vogels

 

Klik op de naam van de vogel waarvan je een afbeelding wilt zien.  Wil je vervolgens zijn zang horen, klik dan op de foto !

 

 

 

aalscholver

 

Aalscholver_Phalacrocorax-carbo.jpg (25712 bytes)

 

Grootte lengte: 80-100 cm - spanwijdte: 130-160 cm
Biotoop Broedt op rotsrichels aan zee of in bomen aan meren of kusten, plaatselijk in rietvelden of op grond. Hoofdzakelijk kustvogel, maar is ook te zien in het binnenland, dikwijls aan grote vijvers.
Kenmerken Grote, donkere watervogel die zich hoofdzakelijk met vis voedt. Staat vaak met gespreide vleugels. Zwemt met rechte hals en opwaarts gerichte kop; lichaam diep in water. Vliegt laag in wig- of lijnformaties. Duikt naar vis. Rust vaak in grote dichte groepen op zandbanken, rotsen, palen of in bomen. Maakt in broedkolonies gakkende geluiden, elders is hij zwijgzaam. Nest van zeewier, riet of twijgen; de nestbomen sterven af door uitwerpselen. Typisch aan de aalschover is het drogen van de vleugels na een duik. 
Trek Gehele jaar aanwezig. 
Speciaal In China en Japan wordt de vogel reeds duizend jaar getraind om voor de mens te vissen.  De vogels worden daartoe aan een lange lijn gehouden, met een halsband die het inslikken van de vis belet. Aalscholvers zijn kundige vissers (duikvogels) en maken duiken van 20 tot 30 seconden naar de bodem, tot een diepte van wel 8 meter.
Aantallen Sinds de invoering van jachtverboden behoorlijk in aantal toegenomen en in de laatste jaren zijn nieuwe kolonies ontstaan.  Deze soort broedde niet meer in ons land serdert 1965.  Herinplantingspogingen leidden in 1990 tot succes in het Zwin.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(vis)arend

 

Visarend_Pandion-haliaetus-th.jpg (12325 bytes)

 

Grootte lengte  55-69cm - spanwijdte 145-160cm
Biotoop Broedt in grote nesten in boomtoppen of masten, soms ver van water. Typische nestplaatsen vindt men in dennen en sparren met hoogzittende dode takken. Zijn nest (de horst), die bestaat uit takken en gras, wordt elk jaar dat hij weer wordt gebruikt, groter.  
Kenmerken Na een geschikte prooi gevonden te hebben, vaak in etappes afdalend om daarna met hoge snelheid en vooruit gehouden poten in het water te storten, daarbij soms geheel onder het wateroppervlak verdwijnend.  De vogels vangen regelmatig vissen van ongeveer 2 kg.
Trek Op doortrek in april en in augustus-september. Soms enige tijd pleisterend. Een paar exemplaren overzomerend en een enkele keer ook overwinterend.
Speciaal In onze streken kunnen we de visarend zien bij vijverranden in de periode rond mei en september als doortrekker naar andere oorden. Als rust- en aasplaats zoeken ze dan een dode boom of paal in het water op. Toch blijft de vogel nogal zeldzaam!
Aantallen Vrij algemeen op doortrek. (jaarlijks ca. 200ex)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

buizerd

 

Buizerd_Buteo-buteo.jpg (28784 bytes)

 

Grootte lengte: 51 - 57 cm   -   spanwijdte: 113 - 128 cm
Biotoop Broedvogel nabij bossen, weilanden en akkers.
Voortplanting In het voorjaar kan men de buizerds goed observeren tijdens de baltsvlucht (dan verleiden het mannetje en vrouwtje elkaar): beide partners zweven dan met een luid klinkende 'hièèèh'-roep boven hun territorium. De platte, omvangrijke horst (nest)  wordt gebouwd in oude naald- of loofbomen en is gevoerd met kleine twijgen, varens, gras en mos. Ze broeden in april-mei op 2 à 3 eieren gedurende een 30 à 35 dagen. De jongen blijven nog 40 à 49 dagen op het nest. Het vrouwtje broedt alleen, maar wordt soms door het mannetje afgelost. Door het verschil in grootte en voedselgebrek sterven de kleinste jongen vaak.
Voedsel Muizen vormen zijn favoriete voedsel, maar daarnaast vangt hij vogels, kleine zoogdieren, reptielen en amfibieën. De buizerd zit graag op een niet te hoge uitkijkpost zoals een paaltje, dikke aardkluit of lage tak van een alleenstaande boom, en loert vandaar op zijn prooi, die hij in glijvlucht vangt. De vogel zweeft ook vaak cirkelend boven zijn jachtgebied, met zijn scherpe ogen de omgeving afzoekend naar prooi. Men kan de hem - vooral in de winter - vaak langs de snelweg zien zitten waar hij speurt naar dieren, die aangereden zijn.  Eigenlijk is de buizerd niet echt een actieve jager, het is eerder een luie vogel.
Kenmerken De buizerd is te herkennen aan zijn gedrongen lichaamsbouw, ronde kop en relatief korte, brede staart met een reeks dwarsbandjes. Zijn kleur is erg variabel, gaande van wit tot donkerbruin. De bovenzijde is meestal bruin, de onderkant lichter met donkere langs- en dwarsstrepen. Geslachten zijn gelijk hoewel de vrouwtjes doorgaans iets groter zijn. Hij vliegt langzaam, met moeizame en stijve vleugelslagen. Bij het zweefvliegen worden de vleugels naar voren en omhoog gehouden met opwaarts gerichte grote slagpennen en uitgespreide staart. De compacte indruk wordt dan nog versterkt door de brede ingetrokken kop. Bij een glijvlucht zijn de vleugels vlak, met achterwaarts gerichte grote slagpennen.
Trek De buizerd kan je het gehele jaar te zien krijgen. Jonge vogels trekken deels weg, de oude vogels zijn standvogels. Vele buizerds uit Noord- en Oost-Europa komen als wintergast naar onze streken.
Aantallen In sommige streken had de myxomatose (=ziekte) onder konijnen ernstige gevolgen voor de stand van de buizerds, maar de belangrijkste oorzaak van hun achteruitgang in de jaren zestig was het gebruik van pesticiden zoals DDT. Zijn vooruitgang is te danken aan beschermende maatregelen en vermindering van het gebruik van pesticiden. Momenteel zijn er meer dan 4000 broedparen in België en Nederland.  De Gasthuisbossen en de Palingbeek zijn plaatsen waar de broedende koppels vaak zitten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

duif

  • Duiven nemen een unieke positie in onder vogels, omdat ze een speciale brij maken waarmee ze hun jongen voeren. Deze brij, die sterk overeenkomt met de melk die zoogdieren produceren, wordt duivenmelk genoemd.  Duivenmelk is een perfect vervangingsmiddel voor de insekten die andere vogels aan hun jong voeden om voldoende eiwitten binnen te hebben (voor de groei).  Hierdoor zijn duiven dus ook niet zo strikt aan een seizoen gebonden.  Hun broedseizoen beslaat dan ook meerdere maanden, hoewel de tijdstippen waarop andere voedselvoorraden beschikbaar komen, best van invloed kunnen zijn.
  • Vier van de vijf Europese duivensoorten broeden bij ons: de holenduif, de houtduif, de Turkse tortel en de tortelduif.  Deze laatste soort wordt steeds zeldzamer en overwintert in Afrika. De andere drie soorten zijn gedeeltelijk standvogels en worden hieronder besproken.

 

Holenduif_Columba-oenas.jpg (50134 bytes)

holenduif

 

 
Biotoop Bossen en oude parken met holle bomen (liefst oude nesten van zwarte specht ) nabij akkers en weilanden. 
Kenmerken Het geluid van de holenduif is niet meer dan een herhaald 'hoe-hoe-hoe'. Soms klinkt het erg dof als 'hoemp-hoemp'. Zoekt vaak met de  houtduif zijn voedsel op velden. De holenduif heeft een groene vlek op de zijhals en heeft op de vleugel twee korte zwarte strepen.  Het voedsel van de holenduif bestaat uit zaden, graan, bessen, eikels en dergelijke.
Voortplanting Broedt in konijnenpijpen of oude spechteholen, kliffen, gaten van stenen muren. Een enkele keer ook op de grond. Bij veel nestgelegenheid soms broedend in kolonies. Er worden 2 tot 3 eieren gelegd en de broedtijd bedraagt 16 tot 18 dagen.  De jongen vliegen na drieëneenhalve week uit, maar komen er wel terug om te rusten.
Trek Gehele jaar te zien in gehele land.
Aantallen Niet bedreigd. Minder talrijk dan hout- en stadsduiven.

Houtduif_Columba-palumbus.jpg (25346 bytes)

houtduif

 

Grootte lengte 40-42cm - spanwijdte 75-80cm. Het is de grootste duif die we kennen.
Biotoop Bossige streken nabij open gebieden, ook in stadsparken en tuinen.
Kenmerken Het koeren van de houtduif bestaat uit een 5-delig 'Roe-koe-koe koe-koe' Waarbij een kleine pauze bestaat tussen de derde en vierde 'koe'. Lijkt enigszins op de Turkse tortel, maar die kent een 3-delig geluid 'Roe-koe koe'. Klapt bij opvliegen en landen met vleugels. Eet bessen, zaden en knoppen. In de herfst vormen beukenootjes en eikels het belangrijkste voedsel. Zoekt vooral 's morgens en 's avonds ook op akkers en velden naar voedsel. Voedt de jongen met de zogenaamde 'duivenmelk': een papje dat aangemaakt wordt in de keel van de oudervogels.  Houtduiven vallen bij de vijver direct op, omdat ze 'gewoon' kunnen drinken. Ze hoeven niet elke keer hun kop omhoog te gooien om het water in de snavel naar beneden te laten glijden.
Trek Gehele jaar te zien. In de winter arriveren soms noorderlijke vogels, vooral in jaren met een overvloedige beukennootjes-oogst. 
Speciaal De houtduif is een vogel die in België overvloedig voorkomt. Dat was wel eens anders, want in het verleden werd er flink op hem gejaagd. Duif stond zeker in het najaar geregeld op het menu. Dat heeft natuurlijk alles te maken met het feit dat het een flinke vogel is.  

De houtduif is het favoriete kostje van de havik.  

In landbouwgebieden wordt de houtduif als schadelijk gezien omdat ze in sommige gewassen (bv kool en andere wintergewassen) een aanzienlijke schade kunnen aanrichten in strenge wintermaanden.

Aantallen Talrijkste en wijdst verspreide duif. Niet bedreigd, al loopt het aantal broedparen wel terug.

Turkse_Tortel_Streptopelia-decaocto-th.jpg (38885 bytes)

Turkse tortel

Grootte lengte 31-33cm - spanwijdte 47-55cm
Biotoop Stadsparken en tuinen. Broedt zelden verder dan 1km van menselijke achtiviteiten, in tegenstelling tot de zomertortel, die deze plaatsen liever wat mijdt, maar is toch schuwer en voorzichtiger dan de houtduif.  Vroeg in de herfst zijn zwermen van deze vogels te vinden op gemaaide korenvelden en boerderijen waar het graan wordt verwerkt.
Kenmerken De geschiedenis van de Turkse tortel is een succesverhaal! Dat er in de jaren 50 speciale bustochten ondernomen werden om deze duif in onze streek te bezichtigen, is vandaag de dag moeilijk te geloven. Nu kan me de Turkse tortel in iedere maand van jaar broedend aantreffen.  Ieder jaar brengt een paartje wel vier, vijf of misschien wel meer legsels groot.
Trek Gehele jaar aanwezig.
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

eend

  • Eenden kan je in 2 groepen indelen.  

zwem- of grondeleenden

duikeenden

Hun poten pedelen over het water, ze drijven en dobberen over het wateroppervlak.  Grondeleenden springen recht uit het water omhoog wanneer ze willen vliegen.

Vb.: tafeleend, slobeend, bergeend

Duikeenden trappelen eerst wat over het water voordat ze opvliegen.

Vb.: kuifeend

  • Het verenkleed van de eend is waterdicht gemaakt met een soort olie uit de stuitklier. De vogel is hierdoor goed geïsoleerd tegen water en koude.
  • Het verenkleed van de mannelijke eend is dikwijls verschillend met dat van de vrouwelijke eend (vb. bij wilde eend).  Dit is echter niet altijd zo (vb. bij bergeend).
  • De meest voorkomende eenden worden hieronder uitgebreid besproken.

 

 

 

Bergeend_Tadorna-tadorna.jpg (22426 bytes)

bergeend

 

Grootte lengte: 58-71cm - spanwijdte: 110-133cm
Biotoop Broedt aan zeekusten (duinen en vlakke zandstranden), grote meren en rivieren, zoetwatermeren en bij moddervlakten, bij voorkeur in open onbegroeide gebieden. Zoekt meestal in ondiep water eten, maar ook op schorren en akkers. Weekdieren vormen de hoofdschotel van hun menu waarbij het wadslakje de voornaamste  plaats inneemt.
Kenmerken Middelgrote, gansachtige eend met bont verenkleed. Lichaam plomp, hals en poten lang. Vleugels lang en nogal puntig. Wit met donkergroene kop. Bloedrode snavel, bij volwassen mannetje tijdens broedtijd met opvallende knobbel. Brede kastanjebruine borstband. Vrouwtje gemiddeld iets kleiner dan mannetje, met kleinere snavelknobbel. Nestelt meestal in grondhol, gewoonlijk van konijnen, zelden in boomhol of onder gebouwen. Het snateren van de Bergeend gaat met een tempo dat veel hoger ligt dan het snateren van de wilde eend. Eigenaardig geluid.
Voortplanting Hoewel alleen het vrouwtje broedt, is het mannetje nooit ver weg.  De jonge bergeenden vormen groepjes die door een aantal volwassenen ('tantes') verzorgd worden.  Intussen zijn de ouders al vertrokken naar andere oorden om te overwinteren.
Trek Trekvogel in Noord- en Oost-Europa. Overwintert in Middellandse Zeegebied.
Aantallen Niet bedreigd.
 

 

 

 

Kuifeend_Aythya-fuligula-th.jpg (28423 bytes)

kuifeend

Grootte lengte: 40 - 47 cm
spanwijdte: 67 - 73 cm
Biotoop De kuifeend houdt van allerlei wateren met rijke oevervegetatie. Je ziet ze vaak op grote meren en diepe sloten. De kuifeend nestelt  in dezelfde soort gebieden als de tafeleend, maar daarnaast ook op drogere terreinen, mits de afstand tot water niet al te groot is. 
Voortplanting Na de paring neemt de woerd een karakteristieke houding aan, met de snavel omlaag. De 6 à 10 eieren (tot 18 als twee wijfjes hun eieren in één nest leggen) worden in 23 à 26 dagen uitgebroed. Jonge kuifeenden zoeken direct het water op en kunnen binnen enkele uren duiken. Na 6 weken zijn ze vliegvlug.
Voedsel Kuifeenden eten meer dierlijk voedsel en duikt dieper dan tafeleend.
Gedrag De woerd maakt een zacht fluitend, de eend een grommend geluid.
Kenmerken Zelfs van grote afstand is de woerd herkenbaar aan zijn sneeuwwitte flanken en witte vleugelstreep. Van dichtbij vertoont de kop een paarse glans en een afhangende kuif. In de vlucht hebben beide geslachten langere en puntiger vleugels dan de tafeleend. 
Trek De kuifeend is een tamelijk talrijke broedvogel van onze streken, maar in de winter zijn ze massaal aanwezig.
Aantallen De kuifeend is de afgelopen 30 jaar enorm in aantal toegenomen.  Zelfs in allerlei vijvers in parken is het een algemeen voorkomend dier, dat met de wilde eend om het brood van de wandelaars wedijvert. De oorzaak hiervan is mogelijk het grote aanpassingsvermogen van de kuifeend aan de veranderde milieuomstandigheden, met name in verkavelde gebieden. 

 

Tafeleend_aythya-ferina.jpg (26325 bytes)

tafeleend

Grootte lengte: 42 - 49 cm  -  spanwijdte: 72 - 82 cm
Biotoop Tafeleenden broeden aan vegetatierijke meren met open water en aan ondiepe moerassen met rijke oever- en onderwatervegetatie in vele delen van Europa.
Voedsel Hij eet vooral zaden, bladeren, wortelstokken, schaaldiertjes, wormen en insecten. Dit wordt hoofdzakelijk door duiken (1 à 2 m diep) verzameld. Voor ze duiken maken ze een sprongetje.
Voortplanting De tafeleend kiest zijn broedplaats zeer zorgvuldig: hij zoekt een open stuk water zonder drijfplanten, maar rijk aan voedsel biedende ondergedoken planten. Het nest bestaat uit een met riet en bladeren beklede kom in de grond of een platform van planten, opgebouwd op een drassige ondergrond. In beide gevallen is het nest met dons gevoerd. De eieren zijn groenachtig grijs en een legsel bestaat meestal uit 6 à 12 eieren. Het wijfje broedt gedurende 3 weken. De jongen zijn zwartig bruin van boven en groenig geel van onderen. Ze verlaten het nest direct en kunnen na ca. 8 weken vliegen.
Gedrag De tafeleend vliegt moeizaam uit het water op en neemt daarbij een lange aanloop. Eenmaal in de lucht is hij snel. Tafeleenden vormen tijdens de trek vaak grote zwermen, vaak in het gezelschap kuifeenden. De tafeleend is een tamelijk zwijgzame soort; het meest hoor je nog het scherpe 'kerr' van het wijfje.
Kenmerken Bij de woerd (mannelijke eend) zijn de steenrode kop, de zwarte borst en de grijze rug kenmerkend. De eend is vaalbruin, met een lichte koptekening en lichte strepen op rug en flanken. Deze duikeend is in vlucht te onderscheiden van de overige duikeenden door de grijze - niet witte - vleugelstreep.
Trek Tafeleenden zie je bij ons het gehele jaar, maar de meeste tijdens de winterperiode vanaf september tot en met maart.
Aantallen De tafeleend is deze eeuw in Noordwest-Europa sterk in aantal toegenomen.

 

 

 

Slobeend_Anas-clypeata.jpg (15586 bytes)

slobeend

Grootte lengte: 49 - 52 cm  -  spanwijdte: 70 - 84 cm
Biotoop De voorkeur van de slobeend gaat uit naar duinmeren en laaggelegen streken met drassige weiden en kleine, ondiepe, voedselrijke sloten, weilanden en moerassen. Ze komen het gehele jaar voor in het kustgebied.
Voedsel Het opvallendste kenmerk van de slobeend is zijn grote, spatelvormige snavel, die hij op de typische manier van een grondeleend gebruikt voor het uitzeven van voedseldeeltjes uit grote hoeveelheden water. Aan de binnenkant van de snavel bevinden zich talloze kamvormige uitsteeksels, waarachter het voedsel blijft steken als het water er doorheen stroomt. Slobeenden zijn echte alleseters. Ze eten kleine kreeftachtigen, slakjes, insecten, insectenlarven, kikkervisjes en zaden en knoppen van waterplanten als riet en algen.
Voortplanting Het nest is zoals bij de meeste van zijn verwanten, een met gras, veren en dons gevoerde ondiepe kom in de grond. De 7 à 14 lichtgroene eieren worden vanaf eind april gelegd en in circa 25 dagen uitgebroed. De jongen verlaten het nest direct na het uitkomen en vertonen al snel tekenen van de ontwikkeling van een enorme snavel. Na 6 à 7 weken kunnen ze vliegen.
Gedrag De slobeend is een zwijgzame vogel. Het mannetje laat in de baltstijd een gorgelend 'groh-groh' horen, de vrouwtjes een twee-lettergrepig kwaken.
Kenmerken De slobeend kan je altijd herkennen aan zijn typische snavel, die donker is van kleur en van voren spatelvormig verbreed. De vogel lijkt door zijn snavel erg zwaar te zijn. De woerd (mannetje) heeft een glanzend groene kop, de borst is wit en de buik kastanjebruin. Het is de enige zwemeend met een lichtgele iris. De mannetjes verlaten de broedplaats al eind mei begin juni en ruien(verliezen van veren) dan naar een ander kleed. Dan heeft de woerd lichtere vleugels dan de eend, maar een donkerder rug. In vlucht hebben beide geslachten een blauwe schouder, witte vleugelstreep en groene spiegel. De kop en het lichaam van het wijfje zijn bruin met gespikkelde onderdelen.
Trek Slobeenden kan je het gehele jaar waarnemen. De meeste zie je echter vanaf maart tot in de zomer (broedparen); de minste zie je in de winterperiode. In het najaar trekken deze vogels naar Zuid-Europa en Noord-Afrika. De broedvogels van Noord-Europa overwinteren in West-Europa. 
Aantallen De slobeend is in België een zeldzame broedvogel.

 

 

 

Wilde_Eend_Anas-platyrhynchos.jpg (19921 bytes)

wilde eend

Grootte lengte: 51 - 62 cm  -  spanwijdte: 91 - 98 cm
Biotoop Zowel in de stad als op het platteland is de wilde eend de meest algemene eendensoort van onze streken. Hij voelt zich in parken thuis, maar ook in afgelegen, rustige wateren, moerassen, meren, sloten in akkers en weilanden.
Voortplanting Het meestal goed verborgen nest wordt van plantdelen gemaakt en met dons gevoerd. Het bevindt zich meestal op de grond, maar ook wel in bij het water staande bomen. Nesten in knotwilgen en holle bomen zijn gewoon, en ook zijn er geregeld nesten in of bij bouwwerken waargenomen. De gewoonlijk 7 à 12 lichtgroene eieren worden soms al eind maart gelegd en door het wijfje in circa 4 weken uitgebroed. Ze verzorgt de jongen meestal alleen en deze zijn na twee maand vliegklaar.
Voedsel Met zijn brede, platte snavel zeeft hij allerlei klein plantaardig en dierlijk materiaal uit het water. Hij zoekt zijn voedsel ook ver van water, bijvoorbeeld op stoppelvelden.
Gedrag In de stad is het een echte cultuurvolger, die zich graag door de mens laat voeren, terwijl het in natuurgebieden vaak een zeer schuwe vogel is. De wilde eend kan met krachtige vleugelslag recht uit het water opstijgen. Zijn van vliezen voorziene zwempoten staan ver naar achteren, zodat hij zich op het land schommelend voortbeweegt. Het wijfje maakt het kwakende geluid dat de mens met eenden associeert. De woerd heeft soms echter ook een zachte, hees klinkende roep, met name als hij gealarmeerd is. In vlucht hoor je het fluitende vleugelgeluid.
Kenmerken Het mannetje heeft een glanzend groene kop, een witte halsband, een kastanjebruine borst en gekrulde zwarte veren aan de staart. Met zijn ruime halve meter is hij in onze streken de grootste grondeleend. Tijdens de najaarsrui onderscheidt de woerd zich door zijn gele snavel van het vrouwtje. Veel exemplaren tonen opvallende kleurafwijkingen door vermenging met gekweekte vormen en zijn soms moeilijk te herkennen.
Trek Wilde eenden zijn geen standvogels, in tegenstelling tot wat velen zouden denken. De mannetjes trekken al in mei-juni naar hun ruigebieden, de vrouwtjes en jongen in juli-augustus. Broedvogels uit onze streken trekken evenwel niet al te ver. In oktober-december arriveren hier grote aantallen uit Scandinavië en Noordwest-Rusland.
Aantallen Ondanks de intensieve jacht blijft de wilde eend onze meest voorkomende eendensoort.

 

Wens je meer over eenden te weten, klik dan op deze link:

http://www.kinderenwebhotel.be/boerderij/images/eend/eend.htm

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(gewone) ekster

Ekster_Pica-pica.jpg (33745 bytes)

gewone ekster

 

 

 

 

 
Grootte lengte  44-48cm
Biotoop Overal in open en halfopen landschap met dicht struweel of hoge bomen, ook cultuurvolger (=bij de mens).
Kenmerken De gewone ekster is een zwart-witte vogel met lange staart.  
Gedrag Eksters zijn berucht als 'rovers' van eieren en jonge vogels.  Een paartje kan men soms heggen en bosjes zien afzoeken, begeleid door protesterende vogeltjes.

Eksters zijn zeer waakzaam tegenover mensen en alarmeert luidskeels voor roofvogels, katten en andere vijanden.

Ze zoeken hun voedsel hoofdzakelijk op de grond en vertonen net zoals de meeste andere kraaiensoorten een diepgaande interesse voor glimmende voorwerpen.  Vandaar de verhalen over 'stelende' eksters.  De ekster is echt de kwajongen onder de vogels (sluwe vogel).

Voortplanting De ekster broedt in hoge bomen in een koepelnest (= nest met een dak op).  Het nest bevat vier tot acht eieren die alleen door het vrouwtje bebroed worden, terwijl het mannetje haar voert.
Trek Gehele jaar door te zien.
Aantallen Sterk toegenomen de laatste jaren bij gebrek aan natuurlijke vijand (bv. havik), zeker niet bedreigd.

 

Scholekster_Haematopus-ostralegus-th.jpg (22864 bytes)

scholekster

Grootte lengte 40-45cm  -  spanwijdte 80-86cm
Biotoop De scholekster broedt van de Noordkaap tot in het Middellandse Zee-gebied. Scholeksters broeden in de duinen, in weilanden, op akkers en zelfs op daken. Ze kunnen op daken broeden omdat de jongen door de oude vogels worden gevoerd. De vogel broedt het liefst op nagenoeg kale of met kort gras begroeide open vlakten. Wat betreft de temperatuur die heerst in het gebied is de 'bonte piet' niet erg kieskeurig. Zolang ijs ontbreekt, is het de vogel allemaal best. De scholekster is van oorsprong een kustvogel. De laatste twintig jaar heeft deze vogeL zich aangepast aan het leven op de landbouwgronden in het binnenland.
Kenmerken Zeer luidruchtig, ook 's nachts. Alarmeert hardnekkig en achtervolgt kraaien, meeuwen en andere vogels bij zijn nest. Toont merkwaardig gedrag meestal aan randen van territoria door in kleine groepjes (4 à 8) met naar beneden gerichte koppen opgewonden heen- en weerlopend lange trillers te laten horen. Scholeksters eten allerlei soorten schelpdieren en wormen. De vogel kan met zijn sterke snavel de grootste mossels en kokkels open krijgen. De snavel van een scholekster is zeven tot acht centimeter lang. In principe kan de vogel dan ook zijn voedsel tot die diepte oppikken. Het zou echter te veel tijd en energie kosten om de prooien van die diepte te halen en het liefst pakt de scholekster dan ook grote prooien die minder diep liggen. Ook voor het openen van schelpen wordt vooraf nagegaan of het open hakken de moeite waard. De snavel slijt snel door het gepik. Dagelijks groeit deze dan ook ongeveer een halve millimeter aan.
Voortplanting Scholeksters leggen vier eieren, met een dag tussen elk ei. Vervolgens komen, vier weken later, de kuikens ook één voor één uit. Wanneer er drie kuikens uitgekomen zijn, wordt het laatste ei niet meer uitgebroed en besteden de oudere dieren alle aandacht aan de kuikens. Ze verzorgen de kuikens bijna twee maanden lang. In die tijd worden de jongen vliegklaar en leggen ze een eerste vetvoorraadje aan voor de winter. De kuikens die eind augustus halen, zijn in principe zelfstandig, maar krijgen zo nu en dan nog wat voedsel van hun ouders aangereikt. In oktober is de zorg voor de jongen helemaal afgelopen en gaan de ouders werken aan hun eigen vetvoorraad voor de winter. Ook gedurende het broedseizoen zullen de ouders zichzelf niet compleet uitputten voor hun jongen, ze willen fit genoeg blijven om het volgende jaar weer voor nageslacht te kunnen zorgen.
Trek In het winterhalfjaar trekken ze vanuit de noordelijke streken naar zuidelijke gebieden om de winter door te komen. 
Aantallen Talrijke broedvogel.

 

 

 

Klapekster_Lanius-excubitor-th.jpg (18505 bytes)

 

klapekster

Grootte lengte 24cm
Biotoop Klapeksters zijn vogels van ruige, vaak licht beboste open terreinen. In België wordt vooral gebroed op heidevelden, hoogvenen en kap- of stormvlaktes in het bos. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit woelmuizen en kevers.
Kenmerken De klapekster eet insecten, knaagdieren en kleine vogels. Slaat een reservevoorraad op door zijn gevangen prooi op doornen of punten van takken te spietsen in geval van slecht weer.
Trek Klapeksters uit noordelijker streken overwinteren in ons land, maar de eigen broedvogels trekken niet ver weg.
Aantallen De oorzaak voor de afname van de klapekster ligt grotendeels in de ontginning of bebossing van grote oppervlakten 'woeste gronden'. Ook de toenemende recreatie heeft een negatieve rol gespeeld. Uitwijken naar het steeds natuur-onvriendelijker boerenland was geen alternatief. Tot voor kort werd hier overigens wel overwinterd, maar ook daaraan lijkt inmiddels een eind te zijn gekomen. .

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fazant

 

Fazant_Phasianus-colchicus.jpg (36782 bytes)

 

Grootte lengte 53-89cm  -  spanwijdte 70-90cm. Het lijf is vergelijkbaar in grote met dat van een flinke kraai.
Biotoop Open bossen, bouwland, tussen het struikgewas. De nesten zijn niet veel meer dan wat plantenmateriaal en een paar veren.  Men vindt ze tussen kreupelhout, onder struiken en aan bosranden.
Kenmerken Het mannetje herkennen we aan de kleurrijke lange staart en het vrouwtje aan de schutkleur, zij is namelijk een grondbroeder en moet dus goed te verbergen zijn.  De fazant kent als geluid een metaalachtige serie rauwe kreten. Doet je nogal eens verschieten tijdens je wandelingen door opeens vanuit een struik op te fladderen en luidskeels te kraaien. Maakt daarbij met zijn vleugels een hels lawaai. Vliegt wel niet ver, hij landt meestal een paar meter verderop. De fazant is niet inheems.  Hij wordt vaak voor afschot uitgezet door jagers. Dat is misschien leuk voor de jagende medemens, maar de fazanten richten daarbij enorme schade aan. Ze pikken namelijk naar alles wat beweegt en laten meestal een slachtveld na bij de plaatselijke amfibieën.  In de lente eten ze graag malse opgeschoten gras- en graansprieten, maar 's zomers schakelen ze over op graankorrels en andere zaden, aangevuld met wat dierlijk voedsel.  In de winter bestaat het menu in hoofdzaak uit bessen, eikels en beukenootjes.
Trek Gehele jaar te zien
Aantallen Niet bedreigd.  Veel fazanten worden door de mens gefokt om het natuurlijk bestand aan te vullen, maar in geschikte gebieden broeden ze ook in het wild. Van alle hoenderachtigen heeft de fazant wellicht het grootste verspreidingsgebied.  Dit komt doordat hij in de 18de eeuw in Europa werd uitgezet voor de jacht.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fuut

 

Fuut_Podiceps-cristatus.jpg (50228 bytes)

 

Grootte lengte 41-51cm  -  spanwijdte  85-90cm. Kleiner en slanker dan een wilde eend.
Biotoop

Broedt aan open, stilstaand, zoet water, soms in losse kolonies. De laatste jaren ook in stadsvijvers en grachten. De fuut overwintert op grote meren en op zee in groepen van soms enkele honderden of duizenden exemplaren.

Voortplanting

Paren zwemmen bij de verleidingsdans borst tegen borst met opgezette halsveren, strekken zich op het water uit ('pinguindans') en doen aan 'schijnpoetsen'. Soms geven ze in deze gestrekte houding planteresten door aan elkaar of schudden met de kop. In het voorjaar zijn futen erg luidruchtig. Het nest bestaat uit een eenvoudige hoop waterplanten en ligt verankerd. Wanneer een ouder het nest verlaat , worden de eieren afgedekt met wat fijn plantaardig materiaal. De langwerpige, witachtige eieren (meestal een viertal), komen na drie à vier weken uit. De jongen zijn opvallend gestreept. Ze piepen schril als ze naar de ouders zwemmen om met insecten of vis te worden gevoederd. Na 10 weken zijn ze zelfstandig. 

Voedsel Futen eten waterdieren. Om deze te vangen duiken ze onder en achtervolgen ze hun prooi.
Kenmerken In vlucht slank, langgerekt silhouet met de voor alle futen kenmerkende snelle vleugelslag. Het lijkt bijna alsof de kleine vleugeltjes moeite hebben om het lijf van de vogel in de lucht te houden. De poten van de fuut staan meer naar achter dan bij de eend.  Dit is om beter te kunnen duiken.  De grote, witte dekveren zijn erg opvallend. In het winterkleed zijn de witte kop en de lange hals kenmerkend voor de fuut. Zomerkleed is onmiskenbaar door de dubbele kuif en de kraag op de kop.
Trek Gehele jaar talrijk. Maar ons land wordt ook gebruikt als overwinterverblijf van futen uit het noorden, van september tot oktober. In maart-april, soms al in januari, arriveren ze op broedplaatsen in het binnenland.
Aantallen Vrij algemene broedvogel en wintergast. Toen het een eeuw geleden mode was de veren van de fuut voor dameshoeden te gebruiken, dreigde de soort in sommige landen uit te sterven. Zijn bescherming heeft echter weer tot een grote populatie geleid.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

gans

Brandgans_Branta-leucopsis-th.jpg (42663 bytes)

 

 

brandgans

Grootte lengte 58-70cm  -  spanwijdte 132-145cm. Klein en onmiskenbaar, contrastrijk zwart-grijs en wit getekend.
Biotoop Grazend op moddervlakten en weilanden.
Kenmerken Luidruchtig in vlucht.
Trek Gehele jaar te zien,  doch in zeer kleine aantallen in juli-augustus. Meeste in december-februari.
Aantallen Niet bedreigd. 

 

 

Grauwe_Gans_Anser-anser.jpg (76438 bytes)

grauwe gans

Grootte lengte 75-90cm  -  slagwijdte 147-180cm.   Grote massieve gans.
Biotoop Halfopen moerassen met rijke oevervegetatie. Broedt in moerassen en bij meren.
Kenmerken Deze gans haar broedgebied ligt het zuidelijkst van alle ganzen. In Europa op veel plaatsen uitgezet.
Trek Wij kennen de grauwe gans als trekvogel en wintergast.

 

Rietgans_Anser-fabalis-th.jpg (54025 bytes)

rietgans

 

Grootte lengte  66-68cm  -  slagwijdte 147-175cm.  Wisselend, iets kleiner dan grauwe gans.
Biotoop In de noordelijke gebieden valt deze gans op doordat hij als enige soms in dichte berkenbossen nestelt. Verder nestelen ze op opener terrein. Als wintergast bij ons bezoeken ze in kleine groepen velden, rivierbeddingen en soms kustmoerassen.
Kenmerken Roept minder vaak dan andere ganzen. Wanneer van achteren gezien, in groep kolganzen snel te vinden door opvallende lichte randen aan de veren. Er zijn twee ondersoorten, die ook wel als aparte soorten worden beschouwd. Namelijk de taigarietgans en de toendrarietgans. Toendrarietgans broedt verder noordelijk dan taigarietgans.
Trek Toendrarietgans overwintert op graslanden bij de kust en is in Nederland te zien van november tot februari. Taigarietgans overwintert meestal op stoppelvelden in het binnenland. Deze zijn te zien vanaf oktober tot maart.
Aantallen Het aantal taigarietganzen die overwinteren beginnen af te nemen.

 

Kolgans_Anser-albifrons-th.jpg (26718 bytes)

kolgans

 

Grootte lengte 65-78 cm  -  spanwijdte 130-165cm. Kleiner dan grauwe gans.
Biotoop Hij broedt op eilanden, rivieren of op hogere delen in moerassen.
Kenmerken De meeste Europese kolganzen komen uit het noorden van Rusland, maar ook de Groenlandse ondersoort is een zeldzame wintergast in onze streken. Hij leeft van bladeren, wortels en zaden.
Trek Te zien vanaf oktober tot en met maart als wintergast.
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

havik

 

Havik_Accipiter-gentilis.jpg (28884 bytes)

 

Grootte lengte  48-61cm  -   spanwijdte 98-117 cm.
Biotoop Uitgesproken bosbewoner; bij voorkeur in niet te dicht naaldhout. Ook in buitenwijken van steden met veel bomen.
Kenmerken

Opvallend verschil tussen het vrouwtje (zo groot als een buizerd) en het mannetje (ongeveer een derde kleiner). Geslachten hebben een verschillend kleur: bovenzijde bij mannetje grijsbruin, bij vrouwtje leigrijs, onderdelen bij volwassen vogels in strepen, bij jonge vogels met donkerbruine druppeltekening.
Het vliegbeeld wordt gekenmerkt door de relatief korte, afgeronde vleugels en lange staart, die bijna nooit gespreid wordt gehouden. Vleugelslag sneller dan die van de buizerd (doch langzamer en krachtiger dan sperwer). Na 4-5 vleugelslagen een korte glijpauze. Circelt wat meer onvast en op geringere hoogte dan sperwer. Circelt bij goede termiek (= wind vanaf de grond) echter ook hoog, zonder vleugelslagen. In het begin van de broedtijd vliegt het paar hoog in de lucht en laat vervolgens een bliksemsnelle duikvlucht zien, gevolgd door een bijna loodrecht opstijgen met aangelegde vleugels.

Jacht

Meestal in bos jagend, snel en krachtig. Jachtvlucht in open landschap vlak boven de grond. Soms zelfs als velduil vliegend, met stijve langzame vleugelslagen. Zeer veelzijdige voeding van grote hoenderachtigen of hazen tot goudhanen en muizen. Het grotere vrouwtje bemachtigt meer grote zoogdieren en vogels, het kleinere mannetje is een echte vogeljager (duiven, gaaien en lijsters). Tijdens de jacht bereikt de havik in zeer korte tijd de hoogste snelheden. De prooi wordt meestal tijdens het eerste moment van verrassing overrompeld en geslagen.

Nest De horst (het nest) bevindt zich in de kruin van hoge bomen aan de bosrand of bij open plekken. Elk paar beschikt over verscheidene horsten, waartussen het van jaar tot jaar wisselt. Broedtijd tussen eind maart en eind april. Grootte van het nest varieert van 2 tot 5 eieren; broedduur 35-40 dagen; nestperiode jongen 36-40 dagen. Alleen het vrouwtje broedt; het mannetje brengt voedsel.
Trek Binnenkort wellicht broedvogel.
Aantallen In het verleden zeer ernstig bedreigd, vooral door pesticiden. Maar ook, en nog steeds, rechtstreeks door de mens.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(Europese) kanarie

 

Europese_Kanarie_Serinus-serinus.jpg (80203 bytes)

 

Grootte lengte 11cm
Biotoop Houdt van een wisselend landschap en voelt zich goed in een schakering van landbouwgrond, bos en stad.             
Kenmerken Is nauw verwant aan onze tamme kanarie, hun zang lijkt er ook fel op.  Ze leven vaak paarsgewijs of in kleine groepen. Hij eet zaden van bomen, grassen en kruiden.
Trek Te zien van maart tot september-oktober.
Aantallen Sinds 1965 sterk in aantal achteruitgaand.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

kauw

 

Kauw_Corvus-monedula.jpg (95044 bytes)

 

Grootte lengte 33cm  De kauw is onze kleinste kraaiachtige. Kraaiachtigen (kraaien, eksters en gaaien) zijn grote zangvogels die zich goed hebben aangepast aan de veranderingen in ons leefmilieu. De meeste soorten zijn heel sociaal.
Biotoop Vaak bij kliffen en hoge bebouwing (kerktorens), meestal in stedelijke omgeving, maar broedt ook in oud loofbos in  kolonies. Nestelt geregeld in schoorstenen en soms ook in konijnenholen.
Kenmerken Zweeft graag, vooral 's avonds wanneer groepen bij gemeenschappelijke slaapplaats acrobatische vliegbewegingen uitvoeren. Paren gaan een binding voor het leven aan en blijven vrijwel voortdurend samen. Voedt zich meestal op weilanden en velden, maar ook op straten.  Het is een alleseter.
Trek Standvogel. Gehele jaar te zien.
Aantallen Niet bedreigd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

kieviet

 

Kieviet_Vanellus-vanellus-th.jpeg (39735 bytes)

 

 

Grootte lengte 25-27 cm  -  spanwijdte 65-70 cm
Biotoop Akkers en weilanden. Steeds meer op maïsakkers.
Kenmerken Volwassen vogels zijn gemakkelijk herkenbaar aan de lange kuif en de zwart-witte onderzijde.  Het grootste deel van het jaar leven ze in grote groepen. Hij voedt zich met bodemdieren. Vertoont zeer acrobatische vluchten vooral tijdens het baltsen (= tijdens paringstijd).
Trek De kievit is een van de eerste lenteboden. Is waar te nemen vanaf februari-maart. Vele duizenden kieviten broeden hier en trekken in het najaar naar het zuiden. Andere soortgenoten hebben noordelijker gebroed en trekken langs de kust naar het zuiden. Nog weer anderen komen naar België om hier als wintergast te verblijven. Soms worden de hier overwinterende kieviten overvallen door een extreem strenge winter.
Voortplanting Het nest is een eenvoudig kuiltje, dit kan bv. in een weide zijn.  De eieren, die door beide ouders worden bebroed, komen na 24 tot 31 dagen uit.
Aantallen Zeer algemeen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

koekoek

 

 

Koekoek_Cuculus-canorus.jpg (18901 bytes)

 

Grootte lengte 32-34 cm   -   slagwijdte 55-65 cm
Biotoop Parkachtig en open landschap, ook in moerassen met bomen en struiken.
Kenmerken Snelle rechtlijnige vlucht met tamelijk langzame vleugelslagen en opgerichte kop. Vleugels gaan niet boven het lichaam. Heeft in tegenstelling tot de sperwer puntige vleugels en een lange staart. De mannelijke koekoek is grijs gestreept, de vrouwelijk bruin gestreept. De koekoek voedt zich met insecten, en door andere vogels gemeden harige rupsen. Het is een broedparasiet.  Dat wil zeggen dat het zijn eieren in een ander nest legt.  Eén ei per nest. Het jong duwt de andere eieren uit het nest en wordt zeer lang gevoed door de pleegouders (waardvogels). Meestal graspieper, heggemus, rietzangers, witte kwikstaart en gekraagde roodstaart.
Trek Nachttrekker. De koekoek is een zomergast.  De eerste koekoeken kunnen in maart gehoord worden. De volwassen vogels trekken eind juli alweer naar Afrika. De jonge dieren pas in de herfst.
Aantallen Varierend, maar niet bedreigd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(zwarte) kraai

 

Kraai_Corvus-corone-th.jpg (20410 bytes)

 

Grootte lengte 47cm
Biotoop Open landschap met bomen. Broedt uitsluitend in bomen.
Kenmerken Twee duidelijk verchillende populaties. De bonte kraai (=zeldzaam) heeft kenmerkende lichtgrijze lichaamsveren, De zwarte kraai (foto) is geheel zwart. Beide hebben wel een zwarte bek. Het is een alleseter. Volwassen paren hebben sterke band. Sterk territoriaal (aan hun gebied gebonden). Onvolwassen en niet-broedende vogels leven in groepen met gemeenschappelijke slaapplaatsen.
Voortplanting De kraai broedt in grote, hoge bomen in een open nest.
Trek De zwarte kraai is een standvogel.
Aantallen Niet bedreigd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

kwartel

 

Kwartel_Coturnix-coturnix-th.jpg (33336 bytes)

 

Grootte lengte 16-18cm  -  spanwijdte 32-35cm. Iets kleiner nog dan een spreeuw.
Biotoop Hooi- en bouwland. Akkers met laag gewas.
Kenmerken In mei-juli vooral bij zonsopgang- en ondergang herkenbaar aan een snel, ritmisch herhaald, druppelend, drie-lettergrepige 'kwik-me-dit'. Vrouwtje roept een laag 'priet-priet', soms gesynchroniseerd met het laatste deel van de roep van het mannetje. Vliegt met ondiepe, snelle vleugelslagen vlak boven de grond. In broedgebied bijna niet te zien omdat hij eerder wegloopt of zich schuilhoudt dan opvliegt.
Trek Te zien vanaf april tot september. Het is de enige trekkende hoendervogel. Overwintert in het Middellandse zeegebied en ten zuiden van de Sahara. Trekt 's nachts in groepen en roept daarbij ook.
Aantallen De aantallen veranderen enorm. Kwam vroeger véél meer voor. Nu is die zeer zeldzaam geworden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(veld)leeuwerik

 

Veldleeuwerik_Alauda-arvensis-th.jpg (19777 bytes)

 

 
Grootte lengte 18-19cm. Kleiner dan spreeuw.
Biotoop Heidegebieden, maar ook in weilanden en akkers. Het is een echte landbouwvogel. 
Kenmerken Wijdst verspreide leeuwerik van Europa. Zingt meestal in fladderende vlucht hoog in de lucht, van zonsopgang tot zonsondergang (=zangvlucht). Zang is een algemeen bekende, aanhoudende stroom van trillers en jubelende klanken, vaak met nabootsingen daarin verwerkt. In najaar en in winter in zwermen op stoppelvelden.  Hij eet insecten en zaden.
Trek Trekt eind september-begin november uit Noord-Europa weg om er in februari-maart terug te keren. Blijft in de lage landen 's winters vaak zo lang mogelijk en trekt pas zuidwaarts bij sneeuw en vorst.
Aantallen Was vroeger een van de talrijkste vogels op akkers en weilanden, is nu zeldzaam aan het worden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(zang)lijster

 

Zanglijster_Turdus-philomelos.jpg (42032 bytes)

 

Grootte lengte 23cm
Biotoop Parken en bossen. Ook in de dorpen en steden. Niet in naaldbos. Nestelt in bomen en struiken.
Kenmerken Lijsterachtigen (belangrijkste: spreeuw, zanglijster en merel) zijn vrij goede zangvogels met een zeer melodieuze zang. Vooral in de lente zingen de mannetjes. Het doel van de zang is tweeërlei: enerzijds een territorium afbakenen en anderzijds het lokken van een vrouwtje. Zang is luider dan die van de merel. De zanglijster kent een hoop van fluiten en melodieën. Maar praktisch altijd zit in de zang een driemaal herhaalde kreet. Iedere frase van hun zang wordt twee tot viermaal herhaald en na een korte pauze door een andere omgeruild. Zingt vaak in de avondschemering. Veel lijstersoorten eten slakken maar alleen de zanglijster breekt de grotere open, daarbij vaak dezelfde steen benuttend. Eet ook andere ongewervelden en vruchten. Vaak weinig schuw, vertrouwend op schutkleur. In de dorpen heeft een zanglijster genoeg aan zo'n 2 hectare territorium. In de bossen hebben ze wat meer ruimte nodig: zo'n 3 tot 5 hectare.
Trek De vogels in de dorpen blijven soms. De anderen trekken weg rond september/oktober en gaan dan naar Zuid-Europa en Noord-Afrika. In maart zijn de trekkers weer terug. Soms zelfs al in februari.
Aantallen Gestage achteruitgang, niet door het verdwijnen van leefgebieden maar door het strooien van gif tegen slakken!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

meerkoet

 

Meerkoet_Fulica-atra-th.jpg (22811 bytes)

 

Grootte lengte 36-38cm  -  spanwijdte 70-80cm. De meerkoet is half zo groot als de wilde eend.
Biotoop Bekende verschijning in moerassen, maar ook in parken, grachten, sloten en vaarten. De meerkoet wordt vaak verward met de waterhoen.  Toch kun je de meerkoet herkennen aan de opvallende witte bles en aan zijn diepere ligging in het water. Op weilanden of wegbermen in de buurt van water grazend of in het water naar planten duikend.
Kenmerken Bezet vroeg in het voorjaar zijn territorium en verdedigt dat aggressief tegen indringers. Neemt bij opvliegen karakteristieke aanloop met op water slaande vleugels. Alleseter. In najaar en winter vaak in grote groepen, dicht opeengepakt.
Trek Geheel jaar talrijk.
Aantallen Zeker niet bedreigd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

mees

Koolmees_Parus-major.jpg (47089 bytes)

koolmees

 

Grootte lengte: 14 cm
Zang De koolmees is een uitbundige zanger en beschikt over een veel uitgebreider scala van geluiden dan andere mezen. Zijn meest gehoorde zang is een zagend, dubbeltonig 'tic-tsjer, tic-tsjer, tic-tsjer' en een herhaald 'pie-toe, pie-toe, pie-toe'. De meeste tonen klinken metaalachtig, alsof er met een hamertje op een klein aambeeld wordt geslagen. De koolmees kent echter zodanig veel geluidjes dat iedere roep altijd weer tot herkenningsproblemen kan leiden.
Biotoop De koolmees broedt overal waar bomen en struiken aanwezig zijn. Ze hebben een voorkeur voor zomereiken en beuken en vermijden liever pure naaldbossen.
Voedsel Het voedsel van de koolmees bestaat uit voorjaarsknoppen, vruchten, keukenafval, zaden en bessen maar tijdens broedtijd schakelt hij over op insecten, larven en andere kleine dieren. Ze pikken soms net zoals de pimpelmees melkflessen open als ze daartoe de kans krijgen. Om stukjes vet of kokosnoot te bemachtigen halen ze alle mogelijke acrobatische toeren uit. Laat wintervoeding nooit te lang hangen in uw tuin.
Voortplanting Het nest is een komvormig bouwsel van mos en wat gras, gevoerd met haar en dons. Meestal bevindt het zich in een holte in een boom of een muur of op een soortgelijk plekje, bijvoorbeeld in een nestkastje, een oude brievenbus of een ongebruikte afvoerpijp. De 5 à 12 eieren worden door het wijfje in ongeveer 2 weken uitgebroed. Na een maand zijn de jongen zelfstandig. De koolmees begint eind april te broeden en brengt zijn jongen hoofdzakelijk met rupsen van nachtvlinders groot. Bij de jongen is het zwart van de volwassen dieren bruinachtig, het gezicht geel en de buikstreep nog niet zo sterk ontwikkeld.
Gedrag De koolmees is de grootste soort van de mezenfamilie en bij gelegenheid tevens de meest agressieve en acrobatische. Hij terroriseert zijn zwakkere verwanten om een stekje bij de voedertafel.
Kenmerken Het mannetje heeft een opvallende, zwart-met-witte koptekening en een gele buik met een naar achteren toe breder wordende middenstreep. Wijfjes zijn valer van kleur dan mannetjes en hebben een minder duidelijke buikstreep. In vlucht toont het mannetje de karakteristieke blauwgrijze, groene bovendelen en de witte buitenste staartpennen.
Trek Koolmezen kan je het gehele jaar te zien krijgen. Tijdens koude winters zijn er soms invasies van hun noorderlijke collega's. Buiten het broedseizoen ziet men koolmezen vaak samen met pimpelmezen en zwarte mezen.
Aantallen Niet bedreigd. Eén van de talrijkste bos- en tuinvogels.

 

Pimpelmees_Parus-caeruleus.jpg (25605 bytes)

pimpelmees

Grootte lengte 11 - 12 cm. Iets kleiner en lichter dan een koolmees.
Biotoop Overal waar bomen en struiken aanwezig zijn: bossen, parken, tuinen,... In de herfst en winter vaak in riet, waar hij zich voedt met in rietstengels overwinterende insektenlarven en poppen.
Kenmerken Het geluid van de pimpelmees is ook wel bekend als 'het zilveren lachje'. Het is precies een klein belletje dat je hoort. Broedt in holten en kasten. Eet  minder zaden en bessen dan de koolmees, welmeer insecten.
Trek Standvogel. Soms krijgen ze gezelschap van noorderlijke en oostelijke populaties.
Aantallen Het aantal pimpelmezen neemt toe.
Zwarte_Mees_Parus-ater-th.jpg (24609 bytes)

zwarte mees

 

 

Grootte lengte  11 - 12 cm. Iets kleiner dan een mus.
Biotoop Vooral in naaldbossen, maar in Groot-Brittanië en Ierland ook in loofbossen en tuinen. In het dichte naaldbos heeft een broedpaartje een territorium van ongeveer 1,5 tot 5 hectare. Iedere honderd meter wandelen kunt u dus een paartje tegenkomen.
Kenmerken Het geluid van de zwarte mees klinkt als "toe-wiet toe-wiet toe-wiet" in een snel tempo. Het lijkt wel op dat van de koolmees. Maar dit geluid is iets lichter en sneller. Beweegt zich snel en rusteloos in boomtoppen en tussen buitenste twijgen. Vaak samen met goudhaan. Eet insecten, spinnen en zaden. Nestelt in gaten, ook onder de grond.
Trek Standvogel, maar de zwarte mezen uit Oost- en Noord-Europa komen om de paar jaar massaal doortrekken. Het gaat dan om duizenden vogeltjes. Als het een erg strenge winter is, dan gaan de Belgische blijvers het bos uit naar de dorpen toe.
Aantallen Het aantal zwarte mezen neemt af.

 

Staartmees_Aegithalos-caudatus.jpg (17907 bytes)

staartmees

 

Grootte lengte 12-14 cm.
Biotoop Broedt in loof- en gemengd bos, met veel struikgewas, vaak in vochtig terrein bij oevers en beken, ook in hagen. Wordt ook gezien in tuinen en parken.
Kenmerken Lijkt op pluizig bolletje wol met aangeplakte staart. In herfst en winter blijven ze dichtbij elkaar in kleine familiegroepjes. Deze groepjes kunnen meer dan 20 leden tellen. 's Nachts zitten ze bij elkaar. Bouwt groot, fraai, koepelvormig nest met een zijingang. Het nest bestaat uit mos, korstmos en spinnenwebben.
Trek Standvogel.
Aantallen In elke tuin passeert wel eens een troepje.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

meeuw

  • In oorsprong waren meeuwen echte zeevogels. Tengevolgde van aanpassingen aan de menselijke omgeving werden ze zogenaamde cultuurvogels.  Zo treft men momenteel zelfs in steden nogal wat meeuwen aan. 

Kokmeeuw_larus-ridibundus.jpg (52865 bytes)

kokmeeuw

Grootte lengte 38-44 cm  -  spanwijdte  94-104 cm.
Biotoop Overal. Meren, plassen, stuwmeren, kusten, vochtig grasland, vuilnisbelten, ... Broedt in grote kolonies waar hij in maart arriveert om ze in juli weer te verlaten.
Kenmerken Kop in volwassen zomerkleed met chocoladebruine kap, die niet tot achterhoofd reikt.  In de winter heeft hij enkel een oorvlek.  Helderrode snavel en poten. Past zich bijzonder goed aan aan veranderende biotopen. Ze broedden en zoeken al langer voedsel in het binnenland, maar nu lijken ze alsmaar meer de mensen (en hun afval) te achtervolgen. Zeer luidruchtig op de kolonies, vooral bij zonsopgang.
Trek Gehele jaar te zien.
Aantallen Talrijkste en bekendste meeuw van Europa. 

 

Zilvermeeuw_Larus-argentatus-th.jpg (26954 bytes)

zilvermeeuw

 

 

Grootte lengte  55-67 cm -  spanwijdte 130-158 cm. Groter dan kokmeeuw.
Biotoop Wordt zelden ver van de zee waargenomen, maar bezoekt in het binnenland ook vuilnisbelten, akkers en parken. Zilvermeeuwen nestelen op rotsrichels, in de duinen, open glooiend terrein en op gebouwen. Hij strijkt neer op zee voor beschutte kusten en op stuwmeren.
Kenmerken In de zomer zijn ze brutaal en makkelijk te benaderen, maar in de winter vooral landinwaarts, kunnen ze schuw zijn. Tot zijn favoriete voedsel behoort aas en visafval.
Trek Heel het jaar door te zien.
Aantallen Talrijkste grote meeuw.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

merel

 

Merel_Turdus-merula.jpg (19733 bytes)

 

Grootte lengte 25cm
Biotoop Bosrijke streken, ook in stedelijke omgeving. Veel op de grond (bijvoorbeeld op pas gemaaide gazonnen).
Kenmerken Vanuit meestal een hoge zangpost zingt de merel zijn lied. Dit lijkt op dat van de lijster, maar dan zonder herhalingen. Vaak met een min of meer lange uithaal aan het eind. En soms trillen de klanken. Zang hoor je al in februari, met een hoogtepunt in het vroege voorjaar. Een tweede hoogtepunt volgt in juni voor het tweede broedsel.  De merel is de enige zwarte tuinvogel met een gele snavel.  Het vrouwtje heeft echter een bruine kleur.  De merel eet wormen, slakken en insecten. Daarnaast verschillende bessen en vruchten. Bezoekt 's winters vaak voedertafels.
Trek Het lijkt alsof de merel niet trekt. Dat is niet helemaal waar. Het grootste deel zijn standvogels, maar 's winters arriveren grote aantallen uit het noorden van Europa.
Aantallen Niet bedreigd

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

mus

Huismus_Passer-domesticus.jpg (41879 bytes)

huismus

Grootte lengte 15 cm. 
Biotoop Dorpen en steden. Broedt in holen, meestal onder dakpannen. Kan echter ook een kunstig, groot, overdekt en van een zij-ingang voorzien nest vrij in een boom of struik bouwen (vooral in Zuid-Europa)
Kenmerken Het mannetje heeft een typisch grijze kruin en een kastanjebruine nek, een zwarte keel en witachtige wangen (zie foto). Het vrouwtje heeft geen zwarte keel en is bovenaan dofbruin en onderaan vuilwit.  De huismus is sterk aan mensen gebonden. Eet zaden en insecten.  Het is een holenbroeder (eveneens in huizen of nestkasten).  Het is een zaadeter (korte, sterke snavel), zijn jongen voedt hij zoals vele vogels met insecten.
Trek Standvogel, soms rondzwervend in groepen.
Aantallen De huismus is serieus in aantal afgenomen.  Momenteel weet men nog niet wat de precieze oorzaak hiervan is.

 

Grasmus_Sylvia-communis-th.jpg (25570 bytes)

grasmus

Grootte lengte 14 cm. 
Biotoop Halfopen landschap met dichte doornstruiken, hagen en ook in duinstreken.
Kenmerken De zang van de grasmus is melodieuzer dan het getjilp van de huismus.  Op het einde is een duidelijke kras te horen. Vooral aan het begin van de broedtijd ook een samenhangend gebabbel. Mannetjes in het voorjaar met opvallende witte keel en contrasterende roze tint op de borst. Zingt vanuit een post.
Trek Trekvogel. Te zien vanaf april-mei tot augustus-oktober.
Aantallen Niet echt bedreigd. Toch minder in aantal dan 10 jaar geleden.
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

nachtegaal

 

Nachtegaal_Luscinia-megarhynchos.jpg (17983 bytes)

 

Grootte lengte 16,5 cm.  Kleine zanglijster.
Biotoop Vochtige bossen met rijke ondergroei en in de duinen bij dicht struikgewas, vaak bij ondergroei van brandnetels.
Kenmerken Koning onder onze zangvogels. Meestal zit hij goed verscholen te zingen. Je hoort deze vogel dan ook gemakkelijker dan dat je hem ziet. Het is een ietwat plompe vogel met een rossige staart die voortdurend op en neer wipt en een grijs-witte onderkant.
Trek Te zien vanaf april tot juli en begin-oktober
Aantallen Sterk verminderd. Vroeger in de jaren '80 waren nog 11 zangposten in de Palingbeek, nu nog 5.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ooievaar

 

Ooievaar_Ciconia-ciconia-th.jpg (9257 bytes)

 

Grootte lengte  100-115 cm -  spanwijdte  195-215 cm
Biotoop Meestal nabij boerderijen met weilanden. Broedt op grote hoogtes: in grote takkennesten, hoogspanningsmasten, bomen, ...
Kenmerken Het onderscheid tussen het mannetje en vrouwtje is heel moeilijk te zien. Het mannetje heeft echter de langste bek. De ooievaar leeft vooral van kikkers, slangen, knaagdieren, regenwormen, vogeljongen, grote insecten, etc . Vaak lopend in open veld. Zweeft vaak op stijgwinden. Trekt in groepen, maar niet in formatie.
Trek Vanaf maart tot eind-augustus. In de winter verblijft de ooievaar in Afrika. In onze streek is hij gesignaleerd als trekvogel bij de vijvers.
Aantallen Ooievaars staan op de rode lijst (=bedreigd) omdat ze vrijwel als broedvogel verdwenen zijn in onze streken. Dat er nog steeds ooievaars in Nederland en België rondvliegen, is vooral te danken aan de enthousiaste vrijwilligers, die sinds 1969 werken aan het behoud  van de soort in ons land.  Wanneer een ooievaar in ons land arriveert, dan is dit nieuws belangrijk genoeg om ook in kranten en op tv te laten verschijnen. Speciale kweekprogramma's vinden plaats in het Zwin en in Planckendael.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

patrijs

 

Patrijs_Perdix-Perdix-th.jpg (27204 bytes)

 

Grootte lengte  29-31 cm  -  spanwijdte 45-48c m. Kleiner dan fazant.
Biotoop Ze geven de voorkeur aan open velden en akkerland met heggen of ander struikgewas met droge plekken voor een zandbad. Akkerland is het meest in trek, vooral als dit wordt afgewisseld met ruige dijken, slootranden, wegbermen en houtwallen. Nestelt op de grond in dicht struikgewas.
Kenmerken Patrijzen eten zowel plantaardig als dierlijk voedsel, maar de jongen leven de eerste weken louter van insekten en ander klein gedierte. Patrijzen leven tijdens de winter in groep.  Hij heeft een kenmerkende roep en vlucht (rechtlijnig, laag boven de grond). 
Trek Gehele jaar te zien.
Aantallen De voornaamste oorzaak van de teloorgang van de patrijs is de grootscheepse verandering van landbouwgebieden. Het verdwijnen van akkeronkruiden en ruige bermen betekende, naast het verlies van dekking en nestgelegenheid, vooral een gebrek aan dierlijk voedsel voor de jongen. Met name in natte voorjaren gaan talloze jongen aan voedselgebrek te gronde. De enige manier om daar iets aan te doen, is een herstel van de vroegere voedselterreinen. Opmerkelijk is overigens dat de jacht op de patrijs intussen gewoon open blijft. Sommige jagers zijn zelf zo verstandig om de patrijzenjacht te stoppen, maar anderen zetten het 'oogsten' voort. Het lijkt zinnig te pleiten voor een tijdelijke jachtstop. Daarnaast moet onderzoek duidelijk maken of in gebieden waar patrijs-vriendelijk beheer plaatsvindt werkelijk sprake is van een toename. Vogelwerkgroepen kunnen hierbij wellicht een rol spelen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(blauwe) reiger

 

 

 

Grootte lengte: 90-100 cm - spanwijdte: 155-175 cm
Biotoop Broedt in kruinen van hoge, oude bomen. Vaak in parken, soms in riet of op rotsen. Hij is het meest te zien in omgeving van water, maar ook in weilanden.
Kenmerken Behoort tot de groep van de steltlopers (loopt op stelten) of waadvogels. Groot, stevig gebouwd. Grijsgele snavel in paartijd oranje. De volwassen reiger heeft twee lange smalle sierveren aan het achterhoofd (niet opvallend). In vlucht heeft hij een machtig postuur, met zware vleugelslag, donkere, sterk naar beneden gebogen vleugels en ingetrokken hals. Vaak onopvallend langs riet of op veld staand, loerend op buit: leeft van vis, kikkers, mollen en muizen. Zoekt ook af en toe zijn voedsel in een of andere tuinvijver met exotische vissen, wat zijn naam meestal geen goed doet. In onze parken is hij vaak tam. Nest is een platform van takken. Laat rauwe, scherpe kreten horen (geen feest voor het oor).
Trek Gehele jaar te zien. Trekt weg bij strenge vorst.
Aantallen Niet bedreigd

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

roodborstje

 

Roodborst_Erithacus-rubecula.jpg (25422 bytes)

 

Grootte lengte: 14 cm
Zang Je hoort geen melodie maar een aaneenschakeling van luide, heldere fluittonen. Zijn alarmkreet is een luid, doordringend 'tik-tik'.
Biotoop Broedt talrijk in gevarieerde, bosrijke streken, ook in tuinen en parken. Tijdens de trektijd in allerlei vegetaties.
Voortplanting Het nest wordt door het wijfje alleen gebouwd van gras en bladeren en ligt meestal verborgen in een holte, tussen klimop, op of vlak bij de grond in de begroeiing of tussen wortels. Vaak vindt men een nest in een oud schuurtje; een enkele keer in een oude pot of pan. Het broeden begint eind maart. Het legsel bestaat meestal uit 5 à 6 eieren, die door het wijfje in 12 à 15 dagen worden uitgebroed. De jongen verlaten na circa 2 weken het nest. Indien er snel een tweede legsel volgt, neemt het mannetje de verzorging en het voeren van de eerste jongen voor zijn rekening. Een jonge roodborst is gevlekt en lijkt op een jonge nachtegaal; zijn staart is echter donkerder en korter.
Territorium Met zijn aardige zang, die het gehele jaar behalve aan het eind van de zomer tijdens de rui te horen is, geeft de roodborst zijn territorium aan. Ze zijn nogal vechtlustig: tijdens territoriumgevechten strijden de mannetjes soms op leven en dood.
Voedsel Vanwege zijn tamheid is het een geliefde vogel in dorps- en stadstuinen, die 's winters voedertafels opzoekt en soms zelfs uit de hand eet. Van nature is de roodborst een insecteneter; hij beweegt zich het liefst op de grond om zijn kostje bijeen te scharrelen.
Gedrag Hoewel de roodborst als tam en vertrouwelijk wordt beschouwd, leidt hij soms, met name tijdens de rui, een meer verborgen leven. Ver weg van menselijke bewoning, in bossen en andere natuurgebieden, is het een erg schuw dier dat een teruggetrokken bestaan leidt.
Kenmerken Herkenbaar aan oranjerode borst en gezicht, afgezet met grijs. Bovendelen en staart bruin, onderdelen witachtig. Hij is ook te herkennen aan zijn golvende vlucht. 
Trek Het gehele jaar door te zien. Noordoost-Europese roodborstjes zijn trekvogels en overwinteren rond de Middellandse Zee.  In Noordoost-Europa trekken ze in september-november weg en keren in maart-april terug.
Aantallen Algemene broedvogel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

specht

Grote_Bonte_Specht_Dendrocopos-major.jpg (93853 bytes)

grote bonte specht

Grootte lengte 22-23 cm  -   spanwijdte 34-39 cm. Ongeveer het formaat van een merel, maar wel iets korter.
Biotoop Naald- en loofbos. Ook in parken en lanen in open gebieden, zelfs in de dorpen en steden.
Kenmerken Een echte bos- en parkvogel.  Klimt op boom en hakt zijn eigen nestholte.  De roffel van de grote bonte specht is de kortste en snelste roffel van alle spechten. In één seconde maakt hij 10-15 klopgeluiden. Daarin verschilt het geluid met dat van de kleine bonte specht. Deze laatste roffelt langer. Tot wel drie seconden. Roffelt niet alleen op bomen, maar ook op palen en metalen constructies. Eet insecten en hun larven, verschillende boomzaden (vooral van den en spar), eieren en kuikens en bezoekt ook voedertafels.
Trek De grote bonte specht blijft in de winter. 
Aantallen Niet bedreigd. En naar mate de bossen zich uitbreiden en verouderen zijn er steeds meer geschikte gebieden voor de grote bonte specht.

 

Groene_Specht_Picus-viridis.jpg (79191 bytes)

groene specht

 

Grootte lengte 31-33cm  -  spanwijdte 40-42cm. Een kop groter dan de grote bonte specht. Zware vogel.
Biotoop Gemengde en loofbossen, vooral op zandgrond en in de duinen, maar ook in halfopen bossige streken in cultuurgebieden. Groene spechten zijn standvogels van open loofbossen, hoogstamboomgaarden en parken. Als broedplaats verkiest de soort meestal een zelfgehakt hol in een oude loofboom.
Kenmerken De groene specht laat zijn lach luid en duidelijk door het bos schallen. Het lijkt wel wat op de lach van de zwarte specht. Maar de groene specht is er ineens, terwijl de zwarte specht een aanloopje neemt. Geluid meestal in de ochtendschemering in maart-mei. Roffelt heel zelden, zwak en krachteloos. Het voedsel bestaat uit grote mieren (vooral rode bosmieren).
Trek Gehele jaar te zien. Uitgesproken standvogel, toch kwetsbaar voor strenge winters.
Aantallen De afname van de groene specht lijkt in de eerste plaats verbonden met de problemen die bepaalde mierensoorten ondervinden bij de verzuring van bos en hei. De afname van dit voedsel leidt logischerwijs tot het verdwijnen van deze specht. Op lokaal niveau speelt verder de afname van nestgelegenheid een rol. 
Zwarte_Specht_Dryocopus-martius.jpg (12106 bytes)

zwarte specht

 

Grootte lengte 45-47cm  -  spanwijdte 64-68cm.  Grootste Europese specht, zo groot als de kraai.
Biotoop Bij voorkeur in hoog, oud, gemengd bos.
Kenmerken Kan in vlucht met kraai verward worden. Over lange afstand is de vlucht tamelijk rechtlijnig met fladderende en ongelijkmatige vleugelslagen. De voor andere spechten kenmerkende boogvlucht ziet men vooral vlak voor het landen.
Hakt nesten vaak uit in oude beuken. De ingang van het hol in een boom is veel groter dan dat van een grote bonte specht. Het valt gemakkelijk te determineren doordat de ingang van het hol van de zwarte specht ovaal is! Leeft van verschillende insecten en larven.
De lach van de zwarte specht lijkt erg op dat van de groene specht. Maar de zwarte specht moet een beetje "op gang komen". Terwijl de groene specht meteen op volle sterkte begint te lachen.  De roffel van de zwarte specht is zwaarder en langzamer dan dat van de grote bonte specht. 
Trek Standvogel, maar jonge zwarte spechten kunnen grote afstanden zwerven.
Aantallen In België wordt aantal op 300 geschat, dus een zeer zeldzame vogel.  Is te vinden in de Gasthuisbossen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

sperwer

 

Sperwer_Accipiter-nisus.jpg (50680 bytes)

 

Grootte lengte mannetje: 28 cm
lengte vrouwtje: 38 cm
spanwijdte mannetje: 59 - 65 cm
spanwijdte vrouwtje: 68 - 77 cm
Biotoop De sperwer heeft een voorkeur voor bossen en bosjes in halfopen landschap. Ook kleine bossen, minder dan 10 ha, worden niet gemeden. Opvallend is ook de toename in stedelijke gebieden. Door de vele voederhuisjes in stadstuintjes vindt hij genoeg prooien.
Voortplanting Sperwers paren vroeg in april. Voor de paarperiode zie je de sperwers 's morgens heel vroeg boven de boomkruinen vliegen waarbij ze in de opwaartse luchtstromen zweven. Het nest wordt dicht tegen de stam van de boom aangebouwd (meestal naaldbomen) en voornamelijk door het vrouwtje gemaakt terwijl het mannetje het materiaal aandraagt. Soms wordt als basis een oud nest van houtduif of zwarte kraai gebruikt. De sperwer voert het nieuwe nest met dons, twijgen en schors. De sperwer legt eind april-juni haar 1 à 7 ronde, blauwachtig witte, donkerbruin getekende eieren. Deze worden in 35 à 52 dagen uitgebroed. De spierwitte jongen groeien erg snel en kunnen reeds 35 dagen vliegen. Wanneer ze het nest definitief verlaten hebben de onvolwassen vogels een donkerbruine bovenzijde en vaak roestkleurige randen aan de veren.
Voedsel Hoewel de meeste prooien met behulp van de verrassingstactiek wordt gevangen, weet de sperwer zijn slachtoffer ook door een snelle vlucht, waarbij hij de prooi in al zijn wendingen precies volgt, te overmeesteren. Een vogeltje maakt alleen enige kans aan de naaldscherpe klauwen te ontsnappen als het in zeer dicht struikgewas duikt. Nu en dan is de sperwer wat langer te zien, namelijk als hij hoog boven een bos rondcirkelt - mogelijk op zoek naar een winterzwerm vinken. Prooidieren zoals mezen worden in volle vlucht gegrepen. Ze worden eerst geplukt, meestal op een boomstronk of in een oud nest. Het mannetje grijpt zangvogels tot een grootte van een mus. Het vrouwtje grijpt zangers in de grootte van merel, lijsters en gaaien. Bij uitzondering worden zelfs vogels geslagen die groter zijn, zoals duiven. Soms ook kleine zoogdieren (dan vooral muizen) en insecten.
Kenmerken Het mannetje heeft grijze bovendelen en roodbruin gestreepte onderdelen. Hij is iets groter dan een merel. Het volwassen vrouwtje is duidelijker dwarsgestreept op de borst en onderzijde van de veren. De bovenzijde van het vrouwtje is bruiner dan die van het mannetje. Het vrouwtje heeft een lichte streep boven het oog, ontbreekt gewoonlijk bij het mannetje. Ze hebben beide een havik-achtig profiel met enkele trekken van een valk. De korte, ronde vleugels van de sperwer en zijn lange staart zijn duidelijk aan de jacht in bossen aangepast: met lange vleugels zou hij minder goed tussen de bomen kunnen manoeuvreren. In vlucht wisselt hij snelle vleugelslagen af met korte zweefperioden.
Trek Onze inheemse volwassen sperwers zijn standvogels. Ze verplaatsen zich in de winter wel over bescheiden afstanden om in de nabijheid van steden en dorpen aan voedsel te geraken. Jonge vogels trekken in oktober naar het zuiden. Ze overwinteren in Frankrijk en Spanje. Gedurende de trek, voornamelijk in oktober, krijgen we hier ook noordelijke sperwers te zien.
Aantallen Het gaat erg goed met de sperwer. Na het verbod op zware pesticiden zoals DDT, kent hij een ware come-back.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

spreeuw

 

Spreeuw_Sturnus-vulgaris.jpg (39314 bytes)

 

Grootte lengte 21 cm. Kleiner dan merel.
Biotoop Broedt in boomholten, nestkasten of gaten in gebouwen. Voelt zich ook in steden thuis.
Kenmerken Bootst de zang van andere vogels na.  Gebruikt zijn lange, spitse snavel om in gras en wier emelten en insecten te zoeken (doorboort zo de grond), maar ze eten ook bessen en ander fruit. Sociale soort, synchroon broedend, en al vanaf eind mei verzamelen jongen van eerste legsel zich in grote zwermen. Vormt 's winters enorme zwermen net als grote donkere wolken.
Voortplanting Het is een holenbroeder.  Hij zoekt nestkasten, holle bomen of oude holen van de specht op, maar geneert zich niet om ook in huizen en oude gebouwen te broeden.  Ze kunnen zo een echte plaag vormen.  Brengt niet meer dan 1 broedsel per jaar groot (verwonderlijk voor het grote aantal).
Trek Opvallende trek in september-oktober, wanneer broedvogels van de lage landen deels naar Engeland vertrekken, terwijl hier exemplaren uit Noordoost-Europa komen.
Aantallen Niet bedreigd. De enorme zwermen in de herfst spreken voor zich.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

tjiftjaf

 

Tjiftjaf_Phylloscopus-collybita-th.jpg (34284 bytes)

 

Grootte Lengte 11 cm. Nog veel kleiner dan een mus. 
Biotoop Overal waar de combinatie van bomen met struiken aanwezig is.
Kenmerken Zingt voortdurend zijn eigen naam "tjif-tjaf", heel regelmatig en monotoon. Leeft van insecten die hij vangt in vlucht.
Trek Trekvogel. De tjiftjaf is in het vroege voorjaar als één der eersten weer terug. Dat is vaak in de eerste helft van maart. Uiteraard afhankelijk van de duur en intensiviteit van de winter. Ze vertreken eind oktober weer naar het Middelandse zeegebied en andere plaatsen met een gelijkaardig klimaat.
Aantallen De tjiftjaf is niet bedreigd. In tegendeel. Het aantal is fors stijgend!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

uil

  • Vogels (en dus ook uilen) hebben geen tanden om hun voedsel fijn te malen.  Ze slokken alles binnen. Wat niet verteerd kan worden, braken uilen uit onder de vorm van braakballen.  Door deze braakballen uit te pluizen, weten we wat de uil heeft opgegeten. Zo ontdekken we met welke soort uil we te doen hebben.

  • Uilen zijn speciaal aangepast aan het nachtleven.  Ze kunnen hun kop bijna volledig ronddraaien en vliegen geluidsloos.

Bosuil_Strix-aluco-th.jpg (34436 bytes)

bosuil

Grootte lengte 37-39 cm  -  spanwijdte 94-104 cm. De bosuil is de grootste uil van de Lage Landen. Het vrouwtje is iets groter dan het mannetje.
Zang Het vrouwtje roept een schel WIEK! WIE-IEK! Het mannetje heeft het van speelfilms bekende spookachtige geluid. Leuk is dat in veel Amerikaanse films het geluid van deze uil gebruikt wordt, terwijl deze vogel daar niet eens voorkomt! Dit geluid bestaat uit drie stukjes geluid. Het eerste deel is een lang gerekt HOE gevolgd door een pauze, dan als tweede een kort ingehouden HOE en als laatste een langer en trillerig Hoe-oe-oe-oe. Vrouwtjes kunnen dit geluid nadoen, maar dan klinkt het 'amateuristischer'.
Biotoop Broedvogel van loofbossen, stadsparken, tuinen en boomgaarden met oude bomen die veel nestgelegenheid bieden. Liefst parkachtige omgeving met vijvers (trekt veel dieren aan) en gazon (makkelijk jagen).
Kenmerken

Middelgrote uil met korte staart, een grote ronde kop zonder pluimpjes. Grondkleur roestbruin tot grijs met donkere lengtevlekken; vleugels en staart met zwarte dwarsbandjes, op de vleugels twee rijen druppelvlekken. Snavel gelig, poten grijs, nagels aan de basis licht, aan de punt zwartgrijs, iris bruinzwart. Geslachten gelijk gekleurd, vrouwtje iets zwaarder. Jonge vogels onduidelijk dwars gebandeerd. Geheel zwarte ogen. Soms wordt zijn aanwezigheid overdag verraden door alarmerende mezen en andere zangvogels. Valt soms aan als je te dicht bij zijn nest komt!

Jacht Bosuilen zijn 's nachts en in de schemering actief; als er jongen zijn gaan ze reeds voor zonsondergang op jacht tot zonsopkomst. Overdag zitten ze te zonnen voor hun slaap- of broedhol. De bosuil bemachtigt zijn prooi vanaf een zitplaats en lokaliseert deze op het gehoor. Hij jaagt echter ook vliegend of slaat vogels, die uit hun slaapplaats worden opgeschrikt, in de vlucht. Bosuilen zijn echter ook nestplunderaars, die het vooral voorzien hebben op holenbroeders. Eet kleine knaagdieren, egels, vogels, kikkers, larven, etc ... Het geslagen voedsel, waarmee de jongen overdag worden gevoederd, wordt tijdens de jacht ergens gedeponeerd.
Nest De bosuil is een echte holenbroeder, zoekt ruime holten in bomen, gebouwen of rotsen; benut echter ook oude nesten van roofvogels en kraaiachtigen, zelfs gaten in de grond. Het vrouwtje krabt de nestplaats schoon en maakt braakballen fijn, die als onderlaag voor het legsel moeten dienen. Broedtijd februari tot juni. Grootte van het nest varieert van 3 tot 5 eieren, broedduur 28-30 dagen, nestperiode jongen 28-35 dagen. Vrouwtje begint vanaf het eerste ei met broeden. De jongen zijn na circa drie maanden zelfstandig. In de herfst verlaten ze het ouderlijk territorium en zoeken voor zichzelf een territorium in de nabijheid. Bosuilen blijven hun hele leven bij elkaar en zijn trouw aan het territorium.
Trek Standvogel. De jongen zwerven hooguit 20 km.
Aantallen Niet bedreigd, ongeveer 2500 paren in België en het aantal neemt toe. In West-Europa is het de meest voorkomende uilensoort.
 

 

Ransuil_Asio-otus.jpg (62868 bytes)

ransuil

Grootte lengte  35-37 cm  -  spanwijdte 84-95 cm
Biotoop Typische vogel voor naaldbos nabij open landschap. Broedt in oude kraaien- en roofvogelnesten in dichte naaldbossen.
Kenmerken Oranjerode ogen, lage typische oorpluimen (vaak niet zichtbaar) en witte X-tekening tussen de ogen. Jaagt op muizen en kleine vogels. Wordt hier en daar verdreven door de bosuil.  Zijn prooien zijn vooral muizen en vogels.
Trek Gehele jaar te zien. 's Winters soms in grote groepen van enkele 10-tallen trekkers en eerstejaarsvogels.
Aantallen Broedvogel met  5000 exemplaren in België.

 

Steenuil_Athene-noctua-th.jpg (51191 bytes)

steenuil

Grootte lengte  21-23 cm  -  spanwijdte 50-56 cm
Biotoop Steenuilen leven in diverse halfopen landschappen. Favoriet zijn  graslanden en andere kleinschalige  landbouwgebieden. De aanwezigheid van heggen, houtwallen en (knot)bomen-rijen is van groot belang. Gebroed wordt in holen; in België vaak in knotwilgen, boerenschuren, konijnenholen en hoogstamboomgaarden.
Kenmerken Vooral luidruchtig in maart-juni. Overdag zich schuilhoudend, maar ook al eens zonnend waargenomen op daken. Vliegt in diepe bogen. Soms hippend op de grond. Gevoelig voor strenge winters. Het voedsel bestaat uit insecten, regenwormen en kleine zoogdieren.
Trek Standvogel.
Aantallen In België en Nederland ca. 10000 broedparen. Duidelijke afname met als voornaamste oorzaak het verlies aan veel voedselrijke ruige plekjes en de als broedplaats geliefde knotbomen. Verdere aantasting van dit landschapstype dient dan ook voorkomen te worden. Het verlies aan broedgelegenheid in moderne landbouwgebieden kan voor een deel worden opgevangen met speciaal voor de soort vervaardigde nestkasten. Verder biedt het onderhouden en waar nodig aanbrengen van knotwilgen goede broedgelegenheid. Bij het onderhoud van deze knotbomen moeten de kop van de boom en de daarin aanwezige holten gespaard worden.  Veel steenuilen vallen ten offer aan het wegverkeer.  Landbouwgif is zeker ook de oorzaak van de afname van belangrijke prooien als kevers en andere grote insekten.  In hoeverre de vogels zelf slachtoffer worden van landbouwgif is niet bekend. 

 

Kerkuil_Tyto-alba-th.jpg (62734 bytes)

kerkuil

 

Grootte lengte 33-39cm  -  spanwijdte 85-93cm
Biotoop Boerderijen en dorpen in halfopen kleinschalig landschap. Veel voorkomende broedplaatsen zijn boerenschuren, kerktorens en andere bouwwerken, een enkele keer ook holle bomen (broedt soms 2x per jaar).
Kenmerken Alarmeert in vlucht met een krijs. Valt indringers aan met korte, zeer scherpe, indringende schreeuw. Verder ook allerlei wonderlijke geluiden in de broedtijd. Typisch hartvormig gezicht met zwarte ogen. De zeer tot de verbeelding sprekende kerkuil broedt en jaagt vaak in menselijke omgeving, maar slechts weinigen krijgen hem wat beter te zien. Het voedsel bestaat voornamelijk uit veldmuizen, aangevuld met huisspits- en bosspitsmuizen.
Trek Jonge kerkuilen kunnen soms flinke zwerftochten maken, maar eenmaal gevestigde vogels verblijven hun leven lang in hetzelfde leefgebied. Broedt in maart-september.
Aantallen In Nederland en België samen 2200 paren. Valt terug na erg strenge winters. De afname van de kerkuil werd deels veroorzaakt door het verdwijnen van nestgelegenheid in kerken en boerenschuren. Begin jaren zeventig werd een nestkast-programma opgezet. De speciaal voor de soort gemaakte nestkasten bleken goed aan te slaan; inmiddels broedt zo'n tachtig procent van onze kerkuilen erin! Toch blijft bescherming natuurlijk niet bij kasten alleen. Alleen de aanwezigheid van een rijke en gevarieerde kleine zoogdierfauna kan de soort op termijn redden. Een natuurvriendelijk beheer van dijken, wegbermen, randen van boomgaarden, akkers en sloten is onontbeerlijk voor het behoud van de kerkuil in de onze streken. Helaas vallen veel in wegbermen jagende kerkuilen ten prooi aan het verkeer. 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

valk

Boomvalk_Falco-subbuteo-th.jpg (64861 bytes)

boomvalk

Grootte lengte 28-35 cm  -  spanwijdte 70-84 cm. Als torenvalk, doch iets 'gespierder'.
Biotoop Open landschap, heidevelden, lichte, droge bossen en waterrijk laagland.
Kenmerken Bovenzijde donker leigrijs, wangen en keel wit, onderkant wit met opvallende zwartachtige vlekken, roestbruine 'broek', duidelijke baardstreep. Snavel grijs met donkere punt, washuid geel, poten geel, iris donkerbruin. Beide geslachten gelijk gekleurd, vrouwtje iets groter. Jonge vogels met bruingrijze bovendelen, lichtbruine onderkant, zonder 'broek'.
In verhouding tot de lichaamsgrootte zijn de vleugels langer, veel smaller en spitser. Hoog in de lucht kan je hem ook verwarren met een gierzwaluw. Zweeft met gespreide staart. 
Jacht Pakt prooi, vogels en insecten, bijna uitsluitend in vlucht. Jaagt op zomeravonden vaak boven moerassen op libellen, vliegt dan langzaam. Tijdens de jacht lijken de vleugels erg sikkelvormig en de staart kort. Eet uitsluitend vliegende vogels (zwaluwen, leeuweriken, gierzwaluwen, mussen, vinken, spreeuwen, merels) en vliegende insecten (libellen en kevers), in Afrikaans winterkwartier ook uitzwermende termieten.
Nest Boomvalken bouwen zelf geen nest, maar betrekken oude nesten van roofvogels, kraaien of duiven in hoog naaldhout. Broedtijd juni. Grootte van het nest varieert van 2 tot 4 eieren, broedduur 28 dagen, nestperiode jongen 28 - 32 dagen. Als in juni de meeste kleine vogels vliegvlugge jongen hebben en het aanbod van vliegende insekten het grootst is, beginnen de boomvalken met broeden. Het vrouwtje broedt, het mannetje brengt het voedsel en houdt de wacht. Sommige paren blijven jaren bij elkaar.
Trek Eind oktober vertrekken de boomvalken naar hun winterkwartier in Oost- en Zuid-Afrika, om van midden april tot begin mei terug te keren in de broedgebieden.
Aantallen Beperkt. Zeldzame vogel.

 

 

Torenvalk_Falco-tinnunculus-th.jpg (13756 bytes)

torenvalk

Grootte lengte: 33 - 39 cm  -  spanwijdte: 65 - 80 cm
Biotoop In bijna ieder landschap, misschien voorkeur voor halfopen landschap. Ook in steden. Broedt in volledig open landschap in nestkasten, oude kraaienesten en gebouwen.
Kenmerken Wordt heel vaak biddend (zie foto)  of zittend op draden of palen langs wegen gezien. Is daarom misschien onze bekendste valk.  Jaagt hoofdzakelijk op muizen. Het mannetje is wat kleiner dan het vrouwtje.
Trek Stand en zwerfvogel. Is dus het gehele jaar te zien. Bij langdurige sneeuw durft hij wel eens wegtrekken.
Aantallen De laatste jaren flink in aantal toegenomen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

vink

Vink_Fringilla-coelebs.jpg (29636 bytes)

gewone vink

Grootte lengte: 15,5 cm
Zang De zang of, liever gezegd, het 'slaan' van de vink is een luidruchtige aangelegenheid en begint langzaam, neemt stadig in snelheid toe en eindigt gewoonlijk in een weelderige waaier van tonen. De zang varieert in feite van vogel tot vogel sterk en er zijn zelfs verschillende 'dialecten' te onderscheiden ('Waalse' en 'Vlaamse' vinken). Het gehele lied duurt doorgaans 4 à 5 seconden, maar het wordt vijf- tot tienmaal per minuut herhaald. De alarmroep is een luid, doordringend 'pink, pink, pink'.
Biotoop De vink is in de eerste plaats een broedvogel van goed ontwikkelde loofbossen met veel open plekken en een rijke ondergroei maar daarnaast is hij overal talrijk waar veel oude bomen staan: bosjes, parken en halfopen cultuurlandschap (landschap met huizen).
Voortplanting Het broedseizoen begint in april. De vink bouwt in heesters en boomvorken een keurig, komvormig nest van gras en mos, gevoerd met haar. Het wijfje legt gewoonlijk 4 à 5 lichtblauwe tot bruinachtig witte eieren, met vrijwel altijd een stippel- en streeptekening. Ze broedt deze in 11 à 13 dagen uit. Beide ouders verzorgen de jongen, die na 12 à 15 dagen uitvliegen.
Voedsel Vinken zijn vaste gasten op voedertafels. Ze kunnen daar vrij agressief uithalen naar de andere bezoekers. In winterperioden zien we vinken vaak samen met andere vinkachtigen op akkers en weilanden op zoek naar zaden.
Kenmerken Het mannetje is herkenbaar door zijn leiblauwe kruin en nek, roodbruine rug, wijnrode onderzijde en groenachtige stuit. Het wijfje is minder bontgekleurd maar heeft dezelfde vleugeltekening. In vlucht zijn de witte vleugelstreep en schoudervlek karakteristiek.
Trek Scandinavische vogels trekken massaal eind september-oktober naar de lage landen en verder zuidwaarts (vrouwtjes verder dan mannetjes) en keren in maart-april terug.
Aantallen De populatie lijkt in zijn totaliteit toe te nemen, maar plaatselijk heeft de soort te lijden gehad van de toepassing van bestrijdingsmiddelen in landbouw en fruitteelt en van het verdwijnen van houtwallen en oude bomen.

 

 

Appelvink_Coccothraustes-coccothraustes-th.jpg (33694 bytes)

appelvink

Grootte lengte: 18cm
Biotoop Gevarieerd loof- en gemengd bos en parkachtige gebieden. Heeft voorkeur voor oud loofbos met talrijke eiken, haagbeuken, beuken, essen en iepen. Aangetrokken tot fruitbomen, vooral kersen. Nestelt meestal hoog in loofboom tegen stam of in vork op vrij onbeschutte plaats.
Kenmerken Compact met grote kop en enorme snavel. Snelle, golvende vlucht; opvallende witte vleugelbaan en brede witte eindband op korte staart. Met krachtige snavel kan hij pitten van steenvruchten open kraken, maar zaden van beuken, esdoorns en iepen vormen samen met knoppen en insecten het hoofdvoedsel. Schuwe vogel, terruggetrokken leefwijze hoog in bomen. Moeilijk te observeren in de zomer, maar durft 's winters al eens op voedertafels te verschijnen om pinda's en zonnebloempitten te eten. Groepen kunnen 's winters ook lange tijd op bosbodem doorbrengen om gevallen zaden te eten. Hij broedt vaak koloniegewijs; in de winters altijd in groepen. Heeft nauwelijks zang. De appelvink kent een aantal soorten contact-roepjes.
Trek Gehele jaar aanwezig. 
Aantallen De appelvink doet het goed in de lage landen.

 

Goudvink_Pyrrhula-pyrrhula.jpg (29574 bytes)

goudvink

Grootte lengte 16cm. Ietsje groter dan een mus.
Biotoop Struikrijke bosranden, parken en oude tuinen. Typische haagvogel.
Kenmerken In vlucht is witte stuit kenmerkend. De goudvink wordt vaak gehoord met een fluitende contactroep. Ietwat klagend 'fuuht'. Dat is heel goed zelf na te fluiten. In broedtijd heimelijk en vaak alleen te horen. Komt in de winter en voorjaar in tuinen en boomgaarden om knoppen te eten.  Volksnaam is 'bloedvink'.
Trek Standvogel en zwerfvogel.  
Aantallen Niet bedreigd, niet zeldzaam.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vlaamse gaai

 

Vlaamse_Gaai_Garrulus-glandarius.jpg (39827 bytes)

 

Grootte lengte 34 cm
Biotoop Broedt in uiteenlopende bossoorten, ook in parken.
Kenmerken De 'Vlaamse' gaai heeft een opmerkelijk repertoire aan geluiden. Imiteert vaak andere vogels. Leeft in broedtijd zeer teruggetrokken en wordt vooral in najaar gezien. Pendelt dan op en neer tussen zijn bos en eikenbomen in de omgeving om voor de winter eikels te verzamelen, die hij vaak in de grond stopt. De gaai draagt zo sterk bij tot de verspreiding van eikenbomen. Golvende, glijdende vlucht. Eet insecten, rupsen, boomvruchten, eieren en jongen van zangvogels.
Trek Standvogel. Gehele jaar te zien.
Aantallen Niet bedreigd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

waterhoen

 

Waterhoen4_Gallinula-chloropus.jpg (82250 bytes)

 

Grootte lengte 32-35 cm  -  spanwijdte 50-55 cm. Kleiner dan meerkoet.
Biotoop Altijd op of bij zoetwater te vinden, mits er wat beschuttende oevervegetatie te vinden is.
Kenmerken Typische oevervogel met rode bles en geelgepunte rode snavel. Ze hebben lange tenen, zonder zwemvliezen ertussen.  Ze zijn erg schuw, maar in stadsparken soms tamelijk tam. Ze zwemmen met knikkende kop en lopen hoenderachtig (waterkieken) gebogen. Ze wippen onophoudelijk met staart waarbij witte onderstaartdekveren opvallen. Het zijn alleseters. Het nest wordt boven of op het water gebouwd. Jongen worden door ouders of jongen uit eerdere legsels gevoed.
Trek Talrijke overwinteraars, deels uit Noordoost-Europa.
Aantallen Niet bedreigd. Al kan de stand na een strenge winter wel gehalveerd zijn! Gelukkig volgt in de jaren daarna (tot nu toe) altijd een herstel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

watersnip

Watersnip_Gallinago-gallinago-th.jpg (28509 bytes)

 

Grootte lengte 25-27 cm  -  spanwijdte 37-43 cm. 
Biotoop In ondiepe moerassen en natte weilanden, tijdens trek ook op moddervlakten.
Kenmerken Tijdens het eten zoeken gemakkelijk te herkennen aan snelle, ritmische, wroetende kopbewegingen. Ze vangen met hun lange snavel wormen en andere ongewervelden uit het zachte slik. Drukt zich bij gevaar tegen de grond. Tijdens het duiken in vlucht produceren buitenste pennen van gespreide staart een vibrerend geblaat ('hemelgeitje'). Opvliegende watersnippen zigzaggen door de lucht, dit is natuurlijk een uitdaging voor ieder jager. Ze nestelen op de grond.
Trek De meeste watersnippen zijn standvogels. 
Aantallen Zeldzame vogel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

wielewaal

 

Wielewaal_Oriolus-oriolus.jpg (32537 bytes)

 

Grootte lengte 24 cm. Als merel.
Biotoop Houdt zich meestal verborgen in de boomkruinen. Broedt in oude loofbosssen, dichte vochtige loofhoutbestanden, hoogstamboomgaarden, populieren en grote parken.
Kenmerken Een van Europa's attractiefste zomergasten met prachtige kleuren en melodieus gezang. Leeft van insecten en bessen. Het delicate nest wordt hoog in de bomen in een vork gebouwd. Schuw en valt meestal alleen op door zang.
Trek Overwintert in Centraal- en Zuidelijk Afrika. Zomergast van eind april tot in september.
Aantallen Zeldzamere broedvogel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

winterkoning

 

Winterkoning_Troglodytes-troglodytes.jpg (20223 bytes)

 

Grootte lengte: 9,5 cm
Zang De aanwezigheid van de winterkoning is veelal niet moeilijk vast te stellen en zeker niet in februari-juli wanneer hij volop zingt. Zijn zang is doordringend en krachtig. Het klinkt ratelend en bestaat uit circa 5 seconden aangehouden volle tonen, die bij tussenpozen worden herhaald. Het lijkt in het veld op de zang van de roodborst, maar is toch goed herkenbaar door de lange trillers.
Voortplanting Het mannetje bouwt een aantal bolvormige nesten van bladeren, droog gras en mos, met een ingang opzij bovenaan, in heggen, klimop, boomstronken, schuurtjes of zelfs in oude nesten van andere vogels. Het wijfje kiest er één uit en voert dit van binnen met veertjes. Gewoonlijk bestaat het legsel uit 5 à 8 witte eieren, met aan de stompe kant soms zwarte of roodbruine spikkels. Het wijfje broedt de eieren in 2 weken uit. Het mannetje helpt het wijfje met het voeren van de jongen.
Voedsel Het voedsel bestaat uit insecten en zaden.
Gedrag Hoewel het een druk, energiek vogeltje is, leidt de winterkoning buiten het broedseizoen een verborgen levenswijze. Vaak ziet men slechts een glimp van hem, terwijl hij in de begroeiing naar voedsel zoekt.
Kenmerken Na de goudhanen is de winterkoning de kleinste Europese vogel. Opvallend is zijn korte, opgewipte staart. Het verenkleed is roodachtig bruin met spikkels. De snelle, rechtlijnige vlucht van de winterkoning is door de korte, afgeronde vleugels snorrend. Geslachten gelijk.
Trek Standvogel, maar noordoostelijke broedvogels trekken 's winters naar Midden-Europa.
Aantallen Door zijn geringe grootte heeft de winterkoning vaak meer van strenge winters te lijden dan andere soorten en in lange vorstperioden is de sterfte soms groot. Na een periode van milde winters is de populatie echter wel snel op peil en we mogen hem op het ogenblik tot een van onze talrijkste broedvogels rekenen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

witte kwikstaart

 

Witte_Kwikstaart_Motacilla-alba.jpg (30909 bytes)

 

Grootte lengte 18cm. Groter dan huismus.
Biotoop Vindt men bij rivieren, kanalen en meren, maar ook in steden, vaak op verbazend grote afstand van water. Hij nestelt in een gat, een afvalhoop, een houtstapel of in een rotsspleet.
Kenmerken Zijn naam dankt hij aan het voortdurend wippen met zijn staart. Hij rent of vliegt om insecten te vangen. 's Winters vormen zich grote groepen, soms in steden. De witte kwikstaart heeft een voedselterritorium, ieder exemplaar zal zijn terrein verdedigen, ook in de winter.
Trek Het gehele jaar door te zien.
Aantallen Algemeen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

wulp

 

Wulp_Numenius-arquata-th.jpg (44087 bytes)

 

Grootte lengte 50-60 cm  -   spanwijdte 80-100 cm. De grootste Europese steltloper.
Biotoop Het broeden vindt plaats op hooggelegen weilanden, duinen en heidevelden. Het nest licht op de grond tussen laag struikgewas. Buiten het broedseizoen vertoeven ze op moddervlakten en zandbanken.
Kenmerken Herkenning is eenvoudig; geen enkele vogel heeft zo'n lange gebogen snavel. Het vrouwtje is groter dan het mannetje, ook heeft ze een langere snavel. Het verenkleed is gespikkeld bruin. Ze zoeken het liefst eten op modderige plaatsen waar ze jagen op wormen en schaaldieren.

Bij wulpen komt het voor dat het vrouwtje de broedzorg aan het mannetje overlaat. Na het uitkomen van de eieren vertrekt ze naar het zuiden of bemoeit ze zich niet meer met haar jongen. Dit komt overigens niet altijd voor, vrouwtjes kunnen ook moeite doen voor de kuikens totdat ze groot genoeg zijn. De jongen krijgen sowieso geen hulp bij het zoeken van voedsel. De hulp bestaat uit bewaking en warmhouden van de kuikens. De bewaking van het nest wordt op twee manieren uitgevoerd. Kraaien, kiekendieven en ander gespuis van die grootte worden aangevallen. Zijn de vijanden te groot, dan gebruikt de wulp een andere tactiek. Op een duidelijke zichtbare plek doet de ouderwulp alsof het gewond is. De aanvaller ziet een gemakkelijke prooi en gaat er achteraan. Wanneer de aanvaller dichtbij is springt de wulp wat verderop en lokt de vijand zo weg van het nest.

Voordat er eieren gelegd kunnen worden moet het mannetje eerst een territorium hebben en verdedigen. Zo gauw hem dat lukt laat hij dat duidelijk merken. De wulp vliegt dan laag over de grond, stijgt vervolgens verticaal op en blijft even staan. Vervolgens zweeft hij naar de grond onder 'jodelend' gezang.
Trek Heel het jaar door te zien. Onze broedvogels trekken in de zomer weg naar het zuiden. Daarvoor in de plaats komen de noordelijke broeders die hier overwinteren.
Aantallen Talrijkste Wulp. Sinds 1975 in toenemend aantal op cultuurgraslanden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

zwaan

Wilde_Zwaan_Cygnus-cygnus-th.jpg (27596 bytes)

wilde zwaan

Grootte lengte: 145 - 160 cm  -  spanwijdte: 218 - 245 cm
Biotoop Broedvogel en overwinteraar op meren, rivieren, plassen en beschutte baaien. 
Voortplanting Nestplaatsen zoeken wilde zwanen vaak ergens beschut op een eilandje in het water. Het wijfje bouwt het grote nest van riet en waterplanten die door het mannetje worden aangevoerd. Eind mei, begin juni produceert ze een legsel van 3 à 5 eieren, dat na zo'n 30 à 35 dagen uitkomt. De jonge zwaantjes zijn in het begin zilvergrijs met wit. Vervolgens krijgen ze grijsachtig bruine veren op de kop en witte veren met een grijze punt op het lichaam. Na 8 weken kunnen ze vliegen.
Voedsel Tijdens de zomer vindt de wilde zwaan voldoende waterplanten en insecten om zich mee te voeden, terwijl hij 's winters zijn voedsel op stoppelvelden zoekt.
Gedrag De wilde zwaan  is luidruchtiger dan de bekende knobbelzwaan en  heeft een luide trompetroep. Daarentegen zijn ze tijdens de langzame, krachtige vlucht relatief stil en maken hun vleugels niet het zingende geluid dat dan bij de knobbelzwaan te horen is. Wilde zwanen vliegen groepsgewijs in de typische V-formatie of in een schuine lijn. Families blijven vaak bij elkaar en waar voldoende voedsel is, vormen zich grote groepen die weilanden afgrazen.
Kenmerken Een volwassen wilde zwaan heeft een driehoekige kop en houdt zijn hals recht omhoog. Ze worden soms bruinachtig van het ijzerrijke water. Geslachten gelijk.
Trek Hij broedt hoofdzakelijk op Ijsland en in Rusland. In de winter vertrekken ze van daar naar het warmere zuiden.
Aantallen In onze streken is de wilde zwaan een schaarse wintergast (ca. 1000), die in strenge winters het talrijkst voorkomt.
Knobbelzwaan_Cygnus-olor-th.jpg (44954 bytes)

knobbelzwaan

 

Grootte lengte: 45 - 160 cm  -  spanwijdte: 208 - 238 cm
Biotoop Knobbelzwanen houden van stilstaand of langzaam stromend water met veel waterplanten: moerassen, plassen en open water nabij weilanden.
Voortplanting Het grote nest wordt van allerlei materiaal, zoals takken, riet en stro, op de grond gebouwd en kan een doorsnede van 4 m en een hoogte van 75 cm bereiken. De 4 à 7 eieren worden gedurende 34 à 38 dagen, in hoofdzaak door het wijfje, bebroed. De kuikens zijn lichtgrijs van boven en witter onderaan. Soms draagt het wijfje ze op de rug mee. Ze kunnen na 20 weken vliegen. De jonge vogels zijn vaalbruin en vertonen al snel witte plekken in hun verenkleed. De grijze snavel met zwarte basis en punt wordt bij het ouder worden eerst roze, vervolgens oranje.
Voedsel Knobbelzwanen eten voornamelijk waterplanten die ze met hun lange nek uit het water vissen.
Gedrag De aard van deze vogel is in strijd met zijn vreedzaam, sierlijk uiterlijk: hij is bijzonder agressief en bazig. Tijdens het broedseizoen vormt het mannetje in het water een groot territorium, waaruit hij elk dier verjaagt. Zijn dreiggedrag bestaat uit het sterk buigen van de hals en het over de rug bollen van de vleugels terwijl hij komt aangezwommen naar de indringer of rivaal. Het is een vrij zwijgzaam dier, dat bij agressie sist en soms een zwakke trompetroep laat horen.
Kenmerken

De soort dankt zijn naam aan de zwarte knobbel op de oranje-rode snavel, die bij het vrouwtje gemiddeld kleiner is en bij het mannetje tijdens het broedseizoen extra opzwelt. In het water is de knobbelzwaan verder nog te onderscheiden aan de sierlijk gebogen hals en de naar beneden gerichte snavel. Poten grijs tot zwart. In de krachtige vlucht strekt de knobbelzwaan de hals en maken zijn vleugels een karakteristiek, zingend geluid.

Trek De knobbelzwaan is bij ons het gehele jaar te zien. In de zomer vind je ze soms in grote groepen.
Aantallen Bij ons bestaan er enkele duizenden broedparen. De wilde knobbelzwaan is zeldzaam: de bij ons voorkomende exemplaren zijn vrijwel allemaal afstammelingen van verwilderde tamme knobbelzwanen. Vroeger werd hij namelijk veel vanwege het vlees en het beroemde zwanendons als tam dier gehouden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

zwaluw

Gierzwaluw_Apus-apus-th.jpg (40153 bytes)

gierzwaluw

Grootte lengte 16-17 cm  -  spanwijdte 42-48 cm. Korter lijf, maar langere vleugels dan boerenzwaluw.
Biotoop Bij slecht weer vaak in grote groepen samen met andere zwaluwen boven meren en andere natte gebieden. Broedt talrijk in steden en dorpen onder dakpannen en in nissen van gebouwen en soms ook in boomholten en nestkasten.
Kenmerken De gierzwaluw brengt bijna zijn hele leven al vliegend door. Ze vangen ze insecten, drinken en slapen zelfs in de lucht. Hij gebruikt zijn pootjes zo zelden dat ze verworden zijn tot hulpeloze klauwtjes. Hij kan er zich mee vastgrijpen aan muren en zo, maar hij ervaart de grootste moeite om weer op te stijgen indien hij op de grond terecht komt. Kom je ooit zo'n gelande gierzwaluw tegen, gooi hem dan gewoon de lucht in en hij is zo weer vertrokken. Gedurende vaak langdurige jachtvluchten wordt voedsel in de krop verzameld. Is volledig afhankelijk van voor vliegende insecten gunstige weersomstandigheden en legt ook in zijn broedtijd lange afstanden af om ongunstig weer te ontwijken. De jongen hebben een speciale aanpassing om slecht weer te overleven (in zekere mate ook de volwassen vogels). Na enige dagen met voedselgebrek raken ze in energiebesparende staat van verdoving waarmee ze tot 15 dagen honger kunnen overleven. In die periode groeien de jongen wel niet. Groepen vliegen vaak in formatievluchten met razende snelheid rondom broedplaatsen.
Trek Vanaf eind april - begin mei tot augustus, een zomergast dus.
Aantallen Niet bedreigd.

 

Boerenzwaluw_Hirundo-rustica-th.jpg (42186 bytes)

boerenzwaluw

Grootte lengte 19-22 cm.
Biotoop Landbouwgebieden bij boererijen. Bouwt nest, een halve kom van klei, tegen balken in stallen en boerderijen, soms ook onder bruggen.
Kenmerken Bekendste zwaluw van Europa. Opvallend lange staartpennen en rode keel. Verzamelt tijdens trek met andere zwaluwen boven moerassen en meren met veel insecten. Overnacht dan in het riet.
Trek Van maart-april tot augustus-oktober. Heel zelden een winterwaarneming.
Aantallen Niet bedreigd.
 

 

Huiszwaluw_Delichon-urbica-th.jpg (37828 bytes)

huiszwaluw

 

 

 

Grootte lengte 12,5 cm.
Biotoop Dorpen nabij open gebied, vaak in de buurt van water. Niet noodzakelijk in bewoonde streken. Broedt in kolonies op gebouwen en rotswanden.
Kenmerken Direct aan witte stuit te herkennen. Vaak kwetterend vanop elektriciteitsdraden. Metselt een bolvormig nest met nauwe opening aan de bovenkant, vaak onder overhangende daken. Gebruikt ook kunstnesten. Dikwijls twee broedsels per jaar. Eet vliegende insecten als boerenzwaluw, maar jaagt vaker op grotere hoogte.
Trek Te zien vanaf april-mei tot augustus-oktober. Trekt naar tropisch Afrika.
Aantallen Talrijke zwaluw van open gebied.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

zwartkop

 

Zwartkop_Sylvia-atricapilla.jpg (15525 bytes)

Grootte lengte 14 cm. Iets groter dan een mus.
Biotoop Zwartkoppen komen voor in parken en bossen met dicht kreupelhout. Ook in de dorpen. Het is een echte struikbewoner.
Kenmerken Deze grasmus eet insecten en vruchten. Nestelt laag in dicht struikgewas. Er zijn een of twee broedsels. In gebladerte soms moeilijk te ontdekken, maar trekt de aandacht door fraai gezang.
Trek Trekvogel. Rond oktober gaan de dieren naar de Middellandse Zee. Begin april zijn ze weer terug. Sinds 1970 gaan ze 's winters ook naar Engeland en Ierland! Dat doen inmiddels al meer dan tienduizend vogels. Het voordeel is dat deze dieren in het voorjaar eerder terug zijn en dan de beste gebieden kunnen kiezen
Aantallen Niet bedreigd.