Wat is verzameling en welk doel dient het?


De Van Dale verklaart de term ‘verzameling’ onder andere als ‘bijeenbrengen, bundelen". Wanneer we van verzameling spreken in het kader van paardrijden bedoelen we doorgaans het bij elkaar brengen van voor- en achterhand, waardoor het paard als het ware als een veer ingedrukt wordt. Een paard dat in drie stukken loopt mist de verbinding tussen voor en achterhand, en door verzameling wordt het verband tussen voor- en achter geaccentueerd. Het paard gaat bij iedere stap afwisselend buik- en rugspieren aanspannen en strekken tijdens de beweging, waardoor een golvende beweging ontstaat. Een belangrijk kenmerk van verzameling is dat de achterhand actiever gaat dragen, en om dat te bereiken zullen de gewrichten in die achterhand meer moeten buigen. Zo ontstaat een verende aanspanning die het mogelijk maakt de voorhand lichter te maken.

Vele grote meesters, zoals Xenophon voor het begin van onze jaartelling, of De la Gueriniere enkele eeuwen terug, benadrukken het belang van het systematisch opbouwen van de bespiering waardoor verzameling onder de ruiter mogelijk wordt, en sindsdien heeft vrijwel iedere professional die iets op papier zet over rijkunst, paardensport, paarden scholen en rijinstructie, er wel aandacht aan besteed.
Het is een misverstand dat de recreatieruiter het paard niet zou hoeven verzamelen.

Voor de recreatieve ruiter, de meeste buitenrijders en zeker voor de endurance-sportruiter is verzameling net zo goed van belang. Als we het paard onevenredig op de voorhand gaan belasten met ons toegevoegde ruitergewicht en we verzuimen om het paard zodanig te begeleiden dat het zijn natuurlijke evenwicht uiteindelijk weer zoveel mogelijk opzoekt, zal het paard vroeg of laat slijtage aan de voorbenen oplopen. Een primair doel van verzameling is dus om dit te voorkomen.
Om inzicht te krijgen in het fenomeen verzameling, zou je onderscheid kunnen maken tussen het voortbewegen in natuurlijk evenwicht (wat het paard het grootste deel van de tijd doet, namelijk tijdens eten, verkennen), en voortbewegen met enige verstoring in het evenwicht, hetgeen het paard slechts zo nu en dan uit zichzelf doet (tijdens vlucht, territoriale conflicten, spelen). Als wij met het paard slechts in een rustig tempo stappen, dan heeft het paard weinig reden om te verzamelen en zal dit uit zichzelf ook niet of nauwelijks doen. Ook tijdens de western jog loopt het paard zo vlak mogelijk in een natuurlijk evenwicht zonder verzameling. Zodra het paard echter (langdurig, in doorsnee langer dan een kwartier per dag) energiek gaat draven en/of galopperen met de ruiter, dan bestaat het risico dat het vermeerderde gewicht op de voorhand tot overmatige slijtage gaat leiden. Immers, deze manier van voortbewegen is geen regel maar uitzondering voor het paard. Dit is mijns inziens op zichzelf voldoende reden om het paard te helpen bij het hervinden van een zo gunstig mogelijke gezamenlijke gewichtsverdeling die overbelasting van de voorhand voorkomt.
In de klassieke rijkunst en ook in de hedendaagse dressuursport dient de verzameling (naast dit ‘sparen’ van het paard) ook nog een tweede doel, namelijk een schwungvolle presentatie, waarbij het paard er uit ziet alsof het in opperste staat van opwinding is, terwijl het tegelijkertijd geconcentreerd en mentaal ‘open’ moet staan voor de aanwijzingen van de ruiter. De ruiter voert met het paard samen het toneelstuk ‘kijk mij eens geweldig zijn’ op, waarbij het paard geleidelijk wel geprikkeld wordt tot een staat van verhoogde paraatheid, maar niet zodanig dat de adrenaline alle overige processen in de hersens overstemt. Immers, dan is de combinatie onmogelijk in staat om precies op de letter die staaltjes van ‘opwinding’ te presenteren die op dat specifieke moment in de proef of kür worden gevraagd.

Enkele kunststukjes die het paard in relatief uitzonderlijke staat van opwinding uitvoert zijn de levade en alle ‘schoolsprongen’, maar uiteraard ook het appuyement, het galopchangement, de pirouette, enzovoort. Ze zijn ‘natuurlijk’ in situaties van opwinding en uitgelatenheid, maar die gemoedstoestand is slechts een fractie van de dag waar te nemen bij het paard in zijn natuurlijke habitat. Jaime Jackson noemt dit in zijn boek “The natural horse” ‘unnatural imbalanced locomotion’. Ik vind die term ongelukkig gekozen, omdat de frequentie waarmee een fenomeen zich presenteert op zichzelf niet als argument kan dienen om te concluderen dat minder vaak ook ‘onnatuurlijk’ zou zijn. Mijn voorkeur gaat uit naar momenten van verstoord evenwicht, waarbij die verstoring niet in termen van ‘goed’ of ‘fout’, maar puur feitelijk als ‘wel of niet in balans’ moet worden opgevat. Een paard dat voor z’n leven vlucht loopt een betrekkelijk korte tijd met een vrij serieus verstoord evenwicht, omdat het lichaamsgewicht in dat geval zo’n 70% of meer op de voorhand drukt. Het paard prioriteert instinctief : eerst overleven!

Als het paard de keus heeft onder min of meer comfortabele omstandigheden, zal het zichzelf vooral verzamelen bij uitzonderlijke bewegingen (spelen, hierarchiekwesties, pronken om de aandacht te trekken van merries enz.). In die zin zou verzameling dan ook onnatuurlijk zijn. Dit leidt mij tot de aanname dat verstoring van het natuurlijk evenwicht in beide richtingen (meer op de voorhand, dan wel meer op de achterhand) relatief uitzonderlijk is, terwijl gedurende het overgrote deel van de dag paarden in een natuurlijk evenwicht voortbewegen zonder zich te verzamelen. In die zin is verzamelen natuurlijk, maar meer ‘uitzondering’, en is het zonder verzameling bewegen ‘gewoon’.


Om de kans op extra slijtage door het ruitergewicht tijdens regelmatig voortbewegen in draf en galop te begrijpen is enige kennis van het skelet en de bespiering van het paard nodig. De achterbenen van het paard bestaan uit een ‘ harmonica’ die scharniert in een drietal gewrichten. Het achterbeen heeft daarmee dus veerkracht om extra gewicht te kunnen dragen, schokken te kunnen opvangen, en af te zetten voor een sprong. Voor de voorbenen geldt dit in mindere mate. Immers, het voorbeen kan bij het neerkomen en afzetten feitelijk slechts buigen in het kogelgewricht. Vanuit de schouder worden elleboog en knie voornamelijk gestrekt voor het voortbewegen, maar in belasting worden deze gewrichten niet of in zeer geringe mate als ‘veer’ gebruikt. Het paard ‘rolt’ over het voorbeen heen als het in zijn natuurlijke stap voortbeweegt. In die zin is het voorbeen minder goed uitgerust om schokken op te vangen, iets wat bij de gangen draf en galop (en uiteraard springen!) aan de orde is. Ik kan me bovendien zo gauw geen dier voor de geest halen dat uit zichzelf langere tijd op zijn handen (hard) loopt. Als de clown in het circus op z’n handen loopt, dan beperkt zich dat toch meestal tot ‘stappen’. De atleet die na een flikflak neerkomt op de armen, buigt slechts enigszins in de elleboog, een beweging die het paard beperkt helpt vanwege de naar verhouding korte, en voornamelijk in het lichaam opgesloten ‘bovenarm’.

Gaan we nu uit van een rustige stap, waarbij het stuwmoment niet groter is dan het draagmoment (de tijd en de mate waarin het achterbeen ten opzichte van de loodlijn die vanuit de heup naar de grond kan worden getrokken voor = draagmoment, dan wel achter = stuwmoment beweegt), dan is het paard vrijwel in balans, vooral als het zelf kan beschikken over de hals om het evenwicht te herstellen. Het gaat dan in natuurlijk evenwicht, waarbij het gewicht van de ruiter weliswaar relatief meer op de voorhand rust dan op de achterhand, maar het gezamenlijk zwaartepunt zal zich dan dicht bij de plaats waar de ruiter zit bevinden. De algemeen geldende theorie dat het gewicht van het paard in rust verdeeld is als 2/5 op de achterhand en 3/5 op de voorhand is voorzover mij bekend niet wetenschappelijk onderzocht. Het plaatsen van een paard op vier weegschalen, met en zonder ruiter, meet weliswaar zonder beweging, maar zou wel eens tot een verrassende bijstelling van die aanname aanleiding kunnen geven. Immers, het zo natuurlijk mogelijk gehouden paard heeft het grootste deel van de dag de maag en darmen vol. Je praat dan toch over een aanzienlijk gewicht dat voornamelijk achter het algemeen aangenomen zwaartepunt te vinden is. De plaats waar de ruiter zit is boven de ribbenkast (die de longen beschermen), en zoals bekend zitten daarin als het goed is geen zaken van gewicht… Verder moet bedacht worden dat het gezamenlijke zwaartepunt continue verandert in beweging, maar dat in stap nauwelijks extra krachten (veroorzaakt door snelheid) worden uitgeoefend op de voorhand, tenzij de stap overhaast is en het paard zich meer voortstuwt dan draagt. (Probeer zelf eens het verschil uit tussen normaal lopen en jezelf zonder veel buiging in knie en/of heup naar voren laten ‘rollen’ – daarvoor moet je dan dus echt wat naar voren gaan leunen. Stel je voor dat je een heuvel afloopt om te ervaren hoe je als vanzelf extra buiging in knie, heup en enkel gebruikt om in evenwicht te blijven). Afsluitend zou je kunnen concluderen dat de recreatieruiter die een uur in de week rustig maar actief stapt tijdens een buitenrit niet primair hoeft te werken aan verdere verzameling. (Dat dit wel eisen stelt aan de manier waarop zo’n paard wordt gehouden hoeft geen betoog: immers, het 7 dagen / 24 uur boxpaard zal mentaal niet in staat zijn om een maal per week rustig te stappen…)

Het paard verzamelt zich uit zichzelf wanneer het de voorhand wil verlichten, of zelfs verheffen. Dit is in lichte mate nodig bij schouder binnenwaarts, travers en renvers, appuyementen, en in sterkere mate voor piaffe, passage, en bijv. de levade. De lichte verzameling die nodig is voor de eerstgenoemde oefeningen kunnen uit hun aard de ruiter dus helpen het paard te motiveren om meer verzameld te bewegen onder de ruiter, waardoor het sterker wordt in de achterhand en daarmee beter toegerust op het natuurlijk voortbewegen met het toegevoegde ruitergewicht. Het paard verzamelt zich ook wanneer het een overgang maakt naar het halthouden, en wel meer naarmate de snelheid van waaruit die overgang wordt gemaakt hoger is. Denk aan de sliding stop uit het western rijden aan het ene uiterste, en het beheerst overgaan van een evenwichtige stap naar het halthouden aan het andere uiterste. Tussen deze uitersten heeft iedere neerwaartse overgang die het paard zelf maakt een verzamelend effect, waarbij het hoofd en de hals door het paard zelf zodanig wordt gebruikt dat het natuurlijk evenwicht wordt hersteld. Met andere woorden: het alleen met de teugels inwerken om het paard te laten halthouden betekent nog niet dat het paard verzamelt, het paard moet zelf de krachten die de snelheid van de gang op hem inwerken matchen door de achterhand vermeerderd onder te brengen. Kan het dit niet, omdat de beweging van hals/hoofd door de ruiter wordt belemmerd, of de ruiter te zwaar op een weggedrukte rug zit, dan heeft een aanhoudende hulp van uitsluitend de teugels het tegengestelde effect: het paard ‘valt’ op de voorhand. De gangbare theorie is dan dat je als ruiter tijdens dergelijke overgangen flink bijdrijft met de kuit om het achterhandgebruik te stimuleren. Hoewel je op die manier zeker het paard meer ‘gesloten’ kunt krijgen, moet het paard in eerste instantie nogal tegenstrijdige berichten uitwerken. Drijven betekent ‘sneller, meer’, en druk op de mond betekende ‘stoppen’, dus wat is nou toch de bedoeling. Het paard kan geleidelijk meer power en buiging in de achterhand ontwikkelen wanneer we oefeningen als schouder voor, schouder binnenwaarts, travers en renvers, plus heel veel overgangen en achterwaarts gaan in ons trainingsprogramma inbouwen. Immers, dan wordt uitsluitend weerstand geboden op de mate van buiging (niet verder de wending in, maar rechtdoor schouder binnenwaarts), en wordt de drijvende hulp met een zijwaartse suggestie gegeven. De ‘halve ophouding’ geven we dan in het begin niet zozeer door impuls opwekken (drijven) en voor tegenhouden (opvangen), maar door het licht weerstand bieden bij wijze van signaal, gekoppeld aan het lichter worden in de zit en bijvoorbeeld uitademen of een stemhulp waarop het paard terugkomt . We ‘drijven’ het paard daarbij dan niet zozeer voorwaarts, maar ‘scheppen’ als het ware met de kuit die onder de ribben tegen het paard aanligt het paard onder de zit omhoog. Op deze manier is verzamelen mogelijk zonder dat het paard de hand van de ruiter als tegenwicht gebruikt, en zonder dat de ruiter het paard al te veel belemmert in de eigen pogingen om met gebruik van rug en hals het evenwicht te bewaren. Achterwaarts gaan (bij een jong paard vooralsnog met lage halshouding) is eveneens een oefening waarbij het paard van nature vermeerderd gewicht op de achterhand neemt. Zou je het paard echter in een hoog ‘frame’ zetten (de hals er op, en in de krul), dan loop je het risico dat bij verzamelende oefeningen de rug wordt weggedrukt. Dit kan het paard doen om te ontkomen aan de extra aanspanning en inspanning die het vermeerderd overnemen van het gezamenlijke gewicht kost. Dat is geen ongehoorzaamheid, maar simpel een natuurlijke hang naar comfort. Het paard kan zelf niet beredeneren dat het ‘beter’ voor hem is om zodanig gegymnastiseerd te worden dat het met de ruiter langdurig kan rondrennen zonder voortijdig versleten te raken. Het paard aanmoedigen om de hals naar voren te strekken (waardoor de rug ronder wordt en de buikspieren en rugspieren afwisselen meer moeten aanspannen) kan voorkomen dat het paard met weggedrukte rug een indruk geeft van ‘mooi aan de teugel lopen’, terwijl van verzameling niet of nauwelijks sprake is. Er is dan geen ‘boog’ waardoor de energie van achteren naar voren wordt omgezet in het lichter maken van de voorhand, want de ‘knik’ achter de schoft en in de nek voorkomt dat die energie op de voorhand wordt overgebracht. Door het jonge paard geleidelijk via deze gymnastiekoefeningen sterker in de achterhand te maken, wordt het verzamelen onder de ruiter gemakkelijker te realiseren voor het paard, en zal het zich minder snel proberen te onttrekken aan een vermeerderde aanspanning die immers, bij een betere bespiering, minder inspanning (en/of spierpijn) kost.

Ook Anky van Grunsven rijdt haar opgewonden standjes het liefst aan een ‘boogje’, ze rijdt ze diep en laag aan een doorhangende teugel, om zodoende de rug- en buikspieren optimaal te laten strekken en aanspannen.

De ‘verbinding’ in deze verzameling is in mijn beleving niet zozeer een rondgaand circuit tussen spronggewricht en mond (en hand), maar een spanningsboog tussen spronggewricht en het eind van de hals, waarbij het vooral van belang is dat de (al dan niet (!) door de ruiter opgewekte) energie niet ‘doodloopt’ in een knik (in rug/schoft/hals), maar de gewenste verlichting van de voorhand (schoft/schouder) oplevert. Het is met andere woorden iets wat het paard weliswaar bij uitzondering, maar wel degelijk van nature zelf kan bewerkstelligen, en waar wij het gedomesticeerde paard bij kunnen helpen wat meer ‘een gewoonte’ van te maken dan het uit zichzelf zou doen.

Voor deze wijze van het bouwen aan verzameling is het niet nodig het paard voortdurend aan de contactteugel te rijden, noch hoeft het paard ‘op druk’ te worden gereden (achter energie opwekken, voor opvangen en opwaarts herleiden). Ik zie wel in dat het ‘redigeren’ van energie via hand en zit door het veelvuldig rijden van halve ophoudingen en schijnovergangen een krachtig hulpmiddel is om het paard uiteindelijk steeds verder en verder te verzamelen. Mijn betoog is vooral dat verzameling omwille van de mentale en fysieke gezondheid van het paard te waarborgen ook bereikt kan worden door verzamelende oefeningen te rijden zonder het paard via het bit constant op druk te houden. Het ‘op druk’ rijden is iets dat m.i. pas aan de orde komt als het erom gaat het paard te laten ‘showen’, het in een verregaande staat van opwinding willen tonen, het aanleuning te geven om nog meer ‘engagement’ te kunnen genereren. En dat is nou net iets wat we bij ons recreatie-paard liever niet hebben als we een drukke snelweg naderen…

© Elma Middel