GESCHIEDENIS

 

In de buurt van de Straalse bossen werden archeologische sporen gevonden die verwijzen

naar bewoning in de Gallo-Romeinse periode. Men moet zich daar echter geen grote concentratie

van voorstellen. De definitieve kolonisatie valt echter te situeren in de Frankisch-Merovingische tijd

(5de-8ste eeuw). Toen immers ontkiemden Olmen en zijn kleinere gehuchten

(o.a. Gervoort, Gerheide, Heivoort, Germeer) als bescheiden landbouwnederzettingen van veetelers.
Sedert de annexatie van het markgraafschap Antwerpen bij het Hertogdom Brabant viel

Olmen op bestuurlijk vlak rechtstreeks onder de hertog van Brabant. In de Middeleeuwen was

Olmen een autonome heerlijkheid aan de oostgrens van het Hertogdom Brabant.

De hogere rechtspraak (hoge heerlijkheid) lag in 1397 rechtstreeks in handen van de Hertogen van Brabant.

In 1397 schonk Hertogin Johanna van Brabant de hoge heerlijkheid aan Aert van Crayenhem,

heer van Grobbendonk en Bouwel. Het dorp werd bestuurd door een schepenbank die ten hoofde

ging bij de bank van Zandhoven. Buiten het bestuurlijk kader van de heerlijkheid bestond er ook

een bestuursvorm op het niveau van het gehucht. Op elk van de voornaamste gehuchten

(Gervoort, Heivoort, Germeer, Gerheide) koos men ieder jaar een "borgemeester".

Buiten het innen van de belastingen, moest de borgemeester ook zoveel mogelijk oorlogslasten afweren.

Ieder van deze gehuchten bezat ook een schans waarop de bevolking kon vluchten als troepen naderden.
De dikwijls ingewikkelde verervingen en verkopen van de heerlijkheid waren gedurende eeuwen

verantwoordelijk voor de even ingewikkelde bestuursvorm van Olmen. In 1726 wist Christiaen van Huldenberg

het bestuur van Olmen sterk te vereenvoudigen door zowel het leenhof, de hogere rechtspraak

en het bezit van de heerlijke cijnzen en goederen onder zijn persoon te verenigen.
In 1288 stond Nicolaas van Olmen de tienden van Olmen af aan de abdij van Floreffe

en dit meer bepaald ten voordele van hun jonge landbouwstichting te Postel. De kerk en de parochie

werden bediend door de reguliere kanunniken van Postel. Tot in 1795 speelde de abdij van Postel

een belangrijke rol in Olmen, o.m. door de jaarlijkse inning van het tiende van de oogst.
De heren verbleven meestal buiten de gemeente. Door de afwezigheid van de heren nam de macht

van de lokale notabelen voortdurend toe. De belangrijkste families wisten alle ambten in hun familie te houden.

Een schoolvoorbeeld hiervan was Petrus Joannes Schooffs. Op het einde van de 18de eeuw was

hij in Olmen secretaris, notaris, grootgrondbezitter, rentmeester van de heer en rentmeester

van verscheidene andere grootgrondbezitters die buiten Olmen woonden. Dit lokte op het einde

van de 18de eeuw reactie uit van de opkomende Olmense burgerij en van de handelaars.

Met Francis Raeyen als woordvoerder voerden ze meer dan 10 jaar processen tegen het bestuur

van het dorp en tegen secretaris Schooffs, hetgeen Olmen haast onbestuurbaar maakte.

Tijdens de Franse bezetting schaarde Raeyen zich aan de kant van de bezetter en werd "maire".

Vanaf het Koninkrijk der Verenigde Nederlanden en na de Belgische onafhankelijkheid vestigden

de plaatselijke grootgrondbezitters en de grote boeren zich stevig in het dorpsbestuur.

Zij probeerden het dorp door het verharden van de wegen en het aanleggen van nieuwe verkeerswegen

te ontsluiten en zo handel naar het dorp te trekken. Dit lukte veel te laat tussen 1863 en 1877.
De crisis in de landbouw sloeg in die periode toe. Vele landbouwers moesten werk gaan zoeken in de industrie.

Zij trokken vooral naar de streek van Luik en naar Antwerpen. Ze bleven maanden van huis en moesten

de tocht vaak te voet doen. Inspanningen werden gedaan om de landbouw te moderniseren.

Modernisering werd echter maar algemeen door de komst van de Boerenbond.

In 1894 richtte pastoor Caerts in Olmen een Boerenbond op. De modernisering van de landbouw,

die niet leidde tot intensievere teelten, en een schaalvergroting konden de demografische groei niet opvangen.

Deze groei leidde tot emigratie en pendel naar nabijgelegen en verder afgelegen industriegebieden.

Vooral de fabrieken van Mol-Gompel en Balen-Wezel en de steenkoolmijnen van Limburg

verschaften veel werk aan de Olmenaars.
De fusie met Balen (1977) maakte een eind aan de eeuwenoude zelfstandigheid van Olmen.

Deze fusie, waardoor de plaatselijke politieke beslissingen elders worden genomen,

samen met de enorme maatschappelijke veranderingen in het laatste kwart van de 20ste eeuw

(ontkerkelijking, recente totale teloorgang van de landbouw, verloedering van het milieu, grotere mobiliteit)

hebben Olmen doen evolueren van een dun bevolkte, zandige landbouwgemeente naar

een groene residentiŽle woonzone. Het scharnier tussen beiden is de 19de-eeuwse industriŽle omwenteling

die de regio in meerdere opzichten uit zijn isolement bevrijdde.