Het loslaten is even belangrijk als de rijhulp zelf

Als ik les geef zie ik dikwijls dat studenten hun hulpen een beetje halfslachtig toepassen. De hulpen hebben geen duidelijk begin of einde. Dit komt waarschijnlijk ten gevolge van een bepaalde onzekerheid: de student is niet zeker of hij de juiste hulp toepast, of deze op het juiste moment wordt gegeven, met de juiste intensiteit en of de hulp goed gecoördineerd is met andere hulpen. Hierdoor is de gegeven hulp noch vis noch vlees en onbegrijpelijk omdat de ruiter bang is een fout te maken of het paard pijn te doen. Hierdoor begrijpt het paard de hulp niet goed en kan ze ook niet uitvoeren: de hulp dringt niet door. Omdat de hulp niet doordringt tot het paard, komt er geen reactie van het paard en zal de student geen release geven.
Sommige studenten hebben zelfs de opvatting in hun achterhoofd dat de ruiter moet nageven als het paard nageeft, maar vermits het paard dit niet doet (hij heeft immers de hulp niet opgepikt!) geeft de ruiter niet na. Omgekeerd: omdat de ruiter niet nageeft zal het paard meer en meer opspannen, paard en ruiter komen zo heel snel in een touwtrekkerij terecht die geen van beide kan winnen. Deze touwtrekkerij wordt niet altijd uitgevoerd met sterke hulpen, in sommige gevallen wordt de wederzijdse spanning slechts met enkele grammetjes teugelcontact opgebouwd. Maar het resultaat is wel hetzelfde als wanneer men wel sterke hulpen zou gebruiken en er vele kilo’s gewicht aan de teugels worden gehangen.
Daarom is een van de dingen die ik benadruk in mijn lessen dat elke hulp duidelijk herkenbaar moet zijn als informatiedrager. Dit is slechts mogelijk indien er voor en na de hulp een release of moment van «stilte» is.
In dit opzicht is de “release” zoals de grafische tekens die woorden, passages en zinnen van elkaar scheiden in geschreven teksten: de blanco ruimtes die woorden van elkaar isoleren, de hoofdletter aan het begin van een zin; punten, komma’s en punt-komma’s die passages en zinnen visueel van elkaar onderscheiden; nieuwe lijnen en insprongen die het begin van een nieuwe paragraaf aanduiden, hoofdings als grafische reflectie van een nieuw hoofdstuk enz. Zonder al deze markeringen zou een tekst zeer moeilijk te lezen zijn doordat de informatiedeeltjes die bij elkaar horen niet als dusdanig herkend worden.
Het paard dat gebombardeerd wordt door een onophoudelijke stroom van hulpen zit in dezelfde situatie. Hij weet niet waar de ene hulp eindigt en de volgende begint en heeft bijgevolg geen tijd om ook maar één commando uit te voeren. Dit heeft tot resultaat dat hij ofwel opgeeft om de ruiter nog te begrijpen en hem dus uit frustratie zal negeren, ofwel wordt hij kwaad en rebels. Beide reacties van het paard hebben meestal tot gevolg dat de ruiter zijn hulpen harder zal geven en paard en ruiter in een neerwaartse spiraal van slechter wordende effectieve communicatie terechtkomen.
De weg hieruit is om elke hulp voor een nieuwe overgang, beweging of richtingsverandering te laten voorafgaan door een welbewuste pauze. Eens diep ademhalen terwijl hij zijn benen en armen ontspant kan de ruiter hierbij helpen. Deze pauze verwittigt het paard dat er iets nieuws gaat komen. Het is zoals de dirigent van een orkest die met zijn stokje even op de notenstaander tikt voor het orkest begint te spelen. Omdat de release het paard alert maakt kan de daaropvolgende hulp zeer licht en klein gegeven worden.
Deze geïsoleerde release is zeker zo belangrijk als de uiteindelijke actieve hulp. Je zou kunnen zeggen dat de betekenis en nadruk van de actieve hulp afgeleid wordt van zijn herkenbaarheid. Hoe meer de hulp erbovenuit steekt, hoe duidelijker het paard de hulp kan waarnemen en hoe meer hij geneigd zal zijn om erop te reageren. Indien de hulp echter op de achtergrond verdwijnt zal het paard deze niet opmerken.
Een erg belangrijk aspect in deze context is dat de ruiter in staat is om perfect stil te zitten, met respect voor het paard. Dit is een soepele, mobiele rust, een optische illusie die ontstaat door het elastisch opvangen van de bewegingen van de paardenrug door alle lichaamsdelen van de ruiter die verbonden zijn met het paard.
Indien de ruiter rusteloze benen heeft die bij elke stap tegen het paard botsen, dan zal het paard dit onophoudelijke bonzen als zinloos gerammel beschouwen. Hoe moet hij dan nog de toevallige hulp herkennen die de ruiter probeert te geven? Hij kan deze niet herkennen, zelfs niet indien hij zou willen. Hetzelfde geldt voor wapperende handen en botsende zitbeenknobbels.
Als de ruiter daarentegen geleerd heeft om elke beweging van het paard te volgen met een zacht contact van zijn zitbeenderen, benen en handen, dan is hij in staat om dit contact aan te passen door het te verzachten, te verzwaren of zelfs tijdelijk te onderbreken. Dit kunnen we weer met muziek vergelijken: de ruiterhulpen worden muzieknoten die een zekere tijdswaarde hebben (zoals volle noten, halve noten, 1/4 noten, 1/8 noten e.d.m.) maar ook een zekere intensiteit of volume (van pianissimo tot fortissimo) en die geplaatst worden in een bepaald ritme (2-takt draf, 3-takt galop, 4-takt stap) en tempo van de pas (van largo tot presto) en die van elkaar gescheiden worden door pauzes. Elke hulp (hand, knie, dij, kuit, zitbeen enz.) heeft zijn eigen partituur en speelt zijn eigen lied. Toch moeten tegelijkertijd alle hulpen zodanig gecoördineerd worden als de instrumenten in een symfonisch orkest.
De combinatie van al deze elementen laat de ruiter toe te communiceren met zijn paard door een oneindig aantal nuances in zijn hulpen. Het bekwame gebruik van al deze nuances en hun respectievelijke volledige reeks van mogelijkheden draagt ook bij tot het winnen en houden van de aandacht van het paard, net zoals een goed acteur de aandacht van zijn publiek kan trekken door gebruik te maken van tempo, volume en pauzes in zijn act. Soms kan fluisteren de aandacht van het publiek meer trekken dan roepen, hetzelfde geldt voor pauzes. Monotomie doet het publiek in slaap vallen daar waar dynamische veranderingen in een of meerdere parameters zelfs het meest slaperige publiek kunnen wakker maken, net zoals bij paarden.
Pauzes hebben nog een ander voordeel: ze geven de ruiter de tijd om het resultaat te evalueren. Hierbij kan de ruiter vergeleken worden met een schilder die op een groot doek aan het schilderen is. Om verf op het doek te strijken moet de schilder zo dicht bij het doek gaan staan dat hij nooit het hele schilderij kan zien. Na elke borstelstreek moet hij een stap achteruit gaan om zo het geheel te kunnen zien. Dit staat hem toe om te zien wat er nog ontbreekt aan het werk. Na deze schatting stapt hij terug dichterbij en brengt nog wat meer verf aan, gevolgd door een terugstap en evaluatie van het resultaat.
De ruiter doet net hetzelfde. Hij moet inschatten welk effect elke hulp heeft op zijn paard. Het resultaat van deze evaluatie zegt hem hoe hij verder moet werken, i.e. of de hulp succesvol was of niet, of misschien maar gedeeltelijk succesvol.
De ruiter moet ook het complete plaatje in het oog houden, i.e. de lange termijn ontwikkeling van zijn paard. Hij moet de ontwikkeling op alle verschillende gebieden opvolgen. Soms moet de ruiter een compromis sluiten op een bepaald punt om zo vooruitgang op een ander punt mogelijk te maken. Bijvoorbeeld: de impuls moet soms tijdelijk tot op zekere hoogte opgeofferd worden om de ontspanning van het paard en het vertrouwen in de ruiter te verbeteren. Als deze laatsten dan voldoende gevestigd zijn, kunnen impuls en verzameling als nieuw doel gesteld worden. Langs de andere kant: proberen om impuls en verzameling te bereiken vooraleer ontspanning en vertrouwen opgebouwd zijn, zou alleen maar leiden tot spanning en angst.
Als we de toepasselijkheid van release en pauze bekijken, zou je kunnen zeggen dat de release de tegenhanger is die zin verleent aan de actieve hulpen. In ons conventioneel denken neigen we er teveel naar om ons volledig op de actieve hulpen toe te spitsen, terwijl we vergeten dat het eigenlijk de release en de pauze zijn die de hulp toelaat door te dringen tot het paard. Dikwijls kan het paard niet antwoorden op een hulp tot hij released wordt. De conclusie die elke ruiter uit deze observaties moet trekken is dat het niet de hulp is die het resultaat uitlokt, maar wel de combinatie van release – hulp – release. Deze combinatie moet dan ook gezien worden als het meest essentiële communicatieve deel. Let op hoe dit essentiële deel uit TWEE releases bestaat en slechts EEN actieve hulp ! Dit op zich zou al de belangrijkheid van de release moeten benadrukken.


© Thomas Ritter, 2000, met toestemming vertaald door Eva Gellaerts
Oorspronkelijk artikel op
http://www.classicaldressage.com