de Magnetische Tijd

Tegen 1950 voelde de filmindustrie zich bedreigd door de snelle groei van de televisie. De studio's begonnen met het promoten van breedbeeldformaten (televisie had de beeldverhouding van 1.33:1 aangenomen, hetzelfde als films). Samen met een enorm doek en hoge-resolutiefilmprints werd er stereo(fonisch) geluid geÔntroduceerd.
De meest gebruikte breedbeeld versies waren:

Ze hadden allen hun eigen (magnetisch) geluidssysteem, met uitzondering van VistaVision dat het Perspecta Stereo systeem gebruikte. Verscheidene 70mm versies zoals Ultra Panavision (M-G-M) en Super Panavision 70 gebruikten een Todd-AO-compatibel geluidssysteem. Beiden werden enkel gebruikt voor beperkte speciale vertoningen; de meeste releases waren 35mm anamorfische reducties met optische mono(phonisch) of CinemaScope-compatibele 'magoptical' soundtracks.

Weinig cinema-uitbaters waren bereid de dure uitrusting nodig voor stereo vertoningen te installeren en ook het onderhoud, vooral van de magnetische koppen, was erg duur. De kost van het aanbrengen van de magstripes op de (film)prints en de relatief korte levensduur ten opzichte van optisch geluid samen met een algemene terugval van het bioscoopbezoek in de late jaren 1960 en begin jaren 1970 resulteerde in een steeds afnemend aantal releases met stereo geluid.
Hoewel magnetisch geluid superieur was, hadden slechts een handvol belangrijke releases magnetisch stereo geluid en dan nog slechts voor enkele weken (want de print versleet) en dan was het terug naar mono geluid van lage kwaliteit.

In het midden van de jaren 1970 werd het geluidssysteem van 70mm releases vervangen door een variatie van Dolby met verbeterde ruisonderdrukking en een lichtjes gewijzigde configuratie. (kijk bij de Opkomst van het Dolby Rijk)

In 1974 zag een nieuw geluidssysteem het licht dat de wereld letterlijk op zijn grondvesten deed daveren: Sensurround, dat, op bepaalde tijdstippen tijdens de film, laag-frequente geluiden met hoog volume stuurde naar speciaal ontworpen subwoofers die in de zaal waren opgesteld. Het systeem, ontwikkeld door MCA, werd maar voor enkele releases gebruikt waarvan "Earthquake" (1974), "Midway" (1976), "Rollercoaster" (1977) en "Battlestar Galactica" (1978) de meest bekende zijn.


vorig hoofdstuk: ...En toen was er geluid.


volgend hoofdstuk: de Opkomst van het Dolby Rijk



Cinerama was het eerste echte breedbeeld systeem: Het gebruikte 3 aparte 35mm films om het erg breedte beeld (146į) te creŽren.
Wat geluid betreft, wezen vroege tests uit dat 6 optische sporen op een 4de 35mm film niet de nodige resultaten gaven. Dus, wanneer het systeem aan het publiek werd getoond, bestond het geluidssysteem uit een magnetische opname op een aparte film die met dezelfde snelheid liep als de 3 andere films. Het besond uit 7 sporen die 8 luidsprekerkanalen voedden: 5 achter het doek 3 in de zaal (2 aan de zijkanten en in achteraan). Spoor 6 en 7 kon manueel verzet worden tussen stereo surround (en geen achter kanaal) en mono surround plus achter surround.
Het 4-strip systeem was erg duur om te installeren, vereiste 4 man personeel (3 voor de projectoren en 1 voor het geluid) en de bijkomende projectiekamers resulteerden in een verlies aan zitplaatsen. Deze zorgden ervoor dat de operationele kosten ongeveer de helft bedroegen van de totale inkomsten aan kaartjes.
Het systeem debuteerde in 1952 met "This Is Cinerama", wat niets mee was dan een promotiefilm. M-G-M's "How The West Was Won" (1962) was de eerste echte Cinerama-speelfilm; het werd de studio's derde succesvolste film. In 1962 was er ook "The Wonderfull World Of The Brothers Grimm". De laatste productie gefilmd in 4-strip Cinerama was "The Best Of Cinerama", een promotiefilm uit 1963.

boven

CinemaScope : Ontwikkeld door Fox als een concurrent voor Cinerama, gebruikte CinemaScope slechts 1 filmstrip voor de beelden. Om het breedbeeld te bekomen, wordt het beeld op een standaard 35mm film door een anamorfische lens samengeperst tot de helft van zijn breedte. Door het beeld door een gelijkaardige lens te projecteren, bekomt men bij vertoning terug de normale beeldverhouding.
Ook Fox realiseerde zich dat een meerkanaals, stereo(phonische) soundtrack nodig was. Onderzoek door Bell Telephone Laboratories naar stereo optisch geluid, Disney's Fantasound proces en Cinerama's magnetisch systeem vormde de basis voor het CinemaScope-geluidssysteem. In het begin waren de 4 sporen - links, centraal, rechts en surround - op een aparte, magnetisch gecoate film geplaatst, maar het bedrijf voorzag dat dat cinema-uitbaters erg terughoudend zouden zijn om een duur en complex systeem met dubbele films te installeren en dus gingen ze over tot een systeem met een van magnetische strips voorziene (magstriped) print. Om de 4 magnetische sporen te kunnen plaatsen, werd het aspect ratio gereduceerd en werden ook de transportgaten (sprockets) verkleind. De voorste kanalen werden aan beide zijden buiten de sprockets en aan de linkerkant tussen de sprockets en het beeldgebied geplaatst. Het surround preview CinemaScope magnetic print spoor werd geplaatst aan de rechterkant tussen de sprockets en het beeld. Het geluid op dit spoor werd gecontrolleerd door een speciale toon om het te kunnen uitschakelen wanneer het niet werd gebruikt want het smalle spoor siste erg.
In het begin bracht Fox enkel stereo prints uit maar cinema-uitbaters waren terughoudend om het nodige te installeren (magnetische leeskoppen, versterkers, meerdere luidsprekers en bedrading). Dus maakte Fox prints met preview CinemaScope magoptical printoptisch mono, enkel-spoor magnetisch en het originele 4 track magnetisch geluid. Het uitbrengen van in 3 verschillende geluidsformaten bleek te duur en Fox koos voor een gecombineerde magnetisch/optische print waarbij het mono spoor van halve breedte was. M-G-M gebruikte voor zijn CinemaScope-films een optische track met het Perspecta Stereo geluidssysteem.
De premiŤre van CinemaScope was in 1953 met "The Robe". Later nam Panavision het anamorfisch proces over en werd de magnetisch/optische soundtrack vervangen door een optische Dolby Stereo soundtrack. (kijk bij de Opkomst van het Dolby Rijk)

boven

VistaVision : Hoewel het negatief een normale 35mm film was die horizontaal liep en het beeld de dubbele was van een normale (verticaal), werd slechts weinig gefilmd met het horizontaal lopend formaat. De meeste films werden uitgebracht in verticaal lopende 35mm reductie prints.
Paramount, de studio die VistaVision promootte, wou stereo(phonisch) geluid maar cinema-uitbaters waren terughoudend om het nieuwe systeem te installeren. Van magnetische strips voorziene films (magstriped) waren ook tamelijk duur; bijgevolg werd er voor het goedkopere Perspecta Stereo geluidssysteem gekozen.
VistaVision debuteerde in 1954 met "White Christmas" and in 1955 there was "Strategic Air Command" maar het was nooit echt succesvol (omdat cinema-uitbaters een tweede paar projectoren moesten installeren voor de horizontale film van de "Large Area" versie). VistaVision werd in 1975 terug tot leven gebracht wanneer Industrial Light + Magic het gebruikte voor de visuale effecten voor "Star Wars" en het wordt voor die doeleinden nog steeds gebruikt.

boven

Todd-AO : Mike Todd, die aan Cinerama had gewerkt, realiseerde zich de tekortkomingen (kost en eenvoud) in het 3-strip systeem en samen met American Optical Company ontwikkelde hij een enkel camera systeem dat gebruik maakte van 65 mm negatieven. De positieven waren 70mm breed: de soundtrack was te vinden op de extra 5mm. Oorspronkelijk liep het aan 30fps (Cinerama deed 26fps) om een stabieler beeld te krijgen maar latere producties werden gefilmd aan 24fps waardoor het makelijker was 35mm CinemaScope-reductieprints te maken.
Zoals bij
Cinerama leek een meerkanaals stereo(phonisch) geluidssysteem nodig. In het begin bestond het geluidsspoor uit 6 magnetisch sporen en 1 magnetisch controle spoor, geplaatst op een aparte 35mm film. Het liep aan 90' per minuut, aanzienlijk lager dan de 140.25' van de projector waardoor er problemen ontstonden bij het synchroniseren van beeld en geluid.
preview Todd-AO print Er was ook de vrees dat cinema-uitbaters het dubbele systeem zouden verwerpen. Ze ontwikkelden bijgevolg een systeem waarbij de 6 sporen op de preview layout Todd-AO70mm print werden geplaatst door middel van magnetische strips (magstripes). De 6 sporen voedden 5 luidsprekers achter het doek en er was 1 spoor voor de surrounds. Er was ook de mogelujkheid om Perspecta Stereo toe te passen op het surround kanaal om zo een 3-kanaals directionaliteit te creŽren voor bepaalde scŤnes.
Todd-AO kende zijn premiŤre in 1955 met "Oklahoma!" en het volgende jaar werd "Around The World In 80 Days" uitgebracht. Voor normale vertoningen werden er 35mm anamorphische CinemaScope-compatibele reductieprints gebruikt met een magoptical soundtrack (4-sporen magnetisch en een optisch mono spoor van halve breedte) of een optische mono soundtrack van volle breedte.
Todd-AO's magnetisch 6-track geluidssysteem was de standaard voor alle 70mm films tot 1977 toen Dolby een eigen 6-track systeem uitbracht. (kijk bij de Opkomst van het Dolby Rijk)

boven

Technirama werd ontwikkeld door Technicolor Corp. Ze pasten het VistaVision-systeem aan: ze reduceerden de aspect ratio om plaats te maken voor een 6-kanaals geluidssysteem en ze voegden een 1.5x anamorphische compressie toe.
De eerste Technirama productie was "Monte Carlo Story" uit 1957 en was een van de weinige in het 8-perforaties horizontale systeem. De meeste films waren echter 35mm anamorphische CinemaScope-compatibele reductieprints met een magoptical soundtrack (4-sporen magnetisch en een optisch mono spoor van halve breedte) of een optische mono soundtrack van volle breedte.
In 1958 besloot Disney dat ze ook een 70mm formaat wilden voor promotievertoningen. Samen met Panavision Inc. ontwikkelden ze Super Technirama 70. Het beeld van het horizontaal lopend Technirama negatief werd uitgerokken waardoor het de plaats in nam van de oorspronkelijke magnetische soundtrack. Met de hulp van Panavision-lenzen werd het beeld op een 70mm film geprint en werd er een 6-sporen magnetische soundtrack aangebracht. Super Technirama 70 was compatibel met Todd-AO.
De eerste film gemaakt in Super Technirama 70 was "Solomon and Sheba" en die werd in 1959 uitgebracht.

boven

Perspecta Stereo was eigen een pseudo-stereo geluidssysteem. Op een (optische) mono(phonische) soundtrack werden controlesignalen gecodeerd. Deze signalen, bestaande uit onhoorbare (want te lage) tonen van 30, 35 en 40Hz, werden gedetecteerd door een integrator die het luidspreker volume van de rechtse, centrale en linkse kanalen verhoogde, waardoor zo tamelijk eenvoudige directionele effecten werden gecreŽerd. Het geluid werd gelimiteerd tot frequencies boven 63Hz om te vermijden dat de controletonen werden gehoord.
Perfecta Stereo was gemakkelijker en sneller, dus goedkoper, te mixen dan een echt stereo systeem zoals CinemaScope hoewel de installatie van de integrator en ander benodigd materiaal bijna evenveel kostte als een echt stereo systeem. De soundtrack was wel volledig compatibel met standaard mono reproductiesystemen, wanneer cinema-uitbaters het systeem niet wensten te installeren.

boven

Sensurround, ontwikkeld in 1974 door MCA voor "Earthquake" onderging verscheidene modificaties bij elke uitgebrachte film. Het algemene idee bleef echter hetzelfde: lage frequentiegeluiden en gerommel, afgespeeld met hoog volume door speciaal ontworpen luidsprekers, ondersteunen de normale soundtrack van de film.
In de originele opstelling, zoals gebruikt voor "Earthquake", maakte een digitale pseudo-random noise (= ruis) generator lage frequentiegeluiden en gerommel die overeenkwamen met het golfpatroon van de aardbeving in 1972 in Sylmar (CaliforniŽ, V.S.). Deze geluiden werden afgespeeld aan 110dB tot 120dB en varieŽerden van 16Hz tot 120Hz. De ondergrens van het frequenciebereik was beperkt tot 16Hz omdat lagere frequencies door structurele resonantie gebouwen zouden beschadigen. (Toch geraakten er nog cinema's beschadigd.)
Twee controletonen, een van 25Hz en een van 35Hz, die op de print waren opgenomen, stuurden de noise generator. Bij de setup uit 1974 zorgde 1 toon voor het mixen van het standaard audio programma in de Sensurround-luidsprekers. De andere deed de noise generator lage tonen produceren. De variatie in volume van de controle tonen veranderde het niveau van de signalen die naar de Sensurround-luidsprekers werden gestuurd. Er was een extra 60dB in de hoofdluidsprekers wanneer beide controletonen tegelijkertijd aanwezig waren.
Er waren een aantal verschillende versies van de prints beschikbaar: optisch mono, 4-kanaals magoptical en, in Europa, 70mm 6-track. Bij optisch mono werden de controletonen in de gewone soundtrack gemixed. De magnetische tracks van het 4-kanaals magoptical zorgden voor de stereo en het optische spoor bevatte enkel de controletonen. Bij 70mm 6-track versies werden de controletonen opgenomen op de Centraal-Linkse en Centraal-Rechtse tracks. Omdat het Sensurround-systeem surround-achtige effecten verzorgde, werden de surroundluidsprekers van magnetische installatie afgekoppeld.
In 1976 werd voor de release van "Midway" een volledig gewijzigd systeem gepresenteerd: Sensurround Mod II. Het grootste verschil was dat de de lage frequenciegeluiden op de print zelf werden opgenomen in plaats van geproduceerd te worden door de externe noise generator. Het system van controletonen werd ook gewijzigd: 1 controleerde de Sensurround-luidsprekers vooraan in de zaal, de andere die achteraan. Een ruisonderdrukking- en compressiesysteem, DBX genaamd, werd toegepast op de soundtrack en daar boven kwamen de rommelgeluiden. De lage frequentiegeluiden werden niet gecompresseerd met DBX zodat wanneer de soundtrack afgespeeld werd door de 'control box' de geluiden een dubbele sterkte kregen omdat ze niet 2:1 waren gecompresseerd door DBX. De optische track werd niet compatibel gemaakt met de 'Academy' standaard waardoor de dynamiek verhoogd werd tot 80dB en het resulteerde in een frequenciebereik van 16Hz tot 16kHz. Door de DBX waren Sensurround Mod II-prints niet compatibele met standaard afspeelinstallaties.
"Rollercoaster" (1977) werd ook uitgebracht in Sensurround Mod II maar er werden veranderingen gedaakt in het mixen: de Sensurround-luidsprekers werden ook gebruikt voor muziek en er werden echte lage frequentiegeluiden, opgenomen op roetsjbanen, gebruikt in plaats van kunstmatige.
"Battlestar Galactica" gebruikte Sensurround Mod III en "Zoot Suit" (1981) werd getoond in Sensurround+Plus, wat eigenlijk het gebruik was van de ruisonderdrukking DBX op de 4-track mag prints voor extroom hoge weergave, zondr lage tonen. Er werd ook LightSurround voorgesteld dat een systeem was voor een lichteffecten in de zaal, maar er werden geen installaties gemaakt.

boven