DE GESCHIEDENIS VAN HET BELGISCH TREKPAARD

Het Belgisch Trekpaard, onze nationale trots

België: eeuwenoude traditie in paardenfokkerij
Sinds de Romeinse overheersing tot vandaag zijn de verschillende regio's die uiteindelijk in 1830 ons land zouden vormen, steeds actief geweest in de fokkerij van het paard. Sedert de door Caesar zo gevreesde strijdpaarden van de Nerviërs en de Trevieren, via de zware Vlaamse paarden als strijdrossen voor de Europese ridders, de steekspelen en toernooien, de legerpaarden voor de cavalerie en de artillerie, de trekpaarden voor het harde landbouwlabeur, de zware industrie en het stedelijk transport, de koers- en sport- en vrijetijdspaarden, is deze edelste verovering van de mens steeds nauw verbonden geweest met onze vaderlandse geschiedenis.

Paradoxaal genoeg is het niet de mechanisatie, in tegendeel zelfs, maar wel de motorisatie na de tweede wereldoorlog die aanvankelijk het einde van ons roemrijke trekpaard inluidt. De mechanisatie met zijn zware werktuigen, ingevoerd uit Engeland en de Verenigde Staten, vereisten steeds sterkere paarden. En het is de industriële evolutie vanaf de tweede helft van de 19e eeuw die de grootschalige opfok van het fors gebouwde trekpaard in de hand werkt. In die tijd steunden zowel de landbouw, als de posterij, het transport, de koolmijnen, de staalindustrie, de havenbedrijvigheid met o.a. de beroemde natiepaarden van de Antwerpse haven en de bosbouw op het trekpaard, terwijl het spoorwegennet reeds honderden kilometers besloeg. Tot op het einde van de tweede wereldoorlog verzekerde het Belgisch trekpaard nog de nodige paardenkracht alvorens de levenloze motor het, na een ongelijke en onverbiddelijke strijd, stilaan maar zeker verdringt uit de steden en het platteland.

Een hele economische sector draaide rond het trekpaard en het werd aangewend voor de broodwinning van zovele werkmensen: landbouwers, menners, koetsiers, wagenmakers, vrachtrijders, hengstenhouders, stalknechten, gareel- en zadelmakers, hoefsmeden, veeartsen, paarden- en voederhandelaars, boomslepers, rijtuigbouwers, architecten, bouwvakkers, enz.
De jaarlijkse nationale prijskamp vormde de bekroning van de fokkerij van het Belgisch trekpaard.

De oorsprong van het Belgisch trekpaard
Vanaf het quartair tijdperk
Reeds in het quartair tijdperk leefden er paarden in onze streken. Het ging hier om primitieve stekelharige dieren van ongeveer 1,40 m schofthoogte. Aanvankelijk werden ze als wild gejaagd, later bereden tijdens de oorlogen van de Germaanse volksstammen. Na verloop van tijd werden er meerdere rassen van paarden gefokt: kleine rustieke paarden in de Ardennen en zwaardere dieren in het centrum en het noorden. Tijdens de Romeinse overheersing werden vele Belgische paarden, hoofdzakelijk Ardense, opgeëist voor de remonte van het leger van het Romeinse keizerrijk. Nero schafte hier zijn vier favoriete merries voor zijn strijdwagen aan.
In 732 te Poitiers maakte Karel met de Hamer een einde aan de invasie van de Arabieren. Ten gevolge van deze historische veldslag werden meerdere oosterse hengsten, vooral Berbers, door de Franken gevangen genomen en gekruist met inheemse merries. Dit was de eerste inmenging van oosters bloed in onze fokkerij. De legende vertelt dat de abt van Saint-Hubert zich op dit slagveld vier prachtige grijze Arabieren aanschafte. Nog oosterse invloeden kwamen van hengsten door kruisvaarders meegebracht van hun tochten.

Tijdens de Middeleeuwen
Tijdens de middeleeuwen werd het zware strijdros gezocht door alle Europese ridders. Deze strijdpaarden hadden een grote waarde voor de adel, maar ze verdwenen van het slagveld rond het midden van de 14e eeuw door de opkomst van de artillerie. Om de massale verwoestingen door het buskruit te vermijden, werden lichtere, snellere paarden ingezet, die soepeler en handiger bewogen. Er werd beroep gedaan op Arabische hengsten voor de kruising met inlandse merries om de producten te verlichten. Zo evolueerde het oude strijdpaard naar een trekpaard.
Onder het bewind van de Bourgondiërs, de Spanjaarden, de Oostenrijkers en de Fransen werden Andalousische en Napolitaanse hengsten gebruikt, waardoor het inheemse paard van de Nederlanden uiteindelijk een vermenging van diverse rassen inhield. Men zocht lange tijd naar een paard met twee functies: tegelijkertijd geschikt voor het zadel en het gespan.

Geboorte van een prestigieuze fokkerij in België
De fokkerij van een echt Belgisch raspaard dateerde uit het begin van de 17e eeuw. In het jaar 1615 namelijk werden de postkoetsen in gebruik genomen. Die hadden zeer energieke en sterke paarden nodig voor hun lange reizen met zware voertuigen. Tijdens bijna tweehonderd jaar waren deze diligencediensten van de Nederlanden, bestuurd door de beschikking van 1701, de beste van het Europese vasteland.
Rond 1770 creëerde de joviale Karel van Lotharingen de hengstendepots in Sint-Niklaas, Gent en Aalst teneinde het type trekpaard te verbeteren naar het meer gevraagde landbouwpaard. Daarom importeerde hij Holstein, Berbers, Normandische, Napolitaanse, Spaanse, Arabische en Engelse hengsten. De resultaten waren echter zeer ontgoochelend en de depots werden reeds tien jaar later opgedoekt. Eén uitzondering echter: rond 1775 voerde het depot van Aalst een twintigtal shires in van de engelse fokker Bakewell, waaronder de bekende Beautifull, alle met zwart haarkleed en lange witte beenbeharing. Deze paarden bleken excellente fokhengsten en werden mede de verre voorouders van het Belgisch trekpaard. Naast de pogingen van de overheid om de fokkerij van het trekpaard te verbeteren, waren er ook enkele privé initiatieven. Zo loofde het stadsbestuur van Brugge in 1775 premies uit voor de beste zware paarden, gefokt door particulieren. Het waren echter steeds paarden van vreemde origine die geprimeerd werden.

Aan de vooravond van onze onafhankelijkheid
Onder het Franse bewind en het eerste rijk van Napoleon sinds 1796 werden er massa's paarden gebruikt voor de ruiterij en artillerie van Napoleon. Hij creëerde daarom in 1806 de keizerlijke stoeterijen. Hiertoe werd ook het depot van Tervuren opgericht dat 65 hengsten van diverse rassen gestald had: Engelse en Arabische volbloeden, Normandiers, Percherons, Boulonnais, Shires en zelfs Oekraïniers.
Tijdens de Hollandse periode van 1814-1830 werd de fokkerij niet meer aangemoedigd. Integendeel, enkel volbloeden, luxe tuigpaarden en zadelpaarden vonden genade. Het trekpaard werd beschouwd als een vulgair dier dat geen enkele aandacht verdiende.

En zo kwam het dat in 1830 het pas onafhankelijk verklaarde België haast geen kwaliteitspaarden bezat. Onmiddellijk werden er door de nieuwe overheid maatregelen genomen om de nationale fokkerij te stimuleren. Het ministerie van landbouw voerde een verplichte hengstenkeuring in en spendeerde hiervoor een enorm bedrag van 30.000 F in goud. Dit jaarlijks budget werd verdeeld in premies over de negen provincies. Deze politiek wierp al snel zijn vruchten af en kort daarna werden uitstekende jonge paarden op de akkers gezien.
De aanleg van de ijzeren weg in 1835 vormde opnieuw een bedreiging. Geleidelijk aan verloren de postkoetsen aan belang en kwamen honderden paarden van goede kwaliteit op de markt terecht. Maar de landbouw zorgde voor de onverwachte heropleving door zijn vraag naar sterke paarden voor de akkerbouw. Het was deze economische sector die aan de basis lag van het internationale succes van ons Belgisch trekpaard. Tegelijkertijd werd de stoeterij van Tervuren, inmiddels overgebracht naar Gembloers, definitief gesloten in 1864. Deze datum betekende meteen het einde van de eeuwenlange periode van kruisingen.
Vanaf dan werd het Belgisch trekpaard gefokt voor zichzelf en verbeterd door zichzelf.
Door ministerieel besluit van 6 april 1854 werd een commissie opgericht, belast met de verbetering van dit paardenras. Op haar bevel werd aan alle provinciegouverneurs een project voorgelegd voor toekenning van premies aan de beste fokhengsten. Dit werd onmiddellijk door acht provincies aanvaard. Luik gaf zijn akkoord pas in 1877. Het was trouwens in Luik dat in 1879 de maatschappij van Belgische fokkers werd opgericht, die aan de basis lag van de nationale maatschappij van het Belgisch trekpaard.

En dat was meteen ook het begin van de glorieperiode in onze fokkerij. Het Belgisch trekpaard genoot snel een wereldwijde reputatie. De uitvoer nam een forse groei naar de Verenigde Staten, Duitsland, Italië, Rusland, Oostenrijk, Frankrijk,...

Tussen de oorlogsjaren
De wereldoorlog 1914-18 betekende een zware beproeving voor onze fokkers. De Duitsers eisten de beste paarden op, zowel voor hun militaire doeleinden als voor hun fokkerij. Volgens statistieken werden in totaal 110.138 paarden meegenomen, waarvan 19.238 van Brabantse fokkers.
Na de bevrijding werd de paardenstapel echter snel hersteld en werd de periode tussen de beide wereldoorlogen een hoogtijd voor dit Belgisch trekpaard dat als beste ras van de wereld werd beschouwd. België telde toen zo'n 230.000 à 250.000 ingeschreven trekpaarden. Jaarlijks werden er ongeveer 30.000 hengsten en merries uitgevoerd naar Frankrijk, Nederland, Italië, Zweden, Denemarken, de Oostlanden, de Verenigde Staten, Argentië, Chili e.a. Elk jaar werden er méér dan 15.000 veulens geregistreerd.

De glorieperiode van een prachtige fokkerij
Fabelachtige bedragen
Een nationale kampioenhengst was onschatbaar, want zijn intrinsieke waarde werd vermenigvuldigd met die van zijn producten en de haast fabuleuze inkomsten van de dekkingen. Enkele cijfers: een dek van Avenir d'Herse bedroeg 10.000F. In 1930 werd Espoir de Quaregnon verkocht voor 1.000.000F naar Italië. Een jonge bankbediende ontving toen een maandwedde van 675F. De trekpaarden waren een statussymbool van de grote bedrijven. Vele landbouwfamilies bouwden hun fortuin op de fokkerij en handel van trekpaarden. Nu nog genieten hun nakomelingen van de welvaart opgebouwd in deze glorieperiode. Elk jaar tijdens de nationale prijskampen werden fabelachtige bedragen geboden voor de beste hengsten, maar slechts weinige werden echt verkocht.

Enorm succes
Sedert het einde van de vorige eeuw was ons trekpaard enorm populair. De handel bloeide en de fokkerij vierde hoogtij. Na de eerste wereldoorlog werd dit paard zelfs het grootste exportproduct van ons land en zorgde het voor een florissante economische bedrijvigheid. Vooral in de havens en voor het veelvuldig transport in de grote steden werd zijn kracht erg gewaardeerd.In de landbouw kon de zware handenarbeid verlicht worden door machines in te schakelen aangedreven door middel van het trekpaard. Men kan gerust stellen dat het Belgisch trekpaard mede aan de basis lag van de welvaart in onze streken. Maar zal dit edele dier, de levensgezel van zovele arbeiders, de opkomende motorische drijfkracht en zijn ondergang kunnen tegenhouden?

En vandaag ?
Een onverbiddelijke strijd
Het Belgisch trekpaard is zonder twijfel de sterkste levende motor die er bestaat. In stap levert het dagelijks een rendement van 2 miljoen à 3,5 miljoen kilogrammeter. De natiepaarden van de Antwerpse haven en deze van de grote verhuisfirma Vandergooten te Brussel trokken zonder moeite vrachten van vijf ton de ganse dag door. Het was een vroegrijp paard, gemakkelijk op te fokken en met een relatief lange levensduur.
Maar helaas, kort na het einde van de tweede wereldoorlog ging de motorische paardenkracht een onverbiddelijke en ongelijke strijd aan met de trekpaardenkracht, waarbij deze zonder hoop op weerwraak werd verslagen. Het trekpaardenbestand slonk zienderogen om vandaag nog amper een 6.000 stuks te tellen, Brabanders en Ardenners tezamen. De grote agrarische bedrijven werden gemoderniseerd met tractoren, mede gestimuleerd door het plan Marshall. De kleine en middelgrote hoeven verdwenen gestaag, wat een drastische inkrimping van het trekpaardeneffectief tot gevolg had.

Gelukkig is de voorliefde en de passie voor ons prachtige trekpaard niet dood. De Koninklijke Maatschappij Het Belgisch Trekpaard telt op dit moment een 1.250 leden en registreert dit jaar rond de 1.000 veulens. Het dieptepunt van de fokkerij zo'n vijfentwintig jaar geleden, toen het aantal inschrijvingen jaarlijks slechts 450 veulens bedroeg, schijnt definitief voorbij. De nationale prijskamp op de Heizel kent steeds een groot succes. Spijtig genoeg is de sfeer van weleer er ver te zoeken en is er geen ambiance meer. We missen er de animatie en de marsmuziek zoals in de jaren vijftig en zestig. En wat zouden de fokkers de aanwezigheid waarderen van een lid van de koninklijke familie bij de prijsuitreiking! Deze animaties zouden ook nu nog erg gewaardeerd worden door het publiek, dat met meer enthousiasme de prijskampen zou bijwonen en nieuwe liefhebbers aantrekken. Dit zou zowel de fokkerij als de handel van het trekpaard ten goede komen.

De huidige generatie fokkers
Het grootste deel van de trekpaardenfokkerij is het werk van landbouwers en landbouwerszonen. Zij zijn nog opgegroeid tussen het trekpaard en hebben die liefde van kleinsaf meegekregen. Naar schatting worden nog 400 trekpaarden gebruikt in de bosbouw, waar zij in samenwerking met de machine een belangrijke factor in het productierendement vormen. Enkele landbouwers op hoge leeftijd doen nog licht werk met hun trekpaard.
Het is echter bemoedigend dat er een hernieuwde belangstelling ontstaat voor het trekpaard in de vrijetijdsbesteding. Vele jonge mensen, waarvan sommigen zelfs niet uit de agrarische wereld komen, houden één of meerdere merries voor het plezier en nemen nu de fakkel over van de oudere fokkers. Regelmatig hebben er transacties plaats tussen België en Nederland en kopen Duitse en Zwitserse brouwerijen nog geregeld jonge hengsten, uiteraard met lange staart.

De fokkerij en handel stimuleren
Om de fokkerij en ook de handel van het trekpaard te bevorderen moet ook de diversiteit van haarkleuren gestimuleerd worden. De oorspronkelijke historische stamvaders waren vos of bruin. Het actuele bruinschimmel, naar mijn bescheiden mening niet erg oogstrelend, is de erfenis van het fameuze trio Albion d'Hor - Avenir d'Herse - Espoir de Quaregnon. De toekomst van ons trekpaard is de productie van kwaliteitspaarden, laten we vooral de kwaliteit niet uit het oog verliezen, met de basiskleuren bruin en vos. Deze verkopen gemakkelijker en worden meer gewaardeerd in het buitenland en voor de publicitaire aanspanningen.

Maar het Belgisch trekpaard wordt vandaag de dag vooral gehouden uit liefde en voor de ontspanning. Het aangespannen rijden in familieverband is enorm plezierig. Daarnaast worden talrijke initiatieven op stapel gezet om de fokkerij van dit levende Belgisch erfgoed te promoten.

Een kostbaar erfgoed
Sinds 1950 hebben 'paardenfilosofen' onophoudelijk beweerd dat het Belgisch Trekpaard gedoemd was te verdwijnen ten gevolge van de snelle evolutie in de landbouw. Maar toch kan ik nu constateren dat de liefde voor dit paard nog heel levendig is. Kijk maar naar het publiek rond de piste bij de nationale prijskamp, shows, aangespannen presentaties en de nieuwe interesse als vrijetijdsbesteding.

Tekst: Pierre Wolfs en Lutgarde De Greeff  -  Foto's: Antoine Hallet
©eds · All Rights Reserved · E-mail: onsbelgischtrekpaard@pandora.be