Nee aan de 'drijvende zit'
Ik hoor vaak hoe instructeurs vragen om een drijvende zit te gebruiken. Dat wil zeggen: de leerling wordt dan aangemoedigd om te gaan duwen met de zit, in het bijzonder in zittende draf en galop, in het foute geloof dat daarmee de impuls wordt verhoogd. Wel - ik kan nog steeds niet geloven dat een zo onlogisch iets ooit een geaccepteerd gebruik werd - maar dat wérd het, en alhoewel de meer verlichte Duitse trainers dit idee verlaten hebben, wordt het nog veel aangeleerd in Scandinavië, Nederland en België - en vooral in de UK.
Je zitknobbels in je zadel boren heeft echter als enige resultaat dat je paard er een pijnlijke rug, en jij een ontvelde onderkant aan overhoudt. Het doet absoluut niks voor de impuls, en heeft daarentegen het compleet omgekeerde effect.
Laten we eerst eens bekijken hoe de rug van een paard beweegt. In stap gaat de ene kant van de rug naar beneden op het moment dat het achterbeen van die kant eronder naar voor wordt gezwaaid. De rug komt weer omhoog als de voet wordt afgezet op de grond (zie ook Horsemanship 1-2002).
Je zal voelen dat je zitbeenknobbel aan die kant naar beneden zakt als de rug naar beneden gaat, en dat hij daarna naar boven en voorwaarts wordt geduwd als de voet van de groond afkomt. Terwijl de ene zitbeenknobbel naar beneden gaat, wordt de andere omhoog geduwd - het voelt alsof je zitbeenknobbels meestappen met het paard.
Dat kan je alleen maar voelen als je niet zit te drijven met je zit. Als je beide zitbeenknobbels tegelijk vooruit duwt (dat is de bedoeling bij de drijvende zit) in een inspanning om je paard in beweging te zetten, ontken je dus eigenlijk je eigen gevoel van wat daar onder je gebeurt. Het paard reageert hierop door te vertragen, want die duwende zit verhindert dat de rugspieren omhoog kunnen komen. Omdat zijn rug in twee helften beweegt, maar jouw zitbeenknobbels als één geheel vooruit/achteruit bewegen, druk je dus telkens één helft van z’n rug naar beneden op het moment dat die omhoog wil komen. Daardoor drukt hij z’n rug weg (geholpen door jouw druk), heft z’n hoofd, z’n achterbenen slepen achteraan, en hij trekt zichzelf vooruit op z’n voorhand. Als je met een drijvende zit op één van mijn schoolmeesterpaarden gaat zitten, dan stopt hij gewoon. Probeer het eens op je eigen paard en kijk eens wat er gebeurt. Je zal onveranderlijk meer been of zweep nodig hebben om het paard in beweging te krijgen.
Blyth Tait, de Australische Olympische militaryruiter gaf eens een clinic. Een vriendin van mij die erbij was, vertelde dat hij de ruiters met een drijvende zit vroeg om hun benen van het paard af te houden en dan hun drijvende zit toe te passen. De paarden vertraagden of stopten, en dat was bewijs genoeg! Ook aan Dr. Reiner Klimke (op een clinic hier) werd eens gevraagd waarom hij het nooit over de drijvende zithulpen had. De grote ruiter keek even heel verward, en antwoordde toen: “Waarom zou ik mijn zit gebruiken, als ik twee goeie benen heb?”! Integendeel - de drijvende zit werd bij hem als vertragende hulp aangeleerd!
De drijvende zit kan - bij draf doorzitten - twee effecten hebben op het paard. Als het een paard een flegmatieke instelling heeft, dan zal hij vertragen. Als hij een heet, druk temperament heeft, zal hij gaan rennen. Ook dat heeft niets te maken met het verhogen van de impuls. Het paard schiet onder de ruiter weg in een poging om aan dat vervelende gevoel op z’n rug te ontsnappen, dus gaat sneller lopen. Snelheid is echter geen impuls. Impuls kan alleen maar ontstaan als de achterbenen geëngageerd zijn, niet door het paard als een tank mee te nemen.
Er wordt trouwens een reden gegeven waarom de drijvende zit wordt aangeleerd. Je weet dat als je paard op je teen gaat staan, en je wil ‘m eraf duwen, dat hij dan gewoon gaat tegenleunen. Een paard gaat van nature tegen de druk in.
Daar komt het geloof in de dressuur van dat als je je zit dieper in het zadel drukt, dat hij zal gaan tegendrukken. Nu - de paardenrug heeft een aantal reflexpunten - ook onder het zadel - waardoor hij, als je op die punten drukt, z’n rug laat vallen en ‘m hol maakt. Als reflex doet hij daarbij ook z’n hoofd omhoog. Dat noodzaakt de ruiter er vervolgens toe om het hoofd van dat paard weer naar beneden te zagen, in een poging te voorkomen dat hij dat hoofd omhoog doet en dus z’n rug holmaakt. Het paard dat op die manier naar beneden geforceerd wordt (vaak, erger nog, met de extra “hulp” van bijzetteugels of slof) kan dan - zo wordt er geredeneerd - niet anders doen dan z’n rug omhoog brengen.
Ga eens op handen en voeten zitten (handen en voeten, niet handen en knieën)? Doe je hoofd omhoog en maak je rug hol - en probeer nu voorwaarts te stappen. Moeilijk? Doe nu je hoofd naar beneden, en je rug omhoog. Nu kan je vrijuit vooruit bewegen.
Ga nu op een stoel zitten, en kruis je benen. Als iemand op een bepaald plaatsje op je knie tikt, krijg je een reflex-beenbeweging: je onderbeen komt omhoog. Nu weet je dat de tik komt, en je kan je been spannen, het tegen het andere aandrukken, en de reflex tegenhouden. Dat is in essentie wat het paard doet bij de drijvende zit, en met het hoofd naar beneden gedwongen: hij spant z’n rug wel tegen de zit, maar in verdediging tegen het ongemak ervan.
Jawel, dat bouwt spieren op. Wel de verkeerde soort: de opgeblazen, gespannen soort spierbundels die je bij bodybuilders ziet - niet de soepele spieren van een danser of turner.
Daarom staat er op testbladen bij dressuurwedstrijden zo vaak: “vastgehouden rug” of “te kort in de hals”. Als het paard echt losgelaten en “door” werkt, bouwt hij de juiste soort spieren op om met lichtheid en gemak, en zelfdragend te werken - het bewijs van de ware rijkunst.
Het effect van de drijvende zit is trouwens ook nefast voor de ruiter zelf. Behalve dat mensen zich op deze manier openrijden, is het ook de oorzaak van het flapperende onderbeen en knikkend hoofd dat je zo vaak bij dressuurruiters ziet. Als beide zitbeenknobbels tegelijk voorwaarts drijven, zakken beide knieën naar beneden; en als de zitbeenknobbels weer naar achter komen, komen de knieën weer omhoog - en zo wiebelt het onderbeen heen en weer en weg van de zijde van het paard. De beweging wordt niet opgevangen door de onderrug, en dus komt ze eruit op de eerstvolgende plaats waar dat mogelijk is: de nek en de schouders
Het is echt heel belangrijk om de beweging te absorberen op een manier die de beweging van de paardenrug reflecteert. Ik heb een leersysteem ontworpen dat de ruiter helpt om die beweging aan te voelen. Ik heb dat voor het eerst (lang geleden) zien doen toen ik naar een paar heel goede Western-ruiters keek, en bewonderde hoe gemakkelijk ze leken te zitten in het zadel. Toen ik doorhad wat ze precies deden, bleek het iets te zijn dat ik op die manier zeker niet van m’n eigen instructeur had geleerd. M’n vrienden zagen onmiddellijk de vooruitgang in m’n rijden, en vroegen me waar ik les had genomen. Toen ze me vroegen het hen uit te leggen, was dat de start van m’n eigen instructeurscarrière. Ik gebruik dit leersysteem nu al derig jaar, maar het is nog beter geworden sinds de Equisimulator is uitgevonden: een machine die de beweging van het paard simuleert. De machine reageert overduidelijk op de drijvende zit - hij slaat tilt. Niet omdat we hem zo hebben ontworpen, maar omdat de beweging die de ruiter maakt met de drijvende zit, zo tegengesteld is aan de beweging van de machine. Als de machine al zo moeilijk doet bij de drijvende zit, denk dan eens hoe dat moet voelen aan die paardenrug...
De beweging absorberen
Hoe vaak hoor je niet dat instructeurs hun leerlingen volgend advies geven: “zit dieper”, “ontspan je rug”, “zit stil”, of “ga mee met de beweging” in een poging om hun leerling te helpen “kleven” in het zadel. Voor de beginnende ruiter zijn dergelijke adviezen even helder als modder, omdat ze geen precieze instructies krijgen hoe ze de beweging van het paard moeten absorberen.
Als het de bedoeling is dat de ruiter makkelijk zit in het zadel, alsof hij ermee verlijmd is, dan kan dat alleen als de ruiter synchroon beweegt met het paard.
Zit recht op een stoel. Maak een lichte, natuurlijke holling in je onderrug. Voel hoe je bekken naar voor rolt, op de voorkant van je zitbeenknobbels (die hebben de vorm van de steunpoten van een schommelstoel). Zorg dat je bovenlichaam stil blijft, en dat het niet meeschommelt met je bekken - alleen je bekken zélf mag bewegen. Zet het bekken weer recht, zodat de rug weer plat wordt - maar ga niet voorbij het punt dat die de andere kant op gaat, namelijk bol wordt, waardoor de ribbenkast zou toeklappen. Oefen dit een paar keer: trek je rug in (buig), en weer recht, en voel je zitbeenknobbels werken als een pivotpunt op de stoel.
Dit is de eigenlijke beweging waarmee je alle opwaartse en neerwaartse golvingen in de paardenrug kan opvangen. In essentie, wat er gebeurt is dat je (door het buigen en weer strekken van je ruggengraat) je ruggengraat evenveel verlengt of verkort als de paardenrug omhoogkomt en weer naar beneden gaat. Op deze manier kan je zacht in het zadel blijven zitten - zonder te botsen of te knijpen.
De paardenrug gaat echter niet alleen op en neer, maar ook heen en weer. In stap is er nauwelijks een op en neergaande beweging - alleen de links-rechtsbeweging, en zelfs een beginner kan dat uitzitten zonder zich onveilig te voelen. In draf en galop wordt het al wat moeilijker.
In stap is het nog altijd noodzakelijk om je bewegingen te synchroniseren met die van het het paard. Laat je zitbeenknobbels op en neer meenemen als de paardenrug naar beneden gaat aan de ene kant, en omhoogkomt aan de andere kant. Dat is precies dezelfde beweging die je moet kunnen volgen in draf, maar dan gecombineerd met het strekken en buigen van de ruggengraat, op de manier zoals ik hierboven beschreef - in het een-twee een-twee ritme van de draf.
Het zal veel makkelijker zijn om in het zadel te blijven, omdat je je als een eenheid beweegt, en niet tegen je paard in. Als leerlingen (en niet alleen beginners, ik werk heel vaak met mensen die al jaren rijden) dit voelen, roepen ze vaak “het is alsof de benen van het paard mijn eigen benen zijn geworden!”, want plots kunnen ze voelen welk achterbeen ondertreedt, en weer afzet, of welk voorbeen van achter naar voor grijpt.
Het is belangrijk dat je niet teveel passen achter elkaar wil doorzitten. Probeer een vijf-zes passen netjes te coördineren, en wees daar tevreden mee. Rij heel veel overgangen tussen stap en draf - dat is ook goed voor je paard, omdat de kwaliteit van de gang behouden blijft en het voor jezelf zowiezo gemakkelijker is om goed te blijven zitten. Bouw geleidelijk op naar 10 - 12 passen, dan naar 15 of 16, tot je, voor je het goed en wel beseft, comfortabel kan zitten voor zolang het nodig is.
In galop doe je hetzelfde. De buiging hoeft alleen maar in het 1-2-3 ritme van de galop: het is de onderrug die de beweging moet absorberen, niet door het bovenlichaam vooruit en achteruit te zwaaien. dat ziet er niet alleen lelijk uit, de zitbeenknobbels boren zich daarbij in de paardenrug, en onderdrukken zo de nodige golfbeweging in de paardenrug - waardoor de galop vlak en levensloos wordt. “Roeien” met de schouders maakt de zit zwaar en duwt de galopsprong in elkaar, waardoor het voor het paard veel moeilijker wordt om z’n rug te ronden onder de ruiter. Ik heb een simulator die niet mechanisch, maar op springveren werkt - de ruiter moet hem zelf bewegen. Als de ruiter daarop roeit met het bovenlichaam, worden de springveren zo erg ingedrukt dat als ze weer omhoog komen ze de ruiter er bijna afgooien - de machine “bokt” als het ware!
Als de machine er al zo over denkt, hoeveel erger moet het dan niet bij een paard voelen?
De beweging van de paardenrug op deze manier absoreberen verhindert niet dat de rug omhoog kan gebracht worden. De zitbeenknobbels blijven steeds op dezelfde plaats boven de rug, en gaan links/rechts mee naar boven en beneden. De ruiter lijkt stil te zitten in het zadel - en dat ziet er veel aangenamer uit dan al dat gewiebel dat je zo vaak ziet in galop.
De ruiter die de beweging kan absorberen met z’n zit heeft een ander waardevolle hulp tot z’n beschikking: de vertragende zithulp. In alle neerwaartse overgangen, of het nu van galop naar halt is, draf naar stap, enzovoort, als je je zit “sluit” door je achterwerkspieren aan te trekken tegelijk met je bovenbeenspieren, dan voelt het paard het verschil tussen met hem meebewegen, en het opzettelijk tegenbewegen. Zijn reactie zal zijn om te vertragen of te stoppen, naargelang hoe sterk je deze hulp gebruikt.
Als je deze hulp samen met het sluiten van je onderbeen gebruikt, zal het paard ondertreden in de achterhand doorheen de overgang. Elk paard reageert hierop, of ze er nu in getraind zijn of niet. Het is een biomechanische reactie, geen geconditioneerde respons, hoewel het paard naarmate dit meer geoefend wordt met verschillende strektes, steeds gevoeliger zal reageren. Mijn eigen hengst bijvoorbeeld gaat van galop naar halt met een sterk samentrekken van de zit, zal naar stap overgaan met een iets minder sterke hulp, en naar draf met een heel lichte hulp.
Dat is het geheim van de zachte overgangen, waarbij het niet de hand is die primeert, en dus de nek niet wordt ingekort/gecomprimeerd. Als je op een dressuurtest ziet staan “paard kort in de nek” dan betekent dat dat de hand trekt in een poging om het paard te vertragen of te verzamelen. Als de zit daartegen wordt gebruikt als een vertragende (en dus nooit als een drijvende!) hulp (of een verzamelende, maar dit artikel is te kort om daar op in te gaan) dan kan elk paard voorwaarts blijven doorheen de overgangen - zonder “erin getrokken” te worden.
Je zal verbaasd staan hoeveel je ‘gevoel’ en timing voor de hulpen je krijgt als je je meer bewust bent over wat er onder je gebeurt. Het kan een nieuwe dimensie toevoegen aan je rijden, en je vermogen verhogen om je paard te rijden zonder weerstand. Onthou vooral dit: als je zelf geen duidelijk beeld hebt van wat je eigenlijk vraagt van je paard, hoe kan je paard het dan weten?
Bovenal: luister naar je paard, want hij is de beste leraar van allemaal.
© Heather Moffet, 2000, met toestemming vertaald door vertaald door Inge Teblick
Oorspronkelijk artikel op http://www.enlightenedequitation.com
|