-
de bal met beide kanten van je stick spelen
-
de bal met je voeten/benen/lichaam stoppen
-
de bal met je voeten naar je eigen stick spelen
-
de bal met je lichaam beschermen (afhouden)
-
buitenspel staan (er bestaat geen buitenspel)
-
vanaf overal in het veld scoren
-
de bal via de boarding spelen
-
de bal achter het doel langs spelen
-
continu spelers doorwisselen terwijl het spel doorgaat
-
direct scoren vanuit een vrije slag of inslag
-
schouderduw in strijd om de bal
|
-
met je voeten scoren of passen naar een andere speler
-
de bal met je hoofd/armen/handen spelen
-
op de stick van de ander slaan
-
stick van de ander liften of van boven blokken
-
uitzwaaien met je stick boven heuphoogte (hoge stick)
-
de bal boven kniehoogte met de stick uit de lucht halen (hoge stick)
-
liggend/zittend of springend de bal spelen
-
pushen bij een vrije bal
-
de stick tussen de benen van de ander plaatsen
-
als speler in het keepersgebied komen
-
de tegenstander verhinderen naar de bal te lopen (obstructie)
-
body checks
|