Het gedrag van paarden
Geschiedenis
| Er was eens … |
De voorouders van onze paarden waren oerpaardjes die niet groter waren dan een vos. Ze leefden ongeveer 60 miljoen jaar geleden in dichtbegroeide wouden. Doordat deze oerpaardjes plots naar enorme steppegebieden trokken, werd de ontwikkeling van eenhoevige ledematen versneld. De steppen hadden immers harde gronden.
De vorming van de eenhoevigheid ging gepaard met het langer worden van de benen, de toename van de lichaamsgrootte, het langer worden van de schedel en de ontwikkeling van harde maalkiezen in de achterkaak.
Al deze evolutionaire ontwikkelingen hebben ook de psyche van het oerpaard bepaald. Doordat ze niet meer in de beschermende dichte woudgebieden leefden, werden ze groter en sneller om te kunnen vluchten voor hun vijanden. Het paard was een weerloos prooidier dat vlucht als enige wapen had.
|
| Domesticatie |
Naar: Stephen Budiansky uit De aard van het paard.
Het paard is één van de ongeveer tien soorten dieren die met succes zijn gedomesticeerd, niettegenstaande de mens het probeerde met honderden andere dieren.
Net als de overige dieren die gedomesticeerd zouden worden, was het paard niet al te kieskeurig. Het kon overleven met een groot aantal verschillende soorten voedsel. Hun paringsgedrag was eenvoudig, ze leefden in kleine groepen waar één mannetje verschillende vrouwtjes bevruchtte. Paarden vertoonden geen uitgesproken territoriumgedrag, ze waren niet geneigd tot helse gevechten om een eigen grondgebied. Met andere woorden de eerste stap naar domesticatie was al miljoenen jaren geleden door de natuur gezet.
Ook de tweede stap schijnt meer het werk van de dieren zelf te zijn geweest dan van de mens. Recent onderzoek geeft aan dat domesticatie geen menselijke uitvinding was, maar een proces van wederzijdse aanpassing, "co-evolutie". Dieren die bij de eerste permanente menselijke nederzettingen gingen rondhangen, deden dat vooral uit eigen voordeel. Af en toe werd er een dier gedood, maar de rest gedijde uitstekend dankzij de gewassen op onze akkers. Tijdens dit proces kon men spreken van halfgedomesticeerde dieren die nog steeds vrij zijn. Ze ontwikkelden steeds meer eigenschappen die volledige domesticatie mogelijk zouden maken. Ze waren nieuwsgieriger, minder agressief en afhankelijker.
In de derde fase ging de mens zich actief moeien met de domesticatie. Dieren werden gevangen genomen en 'getemd', en men begon selectief te fokken.
Paarden bezitten een aantal bijzonder gunstige eigenschappen - gunstig vanuit ons standpunt gezien - die het bestaan van het moderne paard des te opmerkelijker lijken te maken. De snelheid, de grootte en het vermogen om enorme lasten te dragen/trekken, allemaal eigenschappen die het dier zo bruikbaar maken voor de mens, zijn bij dieren hoogst ongebruikelijk.
|
« Inleiding · Deel II : Het leven in een kudde »
©eds · All Rights Reserved · E-mail: onsbelgischtrekpaard@pandora.be
|