De bedoeling van deze site is om de mensen een beetje meer te informeren over de toch wel rijke geschiedenis van de kerk van Erpe. Het is misschien niet zo een heel bekende kerk maar daarom hoeft ze niet oninteressant te zijn. Ik heb in  het maken van dit document bloed, zweet en tranen gestoken maar hoop dat ik hiermee toch personen kan helpen in hun zoektocht naar de historiek van ons Erpse kerk.

 

De Kerk van Erpe

 

Met de kerstening van de streek rond Erpe gedurende de 7de en de 8ste eeuw werd op de huidige kerkheuvel het eerste kerkje gebouwd, heel primitief, van hout en leem en met stro of riet bedekt. Wanneer men de kerk met duurzamere materialen bouwde is niet bekend. Wel mogen we de 11de eeuw vooropstellen, de eeuw van ook de kasteelbouw in de streek rond Erpe. We mogen ook aannemen dat toen de kerk met duurzamere materialen herbouwd werd, dit werd gerealiseerd door bemiddeling van de dorpsheer, het lijkt dan ook zeer waarschijnlijk dat we hier met een villakerk te maken hebben.

 

 

Het kerkgebouw, vanaf de katholieke restauratie tot bij haar sloping – 1834

 

We kunnen deze periode die ongeveer 250 jaar insluit indelen in drie tijdperken, telkens wanneer de kerkruimte vergroot werd, naarmate de bevolking aangroeide. Vooral in de 17de eeuw kende Erpe een snelle bevolkingsaangroei.

 

A.Het eerste tijdperk, van 1600 tot vòòr 1740


In deze periode werd de kerk geplunderd door de geuzen. In 1599, met de katholieke restauratie, werd de vervallen kerk spoedig hersteld en na een stevige dekking met stro, terug voor erediensten geopend.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


B.Het tweede tijdperk, van 174O tot vòòr 1775


Het is vooral rond 1740 dat de kerk merkelijk vergroot werd, door bijbouw aan de zuidkant van 2 zijkapellen. Het Romaans torentje aan de noordkant bleef nog behouden

 


C.Het derde tijdperk, van 1775 tot 1834

Omstreeks het jaar 1770 was de kerk weer te klein geworden. Ditmaal werd ze door bijbouwing enkele meters verlengd. Het omvatte een derde zijkapel en de verdere evenwijdige uitbouw van het kerkschip. Op dit laatste timmerde men vooraan een houten achthoekige toren, voorzien van een uurwerk, maar die niet stevig genoeg bleek te zijn om de zware klokken te dragen. Het Romaanse torentje aan de noordflank verdween rond die tijd. Men kan zich nu de vraag stellen waarom dit romaans-gotische kerkje in 1834 gesloopt werd terwijl op andere plaatsen, mits de nodige restauratie, het middeleeuws kerkje voor het nageslacht bewaard bleef. Eén zaak staat vast, dat op een tijdsbestek van minder dan 200 jaar de bevolking van Erpe verviervoudigde. De bijbouwingen die werden uitgevoerd brachten de totale lengte niet langer dan de breedte van de huidige kerk. Dit gebouwtje kon dan ook moeilijk de talrijke gelovigen blijven plaats bieden op de zondagen en de vele feestdagen van het jaar.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 


De bouw van de huidige kerk

 

A.Het voorste deel

In het jaar 1828 bouwde men het voorste deel van de parochiekerk van Erpe. Het omvatte: de sacristie, het hoofdkoor en de twee zijkoren, een deel van de middenbeuk en de zijbeuken, tot en met het tweede kerkvenster.


 

 

 


B.Het tweede deel

Dat het voorste deel van de kerk met minderwaardige en onvoldoend materialen was gebouwd, dat is bewezen. Hierdoor bevond dit kerkdeel zich na enkele jaren in zo een slechte staat, dat het kerkbestuur het noodzakelijk achtte dringende herstellingwerken te laten uitvoeren. In diezelfde zitting vroeg het gemeentebestuur aan het “comité van conservatie”, wat is deze zaken bevoegd was, de toelating voor de verdere van de kerk, omvattende: de midden- en de zijbeuken met aan elke kant drie vensters, de toren en het portaal, te mogen uitvoeren. Daartoe werd een plaatselijk comité samengesteld. Dit mocht dan zonder enige verbintenis arbeiders aanwerven om dit bouwwerk op te starten en te voltooien.

De toelating voor deze werkwijze werd door het provinciecomité verleend op 16 september 1834, op voorwaarde dat de goedgekeurde plannen nauwkeurig werden uitgevoerd en de onkosten een bepaalde limiet niet overschrijden.

Het  ‘Notitieboek’ is het enige stuk in het kerkarchief dat ons inlicht, aangaande de bouw van het tweede deel van de huidige kerk. Niettegenstaande dat er in de berekeningen veel fouten voorkomen, is het toch wel een heel belangrijk document.

We zien er in dat, dit deel van de kerk gebouwd werd door ambachtslieden uit Erpe zelf in minder dan twee jaar tijd, een recordprestatie in die tijd.

Het voorbereidende werk begon in de maand september van het jaar 1834: de oude kerk werd gesloopt, bomen gekocht en ter plaatse gezaagd, bakstenen aangevoerd… Pas op 5 mei 1835 begon men te bouwen, eind november legde men het werk voorlopig stil. Half maart 1836 hervatte men de werkzaamheden en einde juli van hetzelfde jaar was de bouw voltooid.


 

 


Op de foto hierboven is het kerkplein en de kerk te zien in het jaar 1908. Ook vandaag is er nog steeds dit beeld te zien, op uitzondering van het standbeeld dat ook op het kerkplein werd geplaatst ter ere van alle oorlogsslachtoffer uit de twee wereldoorlogen.

 

 

Algemeen overzicht van de parochiale tienden, onroerende goederen, renten en rechten van de kerk van Erpe.

Elke landelijke parochie of andere kerkelijke instelling bezat een eigengoed of dotatiegoed. Zij had ook recht op de tienden.

 

Het dotatiegoed

 

Bij de stichting van een nieuwe kerk, ontving deze van haar stichter een zekere dotatie, dit werd hem verplicht te geven. Deze schenking bestond gewoonlijk uit een deel grond, dit diende vermeld te worden in de stichtingsakte en moest aan de wijbisschop voorgelegd worden.

In de 9de eeuw bepaalde Karel De Groote dat iedere kerk een ‘Mansus Integer’, dit is een bepaalde hoeveelheid land, moest bezitten. Lodewijk De Vrome scheef daarboven voor dat naast de vernoemde ‘Mansus’ iedere parochie diende te beschikken over een ‘Curtis’, dit is een hof met woning en stallen plus vier laten. Hincmar Van Reims drukte de afgevaardigden op het hart dit overal na te gaan.

Iedere parochiepriester diende bij zijn aanstelling een ‘dotum’ mee te brengen, wanneer hij stierf bleef een deel van wat hij bezat eigendom van de parochie.

Daarbij kwamen nog de giften van de gelovigen, zodat na verloop van jaren het kerkelijk onroerend goed, op sommige plaatsen, buitengewoon was toegenomen. Nochtans bleef er in de 11de eeuw van de meeste parochiegoederen nog weinig over. De kerkheer had ze allemaal ingepalmd, geholpen vooral door de anarchistische toestanden op het einde van de 9de eeuw en de invallen van de maygaren en de noormannen, het enige deel dat doorgaans aan zijn hebzucht ontsnapte was het pastoraal goed, dat de pastoor van de kerk zelf beheerde. Gedurende de 11de eeuw was een kerkhervorming noodzakelijk, eens her heilige vuur van de eerste kruistochten ontstoken was kwam de edelmoedigheid van de christenen weer naar boven, van overal stroomden goederen en giften naar de kerken. Oude kerkgoederen werden opgespoord een de kerkheren werden gedwongen deze weer terug te geven.

 

De tienden

 

De karolingistissche wetgeving maakte op het einde van de 8ste het tiendenrecht algemeen en verplichtend. Zelfs de stichter van de kerk, in wiens villa de kerk

 

gebouwd was diende de tienden te betalen. Ook bisschoppen en kloosters konden aan deze belasting niet ontsnappen.

In de loop van de 9de en de 10de eeuw raakte het grootste deel van de tienden in handen van de leken.

In de loop van de 14de eeuw werd het tiendenrecht afgeschaft en kreeg de kerk een vergoeding van de staat. De kerk bezat vandan af geen goederen, tienden of rechten meer. Haar inkomsten hangen van dan af af van de vrijgevigheid van de gelovigen. Deze eeuw bestempelt men als de eeuw van het begin van de kerk zoals wij ze nu kennen.

 

Voor deze informatie werden de volgende bronnen gebruikt: het gemeentearchief van Erpe, het boek ‘De parochie Sint-Martinus te Erpe’, het boek ‘Zo was Erpe’ en de kennis van meerdere personen

 

Heyse Niels           5EMTa                  SMI