Een eenvoudig en "neutraal" Arabisch dialect
De taalsituatie in de Arabische wereld met een schrijftaal fuSHaa (zeg: "foes - haa") aan de ene kant en een brede waaier aan locale dialecten aan de andere kant is niet vergelijkbaar met de taalsituatie in ons eigen taalgebied. Bij een beslissing om Arabisch te leren mag je daarom niet overhaast te werk gaan, niet ieder soort Arabisch is namelijk hetzelfde. Wie hoofdzakelijk met Arabieren wil kunnen praten, zal constateren dat een jarenlange zware inspanning om het Geschreven Arabisch (fuSHaa) te leren relatief weinig resultaat voortbrengt in praktische gesprekssituaties en wie bijvoorbeeld een lichtere cursus Gesproken Marokkaans Arabisch (daarija) volgt, zal er nauwelijks in slagen om zich met die taal in het Midden-Oosten verstaanbaar te maken. Hieronder volgt meer uitleg over de algemene opties bij het leren van de Arabische taal en over de specifieke oplossing die Orientaal voor het probleem aanbiedt.
De schrijftaal fuSHaa
De schrijftaal fuSHaa is ontegensprekelijk de rijkste en mooiste variant van het Arabisch. Sinds de Koran uit de zevende eeuw zijn de spelling en de grammatica ervan zo goed als ongewijzigd gebleven. De taal wordt momenteel als gestandaardiseerde schrijftaal gebruikt over een gebied dat zich uitstrekt van Marokko tot de Golf. Zowel in de historische als in de geografische dimensie kan fuSHaa bijgevolg bogen op een bijzonder rijke literaire erfenis en productie. Arabieren over heel het gebied begrijpen het fuSHaa, wanneer ze in de pers en de media met de taal geconfronteerd worden. Het is een droom van veel Arabieren dat de plaatselijke dialecten zouden verdwijnen en dat iedereen het fuSHaa zou beginnen aanwenden voor de mondelinge communicatie. Toch blijft het gebruik van de taal als spreektaal heel problematisch. Doordat het fuSHaa het karakter heeft van een klassieke taal met naamvallen, dualissen, conjunctieven,... enz. zijn een grondige studie en veel taalkundig inzicht onontbeerlijk voor al wie de taal correct wil leren gebruiken als schrijftaal. In de Aabische wereld wordt in de lagere school en het secundair onderwijs hieraan veel energie besteed. Het toepassen van de naamvallen en de ingewikkelde werkwoordsvervoegingen in mondeling taalgebruik is voor de meeste Arabieren echter een brug te ver. Wanneer je Arabieren in het fuSHaa aanspreekt, oogst je eerst veel bewondering, maar zie je je gesprekspartners daarna "dichtklappen", omdat ze zich niet in staat voelen op hetzelfde niveau te antwoorden. De taal wordt in informele situaties namelijk niet gebruikt, niemand gaat, bijvoorbeeld, in het fuSHaa een brood kopen bij de bakker om de hoek. Op het praten van dialect in dergelijke situaties rust geen enkel taboe. In formele situaties zoals officiële toespraken daarentegen, bereidt de spreker zijn tekst zorgvuldig schriftelijk voor in fuSHaa en leest die vervolgens af van het blad.
Voor niet-Arabieren is het een bijzonder zware dobber om fuSHaa te leren tot je op het niveau komt dat je vlot authentieke teksten, zoals krantenartikels en romans kunt lezen (en dan spreken we nog niet van de taal vlot te kunnen spreken). Op universitair niveau is een intensieve studie van 4 jaar maar net genoeg, in het avondonderwijs betekent het minstens 6 of 8 jaar doorbijten. Om vlot, dit wil zeggen zonder woordenboek, authentieke teksten in een taal te lezen, heb je namelijk een woordenschat van rond de 5000 woorden nodig. Geen enkel handboek brengt zo'n uitgebreide woordenschat aan. Eens je door de handboek-fase heen bent, moet je dus door een tweede fase waarbij je je woordenschat verder uitbreidt door bijvoorbeeld kranten, verhalen en romans te lezen. De grote hinderpaal hierbij in het Arabisch is het feit dat korte klinkers en medeklinkerverdubbelingen in het schrift niet worden aangeven. Het lukt bijgevolg niet door simpelweg veel te lezen en de betekenissen van de nieuwe woorden te raden uit de context. Telkens je een nieuw woord ontmoet, ben je in het Arabisch verplicht het woordenboek open te slaan om de uitspraak ervan te achterhalen. Bij een belangrijk percentage van de woorden is er ook meer dan één uitspraakmogelijkheid. Een woord als m-d-r-s-a (مدرسة), bijvoorbeeld, moet je afhankelijk van de context lezen als madrasa ('school') of mudarrisa ('lerares').
De dialecten
In de dagdagelijkse omgang gebruiken Arabieren bijna uitsluitend de locale dialecten, in het algemeen daarija of 2aammiyya (volkstaal) genoemd, die vergeleken met het fuSHaa sterk vereenvoudigd zijn: wegvallen van de naamvallen, eenvoudiger vervoeging van de werkwoorden. Hierdoor krijg je een dialect veel vlugger onder de knie dan fuSHaa, als het op spreekvaardigheid aankomt. Het nadeel van de dialecten is echter dat ze regionaal beperkt zijn: Marokkaans Arabisch wordt weinig of niet begrepen in Egypte (terwijl omgekeerd iedere Arabier wel Egyptisch Arabisch begrijpt dankzij de film, tv-series en muziek). Veel woorden zijn in wezen gemeenschappelijk aan de dialecten en fuSHaa, maar ieder dialect of groep dialecten vervormt die woorden dan op een eigen manier: qahwa (koffie) wordt in Egypte ahwa, in Libanon ahwè, bij de bedoeïenen ghahwa. Ook gebruikt ieder dialect naast de gemeenschappelijke woordenschat typische eigen woorden, die dikwijls aan de omringende talen ontleend zijn: het Marokkaanse simana (week) en sbitaR (ziekenhuis), beide uit het Spaans, zijn onverstaanbaar in het Midden-Oosten, terwijl de overeenkomstige fuSHaa-woorden usbuu2 en mustashfaa wel overal perfect begrepen worden.
Niettegenstaande het feit dat iedere Arabier in principe zijn eigen dialect het mooist vindt (andere dialecten worden soms als "boers" bestempeld), geniet het eigen "nationale dialect" absoluut niet het prestige van de "internationale" en 14 eeuwen oude schrijftaal fuSHaa. Integendeel, hoewel iedereen daarija of 2aammiyya voor de mondelinge communicatie gebruikt, huiveren vele Arabieren al bij de gedachte dat dit soort taal in een klaslokaal onderwezen zou worden. Volgens hen komt die eer enkel het fuSHaa toe. Trouwens, zo luidt hun redenering, als je wil dat fuSHaa in de toekomst opnieuw de algemene spreektaal wordt, kan het niet dat je je leerlingen een "verkeerde" (dialectale) uitspraak, grammatica en woordenschat aanleert...
Een organisatorisch nadeel verbonden aan een cursus dialect is dat je met zo'n cursus het doelpubliek sterk verengt. Een cursus Marokkaans is zeer nuttig als je in Marokko geïnteresseerd bent, maar het praktisch nut ervan neemt snel af, zodra je je naar het Midden-Oosten beweegt. Egypte-reizigers hebben bijvoorbeeld weinig of niets aan een dergelijke cursus. Bijgevolg trekt een cursus over een specifiek dialect, over meerdere jaren gezien, minder cursisten aan dan een algemenere fuSHaa-cursus. Bij zo'n dialectcursus is de kans dan ook kleiner dat, jaar na jaar, het minimum aantal cursisten dat vereist is om de cursus te kunnen inrichten, gehaald wordt.
Het probleem
Wie Arabisch wil leren om zich mondeling in de taal verstaanbaar te maken, staat dus voor een moeilijke keuze: enerzijds is er het algemeen begrepen fuSHaa dat lastig is om te leren en nog lastiger om mondeling te hanteren (zelfs voor Arabieren), anderzijds is er een waaier van veel eenvoudiger dialecten, die dan elk weer beperkt zijn qua toepassingsgebied. Aan westerse universiteiten staat traditioneel de schrijftaal fuSHaa centraal. Om ervoor te zorgen dat de studenten toch een mondelinge taalvaardigheid verwerven, is men, bv. aan de Universiteit Amsterdam, enige tijd geleden begonnen met de praktijk om voorafgaand aan de cursus fuSHaa een trimester lang het Egyptisch dialect te doceren. De honger van de studenten om de taal daadwerkelijk te kunnen praten wordt op die manier onmiddellijk gestild en daarenboven hoeft de cursus fuSHaa dan niet meer helemaal vanaf nul te starten, maar kan, net zoals bij de Arabische kinderen in de lagere school trouwens, voortbouwen op een reeds aanwezige basiskennis van het gesproken Arabisch. Hoewel de fuSHaa-woordenschat in belangrijke mate overeenkomt met de dialectale woordenschat, moet de student dan wel voor ieder dialectwoord een nieuwe fuSHaa-uitspraak aanleren.
De oplossing van Orientaal : een centrale positie
In onze Orientaal-aanpak beschouwen we zuiver fuSHaa enerzijds en de afzonderlijke dialecten anderzijds niet als van elkaar geïsoleerde taalsystemen, maar als welbepaalde punten in één grote Arabische taalruimte. Er zijn immers vele tussenposities mogelijk. De taal van Arabischtaligen kan min of meer variëren op een lijn tussen het zuivere dialect en het zuivere fuSHaa. De taal die ze thuis praten zal zich aan het ene uiterste van die lijn bevinden, maar komen ze terecht in een meer formele situatie, dan zal hun taal naar het fuSHaa toe verschuiven. Ook wat de afzonderlijke dialecten betreft, zijn tussenposities mogelijk: een Marokkaan die een Egyptenaar ontmoet is in staat zijn dialect aan te passen zodat het meer Egyptisch klinkt. Het gaat dus over één grote ruimte van taalvarianten. Essentieel voor de Orientaal-aanpak is dat we de studie van het Arabisch niet laten beginnen vanuit een van de uiterste punten van die taalruimte (zuiver fuSHaa, zuiver dialect) maar vanuit een centraal gelegen punt ("X" in de figuur hieronder).

De ervaring van de laatste tien jaar leert ons dat we vertekkend vanuit X in een beginnersniveau dan later in een gevorderdenniveau bijna naadloos, of anders gezegd bijna onmerkbaar voor de cursisten, kunnen overgaan naar zuiver fuSHaa of naar zuiver dialect. Door taalvariatie als een natuurlijk gegeven in de lessen te integreren, zorgen we ervoor dat onze cursisten de taal waarmee je een treinticket koopt in het station en de taal waarin de eerste soera van de Koran is opgesteld als varianten van wezenlijk dezelfde taal ervaren.
De taal uit de Orientaal-cursus Gesproken Arabisch voor Beginners
In de Orientaal-cursus Gesproken Arabisch streven we ernaar de voordelen van de schrijftaal fuSHaa (vooral: algemene verstaanbaarheid) met die van de spreektalen daarija/2aammiyya (vooral: grammaticale eenvoud en gemakkelijkheid om te leren en te spreken) te combineren. Enerzijds passen we de meeste grammaticale vereenvoudigingen toe die gemeenschappelijk zijn aan alle dialecten, anderzijds behouden we voor de afzonderlijke woorden de "beschaafde" fuSHaa-uitspraak. Dialectale woorden die algemeen verspreid zijn van Marokko tot de Golf, zoals yashuuf ("hij ziet") voor yaraa ("hij ziet"), nemen we zonder aarzelen op, maar dialectale woorden die eerder beperkt zijn qua toepassingsgebied vermijden we zoveel mogelijk. Wanneer ze echt belangrijk zijn, brengen we ze aan als regionale varianten en geven daarbij duidelijk aan waar je ze kan gebruiken: naast het algemeen gebruikelijke kam ("hoeveel") vermelden we in de cursus dus onder andere ook shHaal uit Marokko en qaddaysh dat in heel Noord-Afrika bekend is. Het resultaat is een eenvoudig en "neutraal" Arabisch dialect dat overal in de Arabische wereld gebruikt kan worden.
Een concreet voorbeeld van een zin: "Kunnen we hier een koffie drinken?" verwoorden we in de cursus typisch als: "mumkin nashrab qahwa hunaa?" De fuSHaa-versie die hiermee correspondeert is: "hal nastaTii2u an nashraba qahwatan hunaa?" Deze laatste is grammaticaal gezien een stuk ingewikkelder: vraagpartikel hal, vervoegd werkwoord istaTaa2a "kunnen", voegwoord an, indicatief-uitgang -u aan het eerste werkwoord, conjunctief-uitgang -a aan het tweede werkwoord, accusatief-uitgang -an aan het lijdend voorwerp. De versie uit de cursus, "mumkin nashrab qahwa hunaa?", leunt qua structuur dicht aan bij de dialecten. Vergelijk, bijvoorbeeld, met het zuiver Egyptisch: "mumkin nishrab ahwa hina?" (met mumkin 'mogelijk', ook bekend in fuSHaa, en zonder indicatief-, conjunctief- of naamvalsuitgangen). Qua uitspraak klinkt de taal van de cursus de Arabieren "algemener" (of heel subjectief gezegd: "mooier") in de oren dan de afzonderlijke dialecten. In de Egyptische versie hierboven vinden we bijvoorbeeld een aantal typische uitspraakkenmerken van het Egyptisch dialect terug: de klank q valt er systematisch weg (qahwa > ahwa), de korte klinkers worden dikwijls tot i gereduceerd (nashrab > nishrab; hunaa > hina) en de onbeklemtoonde lange klinkers worden verkort (hunaa > hina). Ieder Arabisch dialect "vervormt" de woorden zo op een eigen manier, wat de onderlinge verstaanbaarheid niet ten goede komt. Dit verhelpen we in de taalvariant van de cursus door trouw de klassieke fuSHaa-uitspraak te volgen.
Samengevat: een vliegende start
De grammaticale eenvoud van de taalvariant uit de cursus zorgt ervoor dat die gemakkelijk te leren en te hanteren is, de afwezigheid van een dialectaal accent garandeert dan weer een maximale verstaanbaarheid in de volledige Arabische wereld. Het resultaat is een voor Arabieren algemeen aanvaardbare taalvariant, die enerzijds als een "veredeld dialect", anderzijds als een "fuSHaa light" ervaren wordt.
In het gevorderdenniveau kunnen we vanuit deze taal geleidelijk aan evolueren naar het fuSHaa of naar een zuiver dialect. In het eerste geval hoeven de cursisten met onze aanpak geen nieuwe uitspraak voor de woordenschat meer te leren, want ze kennen die al.
Vergelijken we de cursisten Arabisch met mensen die een vliegopleiding volgen, dan is de taalvariant van de cursus een licht, wendbaar sportvliegtuigje waarmee je al na enkele tientallen meters de lucht in gaat, terwijl het fuSHaa als majestueuze jumbojet een startbaan van minstens 2 km nodig heeft. Het ene sluit het andere ook niet uit, in tegendeel: eens je in de Orientaal-methode met je sportvliegtuigje opgestegen bent en op kruishoogte vliegt, vorm je het vlot om in een reeds vliegende (!) jumbojet.