De bedoeling van deze site is om de mensen een
beetje meer te informeren over de toch wel rijke geschiedenis van de kerk van
Erpe. Het is misschien niet zo een heel bekende kerk maar daarom hoeft ze niet
oninteressant te zijn. Ik heb in het
maken van dit document bloed, zweet en tranen gestoken maar hoop dat ik hiermee
toch personen kan helpen in hun zoektocht naar de historiek van ons Erpse kerk.
Met de kerstening van de streek rond Erpe
gedurende de 7de en de 8ste eeuw werd op de huidige
kerkheuvel het eerste kerkje gebouwd, heel primitief, van hout en leem en met
stro of riet bedekt. Wanneer men de kerk met duurzamere materialen bouwde is
niet bekend. Wel mogen we de 11de eeuw vooropstellen, de eeuw van
ook de kasteelbouw in de streek rond Erpe. We mogen ook aannemen dat toen de
kerk met duurzamere materialen herbouwd werd, dit werd gerealiseerd door
bemiddeling van de dorpsheer, het lijkt dan ook zeer waarschijnlijk dat we hier
met een villakerk te maken hebben.
We
kunnen deze periode die ongeveer 250 jaar insluit indelen in drie tijdperken,
telkens wanneer de kerkruimte vergroot werd, naarmate de bevolking aangroeide.
Vooral in de 17de eeuw kende Erpe een snelle bevolkingsaangroei.

In deze periode werd
de kerk geplunderd door de geuzen. In 1599, met de katholieke restauratie, werd
de vervallen kerk spoedig hersteld en na een stevige dekking met stro, terug
voor erediensten geopend.

Het is vooral rond 1740 dat de kerk merkelijk vergroot werd, door bijbouw aan
de zuidkant van 2 zijkapellen. Het Romaans torentje aan de noordkant bleef nog
behouden
Omstreeks
het jaar 1770 was de kerk weer te klein geworden. Ditmaal werd ze door
bijbouwing enkele meters verlengd. Het omvatte een derde zijkapel en de verdere
evenwijdige uitbouw van het kerkschip. Op dit laatste timmerde men vooraan een
houten achthoekige toren, voorzien van een uurwerk, maar die niet stevig genoeg
bleek te zijn om de zware klokken te dragen. Het Romaanse torentje aan de
noordflank verdween rond die tijd. Men kan zich nu de vraag stellen waarom dit
romaans-gotische kerkje in 1834 gesloopt werd terwijl op andere plaatsen, mits
de nodige restauratie, het middeleeuws kerkje voor het nageslacht bewaard
bleef. Eén zaak staat vast, dat op een tijdsbestek van minder dan 200 jaar de
bevolking van Erpe verviervoudigde. De bijbouwingen die werden uitgevoerd
brachten de totale lengte niet langer dan de breedte van de huidige kerk. Dit
gebouwtje kon dan ook moeilijk de talrijke gelovigen blijven plaats bieden op
de zondagen en de vele feestdagen van het jaar.

De bouw van de huidige kerk
A.Het voorste deel
In
het jaar 1828 bouwde men het voorste deel van de parochiekerk van Erpe. Het
omvatte: de sacristie, het hoofdkoor en de twee zijkoren, een deel van de
middenbeuk en de zijbeuken, tot en met het tweede kerkvenster.

B.Het tweede deel
Dat
het voorste deel van de kerk met minderwaardige en onvoldoend materialen was
gebouwd, dat is bewezen. Hierdoor bevond dit kerkdeel zich na enkele jaren in
zo een slechte staat, dat het kerkbestuur het noodzakelijk achtte dringende
herstellingwerken te laten uitvoeren. In diezelfde zitting vroeg het
gemeentebestuur aan het “comité van conservatie”, wat is deze zaken bevoegd
was, de toelating voor de verdere van de kerk, omvattende: de midden- en de
zijbeuken met aan elke kant drie vensters, de toren en het portaal, te mogen
uitvoeren. Daartoe werd een plaatselijk comité samengesteld. Dit mocht dan
zonder enige verbintenis arbeiders aanwerven om dit bouwwerk op te starten en
te voltooien.
De
toelating voor deze werkwijze werd door het provinciecomité verleend op 16
september 1834, op voorwaarde dat de goedgekeurde plannen nauwkeurig werden
uitgevoerd en de onkosten een bepaalde limiet niet overschrijden.
Het ‘Notitieboek’ is het enige stuk in het
kerkarchief dat ons inlicht, aangaande de bouw van het tweede deel van de
huidige kerk. Niettegenstaande dat er in de berekeningen veel fouten voorkomen,
is het toch wel een heel belangrijk document.
We
zien er in dat, dit deel van de kerk gebouwd werd door ambachtslieden uit Erpe
zelf in minder dan twee jaar tijd, een recordprestatie in die tijd.
Het
voorbereidende werk begon in de maand september van het jaar 1834: de oude kerk
werd gesloopt, bomen gekocht en ter plaatse gezaagd, bakstenen aangevoerd… Pas
op 5 mei 1835 begon men te bouwen, eind november legde men het werk voorlopig
stil. Half maart 1836 hervatte men de werkzaamheden en einde juli van hetzelfde
jaar was de bouw voltooid.

Op
de foto hierboven is het kerkplein en de kerk te zien in het jaar 1908. Ook
vandaag is er nog steeds dit beeld te zien, op uitzondering van het standbeeld
dat ook op het kerkplein werd geplaatst ter ere van alle oorlogsslachtoffer uit
de twee wereldoorlogen.
Algemeen overzicht van de
parochiale tienden, onroerende goederen, renten en rechten van de kerk van
Erpe.
Elke
landelijke parochie of andere kerkelijke instelling bezat een eigengoed of
dotatiegoed. Zij had ook recht op de tienden.
Het
dotatiegoed
Bij
de stichting van een nieuwe kerk, ontving deze van haar stichter een zekere
dotatie, dit werd hem verplicht te geven. Deze schenking bestond gewoonlijk uit
een deel grond, dit diende vermeld te worden in de stichtingsakte en moest aan
de wijbisschop voorgelegd worden.
In
de 9de eeuw bepaalde Karel De Groote dat iedere kerk een ‘Mansus
Integer’, dit is een bepaalde hoeveelheid land, moest bezitten. Lodewijk De
Vrome scheef daarboven voor dat naast de vernoemde ‘Mansus’ iedere parochie
diende te beschikken over een ‘Curtis’, dit is een hof met woning en stallen
plus vier laten. Hincmar Van Reims drukte de afgevaardigden op het hart dit
overal na te gaan.
Iedere
parochiepriester diende bij zijn aanstelling een ‘dotum’ mee te brengen,
wanneer hij stierf bleef een deel van wat hij bezat eigendom van de parochie.
Daarbij
kwamen nog de giften van de gelovigen, zodat na verloop van jaren het kerkelijk
onroerend goed, op sommige plaatsen, buitengewoon was toegenomen. Nochtans
bleef er in de 11de eeuw van de meeste parochiegoederen nog weinig
over. De kerkheer had ze allemaal ingepalmd, geholpen vooral door de
anarchistische toestanden op het einde van de 9de eeuw en de
invallen van de maygaren en de noormannen, het enige deel dat doorgaans aan
zijn hebzucht ontsnapte was het pastoraal goed, dat de pastoor van de kerk zelf
beheerde. Gedurende de 11de eeuw was een kerkhervorming
noodzakelijk, eens her heilige vuur van de eerste kruistochten ontstoken was
kwam de edelmoedigheid van de christenen weer naar boven, van overal stroomden
goederen en giften naar de kerken. Oude kerkgoederen werden opgespoord een de kerkheren
werden gedwongen deze weer terug te geven.
De
tienden
De
karolingistissche wetgeving maakte op het einde van de 8ste het
tiendenrecht algemeen en verplichtend. Zelfs de stichter van de kerk, in wiens
villa de kerk
gebouwd
was diende de tienden te betalen. Ook bisschoppen en kloosters konden aan deze
belasting niet ontsnappen.
In
de loop van de 9de en de 10de eeuw raakte het grootste
deel van de tienden in handen van de leken.
In
de loop van de 14de eeuw werd het tiendenrecht afgeschaft en kreeg
de kerk een vergoeding van de staat. De kerk bezat vandan af geen goederen,
tienden of rechten meer. Haar inkomsten hangen van dan af af van de
vrijgevigheid van de gelovigen. Deze eeuw bestempelt men als de eeuw van het
begin van de kerk zoals wij ze nu kennen.
Voor
deze informatie werden de volgende bronnen gebruikt: het gemeentearchief van
Erpe, het boek ‘De parochie Sint-Martinus te Erpe’, het boek ‘Zo was Erpe’ en
de kennis van meerdere personen
Heyse
Niels 5EMTa SMI