|
|
|
|
|
Klik op de naam van de vogel waarvan je een afbeelding
wilt zien. Wil je vervolgens zijn zang horen, klik dan op de foto !
|
|
|
|
|
|
|
|
|
aalscholver
|
|
| Grootte |
lengte: 80-100 cm - spanwijdte:
130-160 cm |
|
| Biotoop |
Broedt op rotsrichels aan zee of in bomen
aan meren of kusten, plaatselijk in rietvelden of op grond.
Hoofdzakelijk kustvogel, maar is ook te zien in het binnenland,
dikwijls aan grote vijvers. |
|
| Kenmerken |
Grote, donkere watervogel die
zich hoofdzakelijk met vis voedt. Staat vaak met gespreide vleugels. Zwemt met
rechte hals en opwaarts gerichte kop; lichaam diep in water. Vliegt
laag in wig- of lijnformaties. Duikt naar vis. Rust vaak in grote
dichte groepen op zandbanken, rotsen, palen of in bomen. Maakt in
broedkolonies gakkende geluiden, elders is hij zwijgzaam. Nest van
zeewier, riet of twijgen; de nestbomen sterven af door uitwerpselen. Typisch
aan de aalschover is het drogen van de vleugels na een duik. |
|
| Trek |
Gehele jaar aanwezig. |
|
| Speciaal |
In China en Japan wordt de vogel reeds duizend jaar
getraind om voor de mens te vissen. De vogels worden daartoe aan
een lange lijn gehouden, met een halsband die het inslikken van de vis
belet. Aalscholvers zijn kundige vissers (duikvogels) en maken
duiken van 20 tot 30 seconden naar de bodem, tot een diepte van wel 8
meter. |
|
| Aantallen |
Sinds de invoering van jachtverboden
behoorlijk in aantal toegenomen en in de laatste jaren zijn nieuwe
kolonies ontstaan. Deze soort broedde niet meer in ons land
serdert 1965. Herinplantingspogingen leidden in 1990 tot succes
in het Zwin. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
(vis)arend
|
|
| Grootte |
lengte 55-69cm - spanwijdte 145-160cm |
|
| Biotoop |
Broedt in grote nesten in boomtoppen of masten, soms
ver van water. Typische nestplaatsen vindt men in dennen en sparren met
hoogzittende dode takken. Zijn nest (de horst), die bestaat uit
takken en gras, wordt elk jaar dat hij weer wordt gebruikt,
groter. |
|
| Kenmerken |
Na een geschikte prooi gevonden te hebben, vaak in
etappes afdalend om daarna met hoge snelheid en vooruit gehouden poten
in het water te storten, daarbij soms geheel onder het wateroppervlak
verdwijnend. De vogels vangen regelmatig vissen van ongeveer 2 kg. |
|
| Trek |
Op doortrek in april en in augustus-september. Soms
enige tijd pleisterend. Een paar exemplaren overzomerend en een enkele
keer ook overwinterend. |
|
| Speciaal |
In onze streken kunnen we de visarend zien bij
vijverranden in de periode rond mei en september als doortrekker naar
andere oorden. Als rust- en aasplaats zoeken ze dan een dode boom of
paal in het water op. Toch blijft de vogel nogal zeldzaam! |
|
| Aantallen |
Vrij algemeen op doortrek. (jaarlijks ca.
200ex) |
|
|
|
|
|
|
|
|
buizerd
|
|
| Grootte |
lengte: 51 - 57 cm -
spanwijdte: 113 - 128 cm |
|
| Biotoop |
Broedvogel nabij bossen, weilanden en akkers. |
|
| Voortplanting |
In het voorjaar kan men de buizerds goed observeren
tijdens de baltsvlucht (dan verleiden het mannetje en vrouwtje elkaar):
beide partners zweven dan met een luid klinkende 'hièèèh'-roep
boven hun territorium. De platte, omvangrijke horst (nest) wordt
gebouwd in oude naald- of loofbomen en is gevoerd met kleine twijgen,
varens, gras en mos. Ze broeden in april-mei op 2 à 3 eieren
gedurende een 30 à 35 dagen. De jongen blijven nog 40 à 49 dagen op
het nest. Het vrouwtje broedt alleen, maar wordt soms door het
mannetje afgelost. Door het verschil in grootte en voedselgebrek
sterven de kleinste jongen vaak. |
|
| Voedsel |
Muizen vormen zijn favoriete voedsel, maar daarnaast
vangt hij vogels, kleine zoogdieren, reptielen en amfibieën. De
buizerd zit graag op een niet te hoge uitkijkpost zoals een paaltje,
dikke aardkluit of lage tak van een alleenstaande boom, en loert
vandaar op zijn prooi, die hij in glijvlucht vangt. De vogel zweeft
ook vaak cirkelend boven zijn jachtgebied, met zijn scherpe ogen de
omgeving afzoekend naar prooi. Men kan de hem - vooral in de winter -
vaak langs de snelweg zien zitten waar hij speurt naar dieren, die
aangereden zijn. Eigenlijk is de buizerd niet echt een actieve
jager, het is eerder een luie vogel. |
|
| Kenmerken |
De buizerd is te herkennen aan zijn gedrongen
lichaamsbouw, ronde kop en relatief korte, brede staart met een reeks
dwarsbandjes. Zijn kleur is erg variabel, gaande van wit tot
donkerbruin. De bovenzijde is meestal bruin, de onderkant lichter met
donkere langs- en dwarsstrepen. Geslachten zijn gelijk hoewel de
vrouwtjes doorgaans iets groter zijn. Hij vliegt langzaam, met
moeizame en stijve vleugelslagen. Bij het zweefvliegen worden de
vleugels naar voren en omhoog gehouden met opwaarts gerichte grote
slagpennen en uitgespreide staart. De compacte indruk wordt dan nog
versterkt door de brede ingetrokken kop. Bij een glijvlucht zijn de
vleugels vlak, met achterwaarts gerichte grote slagpennen. |
|
| Trek |
De buizerd kan je het gehele jaar te zien krijgen.
Jonge vogels trekken deels weg, de oude vogels zijn standvogels. Vele
buizerds uit Noord- en Oost-Europa komen als wintergast naar onze
streken. |
|
| Aantallen |
In sommige streken had de myxomatose (=ziekte) onder
konijnen ernstige gevolgen voor de stand van de buizerds, maar de
belangrijkste oorzaak van hun achteruitgang in de jaren zestig was het
gebruik van pesticiden zoals DDT. Zijn vooruitgang is te danken aan
beschermende maatregelen en vermindering van het gebruik van
pesticiden. Momenteel zijn er meer dan 4000 broedparen in België en
Nederland. De
Gasthuisbossen en de Palingbeek zijn plaatsen waar de broedende koppels
vaak zitten. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
duif
|
- Duiven nemen een unieke positie in onder vogels, omdat ze een speciale
brij maken waarmee ze hun jongen voeren. Deze brij, die sterk
overeenkomt met de melk die zoogdieren produceren, wordt duivenmelk
genoemd. Duivenmelk is een perfect vervangingsmiddel voor de
insekten die andere vogels aan hun jong voeden om voldoende eiwitten
binnen te hebben (voor de groei). Hierdoor zijn duiven dus ook
niet zo strikt aan een seizoen gebonden. Hun broedseizoen beslaat
dan ook meerdere maanden, hoewel de tijdstippen waarop andere
voedselvoorraden beschikbaar komen, best van invloed kunnen zijn.
- Vier van de vijf Europese duivensoorten broeden bij ons: de holenduif,
de houtduif, de Turkse tortel en de tortelduif. Deze laatste soort
wordt steeds zeldzamer en overwintert in Afrika. De andere drie soorten
zijn gedeeltelijk standvogels en worden hieronder besproken.
|
|
|
holenduif
|
| Biotoop |
Bossen en oude parken met holle bomen
(liefst oude nesten van zwarte
specht ) nabij akkers en weilanden. |
|
| Kenmerken |
Het geluid van de holenduif is niet meer
dan een herhaald 'hoe-hoe-hoe'. Soms klinkt het erg dof als
'hoemp-hoemp'. Zoekt vaak met de houtduif zijn voedsel op
velden. De holenduif
heeft een groene vlek op de zijhals en heeft op de vleugel twee korte
zwarte strepen. Het voedsel van de holenduif bestaat uit zaden, graan, bessen, eikels
en dergelijke. |
|
| Voortplanting |
Broedt in konijnenpijpen of oude
spechteholen,
kliffen, gaten van stenen muren. Een enkele keer ook op de grond. Bij
veel nestgelegenheid soms broedend in kolonies. Er worden 2 tot 3 eieren gelegd en de broedtijd bedraagt 16 tot 18
dagen. De jongen vliegen na drieëneenhalve week uit, maar komen
er wel terug om te rusten. |
|
| Trek |
Gehele jaar te zien in gehele land. |
|
| Aantallen |
Niet bedreigd. Minder talrijk dan hout- en
stadsduiven. |
|
|
|
|
|
houtduif
|
| Grootte |
lengte 40-42cm - spanwijdte 75-80cm. Het is
de grootste duif die we kennen. |
|
| Biotoop |
Bossige streken nabij open gebieden, ook in
stadsparken en tuinen. |
|
| Kenmerken |
Het koeren van de houtduif bestaat uit een
5-delig 'Roe-koe-koe koe-koe' Waarbij een kleine pauze bestaat tussen
de derde en vierde 'koe'. Lijkt enigszins op de Turkse tortel, maar
die kent een 3-delig geluid 'Roe-koe koe'. Klapt bij opvliegen en
landen met vleugels. Eet bessen, zaden en knoppen. In de herfst vormen
beukenootjes en eikels het belangrijkste voedsel. Zoekt vooral 's
morgens en 's avonds ook op akkers en velden naar voedsel. Voedt de
jongen met de zogenaamde 'duivenmelk': een papje dat aangemaakt wordt
in de keel van de oudervogels. Houtduiven vallen bij de vijver direct op, omdat ze 'gewoon' kunnen
drinken. Ze hoeven niet elke keer hun kop omhoog te gooien om het water
in de snavel naar beneden te laten glijden. |
|
| Trek |
Gehele jaar te zien. In de winter arriveren
soms noorderlijke vogels, vooral in jaren met een overvloedige
beukennootjes-oogst. |
|
| Speciaal |
De houtduif is een vogel die in België overvloedig voorkomt. Dat was
wel eens anders, want in het verleden werd er flink op hem gejaagd. Duif
stond zeker in het najaar geregeld op het menu. Dat heeft natuurlijk
alles te maken met het feit dat het een flinke vogel is.
De houtduif is het favoriete kostje van de havik.
In landbouwgebieden wordt de houtduif als schadelijk gezien omdat ze
in sommige gewassen (bv kool en andere wintergewassen) een aanzienlijke
schade kunnen aanrichten in strenge wintermaanden.
|
|
| Aantallen |
Talrijkste en wijdst verspreide duif. Niet
bedreigd, al loopt het aantal broedparen wel terug. |
|
|
|
|
|
Turkse tortel
|
| Grootte |
lengte 31-33cm - spanwijdte 47-55cm |
|
| Biotoop |
Stadsparken en tuinen. Broedt zelden verder dan 1km van
menselijke achtiviteiten, in tegenstelling tot de zomertortel, die
deze plaatsen liever wat mijdt, maar
is toch schuwer en voorzichtiger dan de houtduif. Vroeg in de herfst zijn zwermen van deze vogels te vinden op gemaaide
korenvelden en boerderijen waar het graan wordt verwerkt. |
|
| Kenmerken |
De geschiedenis van de Turkse tortel is een
succesverhaal! Dat er in de jaren 50 speciale bustochten ondernomen
werden om deze duif in onze streek te bezichtigen, is vandaag de dag
moeilijk te geloven. Nu kan me de Turkse tortel in iedere maand van jaar broedend
aantreffen. Ieder jaar brengt een paartje wel vier, vijf of
misschien wel meer legsels groot. |
|
| Trek |
Gehele jaar aanwezig. |
|
|
|
|
|
|
eend
|
- Eenden kan je in 2 groepen indelen.
zwem- of grondeleenden
|
duikeenden
|
| Hun poten pedelen over het water, ze drijven en dobberen
over het wateroppervlak. Grondeleenden springen recht uit het
water omhoog wanneer ze willen vliegen.
Vb.: tafeleend, slobeend, bergeend |
Duikeenden trappelen eerst wat over het
water voordat ze opvliegen.
Vb.: kuifeend |
- Het verenkleed van de eend is waterdicht gemaakt met een soort olie
uit de stuitklier. De vogel is hierdoor goed geïsoleerd tegen water en
koude.
- Het verenkleed van de mannelijke eend is dikwijls verschillend met dat
van de vrouwelijke eend (vb. bij wilde eend). Dit is echter niet
altijd zo (vb. bij bergeend).
- De meest voorkomende eenden worden hieronder uitgebreid besproken.
|
|
bergeend
|
| Grootte |
lengte: 58-71cm - spanwijdte: 110-133cm |
|
| Biotoop |
Broedt aan zeekusten (duinen en vlakke zandstranden),
grote meren en rivieren, zoetwatermeren en bij moddervlakten, bij
voorkeur in open onbegroeide gebieden. Zoekt meestal in ondiep water
eten, maar ook op schorren en akkers. Weekdieren vormen de hoofdschotel van hun menu waarbij het wadslakje
de voornaamste plaats inneemt. |
|
| Kenmerken |
Middelgrote, gansachtige eend met bont verenkleed.
Lichaam plomp, hals en poten lang. Vleugels lang en nogal puntig. Wit
met donkergroene kop. Bloedrode snavel, bij volwassen mannetje tijdens
broedtijd met opvallende knobbel. Brede kastanjebruine borstband.
Vrouwtje gemiddeld iets kleiner dan mannetje, met kleinere
snavelknobbel. Nestelt meestal in grondhol, gewoonlijk van konijnen,
zelden in boomhol of onder gebouwen. Het snateren van de Bergeend gaat
met een tempo dat veel hoger ligt dan het snateren van de wilde eend.
Eigenaardig geluid. |
|
| Voortplanting |
Hoewel
alleen het vrouwtje broedt, is het mannetje nooit ver weg. De
jonge bergeenden vormen groepjes die door een aantal volwassenen
('tantes') verzorgd worden. Intussen zijn de ouders al vertrokken
naar andere oorden om te overwinteren. |
|
| Trek |
Trekvogel in Noord- en Oost-Europa. Overwintert in
Middellandse Zeegebied. |
|
| Aantallen |
Niet bedreigd. |
|
|
kuifeend
|
| Grootte |
lengte: 40 - 47 cm
spanwijdte: 67 - 73 cm |
|
| Biotoop |
De kuifeend houdt van allerlei wateren met rijke
oevervegetatie. Je ziet ze vaak op grote meren en diepe sloten. De
kuifeend nestelt in dezelfde soort gebieden als de tafeleend,
maar daarnaast ook op drogere terreinen, mits de afstand tot water
niet al te groot is. |
|
| Voortplanting |
Na de paring neemt de woerd een karakteristieke houding
aan, met de snavel omlaag. De 6 à 10 eieren (tot 18 als twee wijfjes
hun eieren in één nest leggen) worden in 23 à 26 dagen uitgebroed.
Jonge kuifeenden zoeken direct het water op en kunnen binnen enkele
uren duiken. Na 6 weken zijn ze vliegvlug. |
|
| Voedsel |
Kuifeenden eten meer dierlijk voedsel en duikt dieper
dan tafeleend. |
|
| Gedrag |
De woerd maakt een zacht fluitend, de eend een grommend
geluid. |
|
| Kenmerken |
Zelfs van grote afstand is de woerd herkenbaar aan zijn
sneeuwwitte flanken en witte vleugelstreep. Van dichtbij vertoont de
kop een paarse glans en een afhangende kuif. In de vlucht hebben beide
geslachten langere en puntiger vleugels dan de tafeleend. |
|
| Trek |
De kuifeend is een tamelijk talrijke broedvogel van
onze streken, maar in de winter zijn ze massaal aanwezig. |
|
| Aantallen |
De kuifeend is de afgelopen 30 jaar enorm in aantal
toegenomen. Zelfs in allerlei vijvers in parken is het een
algemeen voorkomend dier, dat met de wilde eend om het brood van de
wandelaars wedijvert. De oorzaak hiervan is mogelijk het grote
aanpassingsvermogen van de kuifeend aan de veranderde
milieuomstandigheden, met name in verkavelde gebieden. |
|
|
tafeleend
|
| Grootte |
lengte: 42 - 49 cm - spanwijdte: 72 - 82 cm |
|
| Biotoop |
Tafeleenden broeden aan vegetatierijke meren met open
water en aan ondiepe moerassen met rijke oever- en onderwatervegetatie
in vele delen van Europa. |
|
| Voedsel |
Hij eet vooral zaden, bladeren, wortelstokken,
schaaldiertjes, wormen en insecten. Dit wordt hoofdzakelijk door
duiken (1 à 2 m diep) verzameld. Voor ze duiken maken ze een
sprongetje. |
|
| Voortplanting |
De tafeleend kiest zijn broedplaats zeer zorgvuldig:
hij zoekt een open stuk water zonder drijfplanten, maar rijk aan
voedsel biedende ondergedoken planten. Het nest bestaat uit een met
riet en bladeren beklede kom in de grond of een platform van planten,
opgebouwd op een drassige ondergrond. In beide gevallen is het nest
met dons gevoerd. De eieren zijn groenachtig grijs en een legsel
bestaat meestal uit 6 à 12 eieren. Het wijfje broedt gedurende 3
weken. De jongen zijn zwartig bruin van boven en groenig geel van
onderen. Ze verlaten het nest direct en kunnen na ca. 8 weken vliegen. |
|
| Gedrag |
De tafeleend vliegt moeizaam uit het water op en neemt
daarbij een lange aanloop. Eenmaal in de lucht is hij snel.
Tafeleenden vormen tijdens de trek vaak grote zwermen, vaak in het
gezelschap kuifeenden. De tafeleend is een tamelijk zwijgzame soort;
het meest hoor je nog het scherpe 'kerr' van het wijfje. |
|
| Kenmerken |
Bij de woerd (mannelijke eend) zijn de steenrode kop,
de zwarte borst en de grijze rug kenmerkend. De eend is vaalbruin, met
een lichte koptekening en lichte strepen op rug en flanken. Deze
duikeend is in vlucht te onderscheiden van de overige duikeenden door
de grijze - niet witte - vleugelstreep. |
|
| Trek |
Tafeleenden zie je bij ons het gehele jaar, maar de
meeste tijdens de winterperiode vanaf september tot en met maart. |
|
| Aantallen |
De tafeleend is deze eeuw in Noordwest-Europa sterk in
aantal toegenomen. |
|
slobeend
|
| Grootte |
lengte: 49 - 52 cm -
spanwijdte: 70 - 84 cm |
|
| Biotoop |
De voorkeur van de slobeend gaat uit naar
duinmeren en laaggelegen streken met drassige weiden en kleine,
ondiepe, voedselrijke sloten, weilanden en moerassen. Ze komen het
gehele jaar voor in het kustgebied. |
|
| Voedsel |
Het opvallendste kenmerk van de slobeend is
zijn grote, spatelvormige snavel, die hij op de typische manier van
een grondeleend gebruikt voor het uitzeven van voedseldeeltjes uit
grote hoeveelheden water. Aan de binnenkant van de snavel bevinden
zich talloze kamvormige uitsteeksels, waarachter het voedsel blijft
steken als het water er doorheen stroomt. Slobeenden zijn echte
alleseters. Ze eten kleine kreeftachtigen, slakjes, insecten,
insectenlarven, kikkervisjes en zaden en knoppen van waterplanten als
riet en algen. |
|
| Voortplanting |
Het nest is zoals bij de meeste van zijn
verwanten, een met gras, veren en dons gevoerde ondiepe kom in de
grond. De 7 à 14 lichtgroene eieren worden vanaf eind april gelegd en
in circa 25 dagen uitgebroed. De jongen verlaten het nest direct na
het uitkomen en vertonen al snel tekenen van de ontwikkeling van een
enorme snavel. Na 6 à 7 weken kunnen ze vliegen. |
|
| Gedrag |
De slobeend is een zwijgzame vogel. Het
mannetje laat in de baltstijd een gorgelend 'groh-groh' horen, de
vrouwtjes een twee-lettergrepig kwaken. |
|
| Kenmerken |
De slobeend kan je altijd herkennen aan
zijn typische snavel, die donker is van kleur en van voren
spatelvormig verbreed. De vogel lijkt door zijn snavel erg zwaar te
zijn. De woerd (mannetje) heeft een glanzend groene kop, de borst is
wit en de buik kastanjebruin. Het is de enige zwemeend met een
lichtgele iris. De mannetjes verlaten de broedplaats al eind mei begin
juni en ruien(verliezen van veren) dan naar een ander kleed. Dan heeft
de woerd lichtere vleugels dan de eend, maar een donkerder rug. In
vlucht hebben beide geslachten een blauwe schouder, witte
vleugelstreep en groene spiegel. De kop en het lichaam van het wijfje
zijn bruin met gespikkelde onderdelen. |
|
| Trek |
Slobeenden kan je het gehele jaar
waarnemen. De meeste zie je echter vanaf maart tot in de zomer
(broedparen); de minste zie je in de winterperiode. In het najaar
trekken deze vogels naar Zuid-Europa en Noord-Afrika. De broedvogels
van Noord-Europa overwinteren in West-Europa. |
|
| Aantallen |
De slobeend is in België een zeldzame
broedvogel. |
|
wilde eend
|
| Grootte |
lengte: 51 - 62 cm -
spanwijdte: 91 - 98 cm |
|
| Biotoop |
Zowel in de stad als op het platteland is
de wilde eend de meest algemene eendensoort van onze streken. Hij
voelt zich in parken thuis, maar ook in afgelegen, rustige wateren,
moerassen, meren, sloten in akkers en weilanden. |
|
| Voortplanting |
Het meestal goed verborgen nest wordt van
plantdelen gemaakt en met dons gevoerd. Het bevindt zich meestal op de
grond, maar ook wel in bij het water staande bomen. Nesten in knotwilgen
en holle bomen zijn gewoon, en ook zijn er geregeld nesten in of bij
bouwwerken waargenomen. De gewoonlijk 7 à 12 lichtgroene eieren
worden soms al eind maart gelegd en door het wijfje in circa 4 weken
uitgebroed. Ze verzorgt de jongen meestal alleen en deze zijn na twee
maand vliegklaar. |
|
| Voedsel |
Met zijn brede, platte snavel zeeft hij
allerlei klein plantaardig en dierlijk materiaal uit het water. Hij
zoekt zijn voedsel ook ver van water, bijvoorbeeld op stoppelvelden. |
|
| Gedrag |
In de stad is het een echte cultuurvolger,
die zich graag door de mens laat voeren, terwijl het in natuurgebieden
vaak een zeer schuwe vogel is. De wilde eend kan met krachtige
vleugelslag recht uit het water opstijgen. Zijn van vliezen voorziene
zwempoten staan ver naar achteren, zodat hij zich op het land
schommelend voortbeweegt. Het wijfje maakt het kwakende geluid dat de
mens met eenden associeert. De woerd heeft soms echter ook een zachte,
hees klinkende roep, met name als hij gealarmeerd is. In vlucht hoor
je het fluitende vleugelgeluid. |
|
| Kenmerken |
Het mannetje heeft een glanzend groene kop,
een witte halsband, een kastanjebruine borst en gekrulde zwarte veren
aan de staart. Met zijn ruime halve meter is hij in onze streken de
grootste grondeleend. Tijdens de najaarsrui onderscheidt de woerd zich
door zijn gele snavel van het vrouwtje. Veel exemplaren tonen
opvallende kleurafwijkingen door vermenging met gekweekte vormen en
zijn soms moeilijk te herkennen. |
|
| Trek |
Wilde eenden zijn geen standvogels, in
tegenstelling tot wat velen zouden denken. De mannetjes trekken al in
mei-juni naar hun ruigebieden, de vrouwtjes en jongen in
juli-augustus. Broedvogels uit onze streken trekken evenwel niet al te
ver. In oktober-december arriveren hier grote aantallen uit Scandinavië
en Noordwest-Rusland. |
|
| Aantallen |
Ondanks de intensieve jacht blijft de wilde
eend onze meest voorkomende eendensoort. |
|
|
|
Wens je
meer over eenden te weten, klik dan op deze link:
http://www.kinderenwebhotel.be/boerderij/images/eend/eend.htm
|
|
|
|
|
|
(gewone) ekster
|
|
gewone ekster
|
| Grootte |
lengte 44-48cm |
|
| Biotoop |
Overal in open en halfopen landschap met
dicht struweel of hoge bomen, ook cultuurvolger (=bij de mens). |
|
| Kenmerken |
De gewone ekster is een zwart-witte vogel
met lange staart. |
|
| Gedrag |
Eksters zijn berucht als 'rovers' van
eieren en jonge vogels. Een paartje kan men soms heggen en
bosjes zien afzoeken, begeleid door protesterende vogeltjes.
Eksters zijn zeer waakzaam tegenover mensen en alarmeert luidskeels
voor roofvogels, katten en andere vijanden.
Ze zoeken hun voedsel hoofdzakelijk op de grond en vertonen net
zoals de meeste andere kraaiensoorten een diepgaande interesse voor
glimmende voorwerpen. Vandaar de verhalen over 'stelende'
eksters. De ekster is echt de kwajongen onder de vogels (sluwe
vogel).
|
|
| Voortplanting |
De ekster broedt in hoge bomen in een
koepelnest (= nest met een dak op). Het nest bevat vier tot acht
eieren die alleen door het vrouwtje bebroed worden, terwijl het
mannetje haar voert. |
|
| Trek |
Gehele jaar door te zien. |
|
| Aantallen |
Sterk toegenomen de laatste jaren bij
gebrek aan natuurlijke vijand (bv. havik), zeker
niet bedreigd. |
|
|

scholekster
|
| Grootte |
lengte 40-45cm - spanwijdte
80-86cm |
|
| Biotoop |
De scholekster broedt van de Noordkaap tot
in het Middellandse Zee-gebied. Scholeksters broeden in de duinen, in
weilanden, op akkers en zelfs op daken. Ze kunnen op daken broeden
omdat de jongen door de oude vogels worden gevoerd. De vogel broedt
het liefst op nagenoeg kale of met kort gras begroeide open vlakten.
Wat betreft de temperatuur die heerst in het gebied is de 'bonte piet'
niet erg kieskeurig. Zolang ijs ontbreekt, is het de vogel allemaal
best. De scholekster is van oorsprong een kustvogel. De laatste
twintig jaar heeft deze vogeL zich aangepast aan het leven op de
landbouwgronden in het binnenland. |
|
| Kenmerken |
Zeer luidruchtig, ook 's nachts. Alarmeert
hardnekkig en achtervolgt kraaien, meeuwen en andere vogels bij zijn
nest.
Toont merkwaardig gedrag meestal aan randen van territoria door in
kleine groepjes (4 à 8) met naar beneden gerichte koppen opgewonden
heen- en weerlopend lange trillers te laten horen. Scholeksters eten
allerlei soorten schelpdieren en wormen. De vogel kan met zijn sterke
snavel de grootste mossels en kokkels open krijgen. De snavel van een
scholekster is zeven tot acht centimeter lang. In principe kan de
vogel dan ook zijn voedsel tot die diepte oppikken. Het zou echter te
veel tijd en energie kosten om de prooien van die diepte te halen en
het liefst pakt de scholekster dan ook grote prooien die minder diep
liggen. Ook voor het openen van schelpen wordt vooraf nagegaan of het
open hakken de moeite waard. De snavel slijt snel door het gepik.
Dagelijks groeit deze dan ook ongeveer een halve millimeter aan.
|
|
| Voortplanting |
Scholeksters leggen vier eieren, met een
dag tussen elk ei. Vervolgens komen, vier weken later, de kuikens ook
één voor één uit. Wanneer er drie kuikens uitgekomen zijn, wordt
het laatste ei niet meer uitgebroed en besteden de oudere dieren alle
aandacht aan de kuikens. Ze verzorgen de kuikens bijna twee maanden
lang. In die tijd worden de jongen vliegklaar en leggen ze een eerste
vetvoorraadje aan voor de winter. De kuikens die eind augustus halen,
zijn in principe zelfstandig, maar krijgen zo nu en dan nog wat
voedsel van hun ouders aangereikt. In oktober is de zorg voor de
jongen helemaal afgelopen en gaan de ouders werken aan hun eigen
vetvoorraad voor de winter. Ook gedurende het broedseizoen zullen de
ouders zichzelf niet compleet uitputten voor hun jongen, ze willen fit
genoeg blijven om het volgende jaar weer voor nageslacht te kunnen
zorgen. |
|
| Trek |
In het winterhalfjaar trekken ze vanuit de
noordelijke streken naar zuidelijke gebieden om de winter door te
komen. |
|
| Aantallen |
Talrijke broedvogel. |
|
klapekster
|
| Grootte |
lengte 24cm |
|
| Biotoop |
Klapeksters zijn vogels van ruige, vaak
licht beboste open terreinen. In België wordt vooral gebroed op
heidevelden, hoogvenen en kap- of stormvlaktes in het bos. Het voedsel
bestaat hoofdzakelijk uit woelmuizen en kevers. |
|
| Kenmerken |
De klapekster eet insecten, knaagdieren en
kleine vogels. Slaat een reservevoorraad op door zijn gevangen prooi
op doornen of punten van takken te spietsen in geval van slecht weer. |
|
| Trek |
Klapeksters uit noordelijker streken
overwinteren in ons land, maar de eigen broedvogels trekken niet ver
weg. |
|
| Aantallen |
De oorzaak voor de afname van de klapekster
ligt grotendeels in de ontginning of bebossing van grote oppervlakten
'woeste gronden'. Ook de toenemende recreatie heeft een negatieve rol
gespeeld. Uitwijken naar het steeds natuur-onvriendelijker boerenland
was geen alternatief. Tot voor kort werd hier overigens wel
overwinterd, maar ook daaraan lijkt inmiddels een eind te zijn
gekomen. . |
|
|
|
|
|
|
fazant
|
|
| Grootte |
lengte 53-89cm - spanwijdte 70-90cm. Het
lijf is vergelijkbaar in grote met dat van een flinke kraai. |
|
| Biotoop |
Open bossen, bouwland, tussen het struikgewas. De
nesten zijn niet veel meer dan wat plantenmateriaal en een paar
veren. Men vindt ze tussen kreupelhout, onder struiken en aan
bosranden. |
|
| Kenmerken |
Het mannetje herkennen we aan de kleurrijke lange
staart en het vrouwtje aan de schutkleur, zij is namelijk een
grondbroeder en moet dus goed te verbergen zijn. De fazant kent
als geluid een metaalachtige serie rauwe kreten. Doet je nogal eens
verschieten tijdens je wandelingen door opeens vanuit een struik op te
fladderen en luidskeels te kraaien. Maakt daarbij met zijn vleugels
een hels lawaai. Vliegt wel niet ver, hij landt meestal een paar meter
verderop. De fazant is niet inheems. Hij wordt vaak voor afschot
uitgezet door jagers. Dat is misschien leuk voor de jagende medemens,
maar de fazanten richten daarbij enorme schade aan. Ze pikken namelijk
naar alles wat beweegt en laten meestal een slachtveld na bij de
plaatselijke amfibieën. In de lente eten ze graag malse
opgeschoten gras- en graansprieten, maar 's zomers schakelen ze over
op graankorrels en andere zaden, aangevuld met wat dierlijk
voedsel. In de winter bestaat het menu in hoofdzaak uit bessen,
eikels en beukenootjes. |
|
| Trek |
Gehele jaar te zien |
|
| Aantallen |
Niet bedreigd. Veel fazanten worden door de mens
gefokt om het natuurlijk bestand aan te vullen, maar in geschikte
gebieden broeden ze ook in het wild. Van alle hoenderachtigen heeft de
fazant wellicht het grootste verspreidingsgebied. Dit komt
doordat hij in de 18de eeuw in Europa werd uitgezet voor de jacht. |
|
|
fuut
|
|
| Grootte |
lengte 41-51cm - spanwijdte 85-90cm.
Kleiner en slanker dan een wilde eend. |
|
| Biotoop |
Broedt aan open, stilstaand, zoet water, soms in losse kolonies. De
laatste jaren ook in stadsvijvers en grachten. De fuut overwintert op
grote meren en op zee in groepen van soms enkele honderden of
duizenden exemplaren.
|
|
| Voortplanting |
Paren zwemmen bij de verleidingsdans borst tegen borst met
opgezette halsveren, strekken zich op het water uit ('pinguindans') en
doen aan 'schijnpoetsen'. Soms geven ze in deze gestrekte houding
planteresten door aan elkaar of schudden met de kop. In het voorjaar
zijn futen erg luidruchtig. Het nest bestaat uit een eenvoudige hoop
waterplanten en ligt verankerd. Wanneer een ouder het nest verlaat ,
worden de eieren afgedekt met wat fijn plantaardig materiaal. De
langwerpige, witachtige eieren (meestal een viertal), komen na drie à
vier weken uit. De jongen zijn opvallend gestreept. Ze piepen schril
als ze naar de ouders zwemmen om met insecten of vis te worden
gevoederd. Na 10 weken zijn ze zelfstandig.
|
|
| Voedsel |
Futen eten waterdieren. Om deze te vangen duiken ze
onder en achtervolgen ze hun prooi. |
|
| Kenmerken |
In vlucht slank, langgerekt silhouet met de voor alle
futen kenmerkende snelle vleugelslag. Het lijkt bijna alsof de kleine
vleugeltjes moeite hebben om het lijf van de vogel in de lucht te
houden. De poten van de fuut staan meer naar achter dan bij de
eend. Dit is om beter te kunnen duiken. De grote, witte dekveren zijn erg opvallend. In het
winterkleed zijn de witte kop en de lange hals kenmerkend voor de
fuut. Zomerkleed is onmiskenbaar door de dubbele kuif en de kraag op
de kop. |
|
| Trek |
Gehele jaar talrijk. Maar ons land wordt ook gebruikt
als overwinterverblijf van futen uit het noorden, van september tot
oktober. In maart-april, soms al in januari, arriveren ze op
broedplaatsen in het binnenland. |
|
| Aantallen |
Vrij algemene broedvogel en wintergast. Toen het een
eeuw geleden mode was de veren van de fuut voor dameshoeden te
gebruiken, dreigde de soort in sommige landen uit te sterven. Zijn
bescherming heeft echter weer tot een grote populatie geleid. |
|
|
gans
|
|
|
|
brandgans
|
| Grootte |
lengte 58-70cm - spanwijdte
132-145cm. Klein en onmiskenbaar, contrastrijk zwart-grijs en wit
getekend. |
|
| Biotoop |
Grazend op moddervlakten en weilanden. |
|
| Kenmerken |
Luidruchtig in vlucht. |
|
| Trek |
Gehele jaar te zien, doch in zeer
kleine aantallen in juli-augustus. Meeste in december-februari. |
|
| Aantallen |
Niet bedreigd. |
|
|
grauwe gans
|
| Grootte |
lengte 75-90cm - slagwijdte
147-180cm. Grote massieve gans. |
|
| Biotoop |
Halfopen moerassen met rijke oevervegetatie. Broedt in
moerassen en bij meren. |
|
| Kenmerken |
Deze gans haar broedgebied ligt het zuidelijkst van
alle ganzen. In Europa op veel plaatsen uitgezet. |
|
| Trek |
Wij kennen de grauwe gans als trekvogel en wintergast. |
|
|

rietgans
|
| Grootte |
lengte 66-68cm -
slagwijdte 147-175cm. Wisselend, iets kleiner dan grauwe gans. |
|
| Biotoop |
In de noordelijke gebieden valt deze gans op doordat
hij als enige soms in dichte berkenbossen nestelt. Verder nestelen ze
op opener terrein. Als wintergast bij ons bezoeken ze in kleine
groepen velden, rivierbeddingen en soms kustmoerassen. |
|
| Kenmerken |
Roept minder vaak dan andere ganzen. Wanneer van
achteren gezien, in groep kolganzen snel te vinden door opvallende
lichte randen aan de veren. Er zijn twee ondersoorten, die ook wel als
aparte soorten worden beschouwd. Namelijk de taigarietgans en de
toendrarietgans. Toendrarietgans broedt verder noordelijk dan
taigarietgans. |
|
| Trek |
Toendrarietgans overwintert op graslanden bij de kust
en is in Nederland te zien van november tot februari. Taigarietgans
overwintert meestal op stoppelvelden in het binnenland. Deze zijn te
zien vanaf oktober tot maart. |
|
| Aantallen |
Het aantal taigarietganzen die overwinteren beginnen af
te nemen. |
|
|
kolgans
|
| Grootte |
lengte 65-78 cm - spanwijdte 130-165cm.
Kleiner dan grauwe gans. |
|
| Biotoop |
Hij broedt op eilanden, rivieren of op hogere delen in
moerassen. |
|
| Kenmerken |
De meeste Europese kolganzen komen uit het noorden van
Rusland, maar ook de Groenlandse ondersoort is een zeldzame wintergast
in onze streken. Hij leeft van bladeren, wortels en zaden. |
|
| Trek |
Te zien vanaf oktober tot en met maart als wintergast. |
|
|
|
|
|
|
havik
|
|
| Grootte |
lengte 48-61cm -
spanwijdte 98-117 cm. |
|
| Biotoop |
Uitgesproken bosbewoner; bij voorkeur in
niet te dicht naaldhout. Ook in buitenwijken van steden met veel bomen. |
|
| Kenmerken |
Opvallend verschil tussen het vrouwtje (zo groot als een buizerd)
en het mannetje (ongeveer een derde kleiner). Geslachten hebben een
verschillend kleur: bovenzijde bij mannetje grijsbruin, bij
vrouwtje leigrijs, onderdelen bij volwassen vogels in strepen, bij
jonge vogels met donkerbruine druppeltekening.
Het vliegbeeld wordt gekenmerkt door de relatief korte, afgeronde
vleugels en lange staart, die bijna nooit gespreid wordt gehouden.
Vleugelslag sneller dan die van de buizerd (doch langzamer en
krachtiger dan sperwer). Na 4-5 vleugelslagen een korte glijpauze.
Circelt wat meer onvast en op geringere hoogte dan sperwer. Circelt
bij goede termiek (= wind vanaf de grond) echter ook hoog, zonder vleugelslagen. In het begin
van de broedtijd vliegt het paar hoog in de lucht en laat vervolgens
een bliksemsnelle duikvlucht zien, gevolgd door een bijna loodrecht
opstijgen met aangelegde vleugels.
|
|
| Jacht |
Meestal in bos jagend, snel en krachtig. Jachtvlucht in open
landschap vlak boven de grond. Soms zelfs als velduil vliegend, met
stijve langzame vleugelslagen. Zeer veelzijdige voeding van grote
hoenderachtigen of hazen tot goudhanen en muizen. Het grotere vrouwtje
bemachtigt meer grote zoogdieren en vogels, het kleinere mannetje is
een echte vogeljager (duiven, gaaien en lijsters). Tijdens de jacht
bereikt de havik in zeer korte tijd de hoogste snelheden. De prooi
wordt meestal tijdens het eerste moment van verrassing overrompeld en
geslagen.
|
|
| Nest |
De horst (het nest) bevindt zich in de
kruin van hoge bomen aan de bosrand of bij open plekken. Elk paar
beschikt over verscheidene horsten, waartussen het van jaar tot jaar
wisselt. Broedtijd tussen eind maart en eind april. Grootte van het
nest varieert van 2 tot 5 eieren; broedduur 35-40 dagen; nestperiode
jongen 36-40 dagen. Alleen het vrouwtje broedt; het mannetje brengt
voedsel. |
|
| Trek |
Binnenkort wellicht broedvogel. |
|
| Aantallen |
In het verleden zeer ernstig bedreigd,
vooral door pesticiden. Maar ook, en nog steeds, rechtstreeks door de
mens. |
|
|
(Europese) kanarie
|
|
| Grootte |
lengte 11cm |
|
| Biotoop |
Houdt van een wisselend landschap en voelt
zich goed in een schakering van landbouwgrond, bos en
stad. |
|
| Kenmerken |
Is nauw verwant aan onze tamme kanarie, hun
zang lijkt er ook fel op. Ze leven vaak paarsgewijs of in kleine
groepen. Hij eet zaden van bomen, grassen en kruiden. |
|
| Trek |
Te zien van maart tot september-oktober. |
|
| Aantallen |
Sinds 1965 sterk in aantal achteruitgaand. |
|
|
kauw
|
|
| Grootte |
lengte 33cm De kauw is onze kleinste
kraaiachtige. Kraaiachtigen (kraaien, eksters en gaaien) zijn grote
zangvogels die zich goed hebben aangepast aan de veranderingen in ons
leefmilieu. De meeste soorten zijn heel sociaal. |
|
| Biotoop |
Vaak bij kliffen en hoge bebouwing
(kerktorens), meestal in stedelijke omgeving, maar broedt ook in oud
loofbos in kolonies. Nestelt geregeld in schoorstenen en soms
ook in konijnenholen. |
|
| Kenmerken |
Zweeft graag, vooral 's avonds wanneer
groepen bij gemeenschappelijke slaapplaats acrobatische
vliegbewegingen uitvoeren. Paren gaan een binding voor het leven aan
en blijven vrijwel voortdurend samen. Voedt zich meestal op weilanden
en velden, maar ook op straten. Het is een alleseter. |
|
| Trek |
Standvogel. Gehele jaar te zien. |
|
| Aantallen |
Niet bedreigd. |
|
|
kieviet
|
|
|
| Grootte |
lengte 25-27 cm - spanwijdte 65-70 cm |
|
| Biotoop |
Akkers en weilanden. Steeds meer op maïsakkers. |
|
| Kenmerken |
Volwassen vogels zijn gemakkelijk herkenbaar aan de
lange kuif en de zwart-witte onderzijde. Het grootste deel van
het jaar leven ze in grote groepen. Hij voedt zich met bodemdieren.
Vertoont zeer acrobatische vluchten vooral tijdens het baltsen (=
tijdens paringstijd). |
|
| Trek |
De kievit is een van de eerste lenteboden. Is waar te
nemen vanaf februari-maart. Vele duizenden kieviten broeden hier en
trekken in het najaar naar het zuiden. Andere soortgenoten hebben
noordelijker gebroed en trekken langs de kust naar het zuiden. Nog
weer anderen komen naar België om hier als wintergast te verblijven.
Soms worden de hier overwinterende kieviten overvallen door een
extreem strenge winter. |
|
| Voortplanting |
Het nest is een eenvoudig kuiltje, dit kan bv.
in een weide zijn. De eieren, die door beide ouders worden
bebroed, komen na 24 tot 31 dagen uit. |
|
| Aantallen |
Zeer algemeen |
|
|
koekoek
|
|
| Grootte |
lengte 32-34 cm - slagwijdte
55-65 cm |
|
| Biotoop |
Parkachtig en open landschap, ook in moerassen met
bomen en struiken. |
|
| Kenmerken |
Snelle rechtlijnige vlucht met tamelijk langzame
vleugelslagen en opgerichte kop. Vleugels gaan niet boven het lichaam.
Heeft in tegenstelling tot de sperwer puntige vleugels en een lange
staart. De mannelijke koekoek is grijs gestreept, de vrouwelijk bruin
gestreept. De koekoek voedt zich met insecten, en door andere vogels
gemeden harige rupsen. Het is een broedparasiet. Dat wil zeggen
dat het zijn eieren in een ander nest legt. Eén ei per nest.
Het jong duwt de andere eieren uit het nest en wordt zeer lang gevoed
door de pleegouders (waardvogels). Meestal graspieper, heggemus, rietzangers,
witte kwikstaart en gekraagde roodstaart. |
|
| Trek |
Nachttrekker. De koekoek is een zomergast. De
eerste koekoeken kunnen in maart gehoord worden. De volwassen vogels
trekken eind juli alweer naar Afrika. De jonge dieren pas in de
herfst. |
|
| Aantallen |
Varierend, maar niet bedreigd. |
|
|
(zwarte) kraai
|
|
| Grootte |
lengte 47cm |
|
| Biotoop |
Open landschap met bomen. Broedt uitsluitend in bomen. |
|
| Kenmerken |
Twee duidelijk verchillende populaties. De bonte kraai
(=zeldzaam) heeft kenmerkende lichtgrijze lichaamsveren, De zwarte kraai (foto) is
geheel zwart. Beide hebben wel een zwarte bek. Het is een alleseter.
Volwassen paren hebben sterke band. Sterk territoriaal (aan hun gebied
gebonden). Onvolwassen en niet-broedende vogels leven in groepen met
gemeenschappelijke slaapplaatsen. |
|
| Voortplanting |
De kraai broedt in grote, hoge bomen in een open nest. |
|
| Trek |
De zwarte kraai is een standvogel. |
|
| Aantallen |
Niet bedreigd. |
|
|
kwartel
|
|
| Grootte |
lengte 16-18cm - spanwijdte 32-35cm. Iets
kleiner nog dan een spreeuw. |
|
| Biotoop |
Hooi- en bouwland. Akkers met laag gewas. |
|
| Kenmerken |
In mei-juli vooral bij zonsopgang- en ondergang
herkenbaar aan een snel, ritmisch herhaald, druppelend,
drie-lettergrepige 'kwik-me-dit'. Vrouwtje roept een laag
'priet-priet', soms gesynchroniseerd met het laatste deel van de roep
van het mannetje. Vliegt met ondiepe, snelle vleugelslagen vlak boven
de grond. In broedgebied bijna niet te zien omdat hij eerder wegloopt
of zich schuilhoudt dan opvliegt. |
|
| Trek |
Te zien vanaf april tot september. Het is de enige
trekkende hoendervogel. Overwintert in het Middellandse zeegebied en
ten zuiden van de Sahara. Trekt 's nachts in groepen en roept daarbij
ook. |
|
| Aantallen |
De aantallen veranderen enorm. Kwam vroeger véél meer
voor. Nu is die zeer zeldzaam geworden. |
|
|
(veld)leeuwerik
|
|
|
|
| Grootte |
lengte 18-19cm. Kleiner dan spreeuw. |
|
| Biotoop |
Heidegebieden, maar ook in weilanden en akkers. Het is
een echte landbouwvogel. |
|
| Kenmerken |
Wijdst verspreide leeuwerik van Europa. Zingt meestal
in fladderende vlucht hoog in de lucht, van zonsopgang tot
zonsondergang (=zangvlucht). Zang is een algemeen bekende, aanhoudende stroom van
trillers en jubelende klanken, vaak met nabootsingen daarin verwerkt.
In najaar en in winter in zwermen op stoppelvelden. Hij eet insecten
en zaden. |
|
| Trek |
Trekt eind september-begin november uit Noord-Europa
weg om er in februari-maart terug te keren. Blijft in de lage landen 's winters vaak zo lang mogelijk
en trekt pas zuidwaarts bij sneeuw en vorst. |
|
| Aantallen |
Was vroeger een van de talrijkste vogels op akkers en
weilanden, is nu zeldzaam aan het worden. |
|
|
|
|
(zang)lijster
|
|
| Grootte |
lengte 23cm |
|
| Biotoop |
Parken en bossen. Ook in de dorpen en
steden. Niet in naaldbos. Nestelt in bomen en struiken. |
|
| Kenmerken |
Lijsterachtigen (belangrijkste: spreeuw,
zanglijster en merel) zijn vrij goede zangvogels met een zeer
melodieuze zang. Vooral in de lente zingen de mannetjes. Het doel van
de zang is tweeërlei: enerzijds een territorium afbakenen en
anderzijds het lokken van een vrouwtje. Zang is luider dan die van de merel. De zanglijster
kent een hoop van fluiten en melodieën. Maar praktisch altijd zit in
de zang een driemaal herhaalde kreet. Iedere frase van hun zang wordt
twee tot viermaal herhaald en na een korte pauze door een andere
omgeruild. Zingt vaak in de avondschemering. Veel lijstersoorten eten
slakken maar alleen de zanglijster breekt de grotere open, daarbij
vaak dezelfde steen benuttend. Eet ook andere ongewervelden en
vruchten. Vaak weinig schuw, vertrouwend op schutkleur. In de dorpen
heeft een zanglijster genoeg aan zo'n 2 hectare territorium. In de
bossen hebben ze wat meer ruimte nodig: zo'n 3 tot 5 hectare. |
|
| Trek |
De vogels in de dorpen blijven soms. De
anderen trekken weg rond september/oktober en gaan dan naar
Zuid-Europa en Noord-Afrika. In maart zijn de trekkers weer terug.
Soms zelfs al in februari. |
|
| Aantallen |
Gestage achteruitgang, niet door het
verdwijnen van leefgebieden maar door het strooien van gif tegen
slakken! |
|
|
meerkoet
|
|
| Grootte |
lengte 36-38cm - spanwijdte
70-80cm. De meerkoet is half zo groot als de wilde eend. |
|
| Biotoop |
Bekende verschijning in moerassen, maar ook
in parken, grachten, sloten en vaarten. De meerkoet wordt vaak verward
met de waterhoen. Toch kun je de meerkoet herkennen aan de
opvallende witte bles en aan zijn diepere ligging in het water. Op weilanden of wegbermen in
de buurt van water grazend of in het water naar planten duikend. |
|
| Kenmerken |
Bezet vroeg in het voorjaar zijn
territorium en verdedigt dat aggressief tegen indringers. Neemt bij
opvliegen karakteristieke aanloop met op water slaande vleugels.
Alleseter. In najaar en winter vaak in grote groepen, dicht
opeengepakt. |
|
| Trek |
Geheel jaar talrijk. |
|
| Aantallen |
Zeker niet bedreigd. |
|
|
mees
|
|
|
|
koolmees
|
| Grootte |
lengte: 14 cm |
|
| Zang |
De koolmees is een uitbundige zanger en beschikt over
een veel uitgebreider scala van geluiden dan andere mezen. Zijn meest
gehoorde zang is een zagend, dubbeltonig 'tic-tsjer, tic-tsjer,
tic-tsjer' en een herhaald 'pie-toe, pie-toe, pie-toe'. De meeste
tonen klinken metaalachtig, alsof er met een hamertje op een klein
aambeeld wordt geslagen. De koolmees kent echter zodanig veel
geluidjes dat iedere roep altijd weer tot herkenningsproblemen kan
leiden. |
|
| Biotoop |
De koolmees broedt overal waar bomen en struiken
aanwezig zijn. Ze hebben een voorkeur voor zomereiken en beuken en
vermijden liever pure naaldbossen. |
|
| Voedsel |
Het voedsel van de koolmees bestaat uit
voorjaarsknoppen, vruchten, keukenafval, zaden en bessen maar tijdens
broedtijd schakelt hij over op insecten, larven en andere kleine
dieren. Ze pikken soms net zoals de pimpelmees melkflessen open als ze
daartoe de kans krijgen. Om stukjes vet of kokosnoot te bemachtigen
halen ze alle mogelijke acrobatische toeren uit. Laat wintervoeding
nooit te lang hangen in uw tuin. |
|
| Voortplanting |
Het nest is een komvormig bouwsel van mos en wat gras,
gevoerd met haar en dons. Meestal bevindt het zich in een holte in een
boom of een muur of op een soortgelijk plekje, bijvoorbeeld in een
nestkastje, een oude brievenbus of een ongebruikte afvoerpijp. De 5 à
12 eieren worden door het wijfje in ongeveer 2 weken uitgebroed. Na
een maand zijn de jongen zelfstandig. De koolmees begint eind april te
broeden en brengt zijn jongen hoofdzakelijk met rupsen van
nachtvlinders groot. Bij de jongen is het zwart van de volwassen
dieren bruinachtig, het gezicht geel en de buikstreep nog niet zo
sterk ontwikkeld. |
|
| Gedrag |
De koolmees is de grootste soort van de mezenfamilie en
bij gelegenheid tevens de meest agressieve en acrobatische. Hij
terroriseert zijn zwakkere verwanten om een stekje bij de voedertafel. |
|
| Kenmerken |
Het mannetje heeft een opvallende, zwart-met-witte
koptekening en een gele buik met een naar achteren toe breder wordende
middenstreep. Wijfjes zijn valer van kleur dan mannetjes en hebben een
minder duidelijke buikstreep. In vlucht toont het mannetje de
karakteristieke blauwgrijze, groene bovendelen en de witte buitenste
staartpennen. |
|
| Trek |
Koolmezen kan je het gehele jaar te zien krijgen.
Tijdens koude winters zijn er soms invasies van hun noorderlijke
collega's. Buiten het broedseizoen ziet men koolmezen vaak samen met pimpelmezen
en zwarte mezen. |
|
| Aantallen |
Niet bedreigd. Eén van de talrijkste bos- en
tuinvogels. |
|
|
pimpelmees
|
| Grootte |
lengte 11 - 12 cm. Iets kleiner en lichter dan een koolmees. |
|
| Biotoop |
Overal waar bomen en struiken aanwezig zijn: bossen,
parken, tuinen,... In de herfst en winter vaak in riet, waar hij zich
voedt met in rietstengels overwinterende insektenlarven en poppen. |
|
| Kenmerken |
Het geluid van de pimpelmees is ook wel bekend als 'het
zilveren lachje'. Het is precies een klein belletje dat je hoort. Broedt in holten en kasten. Eet minder zaden
en bessen dan de koolmees, welmeer insecten. |
|
| Trek |
Standvogel. Soms krijgen ze gezelschap van noorderlijke
en oostelijke populaties. |
|
| Aantallen |
Het aantal pimpelmezen neemt toe. |
|
|
|
|
zwarte mees
|
| Grootte |
lengte 11 - 12 cm. Iets kleiner dan een mus. |
|
| Biotoop |
Vooral in naaldbossen, maar in Groot-Brittanië en
Ierland ook in loofbossen en tuinen. In het dichte naaldbos heeft een
broedpaartje een territorium van ongeveer 1,5 tot 5 hectare. Iedere
honderd meter wandelen kunt u dus een paartje tegenkomen. |
|
| Kenmerken |
Het geluid van de zwarte mees klinkt als "toe-wiet
toe-wiet toe-wiet" in een snel tempo. Het lijkt wel op dat van de
koolmees. Maar dit geluid is iets lichter en sneller. Beweegt zich
snel en rusteloos in boomtoppen en tussen buitenste twijgen. Vaak
samen met goudhaan. Eet insecten, spinnen en zaden. Nestelt in gaten,
ook onder de grond. |
|
| Trek |
Standvogel, maar de zwarte mezen uit Oost- en
Noord-Europa komen om de paar jaar massaal doortrekken. Het gaat dan
om duizenden vogeltjes. Als het een erg strenge winter is, dan gaan de
Belgische blijvers het bos uit naar de dorpen toe. |
|
| Aantallen |
Het aantal zwarte mezen neemt af. |
|
staartmees
|
| Grootte |
lengte 12-14 cm. |
|
| Biotoop |
Broedt in loof- en gemengd bos, met veel struikgewas,
vaak in vochtig terrein bij oevers en beken, ook in hagen. Wordt ook
gezien in tuinen en parken. |
|
| Kenmerken |
Lijkt op pluizig bolletje wol met aangeplakte staart.
In herfst en winter blijven ze dichtbij elkaar in kleine
familiegroepjes. Deze groepjes kunnen meer dan 20 leden tellen. 's
Nachts zitten ze bij elkaar. Bouwt groot, fraai, koepelvormig nest met
een zijingang. Het nest bestaat uit mos, korstmos en spinnenwebben. |
|
| Trek |
Standvogel. |
|
| Aantallen |
In elke tuin passeert wel eens een troepje. |
|
|
|
|
|
|
meeuw
|
|
|
|
|

|
|
|
|
kokmeeuw
|
| Grootte |
lengte 38-44 cm -
spanwijdte 94-104 cm. |
|
| Biotoop |
Overal. Meren, plassen, stuwmeren, kusten,
vochtig grasland, vuilnisbelten, ... Broedt in grote kolonies waar hij
in maart arriveert om ze in juli weer te verlaten. |
|
| Kenmerken |
Kop in volwassen zomerkleed met
chocoladebruine kap, die niet tot achterhoofd reikt. In de
winter heeft hij enkel een oorvlek. Helderrode snavel en poten.
Past zich bijzonder goed aan aan veranderende biotopen. Ze broedden en
zoeken al langer voedsel in het binnenland, maar nu lijken ze alsmaar
meer de mensen (en hun afval) te achtervolgen. Zeer luidruchtig op de
kolonies, vooral bij zonsopgang. |
|
| Trek |
Gehele jaar te zien. |
|
| Aantallen |
Talrijkste en bekendste meeuw van
Europa. |
|
zilvermeeuw
|
| Grootte |
lengte 55-67 cm - spanwijdte
130-158 cm. Groter dan kokmeeuw. |
|
| Biotoop |
Wordt zelden ver van de zee waargenomen,
maar bezoekt in het binnenland ook vuilnisbelten, akkers en parken.
Zilvermeeuwen nestelen op rotsrichels, in de duinen, open glooiend
terrein en op gebouwen. Hij strijkt neer op zee voor beschutte kusten
en op stuwmeren. |
|
| Kenmerken |
In de zomer zijn ze brutaal en makkelijk te
benaderen, maar in de winter vooral landinwaarts, kunnen ze schuw
zijn. Tot zijn favoriete voedsel behoort aas en visafval. |
|
| Trek |
Heel het jaar door te zien. |
|
| Aantallen |
Talrijkste grote meeuw. |
|
|
|
|
|
|
merel
|
|

| Grootte |
lengte 25cm |
|
| Biotoop |
Bosrijke streken, ook in stedelijke omgeving. Veel op
de grond (bijvoorbeeld op pas gemaaide gazonnen). |
|
| Kenmerken |
Vanuit meestal een hoge zangpost zingt de
merel zijn lied. Dit lijkt op dat van de lijster, maar dan zonder
herhalingen. Vaak met een
min of meer lange uithaal aan het eind. En soms trillen de klanken.
Zang hoor je al in februari, met een hoogtepunt in het vroege
voorjaar. Een tweede hoogtepunt volgt in juni voor het tweede
broedsel. De merel is de enige zwarte tuinvogel met een gele
snavel. Het vrouwtje heeft echter een bruine kleur. De
merel eet wormen, slakken en insecten. Daarnaast verschillende bessen
en vruchten. Bezoekt 's winters vaak voedertafels. |
|
| Trek |
Het lijkt alsof de merel niet trekt. Dat is niet
helemaal waar. Het grootste deel zijn standvogels, maar 's winters
arriveren grote aantallen uit het noorden van Europa. |
|
| Aantallen |
Niet bedreigd |
|
|
mus
|
|
|
|
huismus
|
| Grootte |
lengte 15 cm. |
|
| Biotoop |
Dorpen en steden. Broedt in holen, meestal onder
dakpannen. Kan echter ook een kunstig, groot, overdekt en van een
zij-ingang voorzien nest vrij in een boom of struik bouwen (vooral in
Zuid-Europa) |
|
| Kenmerken |
Het mannetje heeft een typisch grijze kruin
en een kastanjebruine nek, een zwarte keel en witachtige wangen (zie
foto). Het vrouwtje heeft geen zwarte keel en is bovenaan dofbruin en
onderaan vuilwit. De huismus is sterk aan mensen gebonden. Eet zaden en insecten.
Het is een holenbroeder (eveneens in huizen of nestkasten). Het
is een zaadeter (korte, sterke snavel), zijn jongen voedt hij zoals
vele vogels met insecten. |
|
| Trek |
Standvogel, soms rondzwervend in groepen. |
|
| Aantallen |
De huismus is serieus in aantal
afgenomen. Momenteel weet men nog niet wat de precieze oorzaak
hiervan is. |
|
grasmus
|
| Grootte |
lengte 14 cm. |
|
| Biotoop |
Halfopen landschap met dichte doornstruiken, hagen en
ook in duinstreken. |
|
| Kenmerken |
De zang van de grasmus is melodieuzer dan
het getjilp van de huismus. Op het einde is een duidelijke kras
te horen. Vooral aan het begin van de broedtijd ook een samenhangend
gebabbel. Mannetjes in het voorjaar met opvallende witte keel en
contrasterende roze tint op de borst. Zingt vanuit een post. |
|
| Trek |
Trekvogel. Te zien vanaf april-mei tot
augustus-oktober. |
|
| Aantallen |
Niet echt bedreigd. Toch minder in aantal
dan 10 jaar geleden. |
|
|
|
|
|
|
nachtegaal
|
|
| Grootte |
lengte 16,5 cm. Kleine zanglijster. |
|
| Biotoop |
Vochtige bossen met rijke ondergroei en in de duinen
bij dicht struikgewas, vaak bij ondergroei van brandnetels. |
|
| Kenmerken |
Koning onder onze zangvogels. Meestal zit
hij goed verscholen te zingen. Je hoort deze vogel dan ook
gemakkelijker dan dat je hem ziet. Het is een ietwat plompe vogel met
een rossige staart die voortdurend op en neer wipt en een grijs-witte
onderkant. |
|
| Trek |
Te zien vanaf april tot juli en begin-oktober |
|
| Aantallen |
Sterk verminderd. Vroeger in de jaren '80
waren nog 11 zangposten in de Palingbeek, nu nog 5. |
|
|
ooievaar
|
|
| Grootte |
lengte 100-115 cm - spanwijdte
195-215 cm |
|
| Biotoop |
Meestal nabij boerderijen met weilanden. Broedt op
grote hoogtes: in grote takkennesten, hoogspanningsmasten, bomen, ... |
|
| Kenmerken |
Het onderscheid tussen het mannetje en
vrouwtje is heel moeilijk te zien. Het mannetje heeft echter de
langste bek. De ooievaar leeft vooral van kikkers, slangen, knaagdieren,
regenwormen, vogeljongen, grote insecten, etc . Vaak lopend in open
veld. Zweeft vaak op stijgwinden. Trekt in groepen, maar niet in
formatie. |
|
| Trek |
Vanaf maart tot eind-augustus. In de winter verblijft
de ooievaar in Afrika. In onze streek is hij gesignaleerd als
trekvogel bij de vijvers. |
|
| Aantallen |
Ooievaars staan op de rode lijst (=bedreigd) omdat ze
vrijwel als broedvogel verdwenen zijn in onze streken. Dat er nog
steeds ooievaars in Nederland en België rondvliegen, is vooral te
danken aan de enthousiaste vrijwilligers, die sinds 1969 werken aan
het behoud van de soort in ons land. Wanneer een ooievaar
in ons land arriveert, dan is dit nieuws belangrijk genoeg om ook in
kranten en op tv te laten verschijnen. Speciale kweekprogramma's
vinden plaats in het Zwin en in Planckendael. |
|
|
|
patrijs
|
|
| Grootte |
lengte 29-31 cm - spanwijdte
45-48c m.
Kleiner dan fazant. |
|
| Biotoop |
Ze geven de voorkeur aan open velden en akkerland met
heggen of ander struikgewas met droge plekken voor een zandbad.
Akkerland is het meest in trek, vooral als dit wordt afgewisseld met
ruige dijken, slootranden, wegbermen en houtwallen. Nestelt op de
grond in dicht struikgewas. |
|
| Kenmerken |
Patrijzen eten zowel plantaardig als dierlijk voedsel,
maar de jongen leven de eerste weken louter van insekten en ander
klein gedierte. Patrijzen leven tijdens de winter in groep. Hij
heeft een kenmerkende roep en vlucht (rechtlijnig, laag boven de
grond). |
|
| Trek |
Gehele jaar te zien. |
|
| Aantallen |
De voornaamste oorzaak van de teloorgang van de patrijs
is de grootscheepse verandering van landbouwgebieden. Het verdwijnen
van akkeronkruiden en ruige bermen betekende, naast het verlies van
dekking en nestgelegenheid, vooral een gebrek aan dierlijk voedsel
voor de jongen. Met name in natte voorjaren gaan talloze jongen aan
voedselgebrek te gronde. De enige manier om daar iets aan te doen, is
een herstel van de vroegere voedselterreinen. Opmerkelijk is overigens
dat de jacht op de patrijs intussen gewoon open blijft. Sommige jagers
zijn zelf zo verstandig om de patrijzenjacht te stoppen, maar anderen
zetten het 'oogsten' voort. Het lijkt zinnig te pleiten voor een
tijdelijke jachtstop. Daarnaast moet onderzoek duidelijk maken of in
gebieden waar patrijs-vriendelijk beheer plaatsvindt werkelijk sprake
is van een toename. Vogelwerkgroepen kunnen hierbij wellicht een rol
spelen. |
|
(blauwe) reiger
|
|
| Grootte |
lengte: 90-100 cm - spanwijdte: 155-175 cm |
|
| Biotoop |
Broedt in kruinen van hoge, oude bomen. Vaak in parken,
soms in riet of op rotsen. Hij is het meest te zien in omgeving van
water, maar ook in weilanden. |
|
| Kenmerken |
Behoort tot de groep van de steltlopers
(loopt op stelten) of waadvogels. Groot, stevig gebouwd. Grijsgele snavel in paartijd
oranje. De volwassen reiger heeft twee lange smalle sierveren aan het
achterhoofd (niet opvallend). In vlucht heeft hij een machtig postuur,
met zware vleugelslag, donkere, sterk naar beneden gebogen vleugels en
ingetrokken hals. Vaak onopvallend langs riet of op veld staand,
loerend op buit: leeft van vis, kikkers, mollen en muizen. Zoekt ook
af en toe zijn voedsel in een of andere tuinvijver met exotische
vissen, wat zijn naam meestal geen goed doet. In onze parken is hij
vaak tam. Nest is een platform van takken. Laat rauwe, scherpe kreten
horen (geen feest voor het oor). |
|
| Trek |
Gehele jaar te zien. Trekt weg bij strenge vorst. |
|
| Aantallen |
Niet bedreigd |
|
|
roodborstje
|
|
| Grootte |
lengte: 14 cm |
|
| Zang |
Je hoort geen
melodie maar een aaneenschakeling van luide, heldere fluittonen. Zijn alarmkreet is een luid, doordringend 'tik-tik'. |
|
| Biotoop |
Broedt talrijk in gevarieerde, bosrijke streken, ook in
tuinen en parken. Tijdens de trektijd in allerlei vegetaties. |
|
| Voortplanting |
Het nest wordt door het wijfje alleen gebouwd van gras
en bladeren en ligt meestal verborgen in een holte, tussen klimop, op
of vlak bij de grond in de begroeiing of tussen wortels. Vaak vindt
men een nest in een oud schuurtje; een enkele keer in een oude pot of
pan. Het broeden begint eind maart. Het legsel bestaat meestal uit 5
à 6 eieren, die door het wijfje in 12 à 15 dagen worden uitgebroed.
De jongen verlaten na circa 2 weken het nest. Indien er snel een
tweede legsel volgt, neemt het mannetje de verzorging en het voeren
van de eerste jongen voor zijn rekening. Een jonge roodborst is
gevlekt en lijkt op een jonge nachtegaal; zijn staart is echter
donkerder en korter. |
|
| Territorium |
Met zijn aardige zang, die het gehele jaar behalve aan
het eind van de zomer tijdens de rui te horen is, geeft de roodborst
zijn territorium aan. Ze zijn nogal vechtlustig: tijdens
territoriumgevechten strijden de mannetjes soms op leven en dood. |
|
| Voedsel |
Vanwege zijn tamheid is het een geliefde vogel in
dorps- en stadstuinen, die 's winters voedertafels opzoekt en soms
zelfs uit de hand eet. Van nature is de roodborst een insecteneter;
hij beweegt zich het liefst op de grond om zijn kostje bijeen te
scharrelen. |
|
| Gedrag |
Hoewel de roodborst als tam en vertrouwelijk wordt
beschouwd, leidt hij soms, met name tijdens de rui, een meer verborgen
leven. Ver weg van menselijke bewoning, in bossen en andere
natuurgebieden, is het een erg schuw dier dat een teruggetrokken
bestaan leidt. |
|
| Kenmerken |
Herkenbaar aan oranjerode borst en gezicht, afgezet met
grijs. Bovendelen en staart bruin, onderdelen witachtig. Hij is ook te
herkennen aan zijn golvende vlucht. |
|
| Trek |
Het gehele jaar door te zien. Noordoost-Europese
roodborstjes zijn trekvogels en overwinteren rond de Middellandse
Zee. In Noordoost-Europa trekken ze in september-november weg en
keren in maart-april terug. |
|
| Aantallen |
Algemene broedvogel. |
|
|
specht
|
|
|
|
grote bonte specht
|
| Grootte |
lengte 22-23 cm - spanwijdte
34-39 cm. Ongeveer het formaat van een
merel, maar wel iets korter. |
|
| Biotoop |
Naald- en loofbos. Ook in parken en lanen in open
gebieden, zelfs in de dorpen en steden. |
|
| Kenmerken |
Een echte bos- en parkvogel. Klimt op boom en
hakt zijn eigen nestholte. De roffel van de grote bonte specht is de kortste en
snelste roffel van alle spechten. In één seconde maakt hij 10-15
klopgeluiden. Daarin verschilt het geluid met dat van de kleine bonte
specht. Deze laatste roffelt langer. Tot wel drie seconden. Roffelt niet alleen op bomen, maar ook op
palen en metalen constructies. Eet insecten en hun larven, verschillende boomzaden
(vooral van den en spar), eieren en kuikens en bezoekt ook
voedertafels. |
|
| Trek |
De grote bonte specht blijft in de winter. |
|
| Aantallen |
Niet bedreigd. En naar mate de bossen zich uitbreiden
en verouderen zijn er steeds meer geschikte gebieden voor de grote bonte
specht. |
|
groene specht
|
| Grootte |
lengte 31-33cm - spanwijdte 40-42cm. Een
kop groter dan de grote bonte specht. Zware vogel. |
|
| Biotoop |
Gemengde en loofbossen, vooral op zandgrond en in de
duinen, maar ook in halfopen bossige streken in cultuurgebieden.
Groene spechten zijn standvogels van open loofbossen,
hoogstamboomgaarden en parken. Als broedplaats verkiest de soort
meestal een zelfgehakt hol in een oude loofboom. |
|
| Kenmerken |
De groene specht laat zijn lach luid en duidelijk door
het bos schallen. Het lijkt wel wat op de lach van de zwarte specht.
Maar de groene specht is er ineens, terwijl de zwarte specht een
aanloopje neemt. Geluid meestal in de ochtendschemering in maart-mei.
Roffelt heel zelden, zwak en krachteloos. Het voedsel bestaat uit
grote mieren (vooral rode bosmieren). |
|
| Trek |
Gehele jaar te zien. Uitgesproken standvogel, toch
kwetsbaar voor strenge winters. |
|
| Aantallen |
De afname van de groene specht lijkt in de eerste
plaats verbonden met de problemen die bepaalde mierensoorten
ondervinden bij de verzuring van bos en hei. De afname van dit voedsel
leidt logischerwijs tot het verdwijnen van deze specht. Op lokaal
niveau speelt verder de afname van nestgelegenheid een rol. |
|
|
|
|
zwarte specht
|
| Grootte |
lengte 45-47cm - spanwijdte
64-68cm. Grootste Europese specht, zo groot als de kraai. |
|
| Biotoop |
Bij voorkeur in hoog, oud, gemengd bos. |
|
| Kenmerken |
Kan in vlucht met kraai verward worden.
Over lange afstand is de vlucht tamelijk rechtlijnig met fladderende
en ongelijkmatige vleugelslagen. De voor andere spechten kenmerkende
boogvlucht ziet men vooral vlak voor het landen.
Hakt nesten vaak uit in oude beuken. De ingang van het hol in een boom
is veel groter dan dat van een grote bonte specht. Het valt
gemakkelijk te determineren doordat de ingang van het hol van de zwarte
specht ovaal is! Leeft van verschillende insecten en larven.
De lach van de zwarte specht lijkt erg op dat van de groene specht.
Maar de zwarte specht moet een beetje "op gang komen".
Terwijl de groene specht meteen op volle sterkte begint te
lachen. De roffel van de zwarte specht is zwaarder en langzamer
dan dat van de grote bonte specht. |
|
| Trek |
Standvogel, maar jonge zwarte spechten
kunnen grote afstanden zwerven. |
|
| Aantallen |
In België wordt aantal op 300 geschat, dus
een zeer zeldzame vogel. Is te vinden in de Gasthuisbossen. |
|
|
|
|
|
|
sperwer
|
|
| Grootte |
lengte mannetje: 28 cm
lengte vrouwtje: 38 cm
spanwijdte mannetje: 59 - 65 cm
spanwijdte vrouwtje: 68 - 77 cm |
|
| Biotoop |
De sperwer heeft een voorkeur voor bossen en bosjes in
halfopen landschap. Ook kleine bossen, minder dan 10 ha, worden niet
gemeden. Opvallend is ook de toename in stedelijke gebieden. Door de
vele voederhuisjes in stadstuintjes vindt hij genoeg prooien. |
|
| Voortplanting |
Sperwers paren vroeg in april. Voor de paarperiode zie
je de sperwers 's morgens heel vroeg boven de boomkruinen vliegen
waarbij ze in de opwaartse luchtstromen zweven. Het nest wordt dicht
tegen de stam van de boom aangebouwd (meestal naaldbomen) en
voornamelijk door het vrouwtje gemaakt terwijl het mannetje het
materiaal aandraagt. Soms wordt als basis een oud nest van houtduif of
zwarte kraai gebruikt. De sperwer voert het nieuwe nest met dons,
twijgen en schors. De sperwer legt eind april-juni haar 1 à 7 ronde,
blauwachtig witte, donkerbruin getekende eieren. Deze worden in 35 à
52 dagen uitgebroed. De spierwitte jongen groeien erg snel en kunnen
reeds 35 dagen vliegen. Wanneer ze het nest definitief verlaten hebben
de onvolwassen vogels een donkerbruine bovenzijde en vaak
roestkleurige randen aan de veren. |
|
| Voedsel |
Hoewel de meeste prooien met behulp van de
verrassingstactiek wordt gevangen, weet de sperwer zijn slachtoffer
ook door een snelle vlucht, waarbij hij de prooi in al zijn wendingen
precies volgt, te overmeesteren. Een vogeltje maakt alleen enige kans
aan de naaldscherpe klauwen te ontsnappen als het in zeer dicht
struikgewas duikt. Nu en dan is de sperwer wat langer te zien,
namelijk als hij hoog boven een bos rondcirkelt - mogelijk op zoek
naar een winterzwerm vinken. Prooidieren zoals mezen worden in volle
vlucht gegrepen. Ze worden eerst geplukt, meestal op een boomstronk of
in een oud nest. Het mannetje grijpt zangvogels tot een grootte van
een mus. Het vrouwtje grijpt zangers in de grootte van merel, lijsters
en gaaien. Bij uitzondering worden zelfs vogels geslagen die groter
zijn, zoals duiven. Soms ook kleine zoogdieren (dan vooral muizen) en
insecten. |
|
| Kenmerken |
Het mannetje heeft grijze bovendelen en roodbruin
gestreepte onderdelen. Hij is iets groter dan een merel. Het volwassen
vrouwtje is duidelijker dwarsgestreept op de borst en onderzijde van
de veren. De bovenzijde van het vrouwtje is bruiner dan die van het
mannetje. Het vrouwtje heeft een lichte streep boven het oog,
ontbreekt gewoonlijk bij het mannetje. Ze hebben beide een
havik-achtig profiel met enkele trekken van een valk. De korte, ronde
vleugels van de sperwer en zijn lange staart zijn duidelijk aan de
jacht in bossen aangepast: met lange vleugels zou hij minder goed
tussen de bomen kunnen manoeuvreren. In vlucht wisselt hij snelle
vleugelslagen af met korte zweefperioden. |
|
| Trek |
Onze inheemse volwassen sperwers zijn standvogels. Ze
verplaatsen zich in de winter wel over bescheiden afstanden om in de
nabijheid van steden en dorpen aan voedsel te geraken. Jonge vogels
trekken in oktober naar het zuiden. Ze overwinteren in Frankrijk en
Spanje. Gedurende de trek, voornamelijk in oktober, krijgen we hier
ook noordelijke sperwers te zien. |
|
| Aantallen |
Het gaat erg goed met de sperwer. Na het verbod op
zware pesticiden zoals DDT, kent hij een ware come-back. |
|
|
spreeuw
|
|
| Grootte |
lengte 21 cm. Kleiner dan merel. |
|
| Biotoop |
Broedt in boomholten, nestkasten of gaten in gebouwen.
Voelt zich ook in steden thuis. |
|
| Kenmerken |
Bootst de zang van andere vogels na. Gebruikt
zijn lange, spitse snavel om in gras en wier emelten en insecten te
zoeken (doorboort zo de grond), maar ze eten ook bessen en ander
fruit. Sociale soort, synchroon broedend, en al vanaf eind mei
verzamelen jongen van eerste legsel zich in grote zwermen. Vormt 's
winters enorme zwermen net als grote donkere wolken. |
|
| Voortplanting |
Het is een holenbroeder. Hij zoekt nestkasten,
holle bomen of oude holen van de specht op, maar geneert zich niet om
ook in huizen en oude gebouwen te broeden. Ze kunnen zo een
echte plaag vormen. Brengt niet meer dan 1 broedsel per jaar
groot (verwonderlijk voor het grote aantal). |
|
| Trek |
Opvallende trek in september-oktober, wanneer
broedvogels van de lage landen deels naar Engeland vertrekken, terwijl
hier exemplaren uit Noordoost-Europa komen. |
|
| Aantallen |
Niet bedreigd. De enorme zwermen in de herfst spreken
voor zich. |
|
|
tjiftjaf
|
|
| Grootte |
Lengte 11 cm. Nog veel kleiner dan een mus. |
|
| Biotoop |
Overal waar de combinatie van bomen met
struiken aanwezig is. |
|
| Kenmerken |
Zingt voortdurend zijn eigen
naam "tjif-tjaf", heel regelmatig en monotoon. Leeft van insecten die hij vangt in
vlucht. |
|
| Trek |
Trekvogel. De tjiftjaf is in het vroege
voorjaar als één der eersten weer terug. Dat is vaak in de eerste
helft van maart. Uiteraard afhankelijk van de duur en intensiviteit
van de winter. Ze vertreken eind oktober weer naar het Middelandse
zeegebied en andere plaatsen met een gelijkaardig klimaat. |
|
| Aantallen |
De tjiftjaf is niet bedreigd. In tegendeel.
Het aantal is fors stijgend! |
|
|
uil
|
|

-
Vogels (en dus ook uilen) hebben geen tanden om hun
voedsel fijn te malen. Ze slokken alles binnen. Wat niet verteerd
kan worden, braken uilen uit onder de vorm van braakballen. Door
deze braakballen uit te pluizen, weten we wat de uil heeft opgegeten. Zo
ontdekken we met welke soort uil we te doen hebben.
-
Uilen zijn speciaal aangepast aan het nachtleven.
Ze kunnen hun kop bijna volledig ronddraaien en vliegen geluidsloos.
|
bosuil
|
| Grootte |
lengte 37-39 cm - spanwijdte
94-104 cm. De bosuil
is de grootste uil van de Lage Landen. Het vrouwtje is iets groter dan
het mannetje. |
|
| Zang |
Het vrouwtje roept een schel WIEK! WIE-IEK! Het
mannetje heeft het van speelfilms bekende spookachtige geluid. Leuk is
dat in veel Amerikaanse films het geluid van deze uil gebruikt wordt,
terwijl deze vogel daar niet eens voorkomt! Dit geluid bestaat uit
drie stukjes geluid. Het eerste deel is een lang gerekt HOE gevolgd
door een pauze, dan als tweede een kort ingehouden HOE en als laatste
een langer en trillerig Hoe-oe-oe-oe. Vrouwtjes kunnen dit geluid
nadoen, maar dan klinkt het 'amateuristischer'. |
|
| Biotoop |
Broedvogel van loofbossen, stadsparken, tuinen en
boomgaarden met oude bomen die veel nestgelegenheid bieden. Liefst
parkachtige omgeving met vijvers (trekt veel dieren aan) en gazon
(makkelijk jagen). |
|
| Kenmerken |
Middelgrote uil met korte staart, een grote ronde kop zonder
pluimpjes. Grondkleur roestbruin tot grijs met donkere lengtevlekken;
vleugels en staart met zwarte dwarsbandjes, op de vleugels twee rijen
druppelvlekken. Snavel gelig, poten grijs, nagels aan de basis licht,
aan de punt zwartgrijs, iris bruinzwart. Geslachten gelijk gekleurd,
vrouwtje iets zwaarder. Jonge vogels onduidelijk dwars gebandeerd.
Geheel zwarte ogen. Soms wordt zijn aanwezigheid overdag verraden door
alarmerende mezen en andere zangvogels. Valt soms aan als je te dicht
bij zijn nest komt!
|
|
| Jacht |
Bosuilen zijn 's nachts en in de schemering actief; als
er jongen zijn gaan ze reeds voor zonsondergang op jacht tot
zonsopkomst. Overdag zitten ze te zonnen voor hun slaap- of broedhol.
De bosuil bemachtigt zijn prooi vanaf een zitplaats en lokaliseert
deze op het gehoor. Hij jaagt echter ook vliegend of slaat vogels, die
uit hun slaapplaats worden opgeschrikt, in de vlucht. Bosuilen zijn
echter ook nestplunderaars, die het vooral voorzien hebben op
holenbroeders. Eet kleine knaagdieren, egels, vogels, kikkers, larven,
etc ... Het geslagen voedsel, waarmee de jongen overdag worden
gevoederd, wordt tijdens de jacht ergens gedeponeerd. |
|
| Nest |
De bosuil is een echte holenbroeder, zoekt ruime holten
in bomen, gebouwen of rotsen; benut echter ook oude nesten van
roofvogels en kraaiachtigen, zelfs gaten in de grond. Het vrouwtje
krabt de nestplaats schoon en maakt braakballen fijn, die als
onderlaag voor het legsel moeten dienen. Broedtijd februari tot juni.
Grootte van het nest varieert van 3 tot 5 eieren, broedduur 28-30
dagen, nestperiode jongen 28-35 dagen. Vrouwtje begint vanaf het
eerste ei met broeden. De jongen zijn na circa drie maanden
zelfstandig. In de herfst verlaten ze het ouderlijk territorium en
zoeken voor zichzelf een territorium in de nabijheid. Bosuilen blijven
hun hele leven bij elkaar en zijn trouw aan het territorium. |
|
| Trek |
Standvogel. De jongen zwerven hooguit 20
km. |
|
| Aantallen |
Niet bedreigd, ongeveer 2500 paren in België en het
aantal neemt toe. In West-Europa is het de meest voorkomende
uilensoort. |
|
ransuil
|
| Grootte |
lengte 35-37 cm -
spanwijdte 84-95 cm |
|
| Biotoop |
Typische vogel voor naaldbos nabij open
landschap. Broedt in oude kraaien- en roofvogelnesten in
dichte naaldbossen. |
|
| Kenmerken |
Oranjerode ogen, lage typische oorpluimen
(vaak niet zichtbaar) en witte X-tekening tussen de ogen. Jaagt op
muizen en kleine vogels. Wordt hier en daar verdreven door de bosuil.
Zijn prooien zijn vooral muizen en vogels. |
|
| Trek |
Gehele jaar te zien. 's Winters soms in
grote groepen van enkele 10-tallen trekkers en eerstejaarsvogels. |
|
| Aantallen |
Broedvogel met 5000 exemplaren in
België. |
|
steenuil
|
| Grootte |
lengte 21-23 cm -
spanwijdte 50-56 cm |
|
| Biotoop |
Steenuilen leven in diverse halfopen
landschappen. Favoriet zijn graslanden en andere
kleinschalige landbouwgebieden. De aanwezigheid van heggen,
houtwallen en (knot)bomen-rijen is van groot belang. Gebroed wordt
in holen; in België vaak in knotwilgen, boerenschuren, konijnenholen
en hoogstamboomgaarden. |
|
| Kenmerken |
Vooral luidruchtig in maart-juni. Overdag
zich schuilhoudend, maar ook al eens zonnend waargenomen op daken.
Vliegt in diepe bogen. Soms hippend op de grond. Gevoelig voor
strenge winters. Het voedsel bestaat uit insecten, regenwormen en
kleine zoogdieren. |
|
| Trek |
Standvogel. |
|
| Aantallen |
In België en Nederland ca. 10000
broedparen. Duidelijke afname met als voornaamste oorzaak het
verlies aan veel voedselrijke ruige plekjes en de als broedplaats
geliefde knotbomen. Verdere aantasting van dit landschapstype dient
dan ook voorkomen te worden. Het verlies aan broedgelegenheid in
moderne landbouwgebieden kan voor een deel worden opgevangen met
speciaal voor de soort vervaardigde nestkasten. Verder biedt het
onderhouden en waar nodig aanbrengen van knotwilgen goede
broedgelegenheid. Bij het onderhoud van deze knotbomen moeten de kop
van de boom en de daarin aanwezige holten gespaard worden.
Veel steenuilen vallen ten offer aan het wegverkeer.
Landbouwgif is zeker ook de oorzaak van de afname van belangrijke
prooien als kevers en andere grote insekten. In hoeverre de
vogels zelf slachtoffer worden van landbouwgif is niet bekend. |
|
kerkuil
|
| Grootte |
lengte 33-39cm - spanwijdte
85-93cm |
|
| Biotoop |
Boerderijen en dorpen in halfopen
kleinschalig landschap. Veel voorkomende broedplaatsen zijn
boerenschuren, kerktorens en andere bouwwerken, een enkele keer ook
holle bomen (broedt soms 2x per jaar). |
|
| Kenmerken |
Alarmeert in vlucht met een krijs. Valt
indringers aan met korte, zeer scherpe, indringende schreeuw. Verder
ook allerlei wonderlijke geluiden in de broedtijd. Typisch hartvormig
gezicht met zwarte ogen. De zeer tot de verbeelding sprekende kerkuil
broedt en jaagt vaak in menselijke omgeving, maar slechts weinigen
krijgen hem wat beter te zien. Het voedsel bestaat voornamelijk uit
veldmuizen, aangevuld met huisspits- en bosspitsmuizen. |
|
| Trek |
Jonge kerkuilen kunnen soms flinke
zwerftochten maken, maar eenmaal gevestigde vogels verblijven hun
leven lang in hetzelfde leefgebied. Broedt in maart-september. |
|
| Aantallen |
In Nederland en België samen 2200 paren.
Valt terug na erg strenge winters. De afname van de kerkuil werd deels
veroorzaakt door het verdwijnen van nestgelegenheid in kerken en
boerenschuren. Begin jaren zeventig werd een nestkast-programma
opgezet. De speciaal voor de soort gemaakte nestkasten bleken goed aan
te slaan; inmiddels broedt zo'n tachtig procent van onze kerkuilen
erin! Toch blijft bescherming natuurlijk niet bij kasten alleen.
Alleen de aanwezigheid van een rijke en gevarieerde kleine
zoogdierfauna kan de soort op termijn redden. Een natuurvriendelijk
beheer van dijken, wegbermen, randen van boomgaarden, akkers en sloten
is onontbeerlijk voor het behoud van de kerkuil in de onze streken.
Helaas vallen veel in wegbermen jagende kerkuilen ten prooi aan het
verkeer. |
|
|
|
|
|
|
valk
|
|
|
|
boomvalk
|
| Grootte |
lengte 28-35 cm - spanwijdte
70-84 cm. Als torenvalk,
doch iets 'gespierder'. |
|
| Biotoop |
Open landschap, heidevelden, lichte, droge bossen en
waterrijk laagland. |
|
| Kenmerken |
Bovenzijde donker leigrijs, wangen en keel wit,
onderkant wit met opvallende zwartachtige vlekken, roestbruine
'broek', duidelijke baardstreep. Snavel grijs met donkere punt,
washuid geel, poten geel, iris donkerbruin. Beide geslachten gelijk
gekleurd, vrouwtje iets groter. Jonge vogels met bruingrijze
bovendelen, lichtbruine onderkant, zonder 'broek'.
In verhouding tot de lichaamsgrootte zijn de vleugels langer, veel
smaller en spitser. Hoog in de lucht kan je hem ook verwarren met een
gierzwaluw. Zweeft met gespreide staart. |
|
| Jacht |
Pakt prooi, vogels en insecten, bijna uitsluitend in
vlucht. Jaagt op zomeravonden vaak boven moerassen op libellen, vliegt
dan langzaam. Tijdens de jacht lijken de vleugels erg sikkelvormig en
de staart kort. Eet uitsluitend vliegende vogels (zwaluwen,
leeuweriken, gierzwaluwen, mussen, vinken, spreeuwen, merels) en
vliegende insecten (libellen en kevers), in Afrikaans winterkwartier
ook uitzwermende termieten. |
|
| Nest |
Boomvalken bouwen zelf geen nest, maar betrekken oude
nesten van roofvogels, kraaien of duiven in hoog naaldhout. Broedtijd
juni. Grootte van het nest varieert van 2 tot 4 eieren, broedduur 28
dagen, nestperiode jongen 28 - 32 dagen. Als in juni de meeste kleine
vogels vliegvlugge jongen hebben en het aanbod van vliegende insekten
het grootst is, beginnen de boomvalken met broeden. Het vrouwtje
broedt, het mannetje brengt het voedsel en houdt de wacht. Sommige
paren blijven jaren bij elkaar. |
|
| Trek |
Eind oktober vertrekken de boomvalken naar hun
winterkwartier in Oost- en Zuid-Afrika, om van midden april tot begin
mei terug te keren in de broedgebieden. |
|
| Aantallen |
Beperkt. Zeldzame vogel. |
|
torenvalk
|
| Grootte |
lengte: 33 - 39 cm -
spanwijdte: 65 - 80 cm |
|
| Biotoop |
In bijna ieder landschap, misschien
voorkeur voor halfopen landschap. Ook in steden. Broedt in volledig
open landschap in nestkasten, oude kraaienesten en gebouwen. |
|
| Kenmerken |
Wordt heel vaak biddend (zie foto) of
zittend op draden of palen langs wegen gezien. Is daarom misschien
onze bekendste valk. Jaagt hoofdzakelijk op muizen. Het mannetje
is wat kleiner dan het vrouwtje. |
|
| Trek |
Stand en zwerfvogel. Is dus het gehele jaar
te zien. Bij langdurige sneeuw durft hij wel eens wegtrekken. |
|
| Aantallen |
De laatste jaren flink in aantal
toegenomen. |
|
|
|
|
|
|
vink
|
gewone vink
|
| Grootte |
lengte: 15,5 cm |
|
| Zang |
De zang of, liever gezegd, het 'slaan' van de vink is
een luidruchtige aangelegenheid en begint langzaam, neemt stadig in
snelheid toe en eindigt gewoonlijk in een weelderige waaier van tonen.
De zang varieert in feite van vogel tot vogel sterk en er zijn zelfs
verschillende 'dialecten' te onderscheiden ('Waalse' en 'Vlaamse'
vinken). Het gehele lied duurt doorgaans 4 à 5 seconden, maar het
wordt vijf- tot tienmaal per minuut herhaald. De alarmroep is een
luid, doordringend 'pink, pink, pink'. |
|
| Biotoop |
De vink is in de eerste plaats een broedvogel van goed
ontwikkelde loofbossen met veel open plekken en een rijke ondergroei
maar daarnaast is hij overal talrijk waar veel oude bomen staan:
bosjes, parken en halfopen cultuurlandschap (landschap met huizen). |
|
| Voortplanting |
Het broedseizoen begint in april. De vink bouwt in
heesters en boomvorken een keurig, komvormig nest van gras en mos,
gevoerd met haar. Het wijfje legt gewoonlijk 4 à 5 lichtblauwe tot
bruinachtig witte eieren, met vrijwel altijd een stippel- en
streeptekening. Ze broedt deze in 11 à 13 dagen uit. Beide ouders
verzorgen de jongen, die na 12 à 15 dagen uitvliegen. |
|
| Voedsel |
Vinken zijn vaste gasten op voedertafels. Ze kunnen
daar vrij agressief uithalen naar de andere bezoekers. In
winterperioden zien we vinken vaak samen met andere vinkachtigen op
akkers en weilanden op zoek naar zaden. |
|
| Kenmerken |
Het mannetje is herkenbaar door zijn leiblauwe kruin en
nek, roodbruine rug, wijnrode onderzijde en groenachtige stuit. Het
wijfje is minder bontgekleurd maar heeft dezelfde vleugeltekening. In
vlucht zijn de witte vleugelstreep en schoudervlek karakteristiek. |
|
| Trek |
Scandinavische vogels trekken massaal eind
september-oktober naar de lage landen en verder zuidwaarts (vrouwtjes
verder dan mannetjes) en keren in maart-april terug. |
|
| Aantallen |
De populatie lijkt in zijn totaliteit toe te nemen,
maar plaatselijk heeft de soort te lijden gehad van de toepassing van
bestrijdingsmiddelen in landbouw en fruitteelt en van het verdwijnen
van houtwallen en oude bomen. |
|
appelvink
|
| Grootte |
lengte: 18cm |
|
| Biotoop |
Gevarieerd loof- en gemengd bos en parkachtige
gebieden. Heeft voorkeur voor oud loofbos met talrijke eiken,
haagbeuken, beuken, essen en iepen. Aangetrokken tot fruitbomen,
vooral kersen. Nestelt meestal hoog in loofboom tegen stam of in vork
op vrij onbeschutte plaats. |
|
| Kenmerken |
Compact met grote kop en enorme snavel. Snelle,
golvende vlucht; opvallende witte vleugelbaan en brede witte eindband
op korte staart. Met krachtige snavel kan hij pitten van steenvruchten
open kraken, maar zaden van beuken, esdoorns en iepen vormen samen met
knoppen en insecten het hoofdvoedsel. Schuwe vogel, terruggetrokken
leefwijze hoog in bomen. Moeilijk te observeren in de zomer, maar
durft 's winters al eens op voedertafels te verschijnen om pinda's en
zonnebloempitten te eten. Groepen kunnen 's winters ook lange tijd op
bosbodem doorbrengen om gevallen zaden te eten. Hij broedt vaak
koloniegewijs; in de winters altijd in groepen. Heeft nauwelijks zang.
De appelvink kent een aantal soorten contact-roepjes. |
|
| Trek |
Gehele jaar aanwezig. |
|
| Aantallen |
De appelvink doet het goed in de lage landen. |
|
goudvink
|
| Grootte |
lengte 16cm. Ietsje groter dan een mus. |
|
| Biotoop |
Struikrijke bosranden, parken en oude
tuinen. Typische haagvogel. |
|
| Kenmerken |
In vlucht is witte stuit kenmerkend. De goudvink
wordt vaak gehoord met een fluitende contactroep. Ietwat klagend
'fuuht'. Dat is heel goed zelf na te fluiten. In broedtijd heimelijk
en vaak alleen te horen. Komt in de winter en voorjaar in tuinen en
boomgaarden om knoppen te eten. Volksnaam is 'bloedvink'. |
|
| Trek |
Standvogel en zwerfvogel. |
|
| Aantallen |
Niet bedreigd, niet zeldzaam. |
|
|
|
|
|
|
Vlaamse gaai
|
|
| Grootte |
lengte 34 cm |
|
| Biotoop |
Broedt in uiteenlopende bossoorten, ook in parken. |
|
| Kenmerken |
De 'Vlaamse' gaai heeft een opmerkelijk repertoire aan
geluiden. Imiteert vaak andere vogels. Leeft in broedtijd zeer
teruggetrokken en wordt vooral in najaar gezien. Pendelt dan op en
neer tussen zijn bos en eikenbomen in de omgeving om voor de winter
eikels te verzamelen, die hij vaak in de grond stopt. De gaai draagt
zo sterk bij tot de verspreiding van eikenbomen. Golvende, glijdende
vlucht. Eet insecten, rupsen, boomvruchten, eieren en jongen van
zangvogels. |
|
| Trek |
Standvogel. Gehele jaar te zien. |
|
| Aantallen |
Niet bedreigd. |
|
|
waterhoen
|
|
| Grootte |
lengte 32-35 cm - spanwijdte
50-55 cm.
Kleiner dan meerkoet. |
|
| Biotoop |
Altijd op of bij zoetwater te vinden, mits er wat
beschuttende oevervegetatie te vinden is. |
|
| Kenmerken |
Typische oevervogel met rode bles en geelgepunte rode
snavel. Ze hebben lange tenen, zonder zwemvliezen ertussen. Ze
zijn erg schuw, maar in stadsparken soms tamelijk tam. Ze zwemmen met
knikkende kop en lopen hoenderachtig (waterkieken) gebogen. Ze wippen
onophoudelijk met staart waarbij witte onderstaartdekveren opvallen.
Het zijn alleseters. Het nest wordt boven of op het water gebouwd.
Jongen worden door ouders of jongen uit eerdere legsels gevoed. |
|
| Trek |
Talrijke overwinteraars, deels uit Noordoost-Europa. |
|
| Aantallen |
Niet bedreigd. Al kan de stand na een strenge winter
wel gehalveerd zijn! Gelukkig volgt in de jaren daarna (tot nu toe)
altijd een herstel. |
|
|
watersnip
|
| Grootte |
lengte 25-27 cm - spanwijdte
37-43 cm. |
|
| Biotoop |
In ondiepe moerassen en natte weilanden, tijdens trek
ook op moddervlakten. |
|
| Kenmerken |
Tijdens het eten zoeken gemakkelijk te herkennen aan
snelle, ritmische, wroetende kopbewegingen. Ze vangen met hun lange
snavel wormen en andere ongewervelden uit het zachte slik. Drukt zich
bij gevaar tegen de grond. Tijdens het duiken in vlucht produceren
buitenste pennen van gespreide staart een vibrerend geblaat
('hemelgeitje'). Opvliegende watersnippen zigzaggen door de lucht, dit
is natuurlijk een uitdaging voor ieder jager. Ze nestelen op de grond. |
|
| Trek |
De meeste watersnippen zijn standvogels. |
|
| Aantallen |
Zeldzame vogel. |
|
|
wielewaal
|
|
| Grootte |
lengte 24 cm. Als merel. |
|
| Biotoop |
Houdt zich meestal verborgen in de boomkruinen. Broedt
in oude loofbosssen, dichte vochtige loofhoutbestanden,
hoogstamboomgaarden, populieren en grote parken. |
|
| Kenmerken |
Een van Europa's attractiefste zomergasten met
prachtige kleuren en melodieus gezang. Leeft van insecten en bessen.
Het delicate nest wordt hoog in de bomen in een vork gebouwd. Schuw en
valt meestal alleen op door zang. |
|
| Trek |
Overwintert in Centraal- en Zuidelijk Afrika. Zomergast
van eind april tot in september. |
|
| Aantallen |
Zeldzamere broedvogel. |
|
|
winterkoning
|
|
| Grootte |
lengte: 9,5 cm |
|
| Zang |
De aanwezigheid van de winterkoning is veelal niet
moeilijk vast te stellen en zeker niet in februari-juli wanneer hij
volop zingt. Zijn zang is doordringend en krachtig. Het klinkt
ratelend en bestaat uit circa 5 seconden aangehouden volle tonen, die
bij tussenpozen worden herhaald. Het lijkt in het veld op de zang van
de roodborst, maar is toch goed herkenbaar door de lange trillers. |
|
| Voortplanting |
Het mannetje bouwt een aantal bolvormige nesten van
bladeren, droog gras en mos, met een ingang opzij bovenaan, in heggen,
klimop, boomstronken, schuurtjes of zelfs in oude nesten van andere
vogels. Het wijfje kiest er één uit en voert dit van binnen met
veertjes. Gewoonlijk bestaat het legsel uit 5 à 8 witte eieren, met
aan de stompe kant soms zwarte of roodbruine spikkels. Het wijfje
broedt de eieren in 2 weken uit. Het mannetje helpt het wijfje met het
voeren van de jongen. |
|
| Voedsel |
Het voedsel bestaat uit insecten en zaden. |
|
| Gedrag |
Hoewel het een druk, energiek vogeltje is, leidt de
winterkoning buiten het broedseizoen een verborgen levenswijze. Vaak
ziet men slechts een glimp van hem, terwijl hij in de begroeiing naar
voedsel zoekt. |
|
| Kenmerken |
Na de goudhanen is de winterkoning de kleinste Europese
vogel. Opvallend is zijn korte, opgewipte staart. Het verenkleed is
roodachtig bruin met spikkels. De snelle, rechtlijnige vlucht van de
winterkoning is door de korte, afgeronde vleugels snorrend. Geslachten
gelijk. |
|
| Trek |
Standvogel, maar noordoostelijke broedvogels trekken 's
winters naar Midden-Europa. |
|
| Aantallen |
Door zijn geringe grootte heeft de winterkoning vaak
meer van strenge winters te lijden dan andere soorten en in lange
vorstperioden is de sterfte soms groot. Na een periode van milde
winters is de populatie echter wel snel op peil en we mogen hem op het
ogenblik tot een van onze talrijkste broedvogels rekenen. |
|
|
witte kwikstaart
|
|
| Grootte |
lengte 18cm. Groter dan huismus. |
|
| Biotoop |
Vindt men bij rivieren, kanalen en meren, maar ook in
steden, vaak op verbazend grote afstand van water. Hij nestelt in een
gat, een afvalhoop, een houtstapel of in een rotsspleet. |
|
| Kenmerken |
Zijn naam dankt hij aan het voortdurend
wippen met zijn staart. Hij rent of vliegt om insecten te vangen. 's Winters
vormen zich grote groepen, soms in steden. De witte kwikstaart heeft
een voedselterritorium, ieder exemplaar zal zijn terrein verdedigen,
ook in de winter. |
|
| Trek |
Het gehele jaar door te zien. |
|
| Aantallen |
Algemeen. |
|
|
wulp
|
|
| Grootte |
lengte 50-60 cm - spanwijdte 80-100
cm. De
grootste Europese steltloper. |
|
| Biotoop |
Het broeden vindt plaats op hooggelegen weilanden,
duinen en heidevelden. Het nest licht op de grond tussen laag
struikgewas. Buiten het broedseizoen vertoeven ze op moddervlakten en
zandbanken. |
|
| Kenmerken |
Herkenning is eenvoudig; geen enkele vogel heeft zo'n
lange gebogen snavel. Het vrouwtje is groter dan het mannetje, ook
heeft ze een langere snavel. Het verenkleed is gespikkeld bruin. Ze
zoeken het liefst eten op modderige plaatsen waar ze jagen op wormen
en schaaldieren.
Bij wulpen komt het voor dat het vrouwtje de broedzorg aan het
mannetje overlaat. Na het uitkomen van de eieren vertrekt ze naar het
zuiden of bemoeit ze zich niet meer met haar jongen. Dit komt
overigens niet altijd voor, vrouwtjes kunnen ook moeite doen voor de
kuikens totdat ze groot genoeg zijn. De jongen krijgen sowieso geen
hulp bij het zoeken van voedsel. De hulp bestaat uit bewaking en
warmhouden van de kuikens. De bewaking van het nest wordt op twee
manieren uitgevoerd. Kraaien, kiekendieven en ander gespuis van die
grootte worden aangevallen. Zijn de vijanden te groot, dan gebruikt de
wulp een andere tactiek. Op een duidelijke zichtbare plek doet de
ouderwulp alsof het gewond is. De aanvaller ziet een gemakkelijke
prooi en gaat er achteraan. Wanneer de aanvaller dichtbij is springt
de wulp wat verderop en lokt de vijand zo weg van het nest.
Voordat er eieren gelegd kunnen worden moet het mannetje eerst een
territorium hebben en verdedigen. Zo gauw hem dat lukt laat hij dat
duidelijk merken. De wulp vliegt dan laag over de grond, stijgt
vervolgens verticaal op en blijft even staan. Vervolgens zweeft hij
naar de grond onder 'jodelend' gezang. |
|
| Trek |
Heel het jaar door te zien. Onze broedvogels trekken in
de zomer weg naar het zuiden. Daarvoor in de plaats komen de
noordelijke broeders die hier overwinteren. |
|
| Aantallen |
Talrijkste Wulp. Sinds 1975 in toenemend aantal op
cultuurgraslanden. |
|
|
zwaan
|
wilde zwaan
|
| Grootte |
lengte: 145 - 160 cm - spanwijdte: 218 - 245 cm |
|
| Biotoop |
Broedvogel en overwinteraar op meren, rivieren, plassen
en beschutte baaien. |
|
| Voortplanting |
Nestplaatsen zoeken wilde zwanen vaak ergens beschut op
een eilandje in het water. Het wijfje bouwt het grote nest van riet en
waterplanten die door het mannetje worden aangevoerd. Eind mei, begin
juni produceert ze een legsel van 3 à 5 eieren, dat na zo'n 30 à 35
dagen uitkomt. De jonge zwaantjes zijn in het begin zilvergrijs met
wit. Vervolgens krijgen ze grijsachtig bruine veren op de kop en witte
veren met een grijze punt op het lichaam. Na 8 weken kunnen ze
vliegen. |
|
| Voedsel |
Tijdens de zomer vindt de wilde zwaan voldoende
waterplanten en insecten om zich mee te voeden, terwijl hij
's winters zijn voedsel op
stoppelvelden zoekt. |
|
| Gedrag |
De wilde zwaan is luidruchtiger dan
de bekende knobbelzwaan en heeft een luide
trompetroep. Daarentegen zijn ze tijdens de langzame, krachtige vlucht
relatief stil en maken hun vleugels niet het zingende geluid dat dan
bij de knobbelzwaan te horen is. Wilde zwanen vliegen groepsgewijs in
de typische V-formatie of in een schuine lijn. Families blijven vaak
bij elkaar en waar voldoende voedsel is, vormen zich grote groepen die
weilanden afgrazen. |
|
| Kenmerken |
Een volwassen wilde zwaan heeft een driehoekige kop en
houdt zijn hals recht omhoog. Ze worden soms bruinachtig van het
ijzerrijke water. Geslachten gelijk. |
|
| Trek |
Hij broedt hoofdzakelijk op Ijsland en in Rusland. In de winter vertrekken ze van daar
naar het warmere zuiden. |
|
| Aantallen |
In onze streken is de wilde zwaan een schaarse
wintergast (ca. 1000), die in strenge winters het talrijkst voorkomt. |
|
|
|
|
knobbelzwaan
|
| Grootte |
lengte: 45 - 160 cm - spanwijdte: 208 - 238
cm |
|
| Biotoop |
Knobbelzwanen houden van stilstaand of langzaam
stromend water met veel waterplanten: moerassen, plassen en open water
nabij weilanden. |
|
| Voortplanting |
Het grote nest wordt van allerlei materiaal, zoals
takken, riet en stro, op de grond gebouwd en kan een doorsnede van 4 m
en een hoogte van 75 cm bereiken. De 4 à 7 eieren worden gedurende 34
à 38 dagen, in hoofdzaak door het wijfje, bebroed. De kuikens zijn
lichtgrijs van boven en witter onderaan. Soms draagt het wijfje ze op
de rug mee. Ze kunnen na 20 weken vliegen. De jonge vogels zijn
vaalbruin en vertonen al snel witte plekken in hun verenkleed. De
grijze snavel met zwarte basis en punt wordt bij het ouder worden
eerst roze, vervolgens oranje. |
|
| Voedsel |
Knobbelzwanen eten voornamelijk waterplanten die ze met
hun lange nek uit het water vissen. |
|
| Gedrag |
De aard van deze vogel is in strijd met zijn vreedzaam,
sierlijk uiterlijk: hij is bijzonder agressief en bazig. Tijdens het
broedseizoen vormt het mannetje in het water een groot territorium,
waaruit hij elk dier verjaagt. Zijn dreiggedrag bestaat uit het sterk
buigen van de hals en het over de rug bollen van de vleugels terwijl
hij komt aangezwommen naar de indringer of rivaal. Het is een vrij
zwijgzaam dier, dat bij agressie sist en soms een zwakke trompetroep
laat horen. |
|
| Kenmerken |
De soort dankt zijn naam aan de zwarte knobbel op de oranje-rode
snavel, die bij het vrouwtje gemiddeld kleiner is en bij het mannetje
tijdens het broedseizoen extra opzwelt. In het water is de knobbelzwaan
verder nog te onderscheiden aan de sierlijk gebogen hals en de naar
beneden gerichte snavel. Poten grijs tot zwart. In de krachtige vlucht
strekt de knobbelzwaan de hals en maken zijn vleugels een
karakteristiek, zingend geluid.
|
|
| Trek |
De knobbelzwaan is bij ons het gehele jaar te zien. In
de zomer vind je ze soms in grote groepen. |
|
| Aantallen |
Bij ons bestaan er enkele duizenden broedparen. De
wilde knobbelzwaan is zeldzaam: de bij ons voorkomende exemplaren zijn
vrijwel allemaal afstammelingen van verwilderde tamme knobbelzwanen.
Vroeger werd hij namelijk veel vanwege het vlees en het beroemde
zwanendons als tam dier gehouden. |
|
|
|
|
|
zwaluw
|
|
|
|
gierzwaluw
|
| Grootte |
lengte 16-17 cm - spanwijdte
42-48 cm. Korter
lijf, maar langere vleugels dan boerenzwaluw. |
|
| Biotoop |
Bij slecht weer vaak in grote groepen samen met andere
zwaluwen boven meren en andere natte gebieden. Broedt talrijk in
steden en dorpen onder dakpannen en in nissen van gebouwen en soms ook
in boomholten en nestkasten. |
|
| Kenmerken |
De gierzwaluw brengt bijna zijn hele leven al vliegend
door. Ze vangen ze insecten, drinken en slapen zelfs in de lucht. Hij
gebruikt zijn pootjes zo zelden dat ze verworden zijn tot hulpeloze
klauwtjes. Hij kan er zich mee vastgrijpen aan muren en zo, maar hij
ervaart de grootste moeite om weer op te stijgen indien hij op de
grond terecht komt. Kom je ooit zo'n gelande gierzwaluw tegen, gooi
hem dan gewoon de lucht in en hij is zo weer vertrokken. Gedurende
vaak langdurige jachtvluchten wordt voedsel in de krop verzameld. Is
volledig afhankelijk van voor vliegende insecten gunstige
weersomstandigheden en legt ook in zijn broedtijd lange afstanden af
om ongunstig weer te ontwijken. De jongen hebben een speciale
aanpassing om slecht weer te overleven (in zekere mate ook de
volwassen vogels). Na enige dagen met voedselgebrek raken ze in
energiebesparende staat van verdoving waarmee ze tot 15 dagen honger
kunnen overleven. In die periode groeien de jongen wel niet. Groepen
vliegen vaak in formatievluchten met razende snelheid rondom
broedplaatsen. |
|
| Trek |
Vanaf eind april - begin mei tot augustus, een
zomergast dus. |
|
| Aantallen |
Niet bedreigd. |
|
boerenzwaluw
|
| Grootte |
lengte 19-22 cm. |
|
| Biotoop |
Landbouwgebieden bij boererijen. Bouwt nest, een halve
kom van klei, tegen balken in stallen en boerderijen, soms ook onder
bruggen. |
|
| Kenmerken |
Bekendste zwaluw van Europa. Opvallend lange
staartpennen en rode keel. Verzamelt tijdens trek met andere zwaluwen
boven moerassen en meren met veel insecten. Overnacht dan in het riet. |
|
| Trek |
Van maart-april tot augustus-oktober. Heel zelden een
winterwaarneming. |
|
| Aantallen |
Niet bedreigd. |
|
huiszwaluw
|
| Grootte |
lengte 12,5 cm. |
|
| Biotoop |
Dorpen nabij open gebied, vaak in de buurt
van water. Niet noodzakelijk in bewoonde streken. Broedt in kolonies
op gebouwen en rotswanden. |
|
| Kenmerken |
Direct aan witte stuit te herkennen. Vaak
kwetterend vanop elektriciteitsdraden. Metselt een bolvormig nest met
nauwe opening aan de bovenkant, vaak onder overhangende daken.
Gebruikt ook kunstnesten. Dikwijls twee broedsels per jaar. Eet
vliegende insecten als boerenzwaluw, maar jaagt vaker op grotere
hoogte. |
|
| Trek |
Te zien vanaf april-mei tot
augustus-oktober. Trekt naar tropisch Afrika. |
|
| Aantallen |
Talrijke zwaluw van open gebied. |
|
|
|
|
|
|
zwartkop
|
|
| Grootte |
lengte 14 cm. Iets groter dan een mus. |
|
| Biotoop |
Zwartkoppen komen voor in parken en bossen met dicht
kreupelhout. Ook in de dorpen. Het is een echte struikbewoner. |
|
| Kenmerken |
Deze grasmus eet insecten en vruchten. Nestelt laag in
dicht struikgewas. Er zijn een of twee broedsels. In gebladerte soms
moeilijk te ontdekken, maar trekt de aandacht door fraai gezang. |
|
| Trek |
Trekvogel. Rond oktober gaan de dieren naar de
Middellandse Zee. Begin april zijn ze weer terug. Sinds 1970 gaan ze
's winters ook naar Engeland en Ierland! Dat doen inmiddels al meer
dan tienduizend vogels. Het voordeel is dat deze dieren in het
voorjaar eerder terug zijn en dan de beste gebieden kunnen kiezen |
|
| Aantallen |
Niet bedreigd. |
|
|
|
|