3.  Van de Congolese naar de Boliviaanse jungle

3.1 Che, Tatu Muganda in Congo

Zoals overeengekomen met Fidel, heeft Che het door Lumumba ontstoken vuur in Belgisch Congo uitgekozen om een Vietnam te doen uitbreken in Afrika.  Wie zich afvraagt waarom Che die bestemming heeft gekozen, kan een deel van het antwoord vinden in de woordenvloed die hij uitstortte over de Verenigde Naties in New York in 1964. 

Niemand herkende Che toen hij op 1 april 1965 uit de Cubaanse hoofdstad Havana vertrok.  Che, anders eeuwig ongeschoren ongekamd en altijd in olijfgroen uniform met baret, droeg nu een hoed, een net pak met das en een bril met dikke randen om zijn te bekend uiterlijk te verbergen.  Zijn haren waren kortgeknipt, zijn gezicht gladgeschoren, zijn lippen met prothesen dikker gemaakt.  Volgens zijn paspoort heette hij Ramon Benitez, landbouwexpert van beroep.  In zijn reistas droeg hij een voorraad inhalers mee, tegen zijn astma - aanvallen, want hij ging voor lang weg. 

In Brazaville, Congo, van Leopoldstad alleen gescheiden door de Congostroom, hadden de Congolese nationalisten zich inmiddels onder leiding van Christophe Gbenye verenigd in de Conseil National de Libération (CNL), die al snel ten prooi viel aan interne verdeeldheid.  Gaston Soumaliot kreeg de opdracht om de opstand te organiseren in het oosten van het land.  De rebellie was begonnen op 15 april 1964 en verspreidde zich razendsnel.  In drie maanden tijd konden de rebellen, die zich de Simba’s noemden, de hele oostelijke helft van Congo onder controle krijgen, al slaagden ze er nooit in om een degelijk bestuur op poten te zetten.  Ze vervielen snel in terreur en corruptie, wat ook hun volkse basis uitdunde.  In die sfeer werd Moises Tshombe in Leopoldstad premier.  Met Amerikaanse en Belgische militaire hulp kon hij de rebellie onderdrukken, dankzij blanke huurlingen en zijn door Belgische officieren gevormde en omkaderde militie, de Katangese gendarmerie.  Tshombe trof zware sancties tegen het ANC, het nationale Congolese leger, wegens zijn weinig heldhaftige houding tijdens de Simba - opstand, tientallen executies inbegrepen.  Het leger meende dat het als zondebok voor de fouten van de politiek diende op te draaien en de repliek volgde op 24 november 1965, toen ANC - stafchef Joseph - Désiré  Mobotu Tshombe met een staatsgreep voorgoed buitenspel zette.  

Maar begin 1965, bestond, voor wie daarin wou geloven, nog een revolutionair potentieel, en dat was ook Che niet ontgaan.  Toen hij in februari in Tanzania was, had Che enkele Congolese en andere vrijheidsstrijders ontmoet, over wie hij al onmiddellijk gemengde gevoelens bleek te hebben.  Ze verbleven in hotels in Dar es Salaam en hadden van hun situatie ‘een waar beroep gemaakt, een job die haast even comfortabel als lucratief uitviel.’

Toen Che in februari Kabila voor het eerst ontmoette in Tanzania, vond hij de Congolees ‘helder, specifiek en vastberaden’, al is dat misschien te wijten aan het feit dat hij Che vlotjes in alles gelijk gaf.  Meteen ook wekte Che de indruk dat met Gbenye en  Soumaliot niet veel aan te vangen viel, kortom, Kabila was Che’s man. 

De revolutionairen in Tanzania wilden voor hun manschappen een militaire opleiding in Cuba, maar dat strookte niet met Che’s visie.  Wat de Congolezen wilden, was kwantitatieve militaire macht.  Che wou daarentegen revolutionairen vormen, en die vorming konden ze volgens hem alleen in de strijd krijgen.  Want een man met een geweer is nog geen revolutionair en een soldaat is nog geen revolutionair.  Che, als overtuigd internationalist, dacht om ook meteen Mozambikaanse en Angolese vrijheidsstrijders bij het Congolese rebellenleger te kunnen betrekken, maar dat was buiten Kabila gerekend; die zag de internationalisten enkel als een versterking van zijn militaire strijdmacht.

In Congo kreeg Che al gauw de naam Tatu Muganda.  Tatu betekende “derde”.  “Derde”, want Dreke en Tamayo waren de eerste en de tweede.  “Muganda” betekent ‘hij die die pijn verzacht’ in het swahili24.  De laatste naam kreeg hij omdat hij er ook als arts de plaatselijk kinderen kon verzorgen.

Vanaf januari 1965 werden in Pinar Del Rio, Cubaanse soldaten getraind door commandant Victor Dreke.  Op een dag op het einde van maart ontmoet hij een onbekende, elegante blanke man.  Toen hij samen met José - Maria Martinez Tamayo, een tweede commandant, het onnavolgbare stemgeluid van Che hoorde en hem herkende, was de verassing compleet.  De twee onderofficieren begrepen dat het hun taak zou zijn hem te beschermen.  Met Tamayo en Dreke reisde Che via Praag en Cairo naar Dar es Salaam, de hoofdstad van het Oost - Afrikaanse Tanzania.  Che’s medereizigers waren beiden zwart, wat ervoor zorgde dat ze niet zouden opvallen tussen de Afrikaanse bevolking. 

Toen Che, als ongeveer enige blanke, in april, in Congo aankwam bleek van meet af aan dat de zaak slecht georganiseerd was, dat de uitrusting ontbrak en dat Kabila onvindbaar was.  Pas op 23 april, drie weken na zijn vertrek uit Havana, kon “Tatu” in een gammele boot de oversteek van het 70 kilometer brede Tanganyikameer richting Congo maken.  Hij belandde daar in Kibamba, de eerste en ook enige plek waarvan de Cubanen een bolwerk konden maken.  De 120 mannen die in Cuba waren opgeleid eerder in 1965, kwamen in trosjes aan in Congo, met de hulp van de toenmalige Cubaanse ambassadeur Pablo Rivalta in Dar es Salaam: ‘Kigoma, bij het meer was een soort verzamelplaats voor Congolese bevrijdingsleiders die al snel werden geconfronteerd met onderlinge verdeeldheid.  Dikwijls lieten ze hun troepen in hun veld liggen en kwamen naar Kigoma om te drinken, te gokken, naar de bordelen te gaan, kortom om een losbandig leventje te leiden.’ Dit maakte Che woedend.

Op 9 mei slaagt Che erin contact te leggen met een eerste groep guerrillero's.  Hij legt hen uit dat hij gekomen is om guerrillaopleiding te geven, op een vraag van Gastón Soumaliot en Laurent Kabila aan Fidel Castro.  Hij wil aan hun zijde vechten in de operaties die zij beslissen.  Che verbaasde zich over de enorme verdeeldheid onder de rebellenleiders maar Kabila deed een “excellente” indruk op hem, al had die hem al meteen belogen.  Kabila beweerde uit “het binnenland van Congo” te komen maar hij resideerde in Kigoma bij de andere “vermoeide Congolese revolutionairen”. 

Het was alleen omdat hij grenzenloos veel geduld aan de dag legde, eindeloos veel begrip opbracht, de zelfkritiek niet spaarde en nooit de revolutionaire droom wou opgeven, dat Che niet in moedeloosheid verzonk.  Hij trof daar in Zuid - Kivu een bont allegaartje van ongemotiveerde, onopgeleide en ongedisciplineerde krijgers aan, die er geen idee van hadden hoe ze met hun wapens dienden om te gaan, het liefst een beetje rondlummelden, grote hoeveelheden sterke drank verstouwden, een broertje dood hadden aan werken en dus ook niet bereid waren om met zware wapens rond te zeulen of om voor loopgraven te zorgen.

De Congolezen gehoorzaamden nauwelijks aan hun bevelhebbers, die elkaar onderling grondig wantrouwden, zeker van de Cubanen geen orders accepteerden, de terreur als een legitiem bestuursmiddel aanzagen, van absoluut geen militair inzicht blijk gaven en zich graag op hun rang lieten voorstaan.  Zo ontmoette Che de zelfbenoemde generaal Moulane, die hem verbaasde door zich tijdens een inspectieronde te tooien met een met luipaardvel overtrokken motorhelm.  Che liet in zijn dagboek commentaren ontvallen als “belachelijk” en “slechte komische film”. 

Che: ‘Toen de vertaler mijn woede duidelijk maakte in het swahili kromden ze zich allemaal van het lachen...’

Van de rebellenleiders had Che ook spoedig in de gaten waar het hen om te doen was: veel op reis gaan op kosten van de socialistische landen die hen steunden, en het hun toegestopte geld spenderen aan drank en seks. 

Che: ‘Whisky en vrouwen zijn niet inbegrepen in de onkosten die de bevriende regeringen willen betalen, en dat loopt nogal op, als je goede kwaliteit wil.  Die leiders vertikken het om het lot van hun lijdende volk te delen.  Ze komen er hooguit als toeristen op doorreis.’

Als spoedig dacht hij ook zo over zijn “baas”: ‘Kabila is een natuurlijke leider maar hij toont zich alleen geïnteresseerd in politieke twisten en alles wijst erop dat ook hij verslaafd is aan drank en vrouwen.‘

Benigno vertelt: ‘Met een onbeschaamde glimlach op zijn gezicht vertelde Che me dat Afrika met dit soort leiders nog lange eeuwen van kolonialisme en slavernij tegemoet gaat.’

Vooral ook de etnische rivaliteit tussen de guerrillero’s, waar Che als internationalist geen hoogte van kreeg, verraste hem onaangenaam.  Ook Kabila steunde op stammenloyaliteit voor zijn guerrilla , terwijl Che enkel geloofde in de vorming van “revolutionaire kaders” in de strijd zelf.  Als marxist begreep Che ook niks van het belang dat de Congolezen hechtten aan hun “dawa”, het tovermiddel waarmee ze zich insmeerden om onkwetsbaar te worden voor vijandelijke kogels. 

In juli bevond Che zich in Kibamba waar hij samen met de andere rebellen, die toch enkel naar Kabila luisterden en wachtten op Kabila.   Maar Kabila kwam niet.  Het lijkt alsof hij Che en zijn troepen alleen aanzag als een soort reserve van huurlingen, die voor hem het vuile werk zouden opknappen.  ‘Kameraad, jij bent een revolutionair’, zo schreef Kabila Che vanuit het veilige Kigoma ‘en je moet alle moeilijkheden die je daar hebt maar doorstaan.’

Che’s grootste frustratie bestond erin dat hij de Congolezen nooit letterlijk tot de strijd kon bewegen.  Zodra het eerste schot viel, al kwam het uit de eigen gelederen, sloegen ze in paniek op de vlucht, met achterlating van hun wapens.  Bij een aanval, aldus Che, ‘werd er vrijwel altijd in de lucht geschoten, aangezien de meeste strijders hun ogen sloten en eenvoudigweg de vinger op de trekker van hun automatisch wapen hielden tot de munitie op was.’ Che noteerde deze incidenten koelweg, al doorbrak zijn dagboek soms de ideologische ernst heen wanneer hij niet meer om het tragikomische daarvan heen kon.

In Congo werd Che telefonisch op de hoogte gebracht van het overlijden van zijn moeder aan kanker.  Zo verloor hij de trouwste steun en toeverlaat waarop hij zijn ganse leven had kunnen rekenen. 

Uitgeput en gedemoraliseerd beslist Che de strijd in Congo te staken.  Eind november kwam in Congo een zekere “Mobotu” zijn neus aan het raam stoppen. 

3.2  Periode van bezinning

Terwijl Che’s strijdmakkers al rond Kerstmis weer in Havana arriveerden, bleef de teneergeslagen Che voor een periode van vier maanden in Tanzania.  Daar schrijft hij zijn ervaringen over dit Congolese avontuur neer en wat hij er uit kan leren voor de toekomst.  Che begon zijn geschriften als volgt: ‘Dit is het verhaal van een fiasco.’ en eindigde met: ‘Tijdens de laatste maanden dat ik in Congo verbleef, heb ik meer liefde gevoeld dan ooit tevoren, waar en wanneer ook ter wereld.’

Ondanks alles bleef Che in Kabila de enige man met toekomst zien omdat hij de enige was die een ‘heldere geest kon combineren met een vermogen tot redeneren en met de persoonlijkheid van een leider’ maar, zo voegde Che er aan toe, het is voor een revolutionaire leider ‘absoluut noodzakelijk om over een revolutionaire ernst, een leidende ideologie en zin voor zelfopoffering te beschikken.  Tot nu toe heeft Kabila daar nog niks van laten blijken.’

Ondanks de moeilijkheden in Congo heeft Che zijn internationale contacten nooit verwaarloosd.  Zo overhandigde hij in augustus een brief aan Winnie Mandela, de vrouw van de toen reeds legendarische Nelson Mandela.  Nu, 30 jaar later, kun je in boeken nog altijd de sporen van hun brieven en hun wederzijdse invloeden terugvinden. 

Mandela: ‘(...) We herdenken de grote Che Guevara ook voor de revolutionaire sporen die hij op ons continent naliet, die zo’n impact hebben gekend dat geen enkele instelling ze kon verbergen voor ons.  Che’s leven inspireert iedereen die van vrijheid houdt en we zullen zijn voorbeeld altijd blijven herdenken.’

Na een verblijf van vier maanden in Tanzania te blijven bleef Che nog vier maanden in Praag waar hij verder mediteert, schrijft, zijn Congolese vergissing verwerkt, zijn volgende stap voorbereidt en zichzelf de tijd gunt om naar werken van Ludwig Von Beethoven, één van zijn favoriete klassieke componisten, te luisteren.

Terwijl Che in Congo was, kreeg Castro meer en meer vragen te verwerken.  Iedereen wou duidelijkheid over Che.  De druk kwam niet enkel meer van de Cubanen, maar ook van buitenaf.  Hij was spoorloos, velen vertelden dat hij dood was.  Castro was genoodzaakt Che’s afscheidsbrief openbaar te maken. 

Op 3 oktober 1965, de dag waarop het centrale comité van de Cubaanse Communistische Partij gevormd werd, besluit Castro om Che’s afscheidsbrief voor te lezen.  Het werd een emotionele gebeurtenis.  Alle genodigden zijn zwaar geraakt door de brief en de drastische besluiten die Che heeft genomen.  De Cubaanse bevolking is diep geschokt. 

Als Che dit hoort in Tanzania, is hij woedend.  Hij had Castro uitdrukkelijk gevraagd de brief slechts openbaar te maken na zijn dood.  Doordat Castro de brief had openbaar gemaakt werd Che naar eigen zeggen verplicht om zich nooit meer op de politieke scène in Cuba te vertonen.  Het was niet langer “zijn Cuba”.

Fidel Castro: ‘Che’s “missie” in Congo veroorzaakte veel roddels op dat moment en gaf aanleiding tot waanzinnige leugens.  Men vertelde dat hij dood was, dat er conflicten waren tussen ons, dat hij opgesloten was, etc.  Er moest een einde komen aan al die roddels en leugens om zijn strijd en ook zijn mannen op de één of andere manier niet in gevaar te brengen.  Dit alles stelde ons in een slecht daglicht en ik had geen keuze, ik moest de brief voorlezen.(...) Eens de brief was voorgelezen –wat dus een politieke noodzaak was -   werd het voor hem – door zijn karakter -  zeer pijnlijk en haast onmogelijk om nog terug te komen naar Cuba.  Maar ik overhaalde hem om terug te komen.  Het was de beste manier voor hem om zijn volgende stap voor te bereiden.  En hij zou terugkeren...maar (weer) volledig onherkenbaar en in het grootste geheim.’

In de periode tussen zijn vertrek uit Afrika en zijn dood in Bolivia in oktober 1967 werd nog één werk van Che openbaar gemaakt.  Het is een boodschap gericht aan de Organisatie van Solidariteit tussen de volkeren van Afrika, Azië en Latijns - Amerika (OSPAAAL).   De tekst werd op 16 april 1967 afgedrukt in een speciale bijlage van het blad “Tricontinental”.  Het werk, getiteld “Twee, drie, vele Vietnams”, is tot op heden de laatste tekst welke van Guevara gepubliceerd werd.   In deze tekst spreekt Che over een prachtige toekomst indien er ‘twee, drie, vele Vietnams op deze aarde zouden bloeien’ met herhaaldelijk toegebrachte slagen aan het imperialisme en een groeiende haat tegen datzelfde systeem dat zijn krachten meer en meer begint te verspreiden.  De tekst eindigt als volgt: ‘Als het ons toekomt om op een dag onze laatste adem uit te blazen op om het even welke grond, die toch de onze is, overgoten met ons bloed, weet dan dat we de draagwijdte van onze daden gemeten hebben.  En dat we ons beschouwen als elementen van het grote leger van het proletariaat, maar dat we ons fier voelen om van de grote Cubaanse revolutie geleerd te hebben en van zijn opperste leider de grote les te krijgen die zijn houding in dit deel van de wereld uitstraalt: "Wat betekenen de gevaren of de opofferingen van een man of een volk als het lot van de mensheid op het spel staat? “Onze hele actie is een roep om oorlog tegen het imperialisme en een geestdriftige oproep aan alle volkeren tegen de grote vijand van het mensdom: de Verenigde Staten van Amerika.  Wat doet het er toe waar we zullen sterven ? Het zal een welgekomen dood zijn als onze oorlogskreet gehoord wordt.Als een andere arm zich uitstrekt om onze wapens over te nemen en als anderen bereid zijn om de rouw te zingen onder het staccato van machinegeweren en nieuwe oorlogs -  en overwinningskreten...’

3.3           De Boliviaanse Rattenval

Niemand wist dat Che in Havana was om samen met Castro de laatste afspraken te maken voor het Latijns’ Amerikaanse avontuur waar Che al zolang van sprak.  Van juli tot oktober zal Che zijn tijd volledig besteden aan een “top secret” programma om 15 mannen te trainen, 15 officieren, nu gedegradeerd tot gewone soldaat.  Ze komen met zijn 17en aan in Bolivia in november 1966, in groepjes van twee, op verschillende data en allen met valse identiteitspapieren.  Bolivia bood vele voordelen; het was centraal gelegen en grensde aan vijf andere grote landen. 

Régis Debray vertelt: ‘Che’s guerrillamethodes waren vooral gericht op voorhoedeorganisaties maar Bolivia moest een achterhoede vormen.  Hij wilde de macht niet nemen in La Paz, de hoofdstad van Bolivia, maar wild een platform creëren voor het verspreiden van wapens voor eventuele guerrilla’s in Brazilië, Peru, Argentinië, Colombia etc...’

Papito Serguera: ‘De oorlog in Vietnam bereikte één van zijn hoogtepunten en de beste manier om Vietnam te steunen was opstanden uit te lokken over het Zuid - Amerikaanse continent om een soort éénmaking te verwerven en steun te verkrijgen van andere derdewereldlanden.’

Het eerste wat Che doet als hij aankomt in Bolivia is steun vragen aan de communistische partij.  Monje, de secretaris - generaal van die partij die Che pas op 31 december ontmoette, wilde Che niet de leiding geven van deze revolutie en wilde de guerrilla op geen enkele manier steunen, integendeel.  Che schrijft: ‘Zoals ik had gedacht was de houding van Monje ontwijkend en daarna verraderlijk.  Zijn partij is zich reeds aan het bewapenen tegen ons.  Ik weet niet waar hem dat zal brengen maar het zal ons niet afremmen, en misschien zal het op de lange duur een voordeel zijn, daar ben ik bijna zeker van.  De eerlijkste en strijdbaarste mensen zullen aan onze kant staan, hoewel ze eerst
door een zware gewetenscrisis zullen gaan.’

Begin 1967 legde Che contacten met Moises Guevara, een mijnwerker en onafhankelijk politiek leider.  Deze startte op zijn beurt met mannen te rekruteren zonder hen goed te kennen en door hen te overtuigen met leugens.  Hij rekruteerde zelfs enkele mentaal gehandicapten en een ex - politieagent.  De situatie, zoals hij die beschreef aan deze mannen, was helemaal anders dan de echte.  Het duurde ook niet lang voor deze mannen deserteerden en alles aan het leger vertelden wat ze wisten over Che’s guerrilla.  Deze deserteurs waren meestal jonge, linkse Bolivianen die zich in hun fantasie de vrijheidsstrijd hadden voorgesteld als een aaneenschakeling van sigaretten roken, in een hangmat liggen, eten en af en toe een politiepost overvallen.  Ze hadden verwacht dat ze als helden en bevrijders zouden ingehaald worden.  De werkelijkheid was veel rauwer.  Ze moesten dagen na elkaar door de jungle sjokken.  Hun kleren werden smerig en hun schoenen gingen kapot.  De muskieten vraten aan hun vel.  Che gunde hen niet de geringste rustpauze, eiste opperste discipline, bestrafte het kleinste vergrijp en zag overal verraders.  Tenslotte schreef hij in zijn dagboek dat ‘niemand te vertrouwen is’.

Tania, een Argentijnse vriendin van Che reisde op vraag van Che naar Buenos Aires om enkele mensen warm te maken voor de guerrilla.  In maart keert ze terug met Ciro Bustos, een ongemotiveerde kunstenaar en Régis Debray, een 27 jarige Franse, intellectuele schrijverfilosoof die moet fungeren als boodschapper.  Guevara schrijft: De situatie is niet goed maar er begint een nieuwe etappe van beproeving voor de guerrilla die haar “zeer” goed zal doen indien ze ze overwint.  De guerrilla bestaat uit 29 Bolivianen, 16 Cubanen en drie Peruanen.’

Op 17 april trekken Bustos en Debray zich terug uit de guerrilla.  Che splitst zijn mensen op in twee groepen.  Eén groep, die een achterhoede vormde, ziet Che nooit meer terug.  Ze vielen in handen van het leger en werden kort daarop vermoord.  Debray verliet de guerrilla om meer contacten te leggen met de bevolking maar werd samen met Bustos opgepakt door het leger.  Bustos werkte samen met het leger en maakte schetsen van alle guerrillero’s die zo goed waren dat iedereen Che’s mannen zou herkennen.

Che reed rond op een muilezel en ademde moeilijk.  Zijn guerrillero’s trokken van huis tot huis en moesten de bewoners verzamelen in het schoolgebouw.  Daar luisterden ze naar Che.  Hij vertelde hen dat alle volkeren in Latijns’ Amerika in opstand moesten komen tegen de Verenigde Staten.  Hij legde uit dat hij geen communist was, maar dat hij de vrijheid bracht.  Hij praatte geleerd en abstract, de mensen staarden hem bang en zwijgend aan. 

In de daaropvolgende maanden krijgen Che en zijn mannen steeds meer af te rekenen met communicatieproblemen met la Paz en Cuba waardoor ze uiteindelijk compleet geïsoleerd moeten opereren.  De aansluiting met de boerenbevolking lukt veel moeilijker dan gedacht.  Daarover schrijft hij in mei: ‘De boeren treden nog steeds niet toe, hoewel ze stilaan geen schrik meer hebben van ons en ze ons schijnen te bewonderen.  Het is een traag en geduldig proces.’ En in juni:De boeren blijven nog steeds afzijdig.  Het is een vicieuze cirkel: om hen aan te trekken moeten we meer acties kunnen voeren in bevolkt gebied, maar daarvoor hebben we meer manschappen nodig.  (...) Het leger staat nergens in haar militaire taak, maar het doet gevaarlijk werk met de boeren en dat werk mogen we niet ongemoeid laten.  Zo niet zullen alle boeren verklikkers worden, uit schrik of omdat ze hen voorliegen wat onze doelstelling betreft.‘

Intussen voerden de VS steeds meer wapens en adviseurs aan voor het Boliviaans leger.  Het is schrikwekkend te lezen hoeveel energie en mankracht de CIA investeerde om Che te liquideren.  Hij was op dat moment de meest gezochte man in Latijns’ Amerika.  Het land wordt geteisterd door steeds meer stakingen en de faam van Che's manschappen in de Boliviaanse en wereldpers stijgt met de dag: ‘Op politiek vlak is de officiële verklaring van de regering dat ik me effectief in Bolivia bevind en dus niet in Cuba werd vermoord, het belangrijkst.  Men voegt er aan toe dat het leger te maken heeft met perfect getrainde guerrillero's waaronder zelfs vietcongs die de best getrainde Amerikaanse mariniers hadden verslagen.’ De boeren informeerden de militairen ondertussen de richting die de bende van Guevara volgde.  Dit ontsnapte niet aan de aandacht van Che.  ‘We worden door de dorpsradio’s gevolgd,’ noteerde hij in zijn dagboek.  Het was nog veel gevaarlijker dan hij dacht.  In het kleine gehucht La Higuera had het leger een hinderlaag opgezet.  Daar lagen de soldaten op Guevara te wachten.  Dat het Boliviaanse avontuur in een zelfmoordcommando was veranderd, besefte Che zelf wel.  Maar het kon hem blijkbaar niet schelen.  Hij danste al jaren met de dood.  Hij was er stellig van overtuigd dat het de moeite loonde om ‘zuiver voor een ideaal te sterven op het strand van een vreemd land’.  Naar zijn kinderen had hij geschreven dat ‘hij dood was omdat hij naar zijn overtuiging had geleefd’.  Che vond dat je het leven maar naar waarde kunt schatten als ‘je de smaak van de dood in je mond hebt geproefd’.

8 oktober 1967, Benigno vertelt: ‘Het was vroeg in de morgen.  Samen met de eerste zonnestralen zag ik de militairen ontwaken.  Ik keek rondom mij, vooral naar de zone waar de militairen zich hadden gevestigd op de top van de berg.  En ik besefte dat het  krioelde van de soldaten.  Ik keerde terug naar Che.  Hij keek me in de ogen en vroeg wat ik van de situatie dacht.  Ik vertelde dat ik er geen goed oog in had.  Che legde zijn hand op mijn verwonde arm en zei: “Ik weet niet waarom, maar ik heb het gevoel dat we voor ons laatste gevecht staan”’.

Om 13u30 begon het gevecht in Quebrada del Yuro25.  Willy (Simon Cuba Sarabia), een Boliviaanse mijnwerker, leidt de groep.  Che volgt hem en is verschillende keren getroffen in z’n rechterbeen.  Willy neemt Che op en draagt hem enkele meters verder van de vuurlinie.  Het gevecht wordt heviger, Che’s baret valt van zijn hoofd.  Willy keert terug naar het gevecht.  Enkele seconden later is Che, in een straal van 10 meter omsingeld door Boliviaanse rangers.  Che probeert te vuren maar zijn revolver zat geklemd en hij kon zijn wapen niet ophouden met één arm.  Hij wordt weer geraakt in zijn rechterbeen, zijn tweede geweer valt uit zijn hand en zijn rechterarm is doorboord.  Wanneer twee soldaten naderen roept Che: ‘Schiet niet, ik ben Che Guevara en ik ben levend meer waard voor jullie dan dood!’

De soldaten riepen: ‘Kapitein, we hebben er hier twee!  De kapitein kwam kijken en vergeleek deze twee guerrillero’s met de schetsen die Bustos had gemaakt.  Daarna werd Che met leren riemen vastgebonden.  Che vroeg om medische verzorging maar kreeg die niet.  Wel mocht hij een verband om zijn voet leggen zodat het bloedverlies ophield.  Kapitein Prado vroeg Che of hij kon lopen waarop Che ja antwoordde en hij liep geleund op één van de soldaten naar het dorp.  Er werd nog steeds geschoten in het ravijn.  Het gevecht eindigde omstreeks 15u30.  Het leger had het dorpsschooltje als hoofdkwartier ingericht.  Een klaslokaal werd de voorlopige cel van Che.  Hij merkte bitter op, dat er van een school een kazerne was gemaakt, en dat in landen zoals Cuba door de guerrillero’s scholen waren gemaakt van kazernes.  Het kostte hem een woedende vuistslag van Prado.

’s Nachts kon Che uiteraard de slaap maar moeilijk vatten.  De soldaten vierden hun historische vangst.  Hun dronken gebral hield iedereen wakker.  Willy zat in het lokaal ernaast en nog een andere gevangen genomen guerrillero, Juan Pablo Chang, werd iets verderop gevangen gehouden.  Che was er van overtuigd dat hij een proces zou krijgen. 

De volgende morgen, op 9 oktober kwam een helikopter toe met kolonel Zenteno Amaya en een CIA Agent Felix Ramos (wiens echte naam Felix Rodriguez luidde).  Rodriguez gaat het schooltje binnen waar Che zich bevind, bewaakt door 7 soldaten.  Hij zit neer op een bank met zijn rug tegen de muur en zijn handen samengebonden.  Rodriguez kijkt Che aan en houdt zijn gezicht op enkele centimeters van Che’s en vraagt hem: ‘Weet jij wie ik ben ?’.  Che spuwt in zijn gezicht en zegt: ‘Ik spreek niet met verraders.’ ‘s Morgens kwam een bevel via La Paz naar Vallegrande en de tekst was duidelijk: ‘Er mogen geen gevangenen zijn’.  Guevara moest worden geëxecuteerd.  Een proces zou deze ganse situatie in de wereldpers brengen en het kon mensen sympathie doen krijgen voor  Che’s zaak en voor Cuba.

Rond 10 uur brengt Rodriguez Che op de hoogte van het bevel.  Che lijkt het te begrijpen en zegt: ‘Het is beter zo, ik moest nooit levend gevangen genomen zijn...’ Voor Rodriguez naar buiten gaat geeft Che hem nog een boodschap voor Fidel en zijn kinderen mee.  Wie Che moest executeren zou beslist zijn door strootjes te trekken.  Mario Teran, trok aan het kortste eind en moest Che uit de weg ruimen. 

Che wilde met een volle maag sterven en kreeg rond de middag nog een licht middagmaal.  Als Teran omstreeks 13u het schooltje binnenkomt staat Che recht en zegt hij: ‘Ik weet waarvoor je gekomen bent en ik ben er klaar voor’.  Teran zegt dat Che terug moet gaan neerzitten en loopt naar buiten.  Ondertussen worden Willy en Juan doodgeschoten.  Als Teran voor de tweede maal binnenkomt bij Che staat Che terug recht en weigert hij neer te gaan zitten.  ‘Hiervoor wil ik rechtstaan’ verklaarde Che.  Ooit had Che geschreven: ‘Nog liever rechtstaand te sterven dan op de knieën verder te leven.’ Teran werd boos en zenuwachtig wanneer Che weigert te gaan neerzitten.  Che zegt hem: ‘Weet wat je doet, je gaat nu iemand vermoorden.  Doe het dan.  Schiet! Smeerlap.’ Met afgewende blik schiet Teran met zijn M 2 karabijn tot Che dood op de grond valt.  De Boliviaanse generaal Ovando vertelt dat Che, net voor hij stierf, zei: ‘Ik ben Che Guevara en ik heb gefaald’.

Guevara’s lijk werd de dag daarop naar Vallegrande, naar het “San Juan de dios”hospitaal gebracht om het daar tentoon te stellen aan de pers.  Vallegrande krioelde van journalisten, militairen en politieke leiders.  Zijn door kogels doorzeefde lichaam werd de ganse dag en nacht tentoongesteld.

 Terwijl internationale pers-magnaten tot 125.000 $ bieden voor het dagboek van Che, zorgen Boliviaanse revolutionairen ervoor dat copies ervan nog datzelfde jaar Cuba bereiken. 

Op 1 juli '68 wordt het dagboek in Cuba uitgegeven en gratis verspreid.  Samen met zijn andere geschriften krijgt dit dagboek een enorme invloed, zowel in Latijns’ Amerika als in de VS en West - Europa.  De theorie dat via guerrillastrijd op het platteland de macht in Latijns’ Amerika kan worden gegrepen, bestaande regeringen omver kunnen geworpen worden en lotsverbetering voor de arme massa’s kan worden bereikt, komt hiermee tot haar hoogtepunt.  De inhoud van Che’s Boliviaans dagboek veroorzaakt een internationaal schandaal over de manier waarop Bolivia en de VS krijgsgevangenen behandelen.  Het voorbeeld van Che, de meest “romantische” revolutionair van deze eeuw, inspireert sindsdien honderdduizenden jongeren over de hele wereld.


24 De plaatselijke spreektaal
25 Ravijn van Yuro