Back to Orientaal's class-room

Vertaaloefening: het werkwoord "zijn", 2e persoon enkelvoud
(c) Johan Vandewalle 2015

1. Vertaal. Bevestigende zinnen met 2e pers. enk.


1. Je bent zoet (lief). Sen 
2. Je bent heel vriendelijk. Sen 
3. Je bent onze gast. Sen 
4. Je bent mijn vriend(in). Sen 
5. Je bent mijn koningin. Sen 
6. Je bent in je wagen. Sen 
7. Je bent beroemd. Sen 
8. Je bent Ali's dochter. Sen 

2. Vertaal. Ontkennende zinnen met 2e pers. enk.


1. Je bent niet ziek. Sen 
2. Je bent niet slecht. Sen 
3. Je bent niet op school. Sen 
4. Je bent niet in je flat. Sen 
5. Je bent niet in ons land. Sen 
6. Je bent mijn vader niet. Sen 
7. Je bent geen vreemdeling. Sen 

3. Vertaal. Vragende zinnen met 2e pers. enk.


1. Ben je van Emirdağ? Sen 
2. Ben je gehuwd? Sen 
3. Ben je vrijgezel? Sen 
4. Ben je gelukkig? Sen 
5. Ben je morgen vrij? Sen 
6. Ben je Turk? Sen 
7. Ben je in de stad? Sen 
8. Ben je op school? Sen 
9. Ben je in ons hotel? Sen 
10. Ben je de grote broer van Mehmet? Sen 
11. Ben je de chauffeur van de premier? Sen 
12. Ben je (een) man? Sen 
13. Ben je mijn vriend(in)? Sen 
14. Ben je de zoon van de antiquair? Sen 
15. Ben je in het pizzahuis van Fakı? Sen 

4. Vertaal. Vragend-ontkennende zinnen met 2e pers. enk.


1. Ben je geen Turk? Sen 
2. Ben je niet gelukkig in België? Sen 
3. Ben je niet de dochter van onze leraar? Sen 
4. Ben je niet in het museum? Sen 
5. Ben je niet in je hotel? Sen 
6. Ben je niet in het restaurant van Turgay? Sen