Infinitivkonstruktionen (Mär.4)


Terug
1. Meerdere infinitieven
2. Vervangende infinitief
3. Doen / laten + infinitief
4. Blijven + infinitief
5. Gaan + infinitief
6. Liggen te / staan te / zitten te + infinitief
7. Ohne zu / statt zu / um zu + infinitief
8. (Om) te + infinitief
9. Zu + infinitief
10. Infinitief als zelfstandig naamwoord
11. Gebruik onvoltooid deelwoord 1
12. Gebruik onvoltooid deelwoord 2
13. Voltooid deelwoord bij werkwoorden met Dativ

1. Meerdere infinitieven: omgekeerde volgorde van het Nederlands!

Ich habe wegen Krankheit nicht kommen können. ... kunnen komen. Wird er das Problem losen künnen? ... kunnen oplossen?

2. Vervangende infinitief: bij sommige werkwoorden komt in het Duits een voltooid deelwoord voor in plaats van een infinitief

a) Modale werkwoorden en brauchen + infinitief
Sie hat ihn nicht leiden können. Das hätten Sie Sie nicht tun brauchen. Dat had U niet hoeven te doen.
Er hat nicht bleiben können. Hij is / heeft niet kunnen blijven. (*.*->) Het laatste werkwoord bepaalt het hulpwerkwoord (in dit geval haben bij een modaal werkwoord)

b) Lassen / sehen + infinitief (voorkeur); bij hören mag beide:
Ich habe sie nicht vorbeikommen sehen. Haben Sie ihn schon mal Deutsch sprechen hören / gehört? ... horen spreken?

c) Lernen /  lehren / machen + voltooid deelwoord (voorkeur) :
Ich habe ihn schätzen gelernt. Ik heb hem leren waarderen. Ich habe ihn lesen gelehrt. Ik heb hem leren lezen. Er hat mich lachen gemachtHij heeft mij doen lachen.

3. Doen / laten + infinitief:

a) In het Duits gaat machen / doen + infinitief alleen met werkwoorden zoals weinen / lachen / zittern / glauben / vergessen / von sich reden:
Er macht in letzter Zeit viel von sich reden. Hij doet de laatste tijd veel van zich spreken. Er will mich glauben machen, dass...

b) In de andere gevallen moeten we voor doen + infinitief in het Duits een ander werkwoord gebruiken:
Das brachte mir zum Verzweifeln. Dat deed me twijfelen. Das Bild erinnerte mich an ihre Jugend) ... deed me denken aan...Die große Nachfrage steigerte die Preise. ... deed de prijzen stijgen.

c) Lassen + infinitief is wel gebruikelijk: Warum haben Sie mich kommen lassen?

d) Laten we + infinitief wordt een Imperativ: Schweigen wir darüber. Laten we daarover zwijgen.

4. Blijven + infinitief:

a) Bleiben + infinitief gaat alleen maar met werkwoorden die een toestand uitdrukken: (be)stehen / hängen / sitzen / stehen / wohnen:
Bleiben Sie ruhig sitzen. Wollen Sie hier in Zukunft wohnen bleiben?

b) In de betekenis van voortduren of herhalen vertalen we blijven met immer weiter /  immer noch:
Es regnete immer weiter. Het bleef maar regenen. Er spricht immer noch davon. Hij blijft erover praten.

5. Gaan + infinitief:

a) Gehen + infinitief  is alleen maar mogelijk als er sprake is van een werkelijke beweging:
Wann gehen wir ihn mal besuchen? Er geht oft schwimmen / wandern / spazieren. Sie geht immer früher schlafen.

b) In de betekenis van zich voornemen  wordt gaan in de eerste persoon (ich, wir) vertaald met wollen en anders met werden:
Wir wollen es noch einmal probieren. We gaan / willen het nog éénmaal proberen. Was wird er jetzt machen? Wat gaat / zal hij nu doen?

6. Liggen te / staan te / zitten te + infinitief:

a) In de betekenis van bezig zijn met blijven deze werkwoorden onvertaald: Er sah fern und sie las ein Buch. Hij zat tv te kijken en zij zat te lezen.
b) Als we beide werkwoorden willen benadrukken moeten we twee zinnen gebruiken: Sie saß auf der Terrasse und las ein Buch. Ze zat op het terras een boek te lezen.

7. Ohne zu / statt zu / um zu + infinitief:

a) Ohne zu zonder te / statt zu in plaats van te / um zu om te moeten langs zu met een infinitief verbonden worden:
Ohne zu arbeiten, kann man nicht erreichen.  Zonder (te) werken kan men niets bereiken. Sie sparten das ganze Jahr, um ihren Urlaub zahlen zu können. Stattt zu schreiben, werde ich dich anrufen.

b) Alvorens te / door ... te / na ... te + infinitief worden respectievelijk vertaald door bevor / indem / nachdem + een volledige bijzin.
Du musst gut nachdenken, bevor du unterschreibst. Je moet goed nadenken alvorens te ondertekenen. Indem du jeden Tag übst, wirst du das auf die Dauer gut kenn. Door elke dag te oefenen ... . Nachdem er gegessen hatte, machte er sich an die Arbeit. Na gegeten te hebben ging hij aan het werk.

8. (Om) te + infinitief:

a) Um zu + infinitief drukt een gevolg (na een adjectief + genug) of een bedoeling uit:
Er ist alt genug, um sichselbst zu helfen. Sie fuhr jeden Samstag in die stadt um einzukaufen.

b) Zu + infinitief wordt gebruikt in onderwerp- en voorwerpszinnen (die soms ingeleid worden met een voornaamwoordelijk bijwoord: darauf, damit, dazu):
Der Präsident rief die Streikenden Arbeiter dazu auf, wieder an die Arbeit zu gehen. ... (om) weer aan het werk te gaan. Wir haben mit allen Mitteln versucht, ihn für unseren Plan zu gewinnen. ... (om) hem voor ons plan te winnen.

c) Zu + infinitief ook na zelfstandige naamwoorden als bijvoeglijke bepaling:
Seine Verweigerung, an dem Projekt teilzunehmen, enttäuschte uns. Ich hatte noch nie die Gelegenheit, Hamburg zu besuchen.

9. Zu + infinitief:

a) In onderwerpszinnen kunnen we in het Duits zu + infinitief gebruiken afwijkend van het Nederlands: So etwas (zu) versprechen ist sehr einfach. Zoiets beloven is erg gemakkelijk.

b) Zu staat altijd vóór de laatste infinitief: Ich möchte vorschlagen, den Fall untersuchen zu lassen.

10. Infinitief als zelfstandig naamwoord:

a) Elke infinitief kan zelfstandig gemaakt worden (hoofdletter!): Das Reisen macht ihr Spaß.

b) Voorzetsel + gesubstantiveerde infinitief in vaste uitdrukkingen (dikwijls met lidwoord!): im Handumdrehen, im Vertrauen, vom Sehen, vom Hörensagen, zum Mitnehmen, zum Verzweifeln

11. Gebruik onvoltooid deelwoord bij passieve wendingen:

Het onvoltooid deelwoord = Partizip Präsenz = Infinitiv + -d kan, zoals in het Nederlands ook als adjectief gebruikt woorden en wordt dan ook als dusdanig verbogen. Let op het volgende gebruik bij passieve wendingen:
Die zu lösen-d-en Probleme  de op te lossen problemen; die zu erledigende Arbeit het te verrichten werk

12. Gebruik onvoltooid deelwoord bij hoe-bepalingen (alleen niet te gebruiken bij het aangeven van een reden):

Lachend ging er weg. Übung macht der Meister. Al doende leert men. Über / Beim Lesen ist er eingeschlafen. Al lezend is hij ingeslapen.

13. Het voltooid deelwoord kan bij werkwoorden met een Dativ in het Duits niet gebruikt worden:

Indem seine Eltern ihm halfen, / Durch die Hilfe seiner Eltern gelang es ihm. Geholpen door zijn ouders slaagde hij erin.


Terug