De kerk(en) van Herdersem

 

Deze site werd gerealiseerd door         Pieter Delmoitie  (5)

                                                           Maarten De Vis   (9)

                                                           Joeri De Moor     (7)

 

 

            Herdersem

·        Deelgemeente van Aalst (Oost-Vlaanderen)

·        ontstaan in 868

·        534 ha.

·        2.550 inwoners

·        gelegen aan de Dender

·        woonplaats van de Hardigisheimers/Hardigis/Meiviskoppen

·        patroonheilige: Heilige Gedula

 

 

 

 

1. BEZIENSWAARDIGHEDEN

 

De voormalige 17 de-18de-eeuwse parochiekerk in een bocht van de A. De Cockstraat werd in 1861 gesloopt. Alleen de sacristie van 1764 en enkele arduinen grafstenen blijven over. De huidige kerk van Onze-lieve-Vrouw Tenhemelopneming dateert van 1859-1861. Het is een bakstenen driebeukige neoclassicistische kerk met ingebouwde westertoren, naar een ontwerp van architect De Perre-Montigny uit Gent Ze staat aan de Grote Baan, de weg Aalst-Dendermonde. Het meubilair is overwegend 18de eeuws en is afkomstig uit de voormalige dorpskerk: de 17de-eeuwse zijaltaren van Sint-Antonius Abt en de H. Anna, het 18de-eeuwse hoofdaltaar met tabernakel door Van Geel uit Mechelen, het laat-18de-eeuwse classicistische koorgestoelte, de vroeg-18de-eeuwse doopvont, de credenstafel van ca. 1750, en de 19de-eeuwse preekstoel, ook van Van Geel. Evenals het orgel, van 1778, gebouwd door P. Van Peteghem en zoon, dat sinds 1975 beschermd is.

Het vroeg-16de-eeuwse beeld onze-LieveVrouw ter Rozen is afkomstig uit de oude abdij ter Rosen uit Aalst. Sint-Antonius Abt is 17deeeuws, Sint-Eligius 18de-eeuws. Twee reliekschrijnen, Sint-Antonius en Sint-Eligius, dateren uit de 17de eeuw, de Gekruisigde Christus uit het begin van dezelfde eeuw.

Van de schilderijen zijn vooral bekend: de vroeg-17de-eeuwse Tenhemelopneming van Maria, door Gaspar De Crayer; Sint-Antonius en de H. Paulus van Thebe in de woestijn, uit de 19de eeuw, door A. Van der Eycken; en de kruisweg van 1866, door Rowijs uit Antwerpen. De kerkschat bestaat uit devotionalia en liturgisch zilverwerk uit de 18de-19de eeuw.

 

2. De kerk

 

De eerste bevestiging van een eigen kerk te Herdersem dagtekent van 1119 (Affligem). Voor het reeds bestaan van een eigen parochie in de IXe eeuw steunen we (*) ons echter op de abdij van Lobbes :

In het Polypticon van de abdij Lobbes van 868-869 wordt onder de domeinen van de abdij "in pago Bragbattensis" gelegen, de villa Hardingesheim geciteerd.

Het domein moet bekeken worden in het geheel van het abdijgoed van Lobbes in dit gewest :

Alosta, Hardingesheim, Baliolis (Denderbelle) en Geveringeheim (Gevergem-Moorsel), alle plaatsen vernoemd in het Polypticon. Alleen Wieze ontbreekt. Het betreft hier een uitzonderlijk groot domein, gaande van Aalst tot ver voorbij Dendermonde.

Hierin vormde Herdersem door zijn afzonderlijke vermelding een apart domein in de 9e eeuw. Dit is een belangrijk feit, dat tegelijk het bestaan ervan bewijst sinds minstens de 9e eeuw. Wanneer Moorsel en Wieze na de invallen van de Noormannen verdeeld werden onder de graven van Aalst en de heren van Dendermonde, dan kwam Herdersem geheel onder het Land van Aalst. Denderbelle onder dit van Dendermonde. Nadien omstreeks het einde van de 11e en het begin van de 12e eeuw, erfde Affligem eerst parochiaal Herdersem rond 1093 en daarna Moorsel en Wieze (1105).

De opvolging van Lobbes in de 1oe eeuw is dus als volgt gebeurd : wereldlijk, de graven van Aalst, parochiaal de heren van Herdersem. Na 1093 : 's graven propre dorpen van Aalst en Affligem.

Deze laatste brengt ons naar de heren van Herdersem.

- Aan het domein van Lobbes mogen wij (*) o.i. ook de parochietitel vastknopen. Te Lobbes en in verschillende van haar domeinen was de O.L. Vrouwtitel courant, aldus te Baasrode en Herdersem.

Dit gebeurde door filiatie. Ook te Lobbes had de parochie 0. L. Vrouw als patrones. Hieruit zouden wij (*) mogen afleiden dat het ontstaan van de parochie tot de tijd van Lobbes teruggaat, d.i. de 9e eeuw. De parochie Herdersem stond dus onder het patronaatsrecht van de abdij van Affligem (gesticht in 1083). Bij de oprichting van het aartsbisdom Mechelen, in 1559, kwam deze parochie onder de bevoegdheid van de aartsbisschop, ter oorzake van de vereniging van de abdij met het aartsbisdom.

 

 

2.1 Het oude kerkgebouw

 

GEBOUWTJE

Sacristie van de voormalige parochiekerk op het kerkhof, met beeldengroep Calvarie, 1784, Jezus aan het kruis, geschilderd hout, hoogte 160, H. Johannes en Maria, h. ca.

120 (B 120168'49); detail : Jezus aan het kruis (B 120167'49).

 

 

 

 

De oude kerk had de vorm van een Latijns kruis. Tot aan het koor 12 m. lang en een breedte van 9 m.

Ze werd na haar verwoesting door de beeldenstormers in 1601 heropgebouwd. De toren rees op boven de kruisbeuk. Deze kerk werd zowel binnen als buiten met witkalk onderhouden.

Uit de dekanale verslagen van de verschillende jaren kwam tot uiting dat de kerk die goed in orde was (1655), doch door de tiendheffers slecht werd onderhouden (1688). Een zijkoor werd gebouwd (1688); men verbreedde de kerk langs de noordzijde (1718). Het koor werd smaakvol gelambriseerd (1715).Langs de noordzijde werd een groot venster gestoken (1726), maar de vloer en het dak hadden herstelling nodig (1725). De toegang tot de toren werd gewijzigd om een poort te hebben in het koor ( 1726).Het hoogkoor werd "heropghemaect"(Herdersems voor: heropgemaakt) (1595) en met stro gedekt. De middenbeuk werd gewelfd, een nieuw portaal gebouwd en een nieuwe vloer gelegd (1735). In 1760 werden de zijbeuken gewelfd (340 gulden), zodat de kerk goed in orde was (1774). Op kosten van de abdij Affligem werd het oude koor afgebroken en een nieuw, langer en breder, gebouwd (1782).

De klokken werden gegoten door Joannes Ie Fevre (of Lefebvre) van Antwerpen in 1661 en 1666.

De sacristie was in orde (1688). Er werd een nieuwe gebouwd (1782). Het is deze die tot heden nog is bewaard gebleven op het oude kerkhof, Alfons de Cockstraat.

De Doopvont: Het vroeg heel wat tijd vooraleer de pastoors tot de toepassing kwamen van het voorschrift van 1607 omtrent het sluiten van de doopvont met een sleutel. Soms gebeurde het tijdelijk, om nadien opnieuw te worden verwaarloosd. De deken diende dit na te gaan tijdens zijn jaarlijkse visitatie.

Te Herdersem was de doopvont met een houten afsluiting omringd (1629). De vont zelf was in 1655 gesloten, maar niet in 1669. In 1672 en 1680 luidde het dat de vont gebroken was. Gedurende de 18e eeuw waren doopvont en doopkapel op slot ( 1727 -1774) .

De meeste kerken beschikten over een "komme" of kist, meestal van eikenhout, met drie sloten, waarvan één der sleutels in het bezit was van de pastoor, een andere bij de kerkmeesters en de derde bij de burgemeester, de meier of één der schepenen. .

Men was verplicht de documenten en het geld van de kerk en de armendis te bewaren in de kist met drie sloten, geplaatst in de sacristie of de kerk. Een stevige kist betekende daarom nog niet veiligheid, want te Herdersem werd de kist in 1675 door de soldaten vernield op een paar plaatsen werd op het kerkhof reeds een "calvarieberg" opgericht n.l. te Essene (1759) en te Herdersem (1759).

Het tabernakel werd in september 1690 door de Fransen opengebroken; het was van buiten met rode zijde bedekt (1736).

In de oude kerk waren twee zijaltaren, een van St Antonius en een van St Anna. Circa 1630 werd een nieuw marmeren hoogaltaar geplaatst. In 1715 werd het St Antoniusaltaar gemarmerd en in 1758 kwam er een nieuw zijaltaar Wat het antependium of altaarvoorhangsel (in een lijst gespannen) betreft, werden er in 1716, drie geschonken aan de kerk van Herdersem, door de dochter van de heer van Mespelare.

In het dekenaal verslag werd melding gemaakt van 7 (alle kleuren) in 1715. In 1716 drie nieuwe en in 1738 opnieuw drie nieuwe (rood + wit).

 

Orgel: Een nieuworgel werd gebouwd door Pieter van Peteghem (1778). De familie Van Peteghem uit Gent komt als de meest gekende orgelbouwer uit de tweede helft van de 18e eeuw tot ons.

Het waren de grootmeesters van de orgelbouw in onze gewesten. Dit zelfde orgel, van de oude naar de nieuwe kerk overgebracht, werd bij K.B. van 14 oktober 1975 (gepubliceerd in het Staatsblad van 4 februari 1976) geklasseerd als monument.

 

 

Kelk: In 1630 sprak men van een nieuwe zilveren kelk en in 1715 van een schone.

 

 

 

schilderij: Maria's hemelvaart, toegeschreven aan Kaspar de Crayer of Van Grootven

 

 

 

 

 

2.2 Het nieuwe kerkgebouw

 

Bouwvalligheid en gebrek aan ruimte waren de oorzaak ervan dat de oude kerk - behalve de sacristie van 1782 a 1784 - werd afgebroken in 1861. In de kerkraad (K.R.) van 5 april 1857 sprak men over de bouwvalligheid en het klein aantal gelovigen die onze kerk kon inhouden, en dat het daarom noodzakelijk was maatregelen te nemen om in de noodwendigheidamarant te voorzien.

De K.R. (4 oktober 1857) heeft een onderzoek laten instellen door bouwmeester De Perre-Montigny te Gent die tot de bevinding kwam dat de kerk te bouwvallig was en te klein en op deze plaats niet naar behoren kon vergroot worden. Hierop besliste de K.R. (1e zondag januari 1858) toestemming te vragen aan het bisdom en de gemeenteraad om de huidige kerk te mogen herbouwen.

De gemeenteraad (G.R.) van 26-3-1858 keurde het initiatief goed en onderschreef een financiële bijdrage: "Gezien de beraadslaging van de kerkraad dezer gemeente van den eersten zondag van januari lest, waarbij is beslist ene nieuwe kerk te bouwen in vervanging der oude, tevens de middelen vragende die de gemeente zoude kunnen beschikken om in de onkosten te helpen voorzien. Overwegende dat de gemeente op haar vrije fonds daar niets kan bijdragen; maar dat zij op den grond der gemeente ene hoeveelheid bomen staan heeft die tot rijpdom zijn gekomen, en welke noodzakelijk zouden moeten verkocht worden, welke ene waarde bezitten volgens 'prijzij' van 4.000 Fr .

Overwegende dat de kerkfabriek ene rente bezit ten laste van de gemeente belopende ten kapitale van 2.890 Fr welke rente aan de kerk met die verkoping zoude kunnen afgelegd worden en waarvan wij den overschot of 1.110 Fr voor de vernieuwing der"kerk schikken. Overwegende dat de inwoners ene vrijwillige intekeningslijst in geld en natura een som van 9.700 Fr hebben aangeboden hetwelk gedeeltelijk zal dienen tot het plaatsen van de nieuwe kerk en het afbreken der oude en waaruit volgt dat zij algemeen toestemmen in het bouwen van ene nieuwe kerk. Gezien het plan en bestek ons aangeboden welk wij bij deze goedkeuren waarvan de bekostiging begroot is 52.500 Fr .

Keuren bij deze goed het plan in begroting der kerk in voorwerp, met verzoeke aan de bevoegde overheid in te willigen daaraan hunne goedkeuring te verlenen op voorwaarde dat de kerk op de oude plaats gebouwd zal worden".

K.R. van 1e zondag oktober 1858: De heer.ingenieur van Dendermonde komt tot het besluit dat het kerkhof te klein is en de grond te vloeibaar om er een nieuwe kerk te bouwen. Hierdoor hebben wij besloten het oud kerkhof tot begraafplaats te behouden en tot de bouwing van de nieuwe kerk een beteren grond te bezorgen".

G.R. van 28 januari 1859 : Het kerkfabriek doet een voorstel, dat Joannes Roggeman en zijne huisvrouw Coleta Muylaert, landbouwers dezer gemeente giften aan het kerkfabriek schenken een perceelland groot 14 aren 50 ca. gelegen te Herdesem sectie A Nr 479 en 480 makende deel van meerdere partijen, om daar ene nieuwe kerk op te bouwen, en verlangt de inzichten van den raad te kennen of hij toestemt dat de kerk op die plaats op aangeboden grond geplaatst wordt en of hij de goedkeuring zoude verlenen aan het kerkfabriek om dit perceel grond te aanvaarden.

De burgemeester Frans Muylaert onthoudt zich van stemmen: alle andere leden stemmen toe om de

vermelde giften te aanvaarden, alsmede dat de nieuwe kerk op gemeld perceel kan gebouwd worde". De aanbesteding van de nieuwe kerk had plaats. Op 8 oktober 1859 in 't gemeentehuis bewoond door de weduwe en kinderen Egidius De Maeseneer. Op de aanbesteding waren drie aanbiedingen:

Louis Michiels, Aalst: 46.000 Fr

P. Joannes De Boeck, Hofstade: 41.500 Fr

Joonnes Roggeman, Herdersem : 41.300 Fr .

Laatstgenoemde werd aannemer van de ruwbouw Joseph Van den Steen, meester-stukadoor te Dendermonde voor het plakwerk.

De kerk werd gebouwd naar de plans van de Gentse bouwkundige De Perre-Montigny, Ook heel wat parochianen zullen hieraan meegewerkt hebben wat blijkt uit het verslag van de K.R. (1e zondag januari 1859) :

 

"Het voorstel strekkende, om de grond tot het maken van 12 a 13 honderd duizend kareelsteen in karwij te doel bereiden, door deze die tot opbouwen der nieuwe kerk in handwerk hebben ingeschreven. Om met de eigenaar in 't vriendelijk overeen te komen op welke grond de steen moet gevormd worden. En om gemelde steen met het eerste goed weder, met drie à vier tafels zoo haast men kan te maken". De inwoners begonnen met de werken op 26 september 1859 en op 9 september 1862 werd de kerk door de bisschop van Gent plechtig ingewijd.

Ingevolge de bouw van de nieuwe kerk langs de steenweg, is Herdersem van een ronde dorpsvorm overgegaan naar een typisch straatdorp. Opvallend was vroeger de ligging van verscheidene dorpscentra:

Herdersem, Wieze en Denderbelle. Deze vertoonden een identieke dorpsvorming: een kerkstraat die het dorpscentrum met de baan verbindt, loopt er in een halve kring rond de kerk, om nadien op een verder afgelegen wijk de baan Aalst-Dendermonde te bereiken. Verder vermelden we nog de ligging tegenover de Dender, niet op het hoogste punt van de omgeving en dit zo dicht mogelijk bij de rivier.

Evenals in de oude, zijn er in deze kerk drie altaren, waarvan het hoogaltaar, versierd is met een schilderij, in de vorm van een medaillon, voorstellende de Hemelvaart van O.L. Vrouw; door sommigen toegeëigend aan De Craeyer, doch volgens anderen het werk van een neef van pastoor Van Grootven in 1787. De zijaltaren zijn toegewijd aan 0. L. Vrouwen de H Antonius Abt.

De communiebank in eikenhout gesneden door de Antwerpse beeldhouwer Dievort-Pieters dateert van 1866 en is een gift van C. Van Assche. De predikstoel, een der schoonste van onze parochiekerken, werd vervaardigd door de Mechelse beeldhouwer J.F. Van Geel (Jan Frans Van Geel, geboren te Mechelen in 1766 en overleden te Antwerpen op 24 januari 1830. Hij was eerst leerling en later bestuurder (1807) aan de academie seinergeboortestad. Hij stond in dienst van de kardinaal-aartsbisschop te Mechelen. In 1826 werd hij leraar aan de academie van Antwerpen. De stijl van Van Geel sluit aan bij deze van de Vlaamse school uit de 17e eeuw). De kuip van deze predikstoel vertoont, op het middelste der drie medaillons: Christus, die de sleutels geeft aan St Pieter; op de andere: Jezus en de Samaritaanse vrouwen ten slotte de Zaligmaker met de H Nicodemus in gesprek over de geheimen van het H Doopsel. De twee biechtstoelen dagtekenen uit de 18e eeuw. De kruisweg, een gift van meergenoemde C. Van Assche, stoker te Aalst, draagt het handteken van de Antwerpse kunstschilder Rowys ( 1866).

Het tabernakel van het hoogaltaar waarop de discipelen van Emmai.is zijn afgebeeld, is eveneens een eikenhouten beeldhouwwerk van hogergenoemde J. F. Van Geel.

Een artikel in de gemeentebegroting dienstjaar 1862 pleitte voor een nieuw uurwerk: "De inwoners hebben tot heden beroofd geweest van ene gemeentehorloge op den kloktoren, hetwelk veel ongemakken aan hen toebracht. De gelegenheid biedt zich zeer voordelig aan, om op de nieuwe kerk een uurwerk te plaatsen, met vier uurwijzers. De raad in ene onderhandeling getreden zijnde met enen horlogemaker is overeengekomen, om dezelve ten laste der gemeente te doen vervaardigen aan den prijs van 1.600 Fr hetzij gedurende 8 jaren in de begroting 200 Fr inschrijven".

Van de calvarieberg, aan de sacristie van de oude kerk ;- oud kerkhof - werd het Christusbeeld in 1975 gerestaureerd te Leuven. Het beeld is uit perelarenhout vervaardigd en dagtekent van 1625. Gezien de grote waarde bevindt het zich nu in de kerk.

Eveneens waardevol is het kleine houten beeldje van O.L.