlaanderen.
Thema 2008: burger-taal-overheid.
Voor Taalpeil 2008: klik hier
De krant als pdf-bestand
_____________________
Taalpeil 2007

Taalpeil is een jaarlijkse publicatie van de Nederlandse Taalunie; een krant vol cijfers, feiten en meningen, telkens over een ander onderwerp. De krant bestaat enerzijds uit resultaten van een onderzoek onder het brede publiek in Nederland, Vlaanderen en Suriname. Anderzijds uit leuke feiten, meningen en wetenswaardigheden.
Centraal thema in 2007 is onderwijs in en van het Nederlands. Eind november verschijnt Taalpeil Nederlands, dat leer je toch vanzelf? De krant bevat hierover uiteenlopende feiten, cijfers en meningen. In Vlaanderen wordt de krant begin december meegestuurd met het tijdschrift Klasse. In Nederland wordt de krant verspreid via een grote diversiteit aan kanalen.
Wilt u één of meer exemplaren ontvangen? Stuurt u dan een e-mail naar taalpeil@taalunie.org.
Taalpeil 2006 ging over lezen. Klik hier
Omhoog
Taalschrift

Tijdschrift over taal en taalbeleid
Het omvat een overzichtelijke home pagina, een onvoorstelbaar boeiende discussie bladzijde, een ontzettend interessante reportage pagina en een colofon. De afdelingen discussie en reportage brengen in een kadertje telkens een onderwerp met een tekstinzet en met een koppeling naar het volledige artikel of de reportage toe.
Bijzonder aanbevolen om in die webstek eens lustig te grasduinen.
http://taalschrift.org/
Omhoog
Tijdschriften
Tijdschriftenoverzicht - tijdschriftattendering van de Nederlandse Taalunie
Wilt u op de hoogte blijven van de ontwikkelingen in het onderwijs Nederlands maar ontbreekt het u aan tijd om alle relevante publicaties door te nemen?
Onder de onderstaande koppeling vindt u een overzicht van interessante artikelen
over het onderwijs Nederlands uit Nederlandse en Vlaamse tijdschriften
(zie linkermenu).
Op basis van korte samenvattingen kunt u bepalen welke artikelen u zou willen lezen.
Hier vindt u momenteel (in maart 2011) zowat 1665 samenvattingen van artikelen over het onderwijs Nederlands uit Nederlandse, Vlaamse en Surinaamse tijdschriften.
Het tijdschriftenoverzicht is vernieuwd. Er zijn meer tijdschriften waarvan samenvattingen worden opgenomen. Op de beginpagina is ook een ruime zoekfunctie aangebracht.
Doorzoek het archief
» Gebruik de uitgebreide zoekmogelijkheden
Attenderingsservice
Om het u nog makkelijker te maken kunt u maandelijks een overzicht van recent verschenen artikelen ontvangen via e-mail. Dit overzicht wordt halverwege de maand verstuurd (verschijnt niet in juli en augustus).
» Aanmelden
» Afmelden (of uw gegevens wijzigen)
Laatst toegevoegde samenvattingen
Omhoog
Tijdschrift voor lerarenopleiders Velon
VELON Tijdschrift / Tijdschrift voor Lerarenopleiders
Hieronder staan de artikels uit de laatste jaargang van het VELON Tijdschrift.
Jaargang 2010 | Editie 4 | 27 december 2010
Jaargang 2010 | Editie 3 | 15 juli 2010
Jaargang 2010 | Editie 2 | 07 mei 2010
Jaargang 2010 | Editie 1 | 07 maart 2010
U kunt alle artikels bereiken van jaargang 2010 en ook alle artikels uit de vorige jaargangen
raadplegen via de Velon-website: http://www.velon.nl/tijdschrift_en_publicaties/
De samenvattingen worden gegeven, maar u moet ingelogd zijn om het gewenste artikel
te kunnen downloaden.
Zie ook www.velov.eu of www.lerarenopleiders-vlaanderen.be
Omhoog
Tijdschrift 'Over taal'
Over taal viert 50ste jaargang!
Een blad met traditie, zo mag Over taal zich zeker noemen: in 2011 viert het met u de 50ste jaargang!.
In 1982 verscheen het eerste nummer van Taalbeheersing in de administratie. In 1985 werd het omgedoopt tot Taalbeheersing in de praktijk. Vanaf 1998 heet het tijdschrift gewoon Over taal.
Het blad is met de tijd uitgegroeid van een neerlandistisch blad dat hoofdzakelijk gewijd was aan taalzorg, tot een algemeen wetenschappelijk-populariserend tijdschrift voor alle taalgebruikers die door taal, tekst en communicatie geboeid zijn. Daar maakt een jonge en dynamische redactie – naar eigen zeggen – vijf nummers per jaar hard werk van.
In elk nummer van Over taal vindt de lezer twee interviews, twee bijdragen over taal in de ruime zin van het woord en enkele vaste rubrieken: Broodje taal over taalzorgitems, Idioom en co over idiomatische uitdrukkingen, Te boek met vier bladzijden boekrecensies. Verder staat in elk nummer ook een Dossier, een praktisch taal-, tekst- en/of communicatiedossier, een Column, actueel en/of universeel en een Quiz: test uw kennis van het Nederlands.
Als abonnee krijgt u ook gratis toegang tot de interactieve website www.overtaal.be!
Meer info op www.overtaal.be
***
Beste redactie
De fouten in het dictee van Wieringa
'Tommy Wieringa schreef de 21ste editie van Het Groot Dictee der Nederlandse Taal. En met slechts acht spelfouten in de oorspronkelijke tekst die hij hiervoor aanleverde, was hij zelf ook de winnaar geweest (de echte winnaar had er negen). Al was Wieringa’s eerste aanzet tot het dictee lang niet zo pittig als de uiteindelijke versie. "Ik had een mooi verhaal geschreven, maar dat werd te eenvoudig bevonden voor dit doel."'
Over taal publiceert de oorspronkelijke versie van het Groot Dictee, inclusief de acht spelfouten van Wieringa.
Het volledige interview van Claudia Ruigendijk met Tommy Wieringa kunt u lezen in het nieuwe nummer van Over taal en ook op www.overtaal.be.
Inhoud nieuw nummer Over taal (jrg. 50, nr. 1)
- Interview: Tommy Wieringa: de man van het dictee (door Claudia Ruigendijk)
- Taalwerk: Dubbele valkuil voor d/t-fouten (door Lien Van Abbenyen en Dominiek Sandra)
- Taalkronkels: De kronkelende wegen van Over taal(door Filip Devos)
- Idioom & Co: Muug veel tentsletjes in de gemane gedoogregering. Bij de verkiezing van het woord van het jaar (door Michiel Leen)
- Broodje taal: In het wiel van de taal (door Els Hendrickx)
- Interview: Robin Dhondt: copywriter en reclamerakker (door Evelien Van Renterghem)
- Taalwerk: Een Belg naar Debrecen (door Gert Loosen)
- Dossier: Taal- en spraaktechnologie: een stand van zaken (door Els Lefever, Lieve Macken en Véronique Hoste)
- Te boek: Lang leve Jan (door Natalie Hulsen) - Vlaamse gemeentenamen verklaard (door Filip Devos) - Verdwenen woorden (door Filip Devos) - De taal van de mop (door Filip Devos)
- Column: Het mysterie van het geloof (door Hugo Brouckaert)
- Quiz over taal: Test uw kennis van het Nederlands (door Natalie Hulsen)
We hopen dat u in uw (internet)publicatie/medium aandacht zult besteden aan het nieuwe nummer van Over taal.
Trouwens is het het 1ste nummer van onze jubileumjaargang (Over taal bestaat 50 jaar!).
Met vriendelijke groet
Filip Devos
Hoofdredacteur Over taal
e-mail:filip.devos@overtaal.be
website: www.overtaal.be
-----------------
Filip Devos
Unescolaan 3
B-9030 Gent-Mariakerke
09/223.20.71.
0478/35.19.14.
Omhoog
De Nieuwsbrief van de vakcommunity Nederlands
Nieuwsbrief februari 2011
Dit is de vierde nieuwsbrief van de elfde jaargang van de vakcommunity Nederlands. De nieuwsbrief verschijnt elke maand en wordt gepubliceerd op de website van de vakcommunity Nederlands: http://digischool.kennisnet.nl/community_ne/. Leden van de vakcommunity krijgen per mail bericht als de nieuwsbrief gepubliceerd is.
De nieuwsbrief is een samenvatting van het nieuws dat dagelijks gepubliceerd wordt op het Nieuwsblog Nederlands. Wil je automatisch op de hoogte gehouden worden, plaats dan een RSS-feed naar dit blog in je webbrowser of op je eigen webpagina. Deze feed wordt automatisch bijgewerkt.
De RSS-feed heeft als adres: http://wp.digischool.nl/com-nederlands/feed/.
Je vindt de feed ook op de voorpagina van de vakcommunity: http://digischool.kennisnet.nl/community_ne.
Bijdragen voor het nieuwsblog Nederlands kunnen per mail opgestuurd worden aan Willy Weijdema. Wil je informatie uitwisselen met de communityleden, gebruik dan de mailinglist: list-nederlands@digischool.nl. Verzoeken en oproepen kunnen gepubliceerd worden op het forum van de vakcommunity: daar kunnen ook discussies gevoerd worden.
- Jubileums
- Referentieniveaus Taal
- Nieuw op de website van de vakcommunity
- Nieuw in de Leermiddelendatabase
- Verandering: video en vacatures Nederlands
- BOEKENBOEIEN.NL
- Gedichtendag elke dag
- Kwaliteitsborging schoolexamens
- Van de uitgevers
Omhoog
Etoc Nieuwsbrief januari 2011
Het expertisecentrum taal, onderwijs, communicatie (ETOC) van de Rijksuniversiteit Groningen wil u graag op de hoogte houden van de laatste ontwikkelingen rondom de activiteiten van het Etoc en actuele ontwikkelingen op het gebied van taaldidactiek en taalactiverend onderwijs. Zo vindt u informatie over te verschijnen methodes, nieuw aanbod van trainingen en recent afgerond onderzoek.
Drie keer in het schooljaar verschijnt deze nieuwsbrief. U kunt zich hiervoor aanmelden via het aanmeldingsformulier. Via de mail krijgt u de nieuwsbrief toegestuurd.
De meest recente nieuwsbrief kunt u hieronder downloaden. Kijk voor eerdere nieuwsbrieven in het archief.
Download [PDF] de nieuwsbrief van januari 2011!
Omhoog
Adviezen van de Raad voor Taal en Letteren van de Nederlandse Taalunie
Omhoog
|