Back to Orientaal's class-room

Vertaaloefening: zichzelf, elkaar, allemaal.
(c) Johan Vandewalle 2015

1. Vertaal. Zinnen met "zichzelf".


1. Wij kennen onszelf niet.
 
2. Hebt u uzelf op televisie gezien?
 
3. Deze man houdt niet van zichzelf.
 
4. Deze meisjes denken enkel aan zichzelf.
 
5. Na het ongeval kwamen we bij ("tot onszelf").
 
6. Laat ik mezelf aan de wetenschap wijden ("geven").
 
7. Zorg ("Kijk") goed voor ("naar") jezelf!
 
8. We zijn tevreden over onszelf.
 
9. Ik vroeg me af ("aan mezelf") :...
 
10. Lezen jullie het boek zelf!
 
11. Dat ze zelf stoelen meebrengen!
 
12. Ik heb dit zelf gemaakt.
 
13. Kom jij maar zelf!
 

2. Vertaal. Zinnen met "elkaar".


1. Ze houden niet van elkaar.
 
2. We kennen mekaar goed.
 
3. Hebben jullie elkaar op straat gezien?
 
4. Ze eten elkaar op.
 
5. We hebben "Hallo!" gezegd tegen elkaar.
 
6. Begrijpen jullie mekaar?
 
7. Ze geven elkaar cadeaus.
 
8. Laten we mekaar niet vergeten!
 
9. Kijk a.u.b. naar mekaar!
 
10. Stoor mekaar niet!
 
11. Ze gelijken sterk op elkaar.
 
12. Hebben jullie mekaar niet bezocht?
 
13. Zijn ze tevreden over elkaar?
 

3. Vertaal. Zinnen met "allemaal".


1. Komen jullie allen naar Turkije!
 
2. Ik wil ze allemaal.
 
3. We kennen jullie allemaal.
 
4. We zijn allemaal naar de begrafenis gegaan.
 
5. Ze geven geschenken aan ons allemaal.
 
6. Dat ze maar allemaal komen!
 
7. Groeten van ons allen aan jullie allen!
 
8. Laat ik de foto aan jullie allen tonen.
 
9. Wij zijn over jullie allen tevreden.
 
10. We zijn allemaal naar beneden gegaan.
 
11. Ik heb het aan hen allen gevraagd.
 
12. Ze waren allemaal heel bedroefd.