|
Borgerhout |
|
Tot in 1794, jaar van de tweede
Franse inval, werd de politie in Deurne-Borgerhout uitgeoefend door twee
"vorsters", waarvan de één Borgerhout en de ander Deurne tot
standplaats had. De Franse bezetting bracht een volledige ommekeer van onze
maatschappij met zich. De republiek had bij decreet van 4 augustus 1789 de
feodaliteit en alle particuliere privilegies afgeschaft terwijl het decreet van
14 december 1789 alle gemeenten op eenvormige grondslag inrichtte. Toen op 1
oktober 1795 de zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk ingelijfd werden, werd
Antwerpen de hoofdplaats van het Département des Deux Nèthes, wat onze
dubbelgemeente in belangrijkheid sterk deed toenemen. In 1796 kregen wij onze eerste
land- of veldwachter, Geerard Escroye, die echter reeds in 1798 overleed. Op 16
januari 1798 werd dan een zekere Mol uit Antwerpen tot "landwaghter"
van Deurne-Borgerhout benoemd. In 1808 telden onze gemeenten reeds 3.547
inwoners en op verzoek van "maire" Pierre J.A. de Broëta werd een
tweede veldwachter aangesteld, een zekere Wydens. Intussen was het kanton Berchem,
niettegenstaande het slechts in 1795 werd opgericht, afgeschaft door de wet van
17 februari 1800 en Deurne-Borgerhout werd aangesloten bij het arrondissement en
het vredegerecht van Antwerpen. Ook tijdens het Nederlands bewind
veranderde er weinig aan de inrichting van de politie die nog steeds
toevertrouwd bleef aan twee veldwachters, Poppé en Mendes, die echter
respectievelijk in 1829 en 1832 werden ontslagen wegens herhaalde dronkenschap.
Zij werden vervangen door Joannes Musters en Albertus Brouwers, die echter
slechts tot "veldwaghter-provisoir" benoemd werd en voordien
veldwachter was in de vijfde wijk van Antwerpen. Brouwers bleef slechts tot
januari 1836 omdat ook hij een onverbeterlijke dronkaard was, men was tevens tot
de vaststelling gekomen dat hij lezen noch schrijven kon! De veldwachters deden
geen nachtdienst. Bij nacht werd de bewaking verzekerd door de nachtwacht die
gerekruteerd werd onder de mannelijke bevolking tussen de 18 en de 60 jaar.
Sectie 3 van het "Reglement van policie" van 4 mei 1819 regelde
hiervoor de modaliteiten. De weinig bevredigende activiteit
van de veldwachters was er de oorzaak van dat de hogere overheid het
gemeentebestuur verzocht een ambtenaar van politie te benoemen. Deze taak werd
bij beslissing van de gemeenteraad van 28 juli 1832 toevertrouwd aan schepen
Jacobus Wagemans die haar bleef uitoefenen tot 9 januari 1833. Vermoedelijk had
deze kortstondige benoeming betrekking met de tiendaagse veldtocht en de
aanwezigheid van aanzienlijke contingenten Franse troepen in de stad Antwerpen.
Hun bevelhebber, maarschalk Etienne Maurice, graaf Gérard, logeerde trouwens in
het Portugezenhof dat aan de Helmstraat gelegen was. Voor wat de politie betreft was 26
augustus 1833 werkelijk een historische dag. De gemeenteraad besliste toen
namelijk:"Daer den Heer Borgmeester niet langer de fonctie van Ambtenaer
van Politie meer kan uytoeffenen zooals hetzelve behoort, uyt hoofde zijner
particuliere beezzigheeden, en dat de Heeren Scheepenen het zelve ook weygeren
aen te neemen, zoo is de Raed eenpaeriglijk van advies den Heer Gouverneur der
Provintie te aenzoeken eenen commissaris van Politie te benoemen, uytsluytend
gelast met de Politie in de Gemeente uyt te oeffenen, mits een tractement te
genieten betaelbaer uyt de Gemeentekas." De arrondissementscommissaris,
geraadpleegd door de gouverneur, was akkoord en vroeg dat er drie kandidaten
zouden voorgesteld worden. Er waren echter wel vijf gegadigden, allen leden van
de gemeenteraad, namelijk de heren Bogaerts, Cantaert, Celens, Daems en Pittoors
en de raad kon het begrijpelijkerwijze moeilijk eens worden, zodat het nog tot
23 december 1833 duurde eer de gemeenteraad zijn drie kandidaten voorstelde, en
niet nadat de arrondissementscommissaris er herhaaldelijk had op aangedrongen.
Voorgesteld werden: Théodore Lizolle, 1ste luitenant van de eerste ban van de
burgerwacht, Jan Baptist Segers, molenaar in Borgerhout en Henri Somers,
lakenhandelaar eveneens van Borgerhout Bij koninklijk besluit van 14
januari 1834 werd dan Théodore Lizolle benoemd tot politiecommissaris van
Deurne-Borgerhout en hij trad op 25 januari d.a.v. in dienst met een jaarwedde
van 1.000 frank, waarmee hij ook zijn bureaubenodigdheden diende te betalen. In
oktober 1834 werd het de politiecommissaris toegestaan een eigen stempel te
gebruiken die het opschrift droeg "Commissariaat van
Deurne-Borgerhout". De verplichting om een bijzonder stempel te gebruiken
kwam slechts in 1839 toen de minister van binnenlandse zaken de functionarissen
aanduidde die zich van zulk stempel moesten bedienen en ook de modellen bepaalde
die tot op heden ongewijzigd bleven. Bij de scheiding van
Deurne-Borgerhout in twee afzonderlijke gemeenten door de wet van 13 juni 1836,
telde Deurne 2.089 inwoners en Borgerhout 4.143, dus ongeveer het dubbele. De
gerechtelijke macht in Deurne-Borgerhout bestond toen, behalve uit de
commissaris, uit twee veldwachters, Joannes Musters en Nikolaas Bosquet, die in
februari 1836 Brouwers opgevolgd was. De politiecommissaris en veldwachter
Bosquet bleven bij Borgerhout nadat de gemeente Deurne aan commissaris Lizolle
had laten weten dat zij hem vanaf 1 januari 1837 niet meer zou betalen daar zij
een politiecommissaris niet nodig achtte. Borgerhout was aanvankelijk evenmin
geneigd de politiecommissaris te behouden, maar de arrondissementscommissaris
had erop aangedrongen, het argument hanterend dat Borgerhout toch dicht bij
Antwerpen lag en dus meer steedse allures had, 4.000 inwoners had en veel
herbergen telde. Bij koninklijk besluit van 12 juli 1837 werd Théodore Lizolle
dan nogmaals benoemd, doch nu met uitsluitende bevoegdheid op het grondgebied
van de gemeente Borgerhout en met een jaarwedde van 700 frank. Van 1 januari
1837 tot 1 juli 1837 moest de gemeente Deurne aan Lizolle 25 frank per maand
betalen om alles wat hij nog in behandeling had betreffende de gemeente Deurne,
af te werken. De gemeente Deurne bleef nog tot 1879 zonder politiecommissaris.Théodore
Lizolle nam op 18 januari 1839 ontslag als politiecommissaris en werd op 11
april 1839 opgevolgd door Joseph van Grimberghe die politiecommissaris bleef tot
11 december 1849. Tot in de zestiger jaren bleef de
toestand ongewijzigd. Er was een politiecommissaris, Nikolaas Mertens
(1850-1873) en een veldwachter, Adriaan Schoepen die in 1849 de op rust gegane
Nikolaas Bosquet opgevolgd was. De werken aan de Antwerpse vestinggordel slokten
niet alleen 57 ha van ons grondgebied op (meer dan 20% van de toenmalige
oppervlakte), maar brachten ook veel vreemde arbeiders en ander volk naar onze
gemeente. Deze omstandigheden gaven echter de doorslag voor de uitbreiding van
de gemeentelijke politie. In 1864 werd Jan Deschamps benoemd tot
adjunct-politiecommissaris en in 1868 werd eindelijk een tweede veldwachter
aangesteld. Van 1872 tot 1874 werden nogmaals drie veldwachters In dienst genomen zodat op dat
ogenblik het effectief van de politiedienst bestond uit politiecommissaris
Desiderius Coppens(1873-1875), adjunct-politiecommissaris Jan Deschamps en vijf
veldwachters. Toen de provinciegouverneur in 1876 het gemeentebestuur nogmaals
verzocht het aantal veldwachters te verhogen, vroeg politiecommissaris Emiel
Jespers (1875-1884) de Benoeming van zes politieagenten in plaats van de door de
gouverneur voorgestelde veldwachters. Een dergelijke vraag gesteld door
politiecommissaris Mertens in 1869 was zonder gevolg gebleven, doch nu was het
resultaat positief en v66r precies honderd jaar, namelijk op 19 september 1878,
werden er drie politieagenten in dienst genomen en de in dienst zijnde
veldwachters werden eveneens politieagent. Deze politieagenten kunnen we als de
grondstenen van het politiekorps van Borgerhout beschouwen. In 1879 en in 1881
werden nogmaals nieuwe politieagenten aangesteld en in 1884 werd één der
agenten tot adjunct-politiecommissaris benoemd. Toen politiecommissaris Petrus
Weicherding (1885-1894) zijn ambt aanvaardde, telde het Borgerhoutse
politiekorps dertien leden voor een bevolking van 26.000 zielen. In gewone
omstandigheden deed ieder agent dagelijks van negen tot tien uren dienst, bij
dag of bij nacht. Eén agent was voortdurend van dienst in het bureau dat toen
in de Schoenstraat nr.l0 was. De nachtronde was toevertrouwd aan slechts twee
agenten zodat de bewaking van de gemeente wel beneden alle peil was. Om daaraan
enigszins te verhelpen was er in januari 1887 wel een gemeentelijke nachtwacht
ingericht, doch deze ging reeds in 1889 ter ziele en alles was weer zoals
voorheen. Ook de benoeming tussen 1885 en 1889 van zes politieagenten en het creëren
van de dienstgraad van inspecteur, toen nog agentopziener genoemd, bracht geen
oplossing voor de moeilijkheden. Borgerhout had aan belangrijkheid gewonnen toen
het tot hoofdplaats van een kanton met bijhorend vredegerecht gemaakt werd bij
koninklijk besluit van 14 september 1887. De politiecommissaris werd tot
officier van het openbaar ministerie aangesteld wat zijn taak aanzienlijk
verzwaarde. Gedurende zeventig jaar was dit een bijkomende last voor de
politiecommissaris, tot in 1957 de Borgerhoutse politierechtbank werd opgeheven.
. Bij koninklijk besluit van 7
augustus' 1973 werd de politiecommissaris van Borgerhout andermaal tot ambtenaar
van het openbaar ministerie bij de politierechtbank aangesteld, maar dan te
Antwerpen. In 1888 begon de actie die in 1891
resulteerde in de verdeling van de gemeente Borgerhout in twee wijken. Dit was
een rechtstreeks gevolg van de gebrekkige bewaking waarvan vooral de bewoners
van de zogenaamde "doolhof”de gevolgen ondervonden. Borgerhout telde op
dat ogenblik bijna 30.000 inwoners, doch het politiekorps bestond nog steeds uit
één politiecommissaris, twee adjunct-politiecommissarissen en twaalf agenten
en we zagen reeds hoe de bewaking van de gemeente geschiedde.De bewoners van de
wijk in kwestie vroegen nu het inrichten van een politiecommissariaat in hun
omschrijving. In de loop van 1913 werden dan ook
niet minder dan veertien nieuwe politieagenten aangesteld. Een en ander had
direct verband met de troebele toestand die in het ganse land heerste naar
aanleiding van de diverse manifestaties die plaats hadden ten voordele van het
algemeen stemrecht en waarbij Borgerhout reeds eerder betrokken was geraakt met
de tragische gebeurtenissen nabij de fabriek van de Roubaix et d'Oedenkoven
(beter gekend als "de bougie") op 18 april 1893.In feite had
politiecommissaris Roosens gevraagd om het effectief op zestig agenten te
brengen, maar om dat te bereiken diende er eerst een oorlog te komen! Op 1 juli 1914 echter waren er
reeds éénenveertig agenten in dienst, het hoogst getal sedert de aanstelling
van de eerste politieagenten in 1878. Deze verhoging van het effectief was het
rechtstreeks gevolg van de uitbreiding van ons grondgebied met 108 ha, afgestaan
door de gemeente Deurne, gebiedsuitbreiding die werd toegestaan en bekrachtigd
door de wet van 24 mei 1914.
De
hulp- of burgeragenten in 1915. Maar
ook deze beklemmende periode werd door ons volk glansrijk doorstaan en het einde
van de bezetting en de oorlog was niet alleen voor de politie een opluchting.
Voor de oorlog was herhaaldelijk bewezen dat onze politie, zelfs in vrij normale
omstandigheden, niet bij machte was haar taak naar behoren te vervullen. De
oorlogsjaren hadden nu onomstotelijk aangetoond dat de toestand eenvoudig
catastrofaal te noemen was in tijden van onrust en dat de politie onvoldoende in
aantal was en de uitrusting beneden alle peil. Ook de hogere overheid had dit nu
eindelijk ingezien en eens de oorlog voorbij werd er drastisch ingegrepen. In
1920 kwamen er vierenveertig nieuwe agenten in dienst en inde zomer van 1921
tweeëntwintig, zodat het Borgerhoutse politiekorps op het einde van 1921
zevenentachtig agenten telde. Dit verdubbelde echter de taak van de vier
inspecteurs en dus werden er zes nieuwe benoemd die uit het vooroorlogs
politiekader werden gekozen. In september 1921 werd ook beslist om vier
politieofficieren meer aan te stellen. Ze werden reeds begin 1922in dienst
genomen, doch één nam reeds in juni ontslag. In dezelfde periode werd ook de
noodzaak aangevoeld om aan de politie een zekere mobiliteit te verschaffen en de
eerste fietsbrigade, met zes fietsen, werd in het voorjaar van 1922 opgericht.
Lange jaren zou de fiets het enige vervoermiddel van de politie blijven. De
massale uitbreiding van het effectief noodzaakte in de zomer van 1921 de
overbrenging van het politiecommissariaat van het gemeentehuis naar het eigendom
van het Moorkensplein nr.19, naast de gemeentelijke brandweerkazerne, waar het
tot 1957 bleef. Regelmatige benoemingen, zo in 1923, 1927 en 1930,hielden het
effectief van dan af op peil. In de loop van de volgende jaren
trad in de algemene toestand van het politiekorps geen noemenswaardige
verandering in, behalve dan de vervanging van de in 1892 aangenomen Constabulary
revolvers door het halfautomatisch pistool F.N.-Browningcal. 7.65, dit in 1930
en de verdeling van de gemeente in vijf wijken. Deze verdeling was reeds in 1931
gesuggereerd door politiecommissaris Roosens, maar het was slechts diens
opvolger Petrus Driesen (1934-1942) die de uitvoering ervan realiseerde. De
verdeling werd effectief vanaf 1 april 1934 en bewees haar afdoendheid in de
loop van de volgende jaren~ slechts op het einde van de vijftiger jaren werd het
aantal wijken op zes gebracht wegens het onstuitbaar toenemen van het
administratief werk dat aan de wijkagenten wordt opgedragen. Doch nauwelijks was de herinnering
aan de eerste wereldoorlog vervaagd of een nieuwe wierp reeds zijn schaduw
vooruit. Op 1 september 1937 werden maatregelen genomen om op het Belgisch
grondgebied een deugdelijk alarmsysteem in te richten. Het was natuurlijk de
politie die aan de hand van omstandige verslagen de degelijkheid van het
systeem, de geluidssterkte en de waarneembaarheid op verschillende plaatsen van
de gemeente diende aan te tonen. Ook de oefeningen die gehouden werden met het
oog op een mogelijk luchtalarm en de lichtdemping, dienden door de politie
gecontroleerd te worden. Toen op 10 mei 1940 ons land
andermaal rechtstreeks betrokken werd in een wereldoorlog, begon voor onze
politie een ware nachtmerrie die al het meegemaakte in 1914-1918 ver in de
schaduw zou stellen. Van het begin af drukten de
oorlogsomstandigheden uiterst zwaar op de politie en om dit te illustreren
volstaat het erop te wijzen dat van mei 1940 tot september 1942 een gemiddelde
van 225 niet bezoldigde overuren gepresteerd werden, terwijl de meerderheid van
de personeelsleden, zowel van hogere als van lagere rang, veertig tot vijftig
rust- of verlofdagen verbeurd hadden. De
eerste fietsers in het voorjaar van 1922.
Een
gedeelte van het politiekorps.in het nieuw uniform omstreeks 1930
De
aanstelling van P. Driesen tot politiecommissaris en afscheid van
politiecommissaris J. Roosens in
maart 1934. Van bij het begin der
vijandelijkheden op Belgisch grondgebied werd de vier reeksendienst, met rustdag
om de acht dagen, vervangen door de drie reeksendienst met slechts één rustdag
om de vijftien dagen. Dit alles was te verklaren door het feit dat van de
aanvang van de vijandelijke bezetting af, de gemeentelijke autoriteiten
overstelpt werden met "Verordnungen" van allerlei aard. Deze
onderrichtingen en bevelen namen weldra een zodanige omvang aan dat de politie
niet langer een autonoom lichaam kon genoemd worden. Onze overheden dienden zich willens
nillens tot de spreekbuis van de bezetter te laten gebruiken en het lager
personeel kreeg de lastige en ondankbare taak toegewezen om de onpopulaire en
zelfs hatelijke besluiten van de bezettende macht aan de bevolking kenbaar te
maken en tegen de mogelijke overtreders op te treden. Meer dan ooit stond onze
politie tussen twee vuren: aan de ene zijde de dreigende bezetter,
vertegenwoordiger van een verfoeilijk crimineel systeem en aan de andere zijde
de misprijzende bevolking die niet steeds of slechts zelden begrip toonde voor
de ondankbare positie waarin onze agenten verkeerden. En de bezetter dreigde inderdaad. Vanaf 11 november 1940 eiste de
"Ortskommandant" van de politiecommissaris een wekelijks
activiteitsverslag met een gedetailleerde opgave van alle vastgestelde
misdrijven. Meestal werden de politieautoriteiten persoonlijk verantwoordelijk
gesteld voor niet-naleving van de bevelen van de bezetter. Vanaf juli 1941
werden de wekelijkse verslagen vervangen door maandelijkse, die gezonden moesten
worden aan de afdeling "Feldgendarmerie" van de
"Feldkommandatur". Op 15 juli 1940 vroeg
politiecommissaris Driesen aan burgemeester Van Beveren om de vroegere vier
reeksendienst te mogen hernemen, maar hij voegde er tevens een verzoek tot
aanstelling van een dertigtal hulpagenten bij! Dit voorstel werd ingewilligd en
reeds op 1 september 1940 begonnen de eersten van een reeks van tweeëndertig
hun dienst. Dank zij deze maatregel kon de vier reeksendienst terug ingevoerd
worden wat een aanzienlijke verlichting beduidde voor het personeel. In februari
1941 telde ons politiekorps één politiecommissaris, vijf
adjunct-politiecommissarissen, negenenzestig agenten en tweeëndertig
hulpagenten. Op sabel en knuppel na waren allen
ongewapend vermits alle pistolen bij het begin van de bezetting ingeleverd
waren. Na veel palavers verstrekte de Duitse overheid in april 1941 dertig
pistolen "M.A.B.", cal. 7.65, doch zonder munitie. De pistolen mochten
slechts bij nacht gedragen worden, bleven eigendom van het Duitse leger en
werden in het politiecommissariaat bewaard in een speciaal daarvoor aangeschafte
brandkoffer! De verhoging van het
personeelsbestand loste niet alle problemen op en het hulpbureau van de
Ranststraat moest in mei 1942 gesloten worden bij gebrek aan een
adjunct-politiecommissaris die er de dienst zou kunnen waarnemen en aan lager
personeel dat elders weerhouden werd door de talloze opdrachten van de bezetter. Sedert 1 januari 1942 was
Borgerhout trouwens het "district Borgerhout" van Groot-Antwerpen
geworden, en de politiecommissaris van Antwerpen besliste in september 1942 dat
er in Borgerhout veertien burgerlijke wakers dienden aangesteld te worden om een
bestendige bewaking uit te oefenen aan instellingen van onmiddellijk nut voor de
bezetter. Hij hoopte op deze wijze personeel te kunnen vrijmaken voor de hun
meer geëigende taak van gemeentelijke of stedelijke politie. Op 18 september
1942 begonnen de eersten reeds hun dienst en de burgerlijke bewaking bleef
bestaan tot 5 september 1944, toen de bezetting wel van naam veranderde doch
daarom nog geen verlichting bracht voor het politiekorps dat bijna onmiddellijk
een lastige en hautaine gast moest ruilen voor zijn niet minder lastige en zeker
gevaarlijker vliegende afgezanten. Maar de hoogtepunten van de oorlogstragedie
waren voor onze politie toch de nachten van 26 op 27 november 1943 en van 14 op
15 januari 1944. Adjunct-politiecommissaris Gilis,
de dienstdoende adjunct-politiecommissarissen Verresen en Adriaensen, de agenten
Frans Aerts, Jozef Clonen, Gustaaf de Munter, Louis Heylen,Cyriel Loose, Jules
Mariën, Jules van Roey, Frans Verbist en Jos Willems, de hulpagenten Georges
Denye en Henri Smits werden door de Duitsers aangehouden, de enen thuis, de
anderen terwijl zij hun plicht vervulden. Van al deze aangehoudenen, leden van
een verzetsgroepering, keerde slechts agent Jos Willems terug, met geknakte
gezondheid. De anderen bleken allen in duistere omstandigheden in Duitse kampen
te zijn omgekomen. De intocht van de geallieerden had
als eerste gevolg het terug autonoom worden van Borgerhout, door de besluitwet
van 30 augustus 1944 die de door de bezetter gevormde grote agglomeraties
ontbond. Hoe snel de samenvoeging van 1942 in zijn werk gegaan was, des te
moeilijker verliep de ontbinding en vooral voor de politie. De laatste alinea
van art. 5 van voornoemde besluitwet bepaalde immers dat de overdracht van de
uitoefening der bevoegdheden van de burgemeester inzake politie slechts kon
geschieden bij besluit van de minister van binnenlandse zaken. In januari 1945 was dit besluit nog
steeds niet getroffen en de politiebevoegdheden voor Borgerhout berustten nog
steeds in de handen van de Antwerpse burgemeester, toen Camille Huysmans. De
herwonnen Borgerhoutse autonomie begon dus, althans voor onze politie, met veel
complicaties. Het Borgerhoutse politiekorps bestond toen uit vier officieren
waarvan één dienstdoend politiecommissaris was, drie dienstdoende
adjunct-politiecommissarissen waarvan er twee tot het Antwerps politiekorps
behoorden, negenendertig politieagenten in vast verband en zeventien
hulpagenten. Niet eens de helft van het vooroorlogs effectief! Deze precaire toestand was ontstaan
toen na de intocht van de verbondenen een 25-tal agenten en hulpagenten in hun
ambt geschorst werden wegens min of meer ernstige collaboratie. Niet alle
schorsingen bleven behouden, maar een zestal agenten bleven definitief uit hun
ambt ontzet. Reeds op 19 september 1944 poogde de dienstdoende
politiecommissaris Vanthillo de malaise in het korps te ondervangen door om de
aanstelling te verzoeken van officieren of kandidaat-officieren en in oktober
d.a.v. vroeg hij aan de burgemeester om de opneming van jonge elementen die de
kern zouden kunnen vormen van het opnieuw op peil te brengen politiekorps. Een
eerste stap werd gezet door het aanstellen van hulpagenten. Van 1 november 1944
tot 1 maart 1945 werden vier ervan benoemd in vast verband. Maar de stad
Antwerpen eiste dat haar politiepersoneel dat na de afscheiding van september
1944 in Borgerhout in dienst gebleven was, op 1 januari 1945 zijn dienst
in" de stad zou hernemen! Door een handig manoeuvre kon deze zaak enigszins
op de lange baan geschoven worden, maar in november kon men er niet meer
onderuit. Gelukkig waren er vier plaatsen van adjunct-politiecommissaris
openverklaard dank zij het aandringen van de dienstdoende politiecommissaris.
Een eerste benoeming tot het ambt van adjunct-politiecommissaris geschiedde
echter slechts op 1 juni 1946. De moeilijkheden in 1944 en 1945
waren enorm. De verordeningen van de Duitsers werden vervangen door die van de
geallieerden, maar waren daarom nog niet aangenamer. De besluitwet van 25 mei 1944, die
verscheen in het Staatsblad van 2 september decreteerde immers: "Besluiten,
verordeningen en reglementen, genomen of uitgevaardigd door de geallieerde
opperbevelhebber, zijn bindend voor al wie zich op het nationaal grondgebied
bevindt". Daarbij kwamen dan nog de eigen Belgische reglementen en
besluiten, zodat de politie werkelijk overbelast was. Van september 1944 tot
nieuwjaar 1945 waren andermaal de verlof- en rustdagen opgeschorst en alle
mogelijke en onmogelijke controles rustten weer op de schouders van de politie.
Na onder de bezetting machteloos toegezien te hebben bij de hatelijke klopjacht
op Israëlitische burgers en Belgische werkonwilligen (de Belgische
secretaris-generaal van justitie had aan de politie het bevel gegeven in deze
niet met de Duitsers mee te werken), moesten onze politiebeambten nu deelnemen
aan de niet minder hatelijke jacht op echte en vermeende incivieken.
Plunderingen en baldadigheden moesten door de politie verijdeld worden, wat
slechts kon geschieden op gevaar af van zelf in een slecht daglicht te worden
gesteld. De politie was ook gelast met het
toezicht op het interneringscentrum van de Ledeganckstraat dat echter reeds op
het einde van 1944 werd opgeheven. Toen deze rage enigszins geluwd was, kwamen
de "vliegende bommen" dood en vernieling zaaien in onze tot dan toe
van oorlogsgeweld gespaard gebleven gemeente. Het eerste van deze duivelstuigen
viel op 16 oktober 1944 op het Foorplein en het laatste op 27 maart 1945 op de
Bikschotelaan. In totaal vielen er vijfendertig van deze moordwapens op ons
grondgebied en wat de politie toen presteerde tart werkelijk elke beschrijving.
Dag en nacht stonden onze politiemannen op de bres en velen hebben toen de
gruwelijkste ogenblikken van hun ganse loopbaan meegemaakt. Ten einde de politie
toch een minimum aan veiligheid te verschaffen werd de politiewacht 's nachts
overgebracht naar het gelijkvloers van het gemeentehuis. Het enige slachtoffer
van de V-bommen in de politierangen, was agent Jan van Dijck die het leven
verloor toen een V-bom het voormalig hulpbureau van de Ranststraat vernielde op
30 december 1944.Slechts vanaf mei 1945 konden er plannen gemaakt worden om het
politiekorps terug op een doelmatig peil te brengen. In de eerste plaats was er
het reeds vermelde gebrek aan officieren. Sedert februari 1942, toen
politiecommissaris Driesen op rust was gegaan, had Borgerhout geen eigen
commissaris meer gehad. Borgerhout bestond immers als gemeente niet meer en aan
het hoofd van de politie in het "district Borgerhout"stond de
Antwerpse politiecommissaris Alfons de Cock. Na het terug zelfstandig worden van
Borgerhout in 1944 kon er niet onmiddellijk een politiecommissaris benoemd
worden en één van onze vooroorlogse officieren, adjunct-polîtiecommissaris-opziener
Leon Vanthillo vervuldt de taak van dienstdoend politiecommissaris. Hij stond
aan het hoofd van ons politiekorps tijdens de wellicht moeilijkste periode in de
geschiedenis van onze politie, in een tijd van onrust en onzekerheid, met een
gehalveerd politiekorps dat bovendien nog gebrek leed aan de hoogstnodige
uitrusting. Zijn ganse ambtsperiode was één
noodkreet om normalisering van het korps, verbetering van de diensturen,
modernisering van het materiaal. In 1945 stelde hij de twaalf-urendienst voor
die slechts veertien jaar later zou toegepast worden en hij brak ook een lans
voor het installeren van een privé-telefoonnet voor de politie. Ook deze
suggestie vond vijftien jaar later een toepassing in de vorm van het nu alweer
verdwenen net van politiemelders. Een eerste stap om de getalsterkte
van het politiekorps op te voeren was het aanstellen van hulpagenten, waarvan
ertussen 1 november 1944 en 1 maart 1945 negenentwintig in dienst traden. Begin
1945 werden er zelfs vier hulpagenten in het vast kader opgenomen. De uitrusting
van de hulpagenten bestond uit een kepie, een armband en een houten knuppel. Een
pistool kregen zij slechts 's nachts. Deze maatregel was noodzakelijk omdat ons
gans politiekorps slechts beschikte over twintig pistolen, het gamel restant van
de dertig die in 1941 door de Duitsers beschikbaar werden gesteld. In mei 1946
werden dan dertig FN-pistolen aangekocht wat het totaal op vijftig bracht. Dit
was echter nog steeds ontoereikend en het gebrek aan degelijke vuurwapens was
gedeeltelijk de oorzaak van het drama van 22 juni 1945 toen dronken Canadese
militairen een interventiepatrouille beschoten en waarbij agent Voordeckers
dodelijk getroffen werd. Na de benoeming van een
adjunct-politiecommissaris in juni 1946, waren er zes officieren en drie
kandidaat-officieren, die als adjunct dienst deden. Op 27 december 1946 werd
adjunct-politiecommissaris-opziener Frederik van Doosselaer tot
politiecommissaris van Borgerhout benoemd, de eerste sedert februari 1942. Hij
centraliseerde alle administratieve politiediensten in het gebouwencomplex van
de Moorkensplein 19 en de Maréestraat 1, later nog aangevuld met de door de
brandweer verlaten lokalen. Begin 1947 vormde ons politiekorps
echter nog een allesbehalve homogeen geheel; zesendertig agenten in vast verband
waarvan er elf ongeschikt voor de dienst bleken te zijn, zevenenveertig
tijdelijke of hulpagenten en zes benoemde officieren. Een gedeeltelijke
oplossing van het personeelstekort werd gevonden door het in vast verband
benoemen van tijdelijke of hulpagenten die qua geschiktheid, bekwaamheid of
leeftijd in aanmerking kwamen. In 1950 werden de eerste
inspecteurs benoemd. De laatste benoemingen in die graad geschiedden in januari
1940. Eveneens in 1950 werden voor de eerste maal bijzondere agenten aangesteld,
een toen nieuwe dienstgraad voorbehouden aan politiebeambten die in het bezit
waren van het brevet van politiecommissaris. Vanaf 1950 werd ook de verjonging
van het korps geleidelijk aangevat en in de loop van 1951 bereikte het zijn
voorziene getalsterkte. Politiecommissaris Van Doosselaer
deed zich vooral opmerken als de auteur van het gemeentelijk politiereglement,
dat werd goedgekeurd door de gemeenteraad op 31 juli 1947. Het was niet het
eerste politiereglement voor onze gemeente. Dit werd reeds opgesteld door
"maire" Pierre de Broëta(1808-1816), maar werd onder het Nederlands
bewind vervangen door het "Reglement van Policie" van 4 mei 1819 dat
in voege bleef tot de stemming van het nieuw politiereglement van 28 september
1853, dat op zijn beurt aangevuld en herzien werd door dit van 13 juli 1901. Van
reële waarde op het ogenblik van zijn invoering werd het politiereglement van
31 juli 1947 herhaaldelijk aangevuld en aangepast aan de evoluerende toestanden.
De voornaamste gebeurtenis voor het politiekorps tijdens het beheer van
politiecommissaris Van Doosselaer was zonder twijfel het betrekken in oktober
1957 van het nieuw politiebureau in de Oudstrijdersstraat. Nieuw is eigenlijk
wat veel gezegd, daar het gebouw
reeds dateerde van 1893 en tot 1955 in gebruik was door de rijkswacht. Niettegenstaande het bereikte
voorziene effectief en een nieuwe behuizing, was er van rationalisatie of
modernisering van het politieapparaat nog niet veel te bespeuren en de dienst
werd in het algemeen nog steeds gedaan zoals het sedert de oorlog 1914-1918 de
gewoonte was geweest. Het aankopen in 1950 van een politieauto en een motorfiets
met zijspan, evenmin als de vernieuwing van het fietsenpark brachten daarin
enige wijziging en het merendeel van de agenten verspilde nog steeds tijd en
energie door langs een zorgvuldig vooraf bepaalde weg te slenteren waarvan niet
mocht afgeweken worden en die geen enkele vorm van persoonlijk initiatief
toeliet. Dit veranderde wel enigszins door de twaalf urendienst die, spijts het
verzet van de politiecommissaris op 1 januari 1959 werd ingevoerd.
Politiecommissaris
F. Van Doosselaer
De
eerste politieauto. Het
politiebureau van de Oudstrijdersstraat: 1957 - 1978. Een verdere modernisering van het
Borgerhouts politiekorps nam een aanvang bij de ambtsaanvaarding van
politiecommissaris Charles Nuyts op 10 oktober 1959 Reeds in de zomer van 1960 werden
de eerste nieuwe politieauto's, uitgerust voor het verrichten van werkelijk
politiewerk, in gebruik genomen terwijl praktisch tegelijkertijd aangesloten
werd bij het radionet van de Antwerpse politie. Deze stap was uiterst
belangrijk, gezien de uitbreidende gerechtelijke bevoegdheid die onze
gemeentelijke politie in deze tijd heeft,
niet alleen op het grondgebied van onze randgemeenten, en dit sedert 1952, maar
vanaf 1971 ook op het grondgebied van niet minder dan 22 aan elkaar grenzende
gemeenten. We vernoemden reeds de in 1960 in gebruik genomen, doch sedert 1970
afgeschafte politiemelders. Hun nut kon niet optornen tegen de onderhouds- en
uitbatingskosten. Ook de dienst "Verkeersvoorlichting" die met behulp
van diaprojectie voordrachten organiseert in scholen, voor jeugdbewegingen,
arbeiders- en bediendenorganisaties en in het algemeen voor iedereen die erom
verzocht, kende sedert 1960 een groot succes. Het in de zestiger jaren ingericht
fotoatelier met moderne apparatuur groeide alras uit tot de oprichting van een
dienst "Bijzondere opdrachten", beter gekend als de
"Opsporingsdienst", die door de behaalde opmerkgelijke resultaten dra
uitgroeide tot de meest in de kijker lopende dienst van het Borgerhouts
politiekorps. Dit is ook het geval voor de dienst "Jeugdpolitie" die,
tengevolge van het op onrustwekkende wijze toenemen van de jeugdcriminaliteit,
werd opgericht in 1958 en waarbij twee dames politieassistenten werkzaam waren
die zich uitsluitend bezig hielden met gevallen waarin minderjarigen betrokken
zijn. Zij kwamen ook tussenbeide in familiale wantoestanden.
Het
Borgerhouts politiekorps in de zomer van 1962. Met de "gerichte
patrouille" werd vooral gepoogd de relatieve vermindering van de
personeelssterkte in de continudienst, de vermindering van de arbeidsduur en de
steeds groeiende administratieve verplichtingen te ondervangen. Het politietoezicht werd alzo
aangepast aan de steeds wisselende en onvoorziene situaties. Een belangrijke
hulp in deze is het in het voorjaar van 1969 in gebruik genomen eigen radionet
met draagbaar U.H.F.-zend- en ontvangtoestellen. De onrustwekkende toeneming van
het internationaal banditisme en terrorisme vond zijn weerklank tot in de
gemeentelijke politiediensten die rechtstreeks ingeschakeld werden in een
centraal geleide alarmketen. Hiervoor diende echter de uitrusting.en de
bewapening van onze politie aangepast te worden Het betrekken van het nieuwe
politiecommissariaat in de Maréestraat in oktober 1978 opende nieuwe
perspectieven voor een efficiëntere werking ten dienste van de samenleving.
De Borgerhoutse
politie werd uiteindelijk in 1983
opgeslorpt door het politiekorps van de Stad Antwerpen
|