Hulpen & beenzetting

Als iemand mij vroeger zou gezegd hebben dat het belangrijk was om te weten in welke volgorde een paard z’n voeten neerzet, dan had ik het niet echt geloofd. Daarna dacht ik - ja, misschien als je een galoppirouette uitvoert, dan moet je wel weten waar zo’n voet naartoe moet. Of bij het vierkant halthouden, dan moet je kunnen voelen waar zo’n voet precies is, om ‘m bij te kunnen zetten.

In een clinic bij Gail moesten we een voor een met onze paarden langs Gail draven, en “nu” roepen op het moment dat het binnenachterbeen op de grond - vertrok. Wel, ik kon blijkbaar wel voelen wanneer die voet op de grond kwam, en een beetje waar hij helemaal boven was, maar niet het precieze moment dat het been vanop de grond vertrok - en nochtans is dat precies het moment dat je een (been-)hulp moet toepssen, want dan heb je alle tijd om het been te beinvloeden. Als het op de grond staat is het te laat - of te vroeg. Elke traditionele hulp is net hierop gebaseerd. Elke hulp die we kennen is ontstaan om een bepaald been te beinvloeden. Een galophulp, een halve ophouding, lichtrijden - het “waarom en hoe” heeft allemaal betekenis voor een of ander been.

Het is dus basiskennis, maar niemand die het ooit zo beschouwt, en als je tien instructeurs vraagt waarom je moet lichtrijden op het buitenvoorbeen, waarom je buitenbeen naar achter moet als je aanspringt, waarom je bij een gewone rechtdoor-draf been geeft bij het naarboven gaan en niet bij het gaan zitten zijn er maar heel weinig die je kunnen uitleggen warom je moet doen wat je moet doen.

Het lijkt heel moeilijk, weten in welke volgorde een paard z’n benen neerzet - draf gaat nog, maar naar galop kijken lijkt chaotisch en aan stap is geen beginnen aan.

Gelukkig - zoals bij alles is het simpel, als je het weet.

Stap

Naar stap kijken lijkt een ongelooflijke wirwar van voeten - hoe een paard daar niet bij struikelt, lijkt ongelooflijk. Nochtans zet het paard gewoon eerst de ene kant van de benen neer, en dan de andere kant. Alleen - het achterbeen en het voorbeen bewegen niet tegelijk, maar met een klein tijdsverschil - de opvolging is gebroken. Meer bepaald beweegt eerst het achterbeen naar voor, en duwt als het ware het voorbeen weg. Kijk eens naar een paard in stap, en concentreer je bijvoorbeeld op het rechterpaar. Je ziet het rechterachterbeen naar voor bewegen, en net als die het rechtervoorbeen gaat bereiken, maakt het voorbeen dat het weg is. Het ritme is dus rechtachter-rechtsvoor, linksachter-linksvoor.

Ook in je stoel kan je voelen hoe de beweging in elkaar zit - na een been komt altijd de hand aan dezelfde kant, en dan begint het andere paar.

Ga in de wei zitten, kijk naar een grazend paard dat zich traag stappend voortbeweegt, en probeer te zien welk been het volgende been zal zijn dat het paard gaat neerzetten.

Stap beweegt dus in vier tellen - 1-2-3-4. Omdat stap een viertaktbeweging is kan je misschien nog niet zien, maar wel hóren wanneer een stap onregelmatig is. Laat het paard stappen op een harde ondergrond en sluit je ogen. Het 1-2-3-4 klinkt normaal heel regelmatig en zonder onderbreking. Hoor je bijvoorbeeld dat de 4 heel snel achter de 3 komt, dan betekent dit dat er iets met nummer 3 aan de hand is - het paard ontlast dit been en wil er z’n gewicht zo snel mogelijk afhebben.

 

Draf

Draf is een beweging van afwisselende diagonalen. De benen bewegen netjes in paren - linkerdiagonaal, rechterdiagonaal, linkerdiagonaal, rechterdiagonaal, linkerdiagonaal, rechterdiagonaal, enzovoort.

De linkerdiagonaal bestaat uit linksvoor + rechtsachter, de rechterdiagonaal bestaat uit rechtsvoor + linksachter.

Als je gaat draven, doe dan eens je ogen toe, en probeer te voelen welke diagonaal naar voor beweegt. Als nu iemand je vraagt welk achterbeen naar voor beweegt, en je kan het niet voelen, dan is de oplossing simpel: als het linkerachterbeen naar voor beweegt, dan beweegt ook het rechtervoorbeen naar voor. De rechterschouder stulpt op die kant uit naar voor, dat kan je heel goed zien. We zitten dus in de rechterdiagonaal.

Omgekeerd: als je de linkerschouder naar voor ziet bewegen, weet je dat het rechterachterbeen ook naar voor beweegt.

Draf is een tweetaktbeweging, want je hoort 1-2,1-2,1-2.

Nu weet je meteen waarom er bij keuringen (fokkerij of veterinair) ook op harde ondergrond wordt gedraafd met het paard aan de hand. Ook hier hoor je of de beenzetting regelmatig is. Hoor je een piepklein drietje dan is de takt niet regelmatig - ergens is er ruzie in het huishouden, en is de gelijke voortbeweging in een diagonaal paar verbroken.

 

 

Galop

Galop is nog een variatie op het thema diagonaal.

We gaan ervanuit dat de galopsprong vanachter begint, en wel met een diagonaal. Kijken we eerst naar de linkergalop, zo genoemd naar het linkervoorbeen dat je verder naar voor ziet grijpen dan het rechter.

De eerste diagonaal is - zoals bij stap - een verbroken diagonaal, die vanachter begint (het achterbeen is baas!). Eerst wordt het rechterachterbeen neergezet. Het rechterachterbeen duwt het linkervoorbeen weg, net zoals bij draf. Tot hiertoe niks nieuws onder de zon.

Nu de tweede diagonaal - een ononderbroken diagonaal - linkerachterbeen en rechtervoorbeen bewegen tegelijk, net zoals in draf. Alleen komt die andere diagonaal er niet achter, maar er snel tussenin. De ene diagonaal wordt onderbroken door de andere.

Of je zou ook kunnen zeggen dat het paard afduwt op het rechterachterbeen (het hele gewicht van het paard valt op dat ene achterbeen!), dan rolt het als het ware z’n gewicht, steunend op de tweede diagonaal naar het voorbeen toe, dat dan alle gewicht daarop verzameld krijgt. Je ziet wel dat dat voor het paard het moeilijkst moment is van de hele galop - niet alleen komt het hele gewicht van paard én ruiter hier op die ene hoef terecht, bovendien moet het paard op dat moment z’n hele lichaam als het ware bijtrekken om voldoende momentum te hebben om doorheen het zweefmoment weer het hele gewicht naar achter te kunnen brengen om aan de volgende galopsprong te kunnen beginnen.

Rechtergalop begint linksachter, dan krijg je de andere diagonaal (rechtsachter + linksvoor), en dan het rechtervoorbeen. Daarna het zweefmoment.

Galop is dus een drietaktbeweging, en je hoort 1,2,3,1,2,3,1,2,3.

Er bestaat ook een viertaktgalop, en paarden die zich in galop moeilijk laten verzamelen, paarden die traditioneel wat moeilijker galoperen zoals dravers, paarden die enorm verzameld galoperen maar daar nog niet aan toe zijn, hebben al wel eens een viertaktgalop. Dan wordt de tweede diagonaal verbroken - de twee benen worden in plaats van gelijk, apart neergezet.

Contragalop is geen “verkeerde” galop. De galopsprong is nog steeds juist, alleen rij je linkergalop op de rechterhand en omgekeerd. Kruisgalop is wanneer de voorbenen in linkergalop, maar de achterbenen in rechtergalop zitten, of omgekeerd.

Hoe kan je die beenzetting voelen?

Als je de beenzetting in elke gang kent, kan je natuurlijk altijd kijken naar een schouder. Beweegt die naar voor, dan weet je meteen welk achterbeen in beweging is.

Het is moeilijker om te voelen waar de achterbenen zijn - en omdat we vooral met het binnenachterbeen praten tijdens het rijden, is het van belang dat je vooral dàt kan voelen.

Daarom moeten we eerst eens kijken wat het lichaam van zo’n paard eigenlijk doet als het beweegt. Als het paard vierkant stilstaat, begint het altijd eerst met een achterbeen te stappen. Het paard plooit daarvoor in bekken en spronggewricht. Omdat het paard dan niet meer op dit been steunt, zakt de linkerheup naar beneden. Het been beweegt nu naar voor en neemt de linkerheup mee. De ruggengraat plooit en de ribbenkast trekt samen, en valt naar binnen. Als je achter een stappend paard gaat staan, zie je duidelijk de heup links/rechts “vallen”- sta je ernaast, dan zie je de heup mee naar voor bewegen.

Als je in het zadel zit, probeer dan of je in je zit die roterende beweging kan voelen.

Om de hulp op het juiste moment te geven, moeten we dus de hulp geven net op het moment dat het been van de grond afkomt. Dan heb je bij wijze van spreken “een zee van tijd” om het been te beïnvloeden, voor het weer op de grond wordt gezet. Je hebt dus de meeste invloed als het paard als het been net begint aan de voorwaartse beweging.

Probeer dus of je dit allemaal kan voelen:

  • als het linkerachterbeen van het paard neerkomt op de grond, voel je een hele klein duwtje in je linkerzitbeenknobbel.
  • als het linkerachterbeen van het paard neerkomt op de grond (voor de vertikaal), gaat de linkerheup van het paard naar boven.
  • als het linkerachterbeen van het paard verder naar achter beweegt (achter de vertikaal) en dus duwt, beweegt de ribbenkast, die als aan een kapstok is opgehangen aan de ruggengraat en links-rechts beweegt als een slingerklok, tegen je been aan. Net als het paard links achteraan helemaal afduwt om dat been op te gaan heffen (en het daarna naar voor te bewegen) bereikt de ribbenkast z’n uiterste punt. Direct daarna geef je je hulp. In de praktijk betekent dat dat de ribbenkast net dan tegen je been duwt - al wat je dus moet doen is dit voelen en de “botsing” iets aanhouden door te volgen bij het terug naar binnen bewegen van de ribbenkast.
  • als het linkerachterbeen naar voor beweegt, valt de linkerheup mee in een roterende beweging - onze linkerzitbeenknobbel valt ook mee.
  • daarna beweegt het been verder naar voor en de ribbenkast links valt in - nu valt ons linkerbeen mee naar beneden en binnen.
  • zodra het linkerachterbeen weer neerkomt, voel je een beetje meer druk op je linkerteugel - zodra het been begint te duwen, moet je dat teugelcontact al verlicht hebben - dat zijn de zogenaamde “gevende” of “volgende” handen.
  • De beweging van het achterbeen kan je als het ware als eb en vloed in je handen voelen.

Het paard mee ”voorwaarts duwen” (in een van achter naar voor strijkende beweging) met je been heeft geen zin - die beweging duurt te lang en remt daardoor juist af, omdat je dan tegen de weer naar achter gaande beweging van het terugkerende been ingaat.

Gaat het paard actief voorwaarts, dan doen we vanzelfsprekend niks. Als we immers bij elke stap gaan meetikken, heeft dit geen enkele betekenis meer voor het paard. Het wordt dan iets dat “erbij hoort”, achtergrondmuziek. Verliest het paard impuls, dan kunnen we weer even om voorwaarts vragen - per slot van rekening is het loslaten van een hulp juist een beloning.

In draf en galop helpt het kunnen voelen van de links-rechts voorwaartse beweging van de achterbenen ons juist om beter te kunnen doorzitten. Als je je concentreert op het voelen van het afwisselende links-vooruitgaan van je linker zitbeenknobbel, en dan op het rechts-vooruitgaan van je rechterzitbeenknobbel -en niet op het op en neer- gaan - dan help het volgen van dit gevoel om veel vaster in het zadel te blijven zitten.

In het begin moet je hier echt over zitten nadenken en naar schouders kijken. Als je naar een les kijkt vanaf de zijlijn, neem er een paard uit en probeer je dan voor te stellen wat je zou voelen.

Daarna wordt het voelen een tweede natuur. En het is belangrijk dat je hierover begint na te denken, want beenzetting dicteert de timing van de hulpen. Of zoals Ritter ergens schrijft “When you think about the horse's hind legs, he will start thinking about his hind legs soon, too.”

Lichtrijden in draf

Waarom moeten we lichtrijden “op het buitenbeen”? Ik heb jàààren rondgereden zonder precies te weten waarom ik naar dat buitenvoorbeen moest kijken om tegelijk met het naarvoor gaan daarvan, naar boven te gaan. Ik wist alleen dat andersom “verkeerd” was. Ik vroeg het ook nooit - eigen schuld. Ondertussen ben ik redelijk zeker dat veel instructeurs het zélf niet eens weten. Het is nochtans superlogisch, en het antwoord ligt alweer in de diagonalen.

Iedereen weet - of hoort te weten - dat de motor vanachter zit. En we weten nu ook dat als het buitenvoorbeen naar voor gaat in draf, het binnenachterbeen tegelijk mee naar voor beweegt. Daarin ligt het simpele antwoord: om recht te kunnen rijden op een rechte lijn, en meer nog: om gemakkelijker een wending door te komen, moet het paard het binnenachterbeen makkelijker (en verder naar voor) kunnen onderbrengen. Dus ontlasten we het binnenachterbeen: we komen uit het zadel op het moment dat dat binnenachterbeen naar voor komt, zodat het makkelijker naar voor kan bewegen.

Het werkt ook andersom: meteen is verklaard waarom je als vanzelf “op het goeie been” lichtrijdt als je vanuit galop in draf gaat. Het binnenachterbeen gaat ruimer naar voor dan het buitenachterbeen, en je wordt als het ware zelf door dat been naar boven geduwd.

Voel je niet direct wat “het goeie been” is na een overgang? Blijf twee passen zitten en kijk snel naar de schouder. Het zal niet lang duren voor je het ook echt kan voelen. Een wending rijden

We hebben het nu even niet over het concept van “de buitenteugel” waar veel ruiters mee worstelen. We halen uit de hulpen voor een wending alleen even het waarom van het “binnenbeen aanleggen”. Net zoals we lichtrijden om het gemakkelijker te maken voor het binnenachterbeen, vragen we datzelfde met ons binnenbeen. Waarom moeten we dat eigenlijk tegen de flank van het paard aanleggen - en waarom reageert een paard daar eigenlijk instinctief op?

Als je goed hebt gelezen hoe je de beenzetting kan voelen - en vooral hoe je kan voelen dat de binnenribbenkast weer van je been weg begint te trekken omdat het binnenachterbeen dan vertrekt vanop de grond - weet je het antwoord al.

Om het binnenachterbeen verder naar voor te kunnen laten gaan, hebben we plaats nodig. Die plaats kunnen we creëren door het paard te buigen -als het ware rondom het binnenbeen- maar ook -en daar staan veel mensen niet bij stil- door de ribbenkast van het paard, zijdelings verder weg te kantelen van het been.

Je ziet meteen dat het weinig zin heeft om het paard met het binnenbeen aan te tikken op het moment dat je gaat zitten bij het lichtrijden. Met de ene hulp (uit het zadel komen) zeg je dan wel “ik maak het je gemakkelijker”, maar met de andere hulp (been aanleggen) praat je tegen het verkeerde achterbeen. De juiste timing zit nét ertussenin.

Een paard dat nog niet goed buigt, zal eerder z’n achterhand naar buiten uitzwaaien. Dat kan je tegengaan door ondermeer je buitenbeen naar achter te leggen, als een signaal om te zeggen “nee nee, blijf ook met je achterhand op het spoor”.

Hoe beter je paard buigt, hoe minder dat je het buitenbeen nodig hebt om een wending te rijden.

De halve ophouding

De halve ophouding is een korte vraag met teugel en zit, maar ook hiermee praat je met de benen van het paard. Je vraagt je paard om het gewicht net iets meer op de achterhand -de achterbenen- te schuiven, zodat je makkelijk naar een andere oefening kan. De halve ophouding is dus niet bedoeld om het achterbeen te beinvloeden op het moment dat het zweeft, maar op het moment dat het op de grond wordt gezet, en begint te steunen. Als het been voorbij de vertikaal op de grond naar achter beweegt, is het te laat voor een halve ophouding, want dan begint het alweer te duwen.

Een halve ophouding mag dus maar een fractie duren, en dus is het beter eerst met het ene been, dan met het andere been te praten. Daarom is het niet zomaar eender op welke teugel je die halve ophouding vraagt. Je voert beter een paar korte halve ophoudingen na elkaar uit dan een lange.

Als je lichtrijdt, is dit makkelijk te voelen om in perfecte timing uit te voeren. Als je uit het zadel komt, doe je een halve ophouding op de buitenteugel, want dan praat je met het binnenachterbeen. Ga je weer zitten, dan gebruik je de binnenteugel om met het buitenachterbeen te praten.

Natuurlijk is een halve ophouding in de eerste plaats een vraag met je zit (bekken) - maar ook met je handen geef je feedback aan je paard. Overgang van draf naar galop

Waarom moet je buitenbeen eigenlijk naar achter om aan te springen in galop?

In de overgang van draf naar galop gaan de paardenbenen van diagonale 1-2, 1-2 beenzetting naar de 1-2-3, 1-2-3 kadans van de galop. Draf gaat zo: rechtsachter+linksvoor, linksachter+rechtsvoor. (Linker)galop gaat zo: rechtsachter, linksachter+rechtsvoor, linksvoor, (zweefmoment). Je ziet dus dat de diagonaal rechtsachter+linksvoor moet verbroken worden naar een aparte beenzetting, en dat de andere diagonaal blijft, maar daar tussenin moet komen. Ook hier weer een logische samenhang met het binnenbeen: je buitenbeen houdt het buitenachterbeen als het ware nét iets langer op de grond waardoor de overgang gemakkelijker wordt. Op dat moment wordt die ene drafdiagonaal verbroken - vanop het buitenachterbeen moet het paard immers net iets langer kunnen steunen om het binnenvoorbeen de kans te geven iets hoger én vooruit te laten grijpen, en die andere diagonaal moet er ook nog eens tussen kunnen.

Hoe beter het paard getraind (hoe sterker het is), hoe minder lang dat buitenachterbeen op de grond moet blijven om de rest van die eerste galopsprong op te kunnen bouwen. Dan krijg je van die mooie overgangen waar het ritme niet verbroken wordt. Je binnenbeen wekt de impuls en vraagt tegelijk een beter onderkomen van het binnenachterbeen (eigenlijk van die hele overblijvende drafdiagonaal).

Inge Teblick © www.ingeteblick.be