De tegenwoordige tijd vormen, vertrekkend van de stam
(c) Johan Vandewalle 2004
Je vervoegt een werkwoord in de tegenwoordige tijd door, afhankelijk van de
persoon, een persoonsprefix en in drie gevallen ook een persoonssuffix
aan de stam te voegen. Bij de meeste stammen is de klinker van de
persoonsprefixen een a, maar bij werkwoorden van stam II (bv. -faDDil),
stam III (bv. -saafir) en stam IV (bv. -(a)SbiH) is het een u.
In de 1e pers. enk. mag je bij alle werkwoorden a- gebruiken, dus ook bij die van II, III, IV (fuSHaa heeft in dat geval wel een u- zoals in de andere personen).
- de meeste werkwoorden (uitgezonderd stam II, III, IV):
|
3e persoon |
(huwwa / hiyya // humma): |
ya-... / ta-... // ya-...-uu | |
| . | |||
| 1e persoon | (anaa // eHnaa): | a-... // na-... | |
| 2e persoon | (enta / entii // entuu): | ta-... / ta-...-ii // ta-...-uu |
- de werkwoorden van stam II, III, IV:
|
3e persoon |
(huwwa / hiyya // humma): |
yu-... / tu-... // yu-...-uu | |
| . | |||
| 1e persoon | (anaa // eHnaa): | a-... (of: u-...)// nu-... | |
| 2e persoon | (enta / entii // entuu): | tu-... / tu-...-ii // tu-...-uu |