Links-downloads-internettools
Info over weer en wegen
Historiek Politie City
Gastenboek webmaster

 

Borgerhout


Tot in 1794, jaar van de tweede Franse inval, werd de politie in Deurne-Borgerhout uitgeoefend door twee "vorsters", waarvan de één Borgerhout en de ander Deurne tot standplaats had. De Franse bezetting bracht een volledige ommekeer van onze maatschappij met zich. De republiek had bij decreet van 4 augustus 1789 de feodaliteit en alle particuliere privilegies afgeschaft terwijl het decreet van 14 december 1789 alle gemeenten op eenvormige grondslag inrichtte. Toen op 1 oktober 1795 de zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk ingelijfd werden, werd Antwerpen de hoofdplaats van het Département des Deux Nèthes, wat onze dubbelgemeente in belangrijkheid sterk deed toenemen. 

In 1796 kregen wij onze eerste land- of veldwachter, Geerard Escroye, die echter reeds in 1798 overleed. Op 16 januari 1798 werd dan een zekere Mol uit Antwerpen tot "landwaghter" van Deurne-Borgerhout benoemd. In 1808 telden onze gemeenten reeds 3.547 inwoners en op verzoek van "maire" Pierre J.A. de Broëta werd een tweede veldwachter aangesteld, een zekere Wydens. 

Intussen was het kanton Berchem, niettegenstaande het slechts in 1795 werd opgericht, afgeschaft door de wet van 17 februari 1800 en Deurne-Borgerhout werd aangesloten bij het arrondissement en het vredegerecht van Antwerpen. 

Ook tijdens het Nederlands bewind veranderde er weinig aan de inrichting van de politie die nog steeds toevertrouwd bleef aan twee veldwachters, Poppé en Mendes, die echter respectievelijk in 1829 en 1832 werden ontslagen wegens herhaalde dronkenschap. Zij werden vervangen door Joannes Musters en Albertus Brouwers, die echter slechts tot "veldwaghter-provisoir" benoemd werd en voordien veldwachter was in de vijfde wijk van Antwerpen. Brouwers bleef slechts tot januari 1836 omdat ook hij een onverbeterlijke dronkaard was, men was tevens tot de vaststelling gekomen dat hij lezen noch schrijven kon! De veldwachters deden geen nachtdienst. Bij nacht werd de bewaking verzekerd door de nachtwacht die gerekruteerd werd onder de mannelijke bevolking tussen de 18 en de 60 jaar. Sectie 3 van het "Reglement van policie" van 4 mei 1819 regelde hiervoor de modaliteiten. 

De weinig bevredigende activiteit van de veldwachters was er de oorzaak van dat de hogere overheid het gemeentebestuur verzocht een ambtenaar van politie te benoemen. Deze taak werd bij beslissing van de gemeenteraad van 28 juli 1832 toevertrouwd aan schepen Jacobus Wagemans die haar bleef uitoefenen tot 9 januari 1833. Vermoedelijk had deze kortstondige benoeming betrekking met de tiendaagse veldtocht en de aanwezigheid van aanzienlijke contingenten Franse troepen in de stad Antwerpen. Hun bevelhebber, maarschalk Etienne Maurice, graaf Gérard, logeerde trouwens in het Portugezenhof dat aan de Helmstraat gelegen was. 

Voor wat de politie betreft was 26 augustus 1833 werkelijk een historische dag. De gemeenteraad besliste toen namelijk:"Daer den Heer Borgmeester niet langer de fonctie van Ambtenaer van Politie meer kan uytoeffenen zooals hetzelve behoort, uyt hoofde zijner particuliere beezzigheeden, en dat de Heeren Scheepenen het zelve ook weygeren aen te neemen, zoo is de Raed eenpaeriglijk van advies den Heer Gouverneur der Provintie te aenzoeken eenen commissaris van Politie te benoemen, uytsluytend gelast met de Politie in de Gemeente uyt te oeffenen, mits een tractement te genieten betaelbaer uyt de Gemeentekas." De arrondissementscommissaris, geraadpleegd door de gouverneur, was akkoord en vroeg dat er drie kandidaten zouden voorgesteld worden. Er waren echter wel vijf gegadigden, allen leden van de gemeenteraad, namelijk de heren Bogaerts, Cantaert, Celens, Daems en Pittoors en de raad kon het begrijpelijkerwijze moeilijk eens worden, zodat het nog tot 23 december 1833 duurde eer de gemeenteraad zijn drie kandidaten voorstelde, en niet nadat de arrondissementscommissaris er herhaaldelijk had op aangedrongen. Voorgesteld werden: Théodore Lizolle, 1ste luitenant van de eerste ban van de burgerwacht, Jan Baptist Segers, molenaar in Borgerhout en Henri Somers, lakenhandelaar eveneens van Borgerhout

Bij koninklijk besluit van 14 januari 1834 werd dan Théodore Lizolle benoemd tot politiecommissaris van Deurne-Borgerhout en hij trad op 25 januari d.a.v. in dienst met een jaarwedde van 1.000 frank, waarmee hij ook zijn bureaubenodigdheden diende te betalen. In oktober 1834 werd het de politiecommissaris toegestaan een eigen stempel te gebruiken die het opschrift droeg "Commissariaat van Deurne-Borgerhout". De verplichting om een bijzonder stempel te gebruiken kwam slechts in 1839 toen de minister van binnenlandse zaken de functionarissen aanduidde die zich van zulk stempel moesten bedienen en ook de modellen bepaalde die tot op heden ongewijzigd bleven.  

Bij de scheiding van Deurne-Borgerhout in twee afzonderlijke gemeenten door de wet van 13 juni 1836, telde Deurne 2.089 inwoners en Borgerhout 4.143, dus ongeveer het dubbele. De gerechtelijke macht in Deurne-Borgerhout bestond toen, behalve uit de commissaris, uit twee veldwachters, Joannes Musters en Nikolaas Bosquet, die in februari 1836 Brouwers opgevolgd was. De politiecommissaris en veldwachter Bosquet bleven bij Borgerhout nadat de gemeente Deurne aan commissaris Lizolle had laten weten dat zij hem vanaf 1 januari 1837 niet meer zou betalen daar zij een politiecommissaris niet nodig achtte. Borgerhout was aanvankelijk evenmin geneigd de politiecommissaris te behouden, maar de arrondissementscommissaris had erop aangedrongen, het argument hanterend dat Borgerhout toch dicht bij Antwerpen lag en dus meer steedse allures had, 4.000 inwoners had en veel herbergen telde. Bij koninklijk besluit van 12 juli 1837 werd Théodore Lizolle dan nogmaals benoemd, doch nu met uitsluitende bevoegdheid op het grondgebied van de gemeente Borgerhout en met een jaarwedde van 700 frank. Van 1 januari 1837 tot 1 juli 1837 moest de gemeente Deurne aan Lizolle 25 frank per maand betalen om alles wat hij nog in behandeling had betreffende de gemeente Deurne, af te werken. De gemeente Deurne bleef nog tot 1879 zonder politiecommissaris.Théodore Lizolle nam op 18 januari 1839 ontslag als politiecommissaris en werd op 11 april 1839 opgevolgd door Joseph van Grimberghe die politiecommissaris bleef tot 11 december 1849. 

Tot in de zestiger jaren bleef de toestand ongewijzigd. Er was een politiecommissaris, Nikolaas Mertens (1850-1873) en een veldwachter, Adriaan Schoepen die in 1849 de op rust gegane Nikolaas Bosquet opgevolgd was. De werken aan de Antwerpse vestinggordel slokten niet alleen 57 ha van ons grondgebied op (meer dan 20% van de toenmalige oppervlakte), maar brachten ook veel vreemde arbeiders en ander volk naar onze gemeente. Deze omstandigheden gaven echter de doorslag voor de uitbreiding van de gemeentelijke politie. In 1864 werd Jan Deschamps benoemd tot adjunct-politiecommissaris en in 1868 werd eindelijk een tweede veldwachter aangesteld. Van 1872 tot 1874 werden nogmaals drie veldwachters

In dienst genomen zodat op dat ogenblik het effectief van de politiedienst bestond uit politiecommissaris Desiderius Coppens(1873-1875), adjunct-politiecommissaris Jan Deschamps en vijf veldwachters. Toen de provinciegouverneur in 1876 het gemeentebestuur nogmaals verzocht het aantal veldwachters te verhogen, vroeg politiecommissaris Emiel Jespers (1875-1884) de Benoeming van zes politieagenten in plaats van de door de gouverneur voorgestelde veldwachters. Een dergelijke vraag gesteld door politiecommissaris Mertens in 1869 was zonder gevolg gebleven, doch nu was het resultaat positief en v66r precies honderd jaar, namelijk op 19 september 1878, werden er drie politieagenten in dienst genomen en de in dienst zijnde veldwachters werden eveneens politieagent. Deze politieagenten kunnen we als de grondstenen van het politiekorps van Borgerhout beschouwen. In 1879 en in 1881 werden nogmaals nieuwe politieagenten aangesteld en in 1884 werd één der agenten tot adjunct-politiecommissaris benoemd. Toen politiecommissaris Petrus Weicherding (1885-1894) zijn ambt aanvaardde, telde het Borgerhoutse politiekorps dertien leden voor een bevolking van 26.000 zielen. In gewone omstandigheden deed ieder agent dagelijks van negen tot tien uren dienst, bij dag of bij nacht. Eén agent was voortdurend van dienst in het bureau dat toen in de Schoenstraat nr.l0 was. De nachtronde was toevertrouwd aan slechts twee agenten zodat de bewaking van de gemeente wel beneden alle peil was. Om daaraan enigszins te verhelpen was er in januari 1887 wel een gemeentelijke nachtwacht ingericht, doch deze ging reeds in 1889 ter ziele en alles was weer zoals voorheen. Ook de benoeming tussen 1885 en 1889 van zes politieagenten en het creëren van de dienstgraad van inspecteur, toen nog agentopziener genoemd, bracht geen oplossing voor de moeilijkheden. Borgerhout had aan belangrijkheid gewonnen toen het tot hoofdplaats van een kanton met bijhorend vredegerecht gemaakt werd bij koninklijk besluit van 14 september 1887. De politiecommissaris werd tot officier van het openbaar ministerie aangesteld wat zijn taak aanzienlijk verzwaarde. Gedurende zeventig jaar was dit een bijkomende last voor de politiecommissaris, tot in 1957 de Borgerhoutse politierechtbank werd opgeheven. .

Bij koninklijk besluit van 7 augustus' 1973 werd de politiecommissaris van Borgerhout andermaal tot ambtenaar van het openbaar ministerie bij de politierechtbank aangesteld, maar dan te Antwerpen. 

In 1888 begon de actie die in 1891 resulteerde in de verdeling van de gemeente Borgerhout in twee wijken. Dit was een rechtstreeks gevolg van de gebrekkige bewaking waarvan vooral de bewoners van de zogenaamde "doolhof”de gevolgen ondervonden. Borgerhout telde op dat ogenblik bijna 30.000 inwoners, doch het politiekorps bestond nog steeds uit één politiecommissaris, twee adjunct-politiecommissarissen en twaalf agenten en we zagen reeds hoe de bewaking van de gemeente geschiedde.De bewoners van de wijk in kwestie vroegen nu het inrichten van een politiecommissariaat in hun omschrijving.
Na heel wat touwtrekkerij keurde een koninklijk besluit van 19 mei 1891 de verdeling van de gemeente Borgerhout in twee wijken goed, doch willigde de vraag voor een tweede politiecommissariaat niet in. Alzo kwam er slechts een hulp-politiebureau tot stand dat op 21 juni 1891 werd ingehuldigd in de oude gebouwen van de reinigingsdienst, Ranststraat 46.Doch, het bleef niet stil rond de tweede wijk, want tot in 1909 werden er pogingen aangewend, doch nu van de zijde van het gemeentebestuur, om er een politiecommissariaat te vestigen, maar de hogere overheid besliste systematisch negatief omdat de gemeente Borgerhout weigerde het aantal lagere politiebeambten aanzienlijk te verhogen. Niettegenstaande ons inwonertal tot 47.000 gestegen was, waren er slechts tweeëntwintig politieagenten. Wel waren er reeds vier adjunct-politiecommissarissen, doch deze kwamen hoofdzakelijk de administratieve diensten ten goed. De bewaking van de gemeente bleef weinig bevredigend en het duurde nog tot 1913 eer de grote uitbreiding van het politiekorps een aanvang kon nemen, dit ten gevolge van een brief gezonden aan het gemeentebestuur door de inwoners van de tweede wijk en vergezeld van niet minder dan 4.000 handtekeningen. Vooral politiecommissaris Juliaan Roosens (1895-1934) was de drijvende kracht achter de effectiefverhoging, doch kende daarbij veel tegenkanting. In aanmerking genomen dat ons bevolkingscijfer in 1912 de 50.000 reeds overschreden had, was het vanzelfsprekend dat er dringend iets gedaan moest worden om de veiligheid van de burgers te waarborgen.

In de loop van 1913 werden dan ook niet minder dan veertien nieuwe politieagenten aangesteld. Een en ander had direct verband met de troebele toestand die in het ganse land heerste naar aanleiding van de diverse manifestaties die plaats hadden ten voordele van het algemeen stemrecht en waarbij Borgerhout reeds eerder betrokken was geraakt met de tragische gebeurtenissen nabij de fabriek van de Roubaix et d'Oedenkoven (beter gekend als "de bougie") op 18 april 1893.In feite had politiecommissaris Roosens gevraagd om het effectief op zestig agenten te brengen, maar om dat te bereiken diende er eerst een oorlog te komen!

Op 1 juli 1914 echter waren er reeds éénenveertig agenten in dienst, het hoogst getal sedert de aanstelling van de eerste politieagenten in 1878. Deze verhoging van het effectief was het rechtstreeks gevolg van de uitbreiding van ons grondgebied met 108 ha, afgestaan door de gemeente Deurne, gebiedsuitbreiding die werd toegestaan en bekrachtigd door de wet van 24 mei 1914.
Maar deze zo gunstige evolutie voor het politiekorps duurde niet lang, want einde juli en begin augustus 1914 werd ons politieapparaat volledig ontwricht door het onder de wapens roepen van zeventien politieagenten en een adjunct-politiecommissaris. De grote wereldbrand zou ons volk en natuurlijk ook onze politie moeilijke en ellendige tijden brengen.
Begin augustus reeds stroomden drommen vluchtelingen, vaak met heel hun hebben en houden, de Scheldestad en ook Borgerhout binnen en de burger- en zelfs de erewacht moesten de uitgedunde politie bij haar ondankbare taak helpen. Begin oktober ging het juist andersom en velen van onze medeburgers vluchtten in paniek naar het veilige en gastvrije Nederland. Ook de politie ontsnapte niet aan de angstpsychose en op 8 oktober 1914 waren reeds 15 agenten naar Nederland verdwenen. Slechts tien agenten waren er op post gebleven! De eerste van de dapperen keerde na het bombardement van de stad op 21 oktober terug, de laatste op 3 november. Ze hernamen onmiddellijk na hun terugkeer hun dienst, maar de bewaking van de gemeente was praktisch tot nul herleid. Er waren twintig agenten waarvan er twee niet geschikt voor de dienst waren. De overblijvenden waren verdeeld over drie reeksen die om de drie dagen nachtdienst verrichtten. Om enigszins het hoofd te kunnen bieden aan de moeilijkheden, waren er tien nachtwakers in dienst genomen die wacht liepen van 21 uur tot 5 uur en die onder toezicht stonden van een agentopziener.
Doch, de vele taken die aan de politie opgelegd werden onder invloed van de oorlogsomstandigheden, noopten de overheid spoedig tot het nemen van verstrekkender maatregelen en er werd overgegaan tot de indienstneming van hulpagenten, die echter officieel "burgeragenten" heetten. In 1915 waren er eenenzestig aangesteld onder het toezicht van een burgeragent-inspecteur. Zij deden geen nachtdienst of werkelijk politiewerk en werden uitsluitend gebruikt om vaste wachtposten op te trekken, al dan niet bevolen door de Duitse overheid. In opdracht van de bezetter dienden bestendig bewaakt te worden: de aanplakborden die op verschillende plaatsen in de gemeente waren opgesteld en die vooral dienden om de overwinningen van het Duitse leger op te hemelen of de nederlagen te verdoezelen, de telefoon- en telegraaflijnen, de omtrek van de kazerne aan de toenmalige Franse lei, het stoomtramstation, de ingang van het goederenstation aan de Kortrijkstraat en de vestingwallen. Dit alles bond bestendig tweeënveertig burger agenten, terwijl er vier reeds van dienst waren in het park en acht de bevoorradingsmagazijnen van de Ledeganckstraat en de Raapstraat (nu Oudstrijdersstraat) bewaakten. Na de aanhouding van twee politieagenten door de Duitse geheime politie werden in 1916 drie burger agenten bij de gewone agenten ingedeeld. De ganse oorlogs- en bezettingstijd stond voor de politie bovendien in het teken van lijsten, staten, inventarissen, enz. , betreffende alle mogelijke en nog meer onmogelijke zaken. Deze gingen van vuurwapens over trekhonden naar drankhuizen(er waren er in 1915 niet minder dan 475 in Borgerhout!),matrassen, kussens en landkaarten. Indien het bij die lijsten en inventarissen gebleven ware, dan zou alles nog niet zo erg geweest zijn, maar er was meer dat onze politie het leven zuur maakte. Van alles wat voor de bezetter verkeerd liep, kreeg de politie de schuld en herhaaldelijk werd de gemeenteoverheid met hoge geldboeten bedreigd.

 

 

 De hulp- of burgeragenten in 1915.

Maar ook deze beklemmende periode werd door ons volk glansrijk doorstaan en het einde van de bezetting en de oorlog was niet alleen voor de politie een opluchting. Voor de oorlog was herhaaldelijk bewezen dat onze politie, zelfs in vrij normale omstandigheden, niet bij machte was haar taak naar behoren te vervullen. De oorlogsjaren hadden nu onomstotelijk aangetoond dat de toestand eenvoudig catastrofaal te noemen was in tijden van onrust en dat de politie onvoldoende in aantal was en de uitrusting beneden alle peil. Ook de hogere overheid had dit nu eindelijk ingezien en eens de oorlog voorbij werd er drastisch ingegrepen. In 1920 kwamen er vierenveertig nieuwe agenten in dienst en inde zomer van 1921 tweeëntwintig, zodat het Borgerhoutse politiekorps op het einde van 1921 zevenentachtig agenten telde. Dit verdubbelde echter de taak van de vier inspecteurs en dus werden er zes nieuwe benoemd die uit het vooroorlogs politiekader werden gekozen. In september 1921 werd ook beslist om vier politieofficieren meer aan te stellen. Ze werden reeds begin 1922in dienst genomen, doch één nam reeds in juni ontslag. In dezelfde periode werd ook de noodzaak aangevoeld om aan de politie een zekere mobiliteit te verschaffen en de eerste fietsbrigade, met zes fietsen, werd in het voorjaar van 1922 opgericht. Lange jaren zou de fiets het enige vervoermiddel van de politie blijven. De massale uitbreiding van het effectief noodzaakte in de zomer van 1921 de overbrenging van het politiecommissariaat van het gemeentehuis naar het eigendom van het Moorkensplein nr.19, naast de gemeentelijke brandweerkazerne, waar het tot 1957 bleef. Regelmatige benoemingen, zo in 1923, 1927 en 1930,hielden het effectief van dan af op peil. 

In de loop van de volgende jaren trad in de algemene toestand van het politiekorps geen noemenswaardige verandering in, behalve dan de vervanging van de in 1892 aangenomen Constabulary revolvers door het halfautomatisch pistool F.N.-Browningcal. 7.65, dit in 1930 en de verdeling van de gemeente in vijf wijken. Deze verdeling was reeds in 1931 gesuggereerd door politiecommissaris Roosens, maar het was slechts diens opvolger Petrus Driesen (1934-1942) die de uitvoering ervan realiseerde. De verdeling werd effectief vanaf 1 april 1934 en bewees haar afdoendheid in de loop van de volgende jaren~ slechts op het einde van de vijftiger jaren werd het aantal wijken op zes gebracht wegens het onstuitbaar toenemen van het administratief werk dat aan de wijkagenten wordt opgedragen. 

Doch nauwelijks was de herinnering aan de eerste wereldoorlog vervaagd of een nieuwe wierp reeds zijn schaduw vooruit. Op 1 september 1937 werden maatregelen genomen om op het Belgisch grondgebied een deugdelijk alarmsysteem in te richten. Het was natuurlijk de politie die aan de hand van omstandige verslagen de degelijkheid van het systeem, de geluidssterkte en de waarneembaarheid op verschillende plaatsen van de gemeente diende aan te tonen. Ook de oefeningen die gehouden werden met het oog op een mogelijk luchtalarm en de lichtdemping, dienden door de politie gecontroleerd te worden. 

Toen op 10 mei 1940 ons land andermaal rechtstreeks betrokken werd in een wereldoorlog, begon voor onze politie een ware nachtmerrie die al het meegemaakte in 1914-1918 ver in de schaduw zou stellen. 

Van het begin af drukten de oorlogsomstandigheden uiterst zwaar op de politie en om dit te illustreren volstaat het erop te wijzen dat van mei 1940 tot september 1942 een gemiddelde van 225 niet bezoldigde overuren gepresteerd werden, terwijl de meerderheid van de personeelsleden, zowel van hogere als van lagere rang, veertig tot vijftig rust- of verlofdagen verbeurd hadden.

 

 De eerste fietsers in het voorjaar van 1922.

  

 Een gedeelte van het politiekorps.in het nieuw uniform omstreeks 1930

  

 De aanstelling van P. Driesen tot politiecommissaris en afscheid van politiecommissaris  J. Roosens in maart 1934.

 

Van bij het begin der vijandelijkheden op Belgisch grondgebied werd de vier reeksendienst, met rustdag om de acht dagen, vervangen door de drie reeksendienst met slechts één rustdag om de vijftien dagen. Dit alles was te verklaren door het feit dat van de aanvang van de vijandelijke bezetting af, de gemeentelijke autoriteiten overstelpt werden met "Verordnungen" van allerlei aard. Deze onderrichtingen en bevelen namen weldra een zodanige omvang aan dat de politie niet langer een autonoom lichaam kon genoemd worden.

Onze overheden dienden zich willens nillens tot de spreekbuis van de bezetter te laten gebruiken en het lager personeel kreeg de lastige en ondankbare taak toegewezen om de onpopulaire en zelfs hatelijke besluiten van de bezettende macht aan de bevolking kenbaar te maken en tegen de mogelijke overtreders op te treden. Meer dan ooit stond onze politie tussen twee vuren: aan de ene zijde de dreigende bezetter, vertegenwoordiger van een verfoeilijk crimineel systeem en aan de andere zijde de misprijzende bevolking die niet steeds of slechts zelden begrip toonde voor de ondankbare positie waarin onze agenten verkeerden.

En de bezetter dreigde inderdaad.

Vanaf 11 november 1940 eiste de "Ortskommandant" van de politiecommissaris een wekelijks activiteitsverslag met een gedetailleerde opgave van alle vastgestelde misdrijven. Meestal werden de politieautoriteiten persoonlijk verantwoordelijk gesteld voor niet-naleving van de bevelen van de bezetter. Vanaf juli 1941 werden de wekelijkse verslagen vervangen door maandelijkse, die gezonden moesten worden aan de afdeling "Feldgendarmerie" van de "Feldkommandatur". 

Op 15 juli 1940 vroeg politiecommissaris Driesen aan burgemeester Van Beveren om de vroegere vier reeksendienst te mogen hernemen, maar hij voegde er tevens een verzoek tot aanstelling van een dertigtal hulpagenten bij! Dit voorstel werd ingewilligd en reeds op 1 september 1940 begonnen de eersten van een reeks van tweeëndertig hun dienst. Dank zij deze maatregel kon de vier reeksendienst terug ingevoerd worden wat een aanzienlijke verlichting beduidde voor het personeel. In februari 1941 telde ons politiekorps één politiecommissaris, vijf adjunct-politiecommissarissen, negenenzestig agenten en tweeëndertig hulpagenten.

Op sabel en knuppel na waren allen ongewapend vermits alle pistolen bij het begin van de bezetting ingeleverd waren. Na veel palavers verstrekte de Duitse overheid in april 1941 dertig pistolen "M.A.B.", cal. 7.65, doch zonder munitie. De pistolen mochten slechts bij nacht gedragen worden, bleven eigendom van het Duitse leger en werden in het politiecommissariaat bewaard in een speciaal daarvoor aangeschafte brandkoffer! 

De verhoging van het personeelsbestand loste niet alle problemen op en het hulpbureau van de Ranststraat moest in mei 1942 gesloten worden bij gebrek aan een adjunct-politiecommissaris die er de dienst zou kunnen waarnemen en aan lager personeel dat elders weerhouden werd door de talloze opdrachten van de bezetter. 

Sedert 1 januari 1942 was Borgerhout trouwens het "district Borgerhout" van Groot-Antwerpen geworden, en de politiecommissaris van Antwerpen besliste in september 1942 dat er in Borgerhout veertien burgerlijke wakers dienden aangesteld te worden om een bestendige bewaking uit te oefenen aan instellingen van onmiddellijk nut voor de bezetter. Hij hoopte op deze wijze personeel te kunnen vrijmaken voor de hun meer geëigende taak van gemeentelijke of stedelijke politie. Op 18 september 1942 begonnen de eersten reeds hun dienst en de burgerlijke bewaking bleef bestaan tot 5 september 1944, toen de bezetting wel van naam veranderde doch daarom nog geen verlichting bracht voor het politiekorps dat bijna onmiddellijk een lastige en hautaine gast moest ruilen voor zijn niet minder lastige en zeker gevaarlijker vliegende afgezanten. Maar de hoogtepunten van de oorlogstragedie waren voor onze politie toch de nachten van 26 op 27 november 1943 en van 14 op 15 januari 1944.

Adjunct-politiecommissaris Gilis, de dienstdoende adjunct-politiecommissarissen Verresen en Adriaensen, de agenten Frans Aerts, Jozef Clonen, Gustaaf de Munter, Louis Heylen,Cyriel Loose, Jules Mariën, Jules van Roey, Frans Verbist en Jos Willems, de hulpagenten Georges Denye en Henri Smits werden door de Duitsers aangehouden, de enen thuis, de anderen terwijl zij hun plicht vervulden. Van al deze aangehoudenen, leden van een verzetsgroepering, keerde slechts agent Jos Willems terug, met geknakte gezondheid. De anderen bleken allen in duistere omstandigheden in Duitse kampen te zijn omgekomen. 

De intocht van de geallieerden had als eerste gevolg het terug autonoom worden van Borgerhout, door de besluitwet van 30 augustus 1944 die de door de bezetter gevormde grote agglomeraties ontbond. Hoe snel de samenvoeging van 1942 in zijn werk gegaan was, des te moeilijker verliep de ontbinding en vooral voor de politie. De laatste alinea van art. 5 van voornoemde besluitwet bepaalde immers dat de overdracht van de uitoefening der bevoegdheden van de burgemeester inzake politie slechts kon geschieden bij besluit van de minister van binnenlandse zaken.

In januari 1945 was dit besluit nog steeds niet getroffen en de politiebevoegdheden voor Borgerhout berustten nog steeds in de handen van de Antwerpse burgemeester, toen Camille Huysmans. De herwonnen Borgerhoutse autonomie begon dus, althans voor onze politie, met veel complicaties. Het Borgerhoutse politiekorps bestond toen uit vier officieren waarvan één dienstdoend politiecommissaris was, drie dienstdoende adjunct-politiecommissarissen waarvan er twee tot het Antwerps politiekorps behoorden, negenendertig politieagenten in vast verband en zeventien hulpagenten. Niet eens de helft van het vooroorlogs effectief!

Deze precaire toestand was ontstaan toen na de intocht van de verbondenen een 25-tal agenten en hulpagenten in hun ambt geschorst werden wegens min of meer ernstige collaboratie. Niet alle schorsingen bleven behouden, maar een zestal agenten bleven definitief uit hun ambt ontzet. Reeds op 19 september 1944 poogde de dienstdoende politiecommissaris Vanthillo de malaise in het korps te ondervangen door om de aanstelling te verzoeken van officieren of kandidaat-officieren en in oktober d.a.v. vroeg hij aan de burgemeester om de opneming van jonge elementen die de kern zouden kunnen vormen van het opnieuw op peil te brengen politiekorps. Een eerste stap werd gezet door het aanstellen van hulpagenten. Van 1 november 1944 tot 1 maart 1945 werden vier ervan benoemd in vast verband. Maar de stad Antwerpen eiste dat haar politiepersoneel dat na de afscheiding van september 1944 in Borgerhout in dienst gebleven was, op 1 januari 1945 zijn dienst in" de stad zou hernemen! Door een handig manoeuvre kon deze zaak enigszins op de lange baan geschoven worden, maar in november kon men er niet meer onderuit. Gelukkig waren er vier plaatsen van adjunct-politiecommissaris openverklaard dank zij het aandringen van de dienstdoende politiecommissaris. Een eerste benoeming tot het ambt van adjunct-politiecommissaris geschiedde echter slechts op 1 juni 1946. 

De moeilijkheden in 1944 en 1945 waren enorm. De verordeningen van de Duitsers werden vervangen door die van de geallieerden, maar waren daarom nog niet aangenamer.

De besluitwet van 25 mei 1944, die verscheen in het Staatsblad van 2 september decreteerde immers: "Besluiten, verordeningen en reglementen, genomen of uitgevaardigd door de geallieerde opperbevelhebber, zijn bindend voor al wie zich op het nationaal grondgebied bevindt". Daarbij kwamen dan nog de eigen Belgische reglementen en besluiten, zodat de politie werkelijk overbelast was. Van september 1944 tot nieuwjaar 1945 waren andermaal de verlof- en rustdagen opgeschorst en alle mogelijke en onmogelijke controles rustten weer op de schouders van de politie. Na onder de bezetting machteloos toegezien te hebben bij de hatelijke klopjacht op Israëlitische burgers en Belgische werkonwilligen (de Belgische secretaris-generaal van justitie had aan de politie het bevel gegeven in deze niet met de Duitsers mee te werken), moesten onze politiebeambten nu deelnemen aan de niet minder hatelijke jacht op echte en vermeende incivieken. Plunderingen en baldadigheden moesten door de politie verijdeld worden, wat slechts kon geschieden op gevaar af van zelf in een slecht daglicht te worden gesteld. 

De politie was ook gelast met het toezicht op het interneringscentrum van de Ledeganckstraat dat echter reeds op het einde van 1944 werd opgeheven. Toen deze rage enigszins geluwd was, kwamen de "vliegende bommen" dood en vernieling zaaien in onze tot dan toe van oorlogsgeweld gespaard gebleven gemeente. Het eerste van deze duivelstuigen viel op 16 oktober 1944 op het Foorplein en het laatste op 27 maart 1945 op de Bikschotelaan. In totaal vielen er vijfendertig van deze moordwapens op ons grondgebied en wat de politie toen presteerde tart werkelijk elke beschrijving. Dag en nacht stonden onze politiemannen op de bres en velen hebben toen de gruwelijkste ogenblikken van hun ganse loopbaan meegemaakt. Ten einde de politie toch een minimum aan veiligheid te verschaffen werd de politiewacht 's nachts overgebracht naar het gelijkvloers van het gemeentehuis. Het enige slachtoffer van de V-bommen in de politierangen, was agent Jan van Dijck die het leven verloor toen een V-bom het voormalig hulpbureau van de Ranststraat vernielde op 30 december 1944.Slechts vanaf mei 1945 konden er plannen gemaakt worden om het politiekorps terug op een doelmatig peil te brengen. In de eerste plaats was er het reeds vermelde gebrek aan officieren.

Sedert februari 1942, toen politiecommissaris Driesen op rust was gegaan, had Borgerhout geen eigen commissaris meer gehad. Borgerhout bestond immers als gemeente niet meer en aan het hoofd van de politie in het "district Borgerhout"stond de Antwerpse politiecommissaris Alfons de Cock. Na het terug zelfstandig worden van Borgerhout in 1944 kon er niet onmiddellijk een politiecommissaris benoemd worden en één van onze vooroorlogse officieren, adjunct-polîtiecommissaris-opziener Leon Vanthillo vervuldt de taak van dienstdoend politiecommissaris. Hij stond aan het hoofd van ons politiekorps tijdens de wellicht moeilijkste periode in de geschiedenis van onze politie, in een tijd van onrust en onzekerheid, met een gehalveerd politiekorps dat bovendien nog gebrek leed aan de hoogstnodige uitrusting.

Zijn ganse ambtsperiode was één noodkreet om normalisering van het korps, verbetering van de diensturen, modernisering van het materiaal. In 1945 stelde hij de twaalf-urendienst voor die slechts veertien jaar later zou toegepast worden en hij brak ook een lans voor het installeren van een privé-telefoonnet voor de politie. Ook deze suggestie vond vijftien jaar later een toepassing in de vorm van het nu alweer verdwenen net van politiemelders.

Een eerste stap om de getalsterkte van het politiekorps op te voeren was het aanstellen van hulpagenten, waarvan ertussen 1 november 1944 en 1 maart 1945 negenentwintig in dienst traden. Begin 1945 werden er zelfs vier hulpagenten in het vast kader opgenomen. De uitrusting van de hulpagenten bestond uit een kepie, een armband en een houten knuppel. Een pistool kregen zij slechts 's nachts. Deze maatregel was noodzakelijk omdat ons gans politiekorps slechts beschikte over twintig pistolen, het gamel restant van de dertig die in 1941 door de Duitsers beschikbaar werden gesteld. In mei 1946 werden dan dertig FN-pistolen aangekocht wat het totaal op vijftig bracht. Dit was echter nog steeds ontoereikend en het gebrek aan degelijke vuurwapens was gedeeltelijk de oorzaak van het drama van 22 juni 1945 toen dronken Canadese militairen een interventiepatrouille beschoten en waarbij agent Voordeckers dodelijk getroffen werd. 

Na de benoeming van een adjunct-politiecommissaris in juni 1946, waren er zes officieren en drie kandidaat-officieren, die als adjunct dienst deden. Op 27 december 1946 werd adjunct-politiecommissaris-opziener Frederik van Doosselaer tot politiecommissaris van Borgerhout benoemd, de eerste sedert februari 1942. Hij centraliseerde alle administratieve politiediensten in het gebouwencomplex van de Moorkensplein 19 en de Maréestraat 1, later nog aangevuld met de door de brandweer verlaten lokalen.

Begin 1947 vormde ons politiekorps echter nog een allesbehalve homogeen geheel; zesendertig agenten in vast verband waarvan er elf ongeschikt voor de dienst bleken te zijn, zevenenveertig tijdelijke of hulpagenten en zes benoemde officieren. Een gedeeltelijke oplossing van het personeelstekort werd gevonden door het in vast verband benoemen van tijdelijke of hulpagenten die qua geschiktheid, bekwaamheid of leeftijd in aanmerking kwamen.

In 1950 werden de eerste inspecteurs benoemd. De laatste benoemingen in die graad geschiedden in januari 1940. Eveneens in 1950 werden voor de eerste maal bijzondere agenten aangesteld, een toen nieuwe dienstgraad voorbehouden aan politiebeambten die in het bezit waren van het brevet van politiecommissaris. Vanaf 1950 werd ook de verjonging van het korps geleidelijk aangevat en in de loop van 1951 bereikte het zijn voorziene getalsterkte.

Politiecommissaris Van Doosselaer deed zich vooral opmerken als de auteur van het gemeentelijk politiereglement, dat werd goedgekeurd door de gemeenteraad op 31 juli 1947. Het was niet het eerste politiereglement voor onze gemeente. Dit werd reeds opgesteld door "maire" Pierre de Broëta(1808-1816), maar werd onder het Nederlands bewind vervangen door het "Reglement van Policie" van 4 mei 1819 dat in voege bleef tot de stemming van het nieuw politiereglement van 28 september 1853, dat op zijn beurt aangevuld en herzien werd door dit van 13 juli 1901. Van reële waarde op het ogenblik van zijn invoering werd het politiereglement van 31 juli 1947 herhaaldelijk aangevuld en aangepast aan de evoluerende toestanden. De voornaamste gebeurtenis voor het politiekorps tijdens het beheer van politiecommissaris Van Doosselaer was zonder twijfel het betrekken in oktober 1957 van het nieuw politiebureau in de Oudstrijdersstraat. Nieuw is eigenlijk wat veel gezegd,  daar het gebouw reeds dateerde van 1893 en tot 1955 in gebruik was door de rijkswacht. 

Niettegenstaande het bereikte voorziene effectief en een nieuwe behuizing, was er van rationalisatie of modernisering van het politieapparaat nog niet veel te bespeuren en de dienst werd in het algemeen nog steeds gedaan zoals het sedert de oorlog 1914-1918 de gewoonte was geweest. Het aankopen in 1950 van een politieauto en een motorfiets met zijspan, evenmin als de vernieuwing van het fietsenpark brachten daarin enige wijziging en het merendeel van de agenten verspilde nog steeds tijd en energie door langs een zorgvuldig vooraf bepaalde weg te slenteren waarvan niet mocht afgeweken worden en die geen enkele vorm van persoonlijk initiatief toeliet. Dit veranderde wel enigszins door de twaalf urendienst die, spijts het verzet van de politiecommissaris op 1 januari 1959 werd ingevoerd. 

Politiecommissaris F. Van Doosselaer 
met nieuw benoemde politieagenten in 1948.

  

 De eerste politieauto.
In gebruik geweest van 1950 tot 1961.

 

 Het politiebureau van de Oudstrijdersstraat: 1957 - 1978.
Voorheen rijkswachtgebouw van 1893 tot 1955.

  

Een verdere modernisering van het Borgerhouts politiekorps nam een aanvang bij de ambtsaanvaarding van politiecommissaris Charles Nuyts op 10 oktober 1959

Reeds in de zomer van 1960 werden de eerste nieuwe politieauto's, uitgerust voor het verrichten van werkelijk politiewerk, in gebruik genomen terwijl praktisch tegelijkertijd aangesloten werd bij het radionet van de Antwerpse politie. Deze stap was uiterst belangrijk, gezien de uitbreidende gerechtelijke bevoegdheid die onze gemeentelijke politie in deze tijd  heeft, niet alleen op het grondgebied van onze randgemeenten, en dit sedert 1952, maar vanaf 1971 ook op het grondgebied van niet minder dan 22 aan elkaar grenzende gemeenten. We vernoemden reeds de in 1960 in gebruik genomen, doch sedert 1970 afgeschafte politiemelders. Hun nut kon niet optornen tegen de onderhouds- en uitbatingskosten. Ook de dienst "Verkeersvoorlichting" die met behulp van diaprojectie voordrachten organiseert in scholen, voor jeugdbewegingen, arbeiders- en bediendenorganisaties en in het algemeen voor iedereen die erom verzocht, kende sedert 1960 een groot succes. Het in de zestiger jaren ingericht fotoatelier met moderne apparatuur groeide alras uit tot de oprichting van een dienst "Bijzondere opdrachten", beter gekend als de "Opsporingsdienst", die door de behaalde opmerkgelijke resultaten dra uitgroeide tot de meest in de kijker lopende dienst van het Borgerhouts politiekorps. Dit is ook het geval voor de dienst "Jeugdpolitie" die, tengevolge van het op onrustwekkende wijze toenemen van de jeugdcriminaliteit, werd opgericht in 1958 en waarbij twee dames politieassistenten werkzaam waren die zich uitsluitend bezig hielden met gevallen waarin minderjarigen betrokken zijn. Zij kwamen ook tussenbeide in familiale wantoestanden. 

 

 Het Borgerhouts politiekorps in de zomer van 1962.

 
Aan de permanente wachtdienst die steeds ter beschikking is, zowel bij nacht als bij dag, worden steeds hogere eisen gesteld. Die waren de aanleiding tot ingrijpende veranderingen die zich vooral uitten door het invoeren in 1971 van een nieuw systeem van toezicht, de "gerichte patrouille", de uitbreiding van het officierenkader in 1972 en 1973 en het constant in gebruik houden van een in de loop der jaren tot zeven eenheden uitgebreid autopark dat ook in de behoeften van alle bijzondere diensten moest voorzien.

Met de "gerichte patrouille" werd vooral gepoogd de relatieve vermindering van de personeelssterkte in de continudienst, de vermindering van de arbeidsduur en de steeds groeiende administratieve verplichtingen te ondervangen.

Het politietoezicht werd alzo aangepast aan de steeds wisselende en onvoorziene situaties. Een belangrijke hulp in deze is het in het voorjaar van 1969 in gebruik genomen eigen radionet met draagbaar U.H.F.-zend- en ontvangtoestellen. De onrustwekkende toeneming van het internationaal banditisme en terrorisme vond zijn weerklank tot in de gemeentelijke politiediensten die rechtstreeks ingeschakeld werden in een centraal geleide alarmketen. Hiervoor diende echter de uitrusting.en de bewapening van onze politie aangepast te worden 

Het betrekken van het nieuwe politiecommissariaat in de Maréestraat in oktober 1978 opende nieuwe perspectieven voor een efficiëntere werking ten dienste van de samenleving.

 

 

De Borgerhoutse politie werd uiteindelijk in 1983 opgeslorpt door het politiekorps van de Stad Antwerpen

 

 


  [Home]