Het gedrag van paarden

Paarden zijn loopdieren

Waarom de oerpaardjes van de dichte woudgebieden naar open steppegebieden verhuisd zijn, is nooit helemaal duidelijk geworden. Men vermoedt dat een klimaatverandering het aantal wouden deed verminderen en dat de paardachtigen daarom kozen voor de ruimte. De nieuwe leefomgeving met een ander voedselaanbod en talrijke roofdieren zijn de belangrijkste factoren waardoor het wilde paard ontstond, de voorouder van alle tegenwoordige huispaarden.

Het eenhoevige paard
Uit drietenige paardachtigen is het eentenige en eenhoevige paard ontstaan. Door deze ontwikkeling kon de wrijving met de grond aanzienlijk verminderd worden en kon het paard zich sneller voortbewegen. De benen werden langer en ook de lichaamsgrootte nam toe.
De harde steppegrond met grotendeels harde en moeilijk verteerbare voedselplanten was de oorzaak dat deze dieren dagelijks grote afstanden moesten afleggen om voldoende voedsel te vinden. Door de seizoenen en de daaruit volgende begroeiingsveranderingen moesten de wilde paarden bovendien lange trektochten ondernemen. Het 'bewegingsapparaat' werd alzo geprikkeld en het paard werd een loopdier.

In de loop van de evolutie werden de verschillende gangen van het paard tot in de perfectie ontwikkeld. De ruim uitgrijpende stap, de basisgang tijdens het eten, de draf en de galop. Op deze verschillende gangen zal dieper worden ingegaan in een volgend artikel.


Alles in functie van het bewegen
De kleine uier van een zogende merrie is nodig om goed te kunnen lopen tijdens de vluchtDe hoeven, de benen en de overige bouw van het lichaam zijn op het bewegen afgestemd. Maar ook andere organen hebben zich aangepast aan de lange afstanden die dagelijks moeten afgelegd worden. Zo is de uier voor dit grote dier tamelijk klein, want de merrie moet er in de vrije natuur bij gevaar steeds vandoor kunnen gaan ook al zoogt ze. Ook de melkvoorraad is bijgevolg klein en daarom moet er voortdurend nieuwe melk geproduceerd worden. Dat heeft dan weer tot gevolg dat het veulen zeer vaak moet gaan drinken om aan zijn behoefte te voldoen.
Dit vormt echter ook een voordeel : zo kan het veulen telkens slechts kleine hoeveelheden melk opnemen, want ook hij moet als vluchtdier er meteen vandoor kunnen gaan en een volle maag is hiervoor niet zo handig.


« Deel II  : Het leven in een kudde     ·     Deel IV  : Levensdoelen »

©eds · All Rights Reserved · E-mail: onsbelgischtrekpaard@pandora.be