Ideeën / reacties
Index:
- Moedertaalonderrig bevorder leerderprestasie en kulturele diversiteit - Michael le Cordeur 18-1-2011
- Grammaticale beroering op de mailinglist van de Community Nederlands van Kennisnet - Eén zin, vier zinsdelen – maar vooral een stukje poëzie 12-15 - 3 - 2012
- Over standaardtaal, tussentaal en dialecten op de VRT in Reyers laat van 15 november 2011
- Brabant taalcentrum ? - Ghislain Duchateau 24-10-2011
- Woordgebruik en onderwijs
- Debat rond de "teleurgang van het Standaardnederlands" in Vlaanderen met de essays van Barnard en de replieken
- Wat er fout is met de zorgelijkheid van Benno Barnard - Pol Cuvelier UA
- Naar aanleiding van de dag van de leerkracht
op woensdag 5 oktober 2011
Open brief van de onderwijsminister
- Tydbom - Stef Bos (in het Afrikaans)
- Welke is de moeilijkste taal om te leren? - Blogspot 'Languages in the World' Asya Pereltsvaig
- Waterballon - Hoe zit dat bij u op school?
- Taalkundig manifest. Het Multiculturele Voordeel: Meertaligheid als Uitgangspunt
- Kennis delen met zijn medeleerlingen 'Peer Assistent Learning' Leraar 24 (algemeen didactisch artikel)
- Enkele pertinente opvattingen van Ludo Beheyt over taal, cultuur, verschillen tussen Nederland en Vlaanderen en nog enkele thema's
- Ik ging daar naar een winkel
- Taalschrift
- "Nederlands, let op uw zaak!" - Jan Roukens
- Hoe maakbaar is het Nederlands - Fred Weerman
Moedertaalonderrig bevorder leerderprestasie en kulturele diversiteit -
Michael le Cordeur 18-1-2011 (Afrikaans)
Michael le Cordeur pleit voor moedertaalonderwijs in de Afrikatalen in Zuid-Afrika.
Taal is een van die belangrikste aspekte om gestalte aan kulturele diversiteit te gee
Volgens ’n wêreldverslag van UNESCO het kulturele diversiteit met die draai van die eeu as ’n sleutelbegrip na vore getree. Hiervolgens is taal een van die belangrikste aspekte om gestalte aan kulturele diversiteit te gee. Taal is nie net ’n middel tot kommunikasie is nie; dit verteenwoordig ’n rykdom aan kultuurgoedere, en is ’n draer van identiteit en waardes. Taal fasiliteer ons intellektuele en kulturele interaksies met ander mense. Taal is dus ’n belangrike instrument vir nasiebou.
Waarom is moedertaalonderrig so noodsaaklik?
Nasionale integrasie is een van die ideale van post-1994-Suid-Afrika. Dit kan bewerkstellig word deur onder andere die beskerming van die land se diversiteit, die vestiging van ’n demokrasie en die bevordering van gelykheid en menseregte. Hierdie ideaal kan natuurlik op verskillende domeine nagestreef word. Een daarvan is taal, meer spesifiek die beskerming van diversiteit, die bevordering van meertaligheid, die bemagtiging van sprekers (leerders) se vaardighede in hul huistale, die aanleer van addisionele tale, en die ontwikkeling van respek vir ander tale en die regte van hul sprekers. Let op na die “doen”-woorde: beskerm, bevorder en bemagtig (die leuse van die Afrikaanse Taalraad).
Verband tussen moedertaalonderrig en prestasie
UNESCO definieer moedertaalonderrig as “education which uses as its medium of instruction a person’s mother tongue, that is, the language which a person has acquired in early years and which normally has become his natural instrument of thought and communication”.
Dus behels moedertaalonderrig dat leerders die fundamentele konsepte van ’n onderwerp in hulle moedertaal geleer word. Sodra hulle hierdie konsepte begryp, kan hulle dit toepas tydens die aanleer van ’n tweede taal. Kinders verstaan konsepte makliker in ’n taal wat aan hulle bekend is, maar in ’n tweede taal word dit dooie woorde wat net gememoriseer, maar nie geïnternaliseer word nie.
Die probleem is dat baie min leerders moedertaalonderrig ontvang – wat ’n reuse-uitwerking het op hulle vermoë om die kurrikulum baas te raak. Prestasiepatrone dui byvoorbeeld daarop dat leerlinge swak vaar in gesyferdheid omdat hulle nie uitdrukkings soos verdubbel en halveer verstaan nie. Daar is oorweldigende bewyse nasionaal en internasionaal dat leer deur die moedertaal vir minstens die eerste ses jaar van ’n kind se lewe help om leer te bevorder.
Lees het hele artikel uit LitNet Akademies
Omhoog
Grammaticale beroering op de mailinglist van de Community Nederlands van Kennisnet - Eén zin, vier zinsdelen – maar vooral een stukje poëzie 12-15 - 3 - 2012
Op maandag 12-3 stuurde ik de volgende vraag naar de Community Nederlands:
Beste collega's-liefhebbers van grammaticaal denken,
“de wilgen wenen
hun lichtgroene bladtranen
op de demerkant”
In witte letters op een gewone bakstenen muur langs de Demer in Aarschot staat dat 'gedichtje'. Meer dan leuk en treffend.
Grammaticaal ook merkwaardig: 'wenen' een poëtisch of Belgisch-Nederlands woord voor 'huilen', 'schreien' is toch een onovergankelijk werkwoord!
‘hun lichtgroene bladtranen’? is dat hier lijdend voorwerp of bepaling van gesteldheid?
Mijn optie: bepaling bij het onderwerp, dan resultatieve werkwoordsbepaling en dat is een soort bepaling van gesteldheid of heb ik het fout voor?
Hoe zou je dat in een klas met gevorderde ontleders aanpakken?
Ik kijk uit naar de reacties van de Nederlandse en Vlaamse collega's.
Ghislain Duchâteau, Hasselt
Van maandag 12-3 tot donderdag 15-3 antwoordden 30 collega’s op mijn vraag.
De eerste dinsdag van maart dit jaar wandelde ik met een groepje oud-collega’s langs de Demer van hotel-restaurant ’s-Hertogenmolens in Aarschot naar het centrum van de stad. Onderweg werd ik gefascineerd door de versregels op de muur in sierlijke witte handgeschreven letters.
Spontaan heb ik er een paar foto’s van genomen: eentje heel dichtbij getrokken en eentje op normale afstand. Als situering van de versregels voeg ik de beide foto’s hierbij. Bij de bewerking en de invoeging constateer ik evenwel – en dat is wel heel prozaïsch - dat er geen wilgen langs de Demer staan. Ze zijn evenwel niet ver uit de buurt en mogelijk zijn ze op die plaats langs het water gekapt.
Meteen trof mij het poëtisch gehalte van deze Vlaamse haikoe. Mooi en sierlijk en treffend geformuleerd.
De versregels bleven echter in het geheugen hangen. Zo kwam ik verder tot de taalbeschouwelijke benadering ervan.
Uit een aantal reacties kwam het advies het gedichtje op zichzelf te beschouwen en niet in de klas de poëzie te onttakelen door een nuchtere grammaticaal-analytische benadering. Zeker, daarmee kan ik het eens zijn: beslist het dichterlijke belevingsmoment laten doordringen en het niet verknoeien met ontleding.
Maar op een ander moment kan die benadering wél. De bekoring van de zin als zin is zo groot, dat je het wel even wagen kan. Daarbij kwam de herinnering ook naar boven van mijn lessen taalbeschouwing met studenten in de lerarenopleiding. Naast de zuivere kennis van de zinsdelen werd gepoogd om niet enkel te benoemen, maar ook te beredeneren, zodat meer inzicht kon dagen bij die aandachtige en goed gemotiveerde jonge taalbeschouwers.
Binnen deze context is mijn bevlieging ontstaan om aan de 11.000 leden van de “mailinglist” Nederlands dit gedichtje, maar ook dit tekstje voor te leggen. Gevoelsmatige maar ook rationele overwegingen werden aan het scherm en aan de cyberruimte toebedeeld en vlogen ook naar de verzender toe. Als denkoefening kan deze act wel tellen.
En in een aantal opzichten moet ik me onvoorwaardelijk gewonnen geven.
Hoe mooi zou het niet overkomen als we hier werkelijk te doen hadden met een bepaling van gesteldheid! Maar de collega’s uit Noord en Zuid waren het er goeddeels over eens dat ‘wenen’ of ‘huilen’ of ‘schreien’ een overgankelijk werkwoord is weliswaar met de toegeving dat het overgankelijk karakter toch wel wat bijzonders heeft. Het argument van de sympathieke Nijmeegse taalprof P.A. Coppen is toch wel doorslaggevend: “Je kunt het geen bepaling van gesteldheid noemen, omdat het niet predicatief is (het zegt niet wat de bladtranen zijn, maar waar ze zijn).” Grif moeten we nu en dat met toch heel wat napret erkennen dat “hun lichtgroene bladtranen” lijdend voorwerp is. Een bepaling van gesteldheid of hier hypothetisch de soort resultatieve werkwoordsbepaling is immers een bepaling bij een onderwerp of bij een lijdend voorwerp. Maar hier zijn inderdaad “hun lichtgroene bladtranen” het lijdend voorwerp bij een persoonsvorm van een werkwoord dat wat ongewoon overgankelijk is.
Met bijzonder veel en hartelijke dank voor de reacties van de 30 collega’s, die hier eens te meer in de bres gesprongen zijn voor een adequaat stukje taalbeschouwing.
Ghislain Duchâteau
19 maart 2012
Omhoog
Over standaardtaal, tussentaal en dialecten op de VRT in 'Reyers laat' van 15 november 2011
VRT-jounaliste Ruth Joos en programmamaker Pieter Embrechts van 'Woord over woord' zijn te gast in het Canvasprogramma 'Reyers laat'. Ruth Joos heeft zich de dag na de Taaldag 2011 van de VRT in een column in De Standaard 'Taal overboord?' hekelend verzet tegen de normverlaging bij de VRT binnen het Standaardnederlands. Ze krijgen in de tv-uitzending de kans om hun ding te doen: het nieuwe pittige taalprogramma voor te stellen en nog eens te bevestigen wat zij in de column in de De Standaard bedoelde. Pascal Pape, financieel deskundige in Londen doet er in een uiterst voorbeeldig en prachtig Nederlands zijn duit in het zakje.
VRT over taal (video). (Bron: De Redactie)
Een groot aantal Vlaamse verenigingen o.w. het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen, de Marnixring Internationale Serviceclub, de Orde van den Prince, Ons Erfdeel ... ondersteunen het initiatief van het Verbond der Vlaamse Academici (VVA) om aan de VRT een Open brief te sturen waarin het de VR T bezweert af te zien van zijn voornemen van normverlaging binnen het Standaardnederlands. De brief werd op 15 november 2011 verzonden.
Lees hier de Open brief aan de VRT
Omhoog
Brabant taalcentrum?

Toevallig viel mij een overdruk in handen van het artikel van de taalwetenschapper prof. Guido Geerts uit “Forum der letteren – tijdschrift voor taal- en letterkunde 24 (1983) 1 (maart) 55-63” met de titel
‘Brabant als centrum van de standaardtaalonwikkeling in Vlaanderen’.
Het is goed af en toe eens terug te grijpen naar vroegere publicaties en de visie van de auteurs eens te toetsen aan de sindsdien geëvolueerde situatie naar nu.
Visie taalkundigen 1983
In zijn inleiding stelt Guido Geerts dat in zijn bijdrage wordt nagegaan hoe Brabant erin geslaagd is een centrale positie in het standaardiseringsproces van het Nederlands in Vlaanderen te verwerven en daarbij de “zwarte-piet’ van het particularisme aan (West-)Vlaanderen door te spelen. Verder wordt de vraag behandeld of Brabant niet steeds al particularistisch is geweest en het nu nog is en wordt ingegaan op die rol die het als taalcentrum in Nederlandstalig België zou spelen. Tenslotte wordt het eigenaardige karakter van dit Brabantse centrum geïnterpreteerd als een kracht die de convergentie van de standaardtaal in Vlaanderen met die in Nederland bevordert. We plaatsen ons daarbij in gedachten uiteraard terug tot aan het begin de jaren 80.
In een eerste deel van zijn tekst stelt Geerts dat zowel in de dialecten als in het Standaardnederlands in Limburg en Oost- en West-Vlaanderen er lexicale invloed van het taalgebruik in Brabant is aangetoond. Daarom wil Jan Goossens tegen de opvatting van prof. Van Coetsem in, Brabant beschouwen als “taaleigen centrum” m.b.t. het Nederlands in België. Brabantse woorden buiten Brabant gebruikt, gelden als manifestatie van “Brabantse expansie” volgens Goossens, in die gevallen waarin die woorden in andere dialecten voorkomen maar ook in die gevallen waarin die woorden in de algemene taal van Vlamingen en Limburgers worden gebruikt. Daarbij is het ook niet onwaarschijnlijk dat de verspreiding van algemene Nederlandse woorden in Limburg en Vlaanderen ook via Brabant gebeurt. Dat is volgens Goossens trouwens ook het geval met Franse leenwoorden en gallicismen. Zo kan Brabant als taaleigen centrum fungeren voor vormen die uit de cultuurtaal in het taalgebruik van Limburgers en Vlamingen terechtkomen.
Brabant heeft volgens Guido Geerts zeker de praktische kracht van een taalcentrum. Het ontleent die aan de sociale, economische, culturele en politieke omstandigheden in Vlaanderen. Het is de provincie van grote steden als Antwerpen en Brussel, van de universiteit van Leuven, van de zetel van het aartsbisdom, van de belangrijke industriële as Antwerpen-Brussel, van de openbare omroep van radio en televisie, van de grote landelijke dag- en weekbladen. Volgens Geerts bestaat de kans dat op al die gebieden dat verbrabanst Nederlands het medium is dat gebruikt wordt om de rest van het Vlaamse land deelgenoot te maken van de Brabantse overvloed. Hij stelt duidelijk dat Brabant zich daarnaar met grote vanzelfspekendheid gedraagt. Volgens prof. Van Coetsem echter staat Brabant tegenover de Belgisch-Nederlandse rijksgrens en moet het rekening houden met Nederland. Zijn houding is toch wel heel wat minder zelfverzekerd als men had kunnen aannemen. Ook de sociolinguïst Kas Deprez relativeerde de Brabantse positie. Het is daarom een ‘eigenaardig’ taalcentrum binnen het taalgebied. Die onzekerheid manifesteerde zich eerst door een beweging van het Nederlands weg, later geneutraliseerd door een beweging naar het Nederlands toe door standaardtaalovername. Bij een later verworven taalzekerheid van Brabant zou het wellicht in staat zijn zijn eigen taalgebruik als een norm te gaan beschouwen. Dat zou dan een institutionalisering betekenen van het Brabantse particularisme.
Situatie nu?
In het eerste decennium van de 21ste eeuw zien we die neiging zich duidelijk manifesteren met een zekere expansiedrang naar het westen en minder naar het oosten en een zekere maar toch wel beperkte expansierealisering. Zo zou Brabant dan wél een centrum zijn van het Vlaamse taalgebied. Het lijkt er wel op dat de spraakmakende gemeenschap zowel in West-Vlaanderen als in Limburg zich niet laat meetronen in die expansie, zodat die taalcentrumpositie zich toch niet zonder meer zou kunnen doorzetten. Gebeurt dat dan toch wel weer, dan zou het Brabantse particularisme voor gevolg hebben dat zich in Vlaanderen meer dan een substandaardtaalvariëteit zou vestigen, zodanig dat de grens tussen noordelijk Nederlands en zuidelijk Nederlands in de richting zou opschuiven naar een grens tussen twee talen. Ook José Cajot stelt dat de landsgrens taalgrens kan worden. Zelf geloven wij in de mogelijkheid tot een verdere standaardisering - hoewel moeizamer dan voor de jaren ’70 - door een toename van de noodzaak om communicatieve situaties spontaan en natuurlijk in het Standaardnederlands te laten plaats grijpen. Standaardnederlands past in het publieke domein, in het bestuur en beslist in het onderwijs. Het is de algemene taalgebruiksvorm die het handigst is voor communicatie in zoveel mogelijke spreekcontexten. Het blijft echter boeiend te zien hoe de evolutie van dialectgebruik, tussentaligheid en standaardtaligheid zich verder voltrekt. Wij blijven ervan overtuigd dat Nederlanders en Vlamingen er alle voordeel bij hebben om het Standaardnederlands zoveel mogelijk te cultiveren in de gewone omgang en het is zeker de aangewezen taalvorm voor het hele onderwijs.
Ghislain Duchâteau
24 oktober 2011
Omhoog
Woordgebruik en onderwijs
|
Verschillende woorden
Een naarstige Vlaamse taalliefhebber Fons Wuyts voert al enkele jaren een campagne voor het woord ‘plezant’. Hij vindt dat de Vlamingen moeten ijveren voor de erkenning van het gerechtvaardigd gebruik van dat woord in het Nederlands. Hij meent dat de school de leerlingen verplicht het woord ‘leuk’ te gebruiken in plaats van zijn voorkeurwoord.
Om zijn doel te bereiken wil hij de Nederlandse Taalunie ertoe aanzetten zijn mening bij te treden. Die heeft vrij vlug gereageerd met te stellen dat ze niets heeft tegen het gebruik van het woord, maar dat het minder bruikbaar is als je de grens oversteekt naar Nederland. Hetzelfde zal ook wel weer zo zijn voor woorden die in Nederland veelvuldig voorkomen en die in het Vlaamse landsgedeelte minder goed verstaan worden. Denk aan pisang voor banaan, dreutelen voor treuzelen, vutter voor gepensioneerde.
Op 14 maart 2011 schreef de taalman van De Standaard Ludo Permentier in zijn rubriek “Woorden weten alles” een stukje met als titel ‘Plezant’ en gebruikte in zijn tekstje niet minder dan 27 woorden die in Vlaanderen mondgemeen zijn en die in Nederland niet of nauwelijks voorkomen. Een ‘leuk’ tekstje zouden we het kunnen noemen, maar daartegen zou Fons Wuyts wel bezwaar hebben. Voor de ‘aardigheid’ schotelen we u, beste lezers, het eerste alineaatje voor: “Wat ben ik blij met de pagadder, de karottentrekker, de zagevent, de smoelentrekker en de pezewever. Ik zou me mijn leven niet kunnen voorstellen zonder goesting, zonder frietkot, appelspijs en pateekes. En hoe plezant is het als je bomma of bompa ziet fikfakken met de klein gasten tot ze pompaf zijn. Amai nie!”
Hier verzeilen we in de problematiek van het duocentrisme in het woordgebruik. Sinds een paar jaren menen de woordenboekschrijvers en de VRT al heel wat langer, dat woorden die enkel in Nederland gebruikelijk zijn of die enkel in Vlaanderen veelvuldig voorkomen volwaardig hun plaats verdienen in het woordenboek of gerust gebruikt mogen worden in het mondeling taalgebruik op de televisie. Zo constateren we een toegenomen gebruik van het woord “goesting” op de TV-zenders Eén en Canvas. In de woordenboeken worden ze gemerkt met het label Nederlands-Nederlands of Belgisch-Nederlands. Prof. Willy Martin publiceerde een tijdje geleden in het blad van het Algemeen-Nederlands Verbond Neerlandia/Nederlands van Nu een artikel met zijn onderzoeksbevindingen over het verschillend woordgebruik in Noord en Zuid. Dat ligt zowel voor het ene gebied als voor het andere op zowat een 4.000 woorden die telkens in elk van die gebieden gebruiksmoeilijkheden opleveren omdat ze in het andere gebied weinig of niet voorkomen. In het geheel van de voorradige woordenschat van het Nederlands met zowat een paar honderdduizend woorden vormt dit maar een heel klein percentage.
Op school in gesproken of geschreven taalgebruik
Op school staat de woordenschatdidactiek sinds enkele jaren opnieuw voluit in de belangstelling. Leraren Nederlands vooral worden geconfronteerd met de dubbele gerichtheid naar Belgisch-Nederlands en Nederlands-Nederlands zoals de woordenboekmakers die voorstaan. Wat moeten ze nu aan met die Nederlandse woorden die in Vlaanderen niet vaak of niet worden gehanteerd en wat moeten ze met de Belgisch-Nederlandse woorden tegenover hun leerlingen? Voorheen was de gerichtheid naar het Noord-Nederlandse woordgebruik de norm en werden woorden als ‘fiets’, ‘magnetron’, ‘krant’ als de correcte woorden aangewezen. Hoe stellen Nederlandse leraren zich daartegenover op? En hoe doen de Vlaamse docenten het? Als de verschillende woorden dan toch gelijkwaardig zijn, zou het de voorkeur verdienen dat leraren uit Nederland en leraren uit Vlaanderen zich naar hun leerlingen toe ook gelijkwaardig tegenover die wat ‘vreemde’ woorden zouden opstellen. Dat impliceert dat Nederlandse leraren ook die Belgisch-Nederlandse termen aan de orde stellen en omgekeerd dat Vlaamse leraren ook Nederlands-Nederlandse woorden in de klas behandelen.
Jawel, maar hoe? Een uitstekend houvast voor alle leraren zou kunnen zijn wat de Nederlandse Taalunie stelt in haar reactie op de actie van de Vlaming Fons Wuyts:
“Een woord is dus niet minder Nederlands als het alleen maar in een van deze drie landen (Suriname inbegrepen) voorkomt. Het is wel minder bruikbaar als je er de grens mee oversteekt.
Het is wel nuttig als mensen dat op school leren.”
Woorden in teksten, woorden in gesprekssituaties die leerlingen b.v. via schermprojectie zien en horen, kunnen behoren tot de Nederlands-Nederlandse of Belgisch-Nederlandse taalschat. Die horen door de leraren te worden opgevangen en die mogen dan even de aandacht krijgen met de passende labeling. Of de leraren in de beide landen dat zullen doen, moeten we afwachten. Het is alleszins erg aanbevelenswaard dat leraren hun leerlingen zoveel mogelijk vertrouwd maken met de betekenis van alle woorden en dus ook naargelang van de voorkomende teksten in de klas de betekenis duidelijk stellen en aanwijzen dat dit of dat woord, die of gene uitdrukking in Nederland dan wel in Vlaanderen meestendeels of exclusief voorkomt. Voor het mondelinge taalgebruik is er geen bezwaar dat al die woorden gewoon gebruikt kunnen worden.
Moeilijker wordt het wel wat als we het hebben over woordgebruik in geschreven teksten.
Daar wordt een striktere norm gehanteerd. Vele woorden uit het ander land worden door heel wat schrijvers en ook lezers niet als correct aangevoeld. Daarom zullen de leerlingen het best zoveel mogelijk in hun geschriften woorden gebruiken die voor zoveel mogelijk mensen normaal overkomen en die tot de standaardtaal gerekend kunnen worden. Het is dan ook niet altijd duidelijk of ze wel of niet tot het Algemeen Nederlands behoren en dan is het echt aan te bevelen een goede adviserende bron te raadplegen. Men kan dan het woord opzoeken in een degelijk woordenboek (Prisma Handwoordenboek, binnenkort ook in Van Dale). De beste raadgevende instantie die met nog meer gezag dan de woordenboekschrijvers hier kan adviseren is inderdaad de Taaladviesdienst ook verbonden met de Nederlandse Taalunie met een treffelijk te raadplegen website Taaladvies.net. Daar kun je naast antwoorden op vragen over spelling ook zelf vragen stellen over woordgebruik. Is dat of dit woord Standaardnederlands of niet? Deskundigen zullen je binnen de kortste tijd uitsluitsel geven over je vraag over woordgebruik.
Het kan van belang zijn de Toelichting op de totstandkoming van de taaladviezen er even op na te lezen. Zie: http://taaladvies.net/taal/advies/verantwoording/
In de klas – in de handboeken
Met deze tekst bedoelen we toch wat ruimer inzicht te geven over de aanpak op school van het verschillend woordgebruik in Zuid en Noord. Dat kan dan ook wat meer houvast opleveren voor leraren die het ernstig menen met het taalgebruik en meer speciaal met het woordgebruik in gesproken en in geschreven taal. Voor de geschreven taal streven we hierbij toch best naar een eenheid in woordgebruik, voor de gesproken taal kunnen leraren zich permissiever en breder opstellen. In geen geval mag het woordgebruik in de leerboeken zowel van Nederlandse als van Vlaamse schoolboekenuitgevers een belemmering vormen om ze te raadplegen of ook te gebruiken in scholen in beide landen. Het algemeen woordgebruik kan bevorderlijk zijn voor een vlot hanteren van die educatieve uitgaven in de twee landen.
Ghislain Duchâteau
14 maart 2011
|
(Dir artikel is ook opgenomen in de NDN-Nieuwsbrief 23-3)
Omhoog
Naar aanleiding van de dag van de leerkracht
op woensdag 5 oktober 2011
Open brief van de onderwijsminister
Beste directeur, leerkracht, opvoeder, administrator, logistieke medewerker, ouder,
Elke moeder die voor de zoveelste keer de kousen naast de wasmand opraapt, weet dat echte waardering voor opvoeding niet ligt in een jaarlijks verwenarrangement op moederdag, maar in de inspanning en het engagement van elke dag. Het is vandaag ‘Dag van de leerkracht’. “Dagen van” zijn memo’s tegen het “vergeten van…” op andere dagen. Laten we dat morgen niet vergeten zijn…
Leerkracht zijn in Vlaanderen en Brussel vandaag is moeilijker dan 20 jaar gelegen. Dat komt omdat kind zijn in Vlaanderen vandaag moeilijker is dan 20 jaar geleden. Een op vijf van de kinderen die hier vandaag geboren wordt, spreekt thuis een andere taal dan het Nederlands. Hoe groter de steden, hoe hoger hun aantal. Scholen waar Nederlandstalige kinderen een minderheid zijn, zijn al lang geen uitzondering meer. Onderwijs wordt hoe langer hoe meer geconfronteerd met diversiteit. Op alle vlakken. In de thuistaal van de kinderen, in de communicatie met de ouders, Hoe kun je dingen benoemen, als je er de woorden niet voor hebt? Hoe kun je elkaars verhalen begrijpen, als je geen gemeenschappelijke taal spreekt?
De groei van de zorg in onderwijs, van de wachtlijsten voor geestelijke gezondheidszorg voor kinderen, de groeiende tekorten in de bijzondere jeugdzorg… lijken aan te geven dat steeds meer kinderen geboren worden in een gezin waar te weinig warmte is, of in een gezin waar de taal arm en de communicatie arm zijn, of waar het evenwicht tussen ruimte en structuur zoek is. Of gewoon in arme gezinnen.
Eén op twaalf van onze kinderen in Vlaanderen verlaat het onderwijs zonder enige kwalificatie. Dat betekent niet dat één op twaalf van onze kinderen geen talenten heeft. Dat kan betekenen dat ze te laat aan de start komen, of dat we er niet altijd in slagen om hun talenten correct in te schatten aan de start, en ze dus een verkeerde richting uitsturen. Of dat we ze onvoldoende aanspreken op de talenten die ze wel hebben, en te vaak wijzen op hun tekortkomingen.
Beste directeur, leerkracht, opvoeder, administrator, logistieke medewerker, ouder,
Opvoeding is het vermogen om te kijken met de ogen van een kind, te luisteren met het oor van een opvoeder, te oordelen met de wijsheid van een filosoof en te handelen met de consistentie van een staatsman. Ruimte geven aan kinderen betekent ze ook de nodige structuur geven om die ruimte zinvol in te vullen. Ruimte geven om verantwoordelijkheid te nemen.
Ik geloof in een beleid dat investeert in een opleiding die leerkrachten voorbereidt op de verwachtingen van morgen. Ik geloof in een beleid dat investeert in het ontdekken en ontwikkelen van talenten. Ik geloof in een
overheid die de lasten verdeelt over veel en sterke schouders en de leerkrachten met de zwaarste opdracht het meest ondersteunt. Ik geloof in een civiele school, waar leerlingen en ouders mee verantwoordelijkheid opnemen en met het schoolteam aan hetzelfde zeel trekken. Ieder van jullie, ieder van ons is leerkracht.
De kracht van een school ligt in de samenwerking. Hoe moeilijker de opdracht, hoe belangrijker engagement, samenwerking en solidariteit verwacht worden van directie, leerkrachten, ondersteunend personeel, ouders en omgeving. En wat geldt voor een school, geldt bij uitstek voor heel het onderwijsbeleid. De financiële crisis was een crisis van de hebzucht. Die veroorzaakte een economische én een sociale crisis. Het ergste wat Brussel én Vlaanderen kan overkomen is dat deze crisis niet alleen een sociaal spoor trekt door onze samenleving, maar ook door de hoofden van de mensen, en zo een culturele crisis wordt, die het geloof in het samenleven ondermijnt.
Er wacht ons de komende jaren een lastige taak. Een taak die we zonder samenwerking niet tot een goed einde kunnen brengen. De beste waardering op deze dag van de leerkracht is het engagement van ieder om zijn eigen verantwoordelijkheid op te nemen, elke dag.
School maken we samen.
Pascal Smet
Omhoog
Stef Bos

|
Stef Bos
Foto: Bibi Slippers |
Ek ry in my kar
Deur die vlakte in die kaap
Die son skyn oor die see
By Gordonsbaai
En ek sien waar ek kyk
Die gesigte van die land
En ek sien langs die pad
Hoe die veld brand
Die struggle is verby
Die nuwe tyd is lankal daar
Maar die rykes word ryker
En die armes kry swaar
En ek sien op die teerpad
Naar Muizenbergstrand
Die shacks van Khayelitsha
En die plakkerskamp
En ek hoor die tydbom tik
Tik tik tik
Die tydbom tik
Die rook hang boë Langa
Die vliegtuige styg op
En ’n swart man by die robot*
Wil my ’n sonbril verkoop
Wat gaan aan in sy kop
En wat dink hy oor my
Daar was so baie beloftes
Maar wat het hy gekry
En ek sou hom wil vra
Wie hy is hoe hy leef
Maar die robot raak groen
En my kar moet beweeg
En die Kaap lyk so mooi
In die somer se son
En die wind is so stil
dit voel asof daar
’n storm gaan kom
En ek luister na musiek
Tap my vingers op die stuurwiel Tik,tik,tik
Die tydbom tik
Die tydbom tik
Die kleure van die reënboog
Weggespoel deur die geweld
Die diktatuur van toe
Is nou die diktatuur van geld
Die ideale word verkoop
Die kapitaal is aan die mag
En Steve Biko is moeg en
Draai homself om in sy graf
Want wat hy sien
Maak hom siek
Die tydbom tik
Jy kan moeg wees van die toestand
In hierdie land
Jy kan ook ’n brug bou
Naar die ander kant
Jy kan na die tv kyk
Tot die oggendlig
Jy kan jou oë sluit
Met ’n sepie** of ’n flik***
Maar die tydbom tik
Tik tik tik
Die tydbom tik
(Stef Bos CD Kloofstraat, 2010)
http://www.litnet.co.za/
[*robot=stoplicht]
[**sepie=soapserie]
[***flik=(rond)chocolaatje]
Omhoog
Welke is de moeilijkste taal om te leren?
Dit is een van de meest voorkomende vragen die ik als linguïste ontvang: welke is de moeilijkste taal om te leren? Het korte antwoord: hoe meer de doeltaal verschilt van de taal of talen die je al spreekt, des te zwaarder is het om die taal te leren. Tussen de meer populaire talen zou het zijn dat Oosterse talen als Chinees (Mandarijns, Kantonees, enz.) Japans en Arabisch moeilijker zijn dan Europese talen (Frans, Spaans, Duits, enz.). Maar als je natuurlijk probeert een Australische inboorlingentaal te leren als Dyirbal of een taal uit de Amazone als Piraha, zal dat zeker nog moeilijker zijn. Verder haalt Asya Pereltsvaig de drie belangrijkste moeilijkheden aan die steeds vermeld worden in verband met de “moeilijke talen”:
- Dialectverschillen die leerders ervaren als ze buiten de klas in gesprek komen met de taalgebruikers
- Een ongewoon schriftsysteem, dat moeilijkheden oplevert als je de geschreven vorm van een taal wilt leren
- De ervaren frequentie van uitzonderingen op de grammaticale regels, die toch wel gecompliceerder zijn dan je in de lessen leert. Maar als je de weinig frequente maar onregelmatige vormen (bv. de hoofdvormen van de Engelse sterke werkwoorden) leert, is dat geen onoverkomelijk probleem.
Asya Pereltsvaig
Lees meer op de blogspot van Asya Pereltsvaig: Languages of the World - 1 juni 2011
Omhoog
Waterballon - Hoe zit dat bij u op school?
Het onderwijs, de docenten, doen mij soms denken aan een zachte waterballon. Je kunt er van alle kanten tegenaan duwen, zonder dat er echt veel gebeurt. Maar als iets of iemand tot de kern weet door te dringen, dan begint het te stromen en lijkt de energie niet te stoppen. Het is fijn als je juist op dat moment als trainer een school binnenkomt en een beetje van die energie opvangt of mag helpen de bakens te verzetten.
Eindoordeel? Docenten zijn net mensen en daarmee leuk publiek, de omstandigheden zijn niet altijd optimaal en professionalisering kan meer op maat!
Majorie Weistra
Majorie Weistra, voormalig docente Frans, is zzp-er en geeft trainingen in het vo over web 2.0, sociale media, digitaal leermateriaal en wikiwijs.
Uit: Column: Hoe zit dat bij u op school? (Kennisnet.nl)
28 april 2011
Omhoog
Taalkundig manifest. Het Multiculturele Voordeel: Meertaligheid als Uitgangspunt
Nu de idee voor 'meertalig onderwijs' heel levendig aanwezig is bij de Vlaamse onderwijsminister Pascal Smet is het goed daarover eens grondig na te denken. Dat kan hier op basis van het Taalkundig Manifest dat terug te vinden is van in augustus 2008 op de website van de Rijksuniversiteit Groningen en dat opgesteld werd door vier eminente taalkundigen
- Hans Bennis, directeur Meertens Instituut, Amsterdam;
- Guus Extra, hoogleraar Taal en Minderheden, directeur van Babylon, Centrum voor Studies van Meertaligheid in de Multiculturele Samenleving, KUB, Tilburg;
- Pieter Muysken, hoogleraar Talen en Culturen van Latijns Amerika, Universiteit Leiden, en winnaar van de Spinozaprijs 1999;
- Jacomine Nortier, Universiteit Utrecht; coördinator van het NWO-onderzoekprogramma Talen en Culturen in het Utrechtse Lombok en Transvaal.
Een kritische benadering van de tekst is wel gewenst.
We lichten vooraf een kernfragment uit de tekst waarin een uitgesproken andere taaldidactiek wordt bepleit in functie van de multiculturele klassen op school.
"Dit alles neemt niet weg dat er op dit moment sprake is van een te geringe beheersing van het Nederlands bij veel allochtone leerlingen. Daar moet iets aan gedaan worden. In het onderwijs moet er structurele aandacht zijn voor het feit dat grote groepen leerlingen niet het standaard Nederlands als eerste taal hebben. Er moet allereerst doelgericht onderwijs zijn voor allochtone leerlingen in de vorm van Nederlands als tweede taal. Dit is een expertise die specifieke scholing vereist. Op het gebied van de didactiek van het vak Nederlands als tweede taal in het basisonderwijs valt nog veel te verbeteren. Het onderwijs zou daarnaast in brede zin moeten uitgaan van een meertalige situatie. Het onderwijs in zaakvakken als aardrijkskunde en biologie zou zo georganiseerd moeten zijn dat het aansluit bij meertalige en multiculturele klassen, en niet alleen bij leerlingen die een (standaard-) Nederlandstalige achtergrond hebben. Dit vereist een interculturele didactiek voor de zaakvakken; leraren zullen moeten worden bijgeschoold om zich deze nieuwe benadering eigen te maken; de opleiding van docenten moet worden veranderd; nieuwe leermethoden zullen beter moeten worden geïmplementeerd of nog moeten worden ontwikkeld; de toetsing zal moeten worden aangepast. Al deze elementen vragen om een nationaal werkprogramma van de overheid."
De volledige tekst van het Taalkundig manifest kunt u hier lezen.
Omhoog
*Kennis delen met zijn medeleerlingen 'Peer Assistent Learning' Leraar 24 (algemeen didactisch artikel)
De modernisering van het onderwijs heeft de afgelopen decennia een enorme verandering teweeg gebracht in de didactiek. Het is inmiddels algemeen bekend dat we het meest leren van uitleggen aan anderen. Dit heeft ondermeer geleid tot een steeds actievere rol van de leerling in het vergaren van kennis. De leraar heeft hierin een meer coachende rol verkregen. Peer Support en Peer Assisted Learning (PAL) gaan nog een stapje verder. De leerling is niet alleen actiever in het vergaren van kennis maar deelt zijn kennis met zijn medeleerlingen.
Dit item laat zien hoe de leerling in verschillende rollen kennis deelt, overbrengt en daarmee zelf vaardigheden ontwikkelt die hem van pas komen in een vervolgopleiding en/of beroepsuitoefening. Peer support heeft met Peer Assisted Learning een didactische methode ontwikkeld die de leerling centraal stelt in het onderwijsproces. Voor elke rol die een leerling kan hebben is een training ontwikkeld

Bekijk en beluister aandachtig de video daarover (6'26")
Bron: Leraar 24
Omhoog
*Enkele pertinente opvattingen van Ludo Beheyt over taal, cultuur, verschillen tussen Nederland en Vlaanderen en nog enkele thema's

Ludo Beheydt
"De ontkenning van de eigen identiteit is hier (in Nederland) een eigen sport"
Ludo Beheydt geniet van cultuurverschillen tussen Vlaanderen en Nederland
De Belgische hoogleraar Ludo Beheydt werkt sinds juni 2001 bij de Opleiding Dutch Studies van de Universiteit Leiden, waarin buitenlandse studenten kennismaken met de Nederlandse taal en cultuur. Vooral identiteitsvraagstukken en cultuurverschillen brengt hij in zijn colleges onder de aandacht. Een gesprek over vergadercursussen, Damslapen, de menukaart van de coffeeshop en de rijkdom van de eigen taal: "de Mastersopleidingen moeten echt niet allemaal in het Engels."
Lees de tekst van het gesprek van Jock van Vliet met de hoogleraar
Europeaan, Belg of Vlaming... wie ben ik? Ludo Beheyt
Ludo Beheydt heeft van de Nederlandse taal en cultuur zijn specialiteit gemaakt. Hij geeft er niet alleen les over in Louvain-la-Neuve, maar is ook op andere vlakken met deze thema’s bezig. Zo had hij tot vorig jaar zitting in de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren, is hij redacteur van het tijdschrift Neerlandica Extra Muros en jurylid van de vereniging Let Op Uw Taal. Bovendien houdt hij zich als lid van European Children in Crisis bezig met problemen van meertaligheid. Beheydt heeft een waaier van publicaties op zijn naam staan, gaande van uitspraakgidsen, een woordenboek en computerprogramma’s tot een prachtig kunstboek. Toch koestert hij nog een paar dromen.
Een gesprek met een duizendpoot
Aurore Baeten en Sofie Van Landegem, Leuvense Germanisten.
Een bijzonder relevant stukje uit dat interview:
Standaardtaal in tegenspraak met culturele identiteit?
Hoewel Beheydt een voorstander is van diversiteit, stelt hij dat gemeenschappelijke taalnormen noodzakelijk zijn. Elk taalgebied beschikt normaal gezien over een standaardtaal, een neutraal communicatiemiddel dat de regionale verschillen overstijgt. Wat is dan de standaard voor Vlaanderen? Volgens Beheydt is die voor het geschreven taalgebruik dezelfde als in Nederland. Wat de gesproken taal betreft, heeft Vlaanderen een eigen norm. De taal van de VRT-nieuwslezers is daar een goed voorbeeld van, vindt hij. Het hebben van zo een geschreven en gesproken standaard heeft, naast een communicatieve functie, tevens een belangrijke didactische functie. Dat geldt zowel voor degenen die Nederlands leren als vreemde taal, als voor de moedertaalsprekers. De anderstaligen hebben immers nood aan duidelijke normatieve richtlijnen. Voor moedertaalsprekers is het handig om naar die regels te kunnen grijpen in twijfelgevallen.
De behoefte aan een ongemarkeerde taalvariant betekent niet dat afwijkingen van de norm uit den boze zijn. Zo benadrukt Beheydt dat het niet nodig en zeker niet wenselijk is om alle belgicismen zomaar te verwerpen. Daar bestaan hoofdzakelijk twee redenen voor, zegt hij. Ten eerste verwijzen sommige termen, zoals rijkswacht en schepen, naar typisch Belgische instellingen. Ten tweede zijn er woorden die voor de Belg zo emotioneel getint zijn, dat hij ze niet wil opgeven. Goesting, kot en pistolet zijn daar goede voorbeelden van. We moeten er volgens Beheydt tevens rekening mee houden dat we in een gestratificeerde maatschappij leven. Naargelang van de context en de gesprekspartners hanteren we een bepaald register. Zo zullen we meestal geen gekunsteld Nederlands spreken tegen vrienden, of dialect tegen een meerdere. Kortom, zowel standaardtaal als dialect kunnen kunstmatig overkomen als ze in de verkeerde context gebruikt worden. (2003)
Ludo Beheyt is hoogleraar Nederlandse taalkunde en Nederlandse cultuur aan de Université catholique de Louvain.
Omhoog
Ik ging daar naar een winkel
Ik ging daar naar een winkel
om iets wat bestond te kopen.
Ze konden mij daar niet verstaan,
dus wees ik kleur aan, zweeg hoe hol,
boog ik hoe rond, trilde hoe licht,
bewoog ik hoogte, lengte, breedte.
Ze zeiden: wiewie wiewiewie
en legden heel hun toonbank vol
met veel wat ik niet wilde.
Ik moest naar huis terug. Ik moest
er woorden bij. Maar hoe te weten
of wat ik in mijn woorden zei
en zij in hun andere taal anders ook
in hun taal net zo heette.
Joke van Leeuwen
Uit de reeks Kind in Brussel uit de bundel
Vier manieren om op iemand te wachten.
Querido, Amsterdam, 2001
Omhoog
Taalschrift

Tijdschrift over taal en taalbeleid
Het omvat een overzichtelijke home pagina, een onvoorstelbaar boeiende discussie bladzijde, een ontzettend interessante reportage pagina en een colofon. De afdelingen discussie en reportage brengen in een kadertje telkens een onderwerp met een tekstinzet en met een koppeling naar het volledige artikel of de reportage toe.
Bijzonder aanbevolen om in die webstek eens lustig te grasduinen.
http://taalschrift.org/
Omhoog
24/05/06 | Jan Roukens, oud-medewerker van de Europese Commissie
“De EU omarmt tegenwoordig opnieuw haar veeltaligheid. Dit veeltalenbeleid bevestigt voor de Nederlandse en andere taalgemeenschappen de gelijkwaardigheid van hun talen in de EU. Het streven naar de culturele eenheidsworst in Europa is niet meer. De Europese Unie is geen natiestaat. Wij spreken Nederlands en met anderen spreken wij een taal naar keuze.» Tot die conclusie komt Jan Roukens na een decennium van angst dat het Nederlands onder het Europese gewicht zou verdwijnen. Of de strijd voor het behoud daarmee gestreden is? «Het is belangrijk dat we de Europese Unie er aan blijven herinneren dat ze zèlf met de burgers in hun eigen talen moet communiceren! Ook en vooral via het web.”...
» 51 reacties (Laatste reactie geplaatst op 25/06/06)
Uit: Taalschrift - Tijdschrift over taal en taalbeleid
Omhoog
* Hoe maakbaar is het Nederlands?
Prof. Fred Weerman, hoogleraar Nederlandse Taalkunde, Universiteit van Amsterdam - 16/03/06
“Laten we minder verkrampt omgaan met het Nederlands en ons concentreren op waar het werkelijk om gaat: onze gedachten helder onder woorden brengen.” Met deze stelling bestrijdt prof. Fred Weerman de opvatting van velen dat het Nederlands maakbaar is. Zelfs ondanks nieuwe spellingregels...
Bent u het daar mee eens? Wilt u er meer over weten, lees dan het hele artikel onder deze koppeling.
http://taalschrift.org/discussie/001074.html " |