Back to Orientaal's class-room

Vertaaloefening: locatief, afkomst, bijv. nw., vraag en ontkenning
(c) Johan Vandewalle 2015

1. Vertaal. Druk plaatsen uit met de locatief.


1. in de wagen
2. in de stad
3. op straat
4. in de school
5. op de bus
6. op de verdieping
7. in het museum
8. op de datum

2.


1. in mijn flat
2. in onze straat
3. in zijn land
4. in jullie stad
5. in haar vaas
6. in je wagen
7. in zijn winkel
8. op onze boot

3.


1. in het schoolmuseum
2. op de autoboot
3. in het telefoonnummer
4. op de stadsbus
5. in de İstiklal-laan
6. in de Atatürk-boulevard
7. in de Eyüp-moskee
8. in de stad İzmir (in de "İzmir-stad")

4. Vertaal. Druk de afkomst uit.


1. afkomstig van Antalya
2. afkomstig van Uzunköprü
3. afkomstig van Bodrum
4. afkomstig van Çanakkale
5. afkomstig van Bingöl
6. Aalstenaar
7. Gentenaar
8. Dworpenaar

5. Vertaal. Combineer zelfstandige naamwoorden met bijvoeglijke naamwoorden en (onbepaalde) lidwoorden.


1. de waterpijp
2. een waterpijp
3. de mooie vaas
4. een mooie vaas
5. het kleine kind
6. een klein kind
7. een goede school
8. een tevreden toerist

6. Vertaal. Vorm zinnen in de derde persoon enk., bevestigend, vragend en ontkennend.


1. De toerist is tevreden.
2. De man is in ons huis.
3. Is de winkel nieuw?
4. Is jullie flat groot?
5. Is het kind op straat?
6. Is Ali van Trabzon?
7. De waterpijp is niet duur.
8. Mijn auto is niet oud.
9. Is je leraar niet op school?
10. Is de thee niet warm?