De Heilige Gudulakapel te Moorsel.

 

Aan deze kapel die dateert uit de 14de  eeuw was ooit een kerkhof verbonden, jammer genoeg werden deze omstreeks 1580 in brand gestoken en volledig vernield. Tussen 1597 en 1598 werd de Heilige Gudulakapel weer volledig hersteld. In 1664 vonden er wederom werken plaats die goed waren voor een renovatie met arduin, kalk en 6000 bakstenen. Na verloop van tijd was de kapel terug aan herstellingen toe, deze gebeurden in 1907. Op 3 juli 1942 werd de kapel tot beschermd monument verklaard. De eerste klok dateert waarschijnlijk uit 1597, deze werd in 1695 vervangen. 100 jaar later stolen de Fransen de klok. De kapel zelf –een laatgotisch rechthoekig gebouw –is opgetrokken uit Meldertse zandsteen.

 

1.De huidige kapel.

 

De kapel op het dorpsplein, waaraan zelfs een kerkhof was verbonden, dateert volgens O. Reyntens uit de 14e eeuw. Er is echter nog een oudere kapel geweest, want de kapelaan wordt al vermeld in 1290. In 1466 verschijnt de Sente Goedelen Cappelle expliciet in een oorkonde. Evenals de kerk werd de kapel omstreeks 1580 door de Staatsgezinden in brand gestoken en in 1597-1598 hersteld, zoals blijkt uit de rekeningen: item noch betaelt op den IIIen Sinxendag 1597 van een gelage over het besteden van Se Goelen capelle . . . ; item over den coop van thien eecken tot opmakinge van de capelle . . . ; item gegeven aan de schaliedecker eenen godtspenninck over het besteden van het decken van de capelle. In 1644 vonden er opnieuw werken plaats, waarbij arduin, kalk en 6.000 bakstenen gebruikt werden. De kapelrekening vermelden ook een ton goet bieren een vergoeding voor de vrouwen, die de vloer geschuurd hadden. In 1726 werd Katharina Van Biesen, vrouw van Leopold Van Lembergen, in de kapel begraven. Op het einde van de 18e eeuw werd voor de dag van de kapelleweydinghe nog meyen ende stroysel aangebracht en men betaalde 1g. 16 st. over teire int palleeren met verschot van garen ende linte daertoe dienende.

Bij de verkoop als nationaal goed op 28 Messidor VII en 3 Thermidor VII werd de kapel vermeld als volgt; Eene kapelle, met last van die af te breken, genaemd Ste Gudullakapelle, inhoudende 4 roeden, paelende van alle zyden de straete; gepresen 13 francs in revenu. Gelukkig bleef de kapel bewaard. In 1838 vervaardigde Jodocus Uyttersprot veertien banken voor het interieur. In 1907 werd de kapel gerestaureerd voor de som van 5.889.47 fr. men demonteerde het altaar, plaatste het neogotisch hekken en vernieuwd ede torenspits. Op 3 juli 1942 werd de kapel tot beschermd monument verklaard. In 1971 volgde een restauratie door Remi Wille van Knesselare voor de som van 589.987 fr. in 1973 werd het interieur geverfd. De onkosten bedroegen 78.339 fr. , waarvan de broederschap 67.070 fr. betaalde. Op 26 juli 1976 besliste de gemeenteraad de kapel door Intercom van een buiten- en binnenverlichting te laten voorzien voor de som van 77.252 fr.

 

Het laatgotische rechthoekige gebouw met het schip van drie traveeën en een driezijdige abscis is opgetrokken uit Meldertse zandsteen in vrij onregelmatig verband. Het dak is bekleed met leien. Rondom loopt een afgeschuinde plint en een kordon ter hoogte van de onderdorpels van de vensters. De zuidwestelijk tuitgevel loopt uit op een fijn zeskantig klokkentorentje met spits op brede kraagsteen en oplopende halfzuiltjes. Langs het oosten en het westen is het opengewerkt. De gevel wordt geflankeerd door op elkaar gestelde hoeksteunberen. Boven het korfboogportaaltje bevindt zich een spitsboogvenster met geprofileerde beloop. De blinde noordwestelijke zijgevel is bij middel van steunberen in traveeën ingedeeld. De zuidoostelijke gevel, eveneens gestut door steunberen, is voorzien vaneen korfboogpoortje en spitsboogvenster, versierd met maaswerk, zijn eveneens voorzien van steunberen. De overdekking bestaat uit een ribgewelf op consooltjes en gordelbogen.

 

2.Het interieur.

 

Het barokke portiekaltaar met gebroken fronton uit gemarmerd hout, werd omstreeks 1660 bekostigd door Lodewijk Cairo, baron van Moorsel, wiens wapenschild erop aangebracht is. Antoon Blanckaert vervaardigde het altaarschilderij, dat de Heilige Gudula met lantaarn voorstelt. De beelden van Christus uit palmhout en van de Heilige Gudula uit lindehout dateren uit de 18e eeuw. In 1702 werd een zilveren kruis geschonken. De tinnen altaarkandelaars zijn eveneens achttiende-eeuws.

 

Aan de muren hangen negen schilderijen van de al eerder vermelde A. Blanckaert met taferelen uit het leven van de Heilige Gudula, voorzien van archaïsche onderschriften: den engel verkondight de geborte van de Heilige Gudula; het doopsel van de Heilige Gudula; de Heilige Gudula komt van Ham naer Moorsel om haer devotie te doen; de Heilige Witgerus en de Heilige Amelberga vader en moeder van de Heilige Gudula; de Heilige Paildis alias Ste Pairel en de Heilige Reinildis Ste Nelle susters van de Heilige Gudula; de Heilige Aldegondis en Waldetrudis nighten van de Heilige Gudula; de Heilige Emerbertus Gertrudis, broeder en nighte van de Heilige Gudula; de Heilige Gudula begraeven tot Ham wordt getransporteerd nae Moorsel; een koningsdoghter geneesen aan het graf van de Heilige Gudula.

 

3.De klokken.

 

In 1597 leverde Frans Lemmens, bosmeester van Affligem, een klokje voor de som van 12p. 11s. Het nieuwe klokje, dat in 1695 werd aangeschaft, verdween onder het Franse bewind op het einde van de 18e eeuw.

Het huidige klokje werd in 1820 door Andres Van den Gheyn ter Leuven gegoten voor de kapel van de Heilige Gudula te Moorsel, zoals er uitdrukkelijk op vermeld staat. Joannes Henricus Bosteels was peter en Anna Francisca Mijs meter. Het klokje weegt ongeveer 50 kg. en kostte samen met de klepel 131 g. 11 st. In 1914 slaagden de Duitsers er niet in om het klokje weg te nemen, wat de vrome auteur van het Liber Memorialis aan de bijzondere tussenkomst van de heilige toeschreef.

 

4.De goederen en inkomsten.

 

Gertrudis van Meldert legateerde in 1290 5 st. aan de kapelaan. In 1604 bedroeg het grondbezit 7 b. 25 r. akkergrond en weideland, o.a. 75 r. op het Cappellevelt, 2 d. op het Vaerinckvelt, 2 d. op het Groenebeeckvelt,  1½ d. op de Wavercouter bezet met cijns ten voordele van het kapittel van Dendermonde, de Goelemeersch met de oppervlakte van 1 d., 1½ d. op de Beucke, een bosschelken van 50 r. te Raffelgem int honexken genaamd de Heybosch, 1/3 d. 3 r. op het Sproet, 1 d. op het Bovenweyvelt, een oudt dachwandt lants op de Reygerdriesch, ½ d. 58 r. op het Cuericxvelt, 40 r. op de Peetershouw. Daarbij kwam nog een cleyn chijnsken ten voordele van de heeren van Sint-Pieter, wellicht in verband met laatste goed; een rente bezet op daude smesse  te Gevergem, enz. Ongetwijfeld behoorden de Goedelenmeers en het Kapelleveld tot het oudste dotatiegoed. Het Sint-Goelenveldeken met een oppervlakte van ontrent de twee delen van eenen dachwandt, vermeld in de 16e eeuw, maakte er wellicht ook deel van uit.

Het strotiend had een waarde van gemiddeld 25 g. per jaar: Item een thiende, genaempt het strooithiende, waeraf de Capittelheren van Dendermonde hebben het graen en het veltsaet en de Cappelaen van Sinte Gudula het stroy, het caf, hutselen en vlas. Dies is den cappelaen gehouden de thiende te doen dorschen volgens d’ oude brieven.

De opbrengst van de offer in vlas, boter, enz. bedroeg 36 g.

Op 14 november 1759 werd een inventaris van de goederen opgesteld, in possessie van immemoriale tijden. De titels waren verloren gegaan.

 

5.De kapelanie.

 

De begever van het beneficie was de abt van Affligem. In 1290 legateerde de eerder vermelde Gertrudis van Meldert 10 st. aan de kapelaan, indien er een was! De kapelanie werd in de 14e eeuw op 10 p. getaxeerd.

In de 17e eeuw was het beneficie nog belast met drie missen per week, waaronder de maendagsche mis, voor de zielen van het vagevuur, die in de 16e eeuw al bestond, ten laste van het broederschap. In 1702 worden ook al de jaarlijkse missen vermeld, daags na de kermis en de stichting van Jan Wauters, bosmeester van Affligem, daags na Sint-Godillendag. Volgens de rekeningen van 1795 was de laatste een requiemmis, gezongen op de tweede zondag van juli. In 1751 werden er drie missen van het beneficie in de kerk gecelebreerd, maar in de kapel was er nog een wekelijks gefundeerde mis.

Op 4 oktober 1806 verkreeg men een reductie tot 26 gezongen missen per jaar, ten laste van het armbestuur. In 1833 werd dit aantal gereduceerd tot 15, maar het kerkfabriek liet er 16 celebreren, daar er nog geld overbleef. In 1909 kwamen er gedurende het octaaf bedevaarten uit Baardegem, Erembodegem, Herdersem, Wieze, enz.

Kapelanen;

Pieter De Grove.

Hij specificeerde in 1467 de prebende van kanunnik Gilles Van Calkene en woonde in 1473 op het oude voorhof te Beugem. Hij was wegens 3 d. nabij de Biestbos te Waver een rente van 7 schellingen verschuldigd aan het kapittel van Dendermonde.

Willem Vinck.

Joannes Van der Meulen (de Molendino).

Hij resideerde niet, maar liet zich omstreeks 1526 vervangen door Martinus Raes, die tevens als koster dienst deed en later pastoor van Herdersem werd.

Judocus De Craecker.

Hij werd in 1568 pastoor van Haaltert en liet zich vervangen door magister Gerardus Meenens van het bisdom Kamerijk.

Op 29 januari 1601 incorporeerde de aartsbisschop het beneficium bij de kerkgoederen om tot het onderhoud van de onderpastoor te dienen. Op 7 juni 1647 werd wel een dismembratio van de inkomsten toegestaan. Ondanks de oppositie, waarvan men tot 1657 sporen vindt, handhaafde het aartsbisdom echter de incorporatie. De onderpastoor nam de taak van de kapelaan over.

Zo leest men in de rekening van de baronie in 1975: Aen den heere onderpastoor deeser prochie als kapellaen over een jaer dienst in de voorgeschreeven kapelle, 26 g.

 

6.De Kapelmeesters.

 

Enige dagen vóór Sinksen stelde de pastoor drie kandidaten voor, uit wie de heer er een benoemde. De nieuwe kapelmeester werd in de preek van Sinksen geproclameerd.

Peeter Van den Steen fs Adriani (1701), Philippus Moons (1704), Peeter Pulteau en Laureys Spinnoye (1737), Abraham Leeman (1738), Jan Vermeeren (1750), Adriaen Moens (1770), Cornelis Spinoy (1771), Joannes Verrystraeten, Peeter Van den Steen, Philippus Van Biesen (1774), N. Hendrickx, Cornelis Beeckman (1776), Judocus Borms, Jacobus de Rop, Peeter Van den Broeck (1779), Joannes Schrijvers, Joannes Van den Steen (1782), Joannes De Meersman, Dominicus Bosmans, Laurentius Cooreman. In 1794 wordt Ludovicus Van Haelen vermeld als gewezen ontvanger.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Jelle Saeys

5Ema

nr.13

Eindwerk Geschiedenis.

 

 

 

 

 

 

            

 

Bronnen;

o       Moorsel, een rustig dorpje; geschreven door de leerlingen van het 6e leerjaar B.S.G.O. Faluintjes onder begeleiding van Juf Chris Van Droogenbroeck.

 

o       (deel 8) Moorsel; Wilfried Verleyen.

 

o       Moorsel, een kijkboek; Heemkundige Kring “De Faluintjes”             

     1988.