Nu ik, Elke De Brouwer, in het vijfde jaar Economie Moderne Talen
zit, moesten we van de leerkracht geschiedenis een bijdrage leveren om de
geschiedenis van ‘chez nous’ een beetje meer duidelijkheid in te brengen en ik heb hiervoor de
Sint-Bavokerk te Mere gekozen. Al mijn informatie en foto’s heb ik gehaald bij
de heemkundige kring van Erpe-Mere. Deze opdracht was afgerond op vrijdag 27
februari 2004.

Wanneer de parochie Mere is
ontstaan is nog niet echt achterhaald en zal misschien nooit ontdekt worden. De
tot nog toe oudste vermelding van de parochie dateert van het jaar 1003. In dat
jaar werd de villa Mere teruggeschonken aan de Sint-Baafsabdij van Gent, voor wie ze, door de invallen van
de Noormannen, was verloren gegaan. Het enige wat ons nog rest uit die
periode is de patroonheilige:
Sint-Bavo. Zijn beeld staat op het rechter zijaltaar

In de loop der eeuwen
veranderde ooit de patroonheilige van de Meerse kerk of werd aan Sint-Bavo een
tweede patroon toegevoegd. Ten laatste in de vijftiende eeuw en tot op het
einde van de achttiende eeuw is in de archieven sprake van de Onze-Lieve-Vrouwe
kerk . Deze patroon houdt verband met de intense Mariavereniging die eeuwenlang
in de kerk van Mere heeft plaatsgevonden. Die devotie concentreert zich rond
het miraculeuze beeld van de Rozenkrans dat op het linker zijaltaar staat.

Van einde en verrre kwam men
vroeger om Maria’s voorspraak af te smeken voor zieken en ongelukkigen. Aan
beide heiligen heeft het hedendaagse volksleven wat over gehouden: op de zondag na 15 augustus (feest van
Onze-Lieve-Vrouw ten Hemel Opneming) een grote kermis en op de zondag na 1
oktober (feest van Sint-Bavo) een kleine kermis.
De huidige kerk dateert uit
het midden van de negentiende eeuw. Ze is de laatste versie van de bidplaats
die hier sedert eeuwen staat. Over de vroegere kerken weten we zeer weinig.
Alleen over de vorige kerk zijn we enigszins ingelicht. Dat was een kleine kerk
op een kruisvormig grondplan met twee traveeën in het schip en een koor met een
driezijdige sluiting. Een ranke vieringstoren bekroonde dit kerkje. De kerk was
wat lager dan het huidige gebouw en volledig opgetrokken in witte zandsteen.
Naar alle waarschijnlijkheid werd deze kerk opgetrokken na een grondige
verwoesting in 1592 en een brand in 1595.

Eerst kwam het koor aan de
beurt (1592), daarna het schip (1604) en tenslotte de toren (1616). In 1623 was
dat nog niet voltooid. Wellicht werd het werk beëindigd circa 1643 (volgens de
datumsteen in de toren). In 1718 brandde de toren, samen met enkele omliggende
huizen af en werd vervangen door een kleiner exemplaar. Dit kerkje werd op het
einde van de achttiende eeuw te klein voor de gemeenschap van Mere. Vergroting
van het bedehuis drong zich op. In 1830 doken de eerste bouwplannen op.

Ze waren van de hand van
architect Johannes Beeckman van Dendermonde. Deze vergrootte en verbouwde de
bestaande kerk en paste ze aan aan de nieuwe smaak: de neogotiek. Gemakkelijk
verliep dat werk niet, want het duurde tot 1849 vooraleer de bouw voltooid was.
Wat werd er gerealiseerd? Het schip werd met twee traveeën verlengd, de
vieringstoren werd vervangen door een toren die aan de oostzijde achter de kerk
staat, het koor kwam tussen toren en schip in. Twee ruime sakristieën werden naast het koor gebouwd.

In de daarop volgende jaren
werd de kerk voorzien van nieuwe meubels. Uiteraard onderging de kerk sedert
die tijd nog vele aanpassingen, zowel technische en decoratieve. De laatste is
zopas afgelopen en het is zeker geen geringe opdracht geweest. Het is vooral
dankzij de inzet van pastoor Jan Keymeulen en de kerkfabriek Sint-Bavo dat deze
restauratie werd gerealiseerd. Tussen 1991 en 1997 werden onder leiding van
architecten van het bureau Bressers te Gent restauratiewerken uitgevoerd. Het
dak werd hersteld, de barsten in de muren gehecht, talloze bak-en zandstenen
vervangen. Elecktriciteitsleidingen werden aangepast aan de noden van de
moderne tijd en de verwarmingsinstallaties werden vernieuwd. Het fel
beschadigde pleisterwerk werd opnieuw keurig afgewerkt. Daarna werd het
interieur aangepakt. Uiteraard moest er geschilderd worden. Toen in 1996 de
Koning Boudewijnstichting de campagne “Wie is er bang van rood, geel en blauw”
lanceerde, werd het dossier van de schilderwerken snel ingediend en…
weerhouden. Dit betekende gratis grondstof en advies voor deze werken. Tevens
werd het probleem aangepakt van de zeer storende uitblaasmonden van de nieuwe
verwarmingsinstallatie. Verlichting werd vernieuwd, meubilair en koorinrichting
aangepast aan de moderne liturgie. Zo zal voortaan het koor dienst doen als
doopkapel, terwijl het altaar en spreekgestoelte meer naar het midden van de
kerk worden verschoven. Tenslotte werden de schilderijen van het hoofdaltaar en
de kruisweg gereinigd en gerestaureerd.
De geschiedenis van deze kerk
laat zich voor een stuk aflezen uit de architectuur. Bekijken we daarom het
gebouw eerst aan de zuidzijde. Wat daar onmiddellijk opvalt is het aparte
gebruik van zand-en baksteen. In de drie meest oostelijke traveeën van het
schip werd hoofdzakelijk zandsteen verwerkt, de twee achterste delen bouwde men
in baksteen.

Heel duidelijk zien we hier
hoe een oude kerk werd vergroot met andere materialen. Van de oude zeventiende
eeuwse gevels heeft men zoveel mogelijk bewaard of gerecupereerd, toen men in
de negentiende eeuw de kerk verbouwde. Voor de nieuwe delen wendde men baksteen
aan, zandsteen diende alleen nog om enkele accenten te leggen die een gotische
stijl moesten imiteren: de steunberen, de hoektorentjes en de plint. Vooraan
zijn het koor, de toren, de sakristieën en de oostelijke afsluitwanden van de
zijbeuken in Boomse steen opgetrokken. Ook deze gevels dateren uit de
negentiende eeuw. Letten we ook op het dak: één groot zadeldak over de drie
beuken van de kerk. Over de lengte van het schip loopt de nok in oost-west
richting, op de eerste travee gaat ze gedeeltelijk in noord-zuid richting. Dit
schept de illusie dat er een dwarsbreuk zou zijn, hoewel dit thans niet het
geval is. Nochtans kunnen we ons niet van de indruk ontdoen dat de kleinde
verbreding van het schip een restant is van een vroegere dwarsbreuk, temeer
daar deze travee is afgesloten met een puntgeveltje. Aan de oostzijde van de
kerk bevinden zich het koor en de toren. In het koor zijn alleen twee grote
ramen te vermelden. Ze bevatten mooie glasramen. Tegen de zuidgevel van het
koor bevindt zich een groot kruisbeeld onder een dakje: wellicht het restant
van een calvariegroep. Links en rechts daarvan bevindt zich een arduinen
gedenksteen tegen de muur als herinnering aan bijzondere Meerse figuren. Deze
grafstenen verwijzen naar de tijd dat het kerkhof zich rond de kerk bevond. Tot
1910 werd daar begraven.
De toren is een bouwwerk van
circa 24m hoog op een vierkant grondplan, met daarop een spits van 12m hoog.
Hij is langs de oostzijde toegankelijk via een dubbele deur. Daarboven zijn
twee witte zandstenen ingemetseld die afkomstig zijn uit de oude kerk. De
bovenste daarvan vertoont het jaartal 1643. Deze inscriptie was de laatste
jaren volledig verdwenen door de erosie van de steen, doch op basis van teksten
die in 1900 werden opgetekend werd het jaartal opnieuw aangebracht bij de
laatste restauratie. Waarschijnlijk verwijst het jaartal naar de voltooiing van
de vorige kerk. De tweede jaarsteen met vermelding 1744 bevindt zich daaronder.
De herkomst hiervan is geheimzinniger. De steen werd pas in de loop van deze
eeuw geplaatst, nadat men hem in een verloren hoekje in de toren gevonden had.
Misschien komt ook deze reliek uit de oude kerk en verwijst ze naar het herstel
van de toren, na de brand van 1718.
Op de eerste verdieping van
de toren bevindt zich één rondboogvormig venster, in het bovenste gedeelte zijn
er vier maal twee galmgaten en een torenuurwerk. De noorgevel van de kerk is
symmetrisch met de zuidelijke wand. Bemerk hier de restanten van een verbouwing
in de eerste travee.
Dan aanschouwen we tot slot
de voorgevel. Deze sobere gevel is nagenoeg volledig vlak. Er wordt alleen wat
ritme gebracht door de aanwezigheid van twee zandstenen hoektorentjes en twee
vlakke pilasters in het verlengde van de scheimuren tussen midden-en zijbeuken.
Vijf te kleine torentjes bekronen de gevelpunt. Verder werden een vijftal
lichtpunten ingewerkt: twee spitsvormige ramen en twee kleine ronde vensters in
de zijbeuken en één groot roosvenster in de middenbeuk. Dit venster werd lange
tijd gedeeltelijk verstopt achter de wijzerplaat van een uurwerk. Thans is het
weer vrijgemaakt. Het portaal in het midden van de gevel is een dubbele houten deur,
gevat in zandstenen omlijsting. Daarin staat sedert 1929 een beeld van het H.
Hart van Jezus.

Het werd geschonken door de
heer Gilbert de Rijck en vervaardigd door het atelier Haenecourt te Anderlecht.
Voor die tijd was er een volledig houten portaal met spitsbogen.
Links van de lijkdeur hangt
een kleine gedenksteen. Hij werd op 5 oktober 1958 aangebracht door de
Kongolese Herdenkingsbond ter nagedachtenis van twee Meerse Zusters van Liefde.
Deze moedige Meerse vrouwen overleden beiden zeer jong tijdens hun
missioneringswerk in Zaïre. Onzichtbaar voor de toeschouwer, maar absoluut het
vermelden waard is tenslotte een eenvoudige baksteen , boven in de punt van de
gevel, die het jaartal 1842 draagt.

Bij het betreden van de kerk
komt deze over als een grote, vrij homogene ruimte van 27m lang en 21m breed.
Acht rond en vier halve zuilen verdelen het schip in drie beuken: een
middenhoge beuk van 14m en twee zijbeuken van 10m hoog.

Het weinige licht valt hier
binnen langs twaalf spitsboogramen en twee ronde vensters in de voor-en
zijgevels. Deze bevatten eenvoudige gekleurde glasramen zonder figuratieve
voorstellingen. Acht van deze ramen werden in 1904 aangebracht in vervanging
van de originele ijzeren ramen met “halfwit” (mat)glas. Ze zijn het werk van de
Gentse glazenier Emile Canton en werden geplaatst onder leiding van architect
M. Valcke. In 1927 werden naar aanleiding van het overlijden van juffrouw
Judith De Rijck nog twee ramen in de voorgevel vervangen door steenkapper De
Vos uit Aalst. Het gekleurde glas werd geleverd door Louis Grossé uit Brugge
naar een ontwerp Van Severen uit Dendermonde. Het grote rosas in de voorgevel
zit grotendeels verstopt achter het orgel en biedt dus weinig licht.


Het koor, twee treden hoger
gelegen dan het schip, is een handige ruimte van 11m lang en 7,3m breed. De
twee grote roosvensters hier bevatten wel figuratieve glasramen: het Lam Gods
(rechts) en de Pelikaan (links), twee eucharistische symbolen bij uitstek. Ze
werden vervaardigd door Camille Canton uit Gent in 1910. De kerk is geplaveid
met zwarte natuursteen uit Basècle (Basekse steen) waarin met witte
marmertegels patronen zijn gelegd. Vijf witte marmertegels herinneren nog aan
de tijd dat er in de kerk begraven werd.
De wanden van het schip zijn
onderaan bekleed met eikenhouten beschotten. De beschildering van de wanden is
naar een ontwerp van de architecten Monique Stoop (Gent) en Bart D’Herde
(Mere). Ze kozen voor een sombere decoratie, die na een “witte periode” van
ongeveer vijfentwintig jaren, teruggrijpt naar de neogotische inspiratie. Het
heeft een warme grijze grondkleur gekregen met accenten in vuil groen, -blauw
en bruin-rood. De motiefjes bevinden zich op de gewelfsleutels, de aanzetten
van de gewelven, de halfzuiltjes in de middenbeuk en rond de ramen. De zuilen
kregen sombere lijntjes die een verlengend effecht hebben. Het koor, dat door
de aanwezigheid van het grote altaar en de grote lichtpartijen een indruk geeft
van barok, kreeg een witte grondkleur. De schelpvorm boven het altaar werd
blauw met gouden sterren geschilderd en het altaar werd wit gemarmerd. Zowel de
midden- als de zijbeuken zijn overwelfd met houten bepleisterde
kruisribgewelven.


Vooraan in het koor staat een
groot uitgebouwd houten muuraltaar. Het meubel is traditioneel samengesteld uit
verschillende elementen: in het midden is er een altaartafel die rust op een in
hout geïmiteerde sacrofaag. De tafel draagt een typisch nisvormig tabernakel.
Daarboven trekt een schilderij met de voorstelling van
Onze-Lieve-Vrouw-ten-Hemel-Opneming alle aandacht.
Links en rechts daarvan zijn
in de hoeken muurschilderingen van de HH.Petrus en Paulus aangebracht. De
figuren zijn in goudkleur op een blauwe achtergrond geschilderd. Door dit bijzonder
kleurgebruik en de trompe l’oeiltechniek komen ze voor als grote vergulde
standbeelden. Het geheel is afgewerkt met een zware kroonlijst, een kopstuk met
voluten en twee vaasornamenten.
Staande op de kleine
voetstukjes aan de zuilen van de kerk, bevinden zich verscheidene
heiligenbeelden. Over hun herkomst zwijgen de archieven in alle talen. Ze zijn
van verschillende grootte en in verschillende materialen gemaakt, hetgeen er
kan op wijzen dat ze op verschillende ateliers zijn aangekocht. Nochtans vormen
ze een mooi ensemble, dat een schip van de kerk op een zinvolle manier opsmukt.
Zo zie je maar dat er veel te
vertellen valt over een kerkje in een kleine dorpje, maar met wat ik hierboven
allemaal heb vernoemd, is alles zeker nog niet gezegd. Maar toch hoop ik dat ik
toch een beetje heb geholpen met de verduidelijking van de geschiedenis van
“chez-nous”, want moest het niet zo zijn, zou het héél erg spijtig zijn, na al
het werk en de tijd die ik hierin heb gestoken!!!!