Wat ziet een paard?

Wat ziet mijn paard? Dat is eigenlijk een hele complexe vraag waar heel veel aspecten aan zijn. Het paard heeft de grootste ogen in het dierenrijk - en toch weten we er weinig van. Kan een paard goed zien bij weinig licht? Hoe goed ziet een paard beweging? Ziet het kleuren? Hoeveel detail ziet een paard? Is het misschien bijziend, of verziend?

Overbrengen van informatie van het ene oog naar het andere

Als je je linkeroog bedekt en je kijkt naar een voorwerp, en daarna bekijk je dat voorwerp met je rechteroog, dan weet je dat het om hetzelfde voorwerp gaat. Er bestaat nog altijd een vooroordeel dat dat bij paarden niet het geval zou zijn. De verhalen over een paard dat bij een wandeling schrok van een voorwerp aan de linkerkant van de weg, en er op de terugweg opnieuw van schrikt alsof het het voor de eerste keer ziet, zijn legio.
Research door het Equine Research Foundation (Dr. Evelyn Hanggi) heeft uitgewezen dat dit niet waar is - paarden geven wel degelijk informatie door van het ene oog naar het andere.

Corpora nigra

Een andere bijzonderheid van het oog van een paard heb je vast al kunnen constateren:: de “corpora nigra” die als een gekarteld gordijntje in het oog hangen. Dit dient waarschijnlijk als een soort natuurlijke zonnebril voor de lens.

Kleuren zien

Evelyn Hanggi en andere researchers zijn het door empirisch onderzoek (en wie ooit een Bridge&Target-clinic volgde weet hoe gemakkelijk dat vast te stellen is) erover eens dat paarden wel degelijk “onze” kleuren kunnen herkennen. Maar zien ze die kleuren wel op dezelfde manier, bijvoorbeeld?

Aan de Madison-Universiteit in Wisconsin hebben wetenschappers (ophthalmologen) zich grondig met de vraag bezig gehouden. Studieonderwerp was ondermeer scherpte- en kleurenzicht.

De kegeltjes waarmee iemand kan zien bevinden zich achteraan in het oog, op de retina. Met de ene kegeltjes blijkt een paard blauw licht op te vangen (korte golflengte) en met de andere groen en rood licht (midden- en lange golflengte). Dat wil zeggen dat paarden een ander soort kegeltjes hebben dan mensen, die drie soorten hebben die elk een aparte golflengte opvangen - wij zijn (meestal) “trichromaat”. Dat betekent dus niet gewoon dat paarden sommige kleuren niet zien, ze zien ze wel anders dan wij. Net zoals bvb honden en katten trouwens zijn ze “dichromaat”.

 

Om uit te zoeken hoe ànders, werd een computer ingeschakeld die kleine elektrische verschilletjes kon meten in het paardenoog, waardoor de gegevens konden omgezet worden naar digitale foto’s. Het is een bizarre grijs-gele, onscherpe wereld. Groen en oranje zijn bijvoorbeeld geel geworden, maar rood wordt een soort groenig grijs - en blauw blijft gewoon blauw.

Detailzicht

Er bestaat een schaal voor het weergeven van detailzicht, waarbij mensen 20/20 hebben. Paarden hebben 20/40 - dat wil zeggen dat een paard op 20 meter afstand nog net scherp kan zien wat een mens nog op 40 meter afstand kan zien. Paarden zijn dus, in vergelijking met een mens, bijzonder bijziend.
Bijvoorbeeld: we staan op twee meter afstand, en kunnen de strepen links scherp zien. Het paard ziet op twee meter afstand diezelfde lijnen als de rechtse strepen. Ter vergelijking: een arend heeft 20/0,5.
Paarden gaan dus véél meer dan meestal gedacht op geluid af, en rekenen niet alleen op wat ze zien. Lichaamstaal herkennen bestaat dus eerder uit een optellen van een aantal vertrouwde patronen dan uit het zien van visuele details.

Links: mens op 20 meter. Rechts: wat een paard daarvan ziet op diezelfde 20 meter.

 

Nachtzicht

Wat paarden wél véél beter kunnen dan wij, is ‘s nachts zien - en vooral in de schemering. Als je dus ‘s in het donker van een wandeling terugkomt, is het paard veel beter in het navigeren dan wij. Het duurt wel langer dan bij de mens voor de ogen zich kunnen aanpassen.

Scherpstellen

Aan de University of Western Australia dan weer heeft men onderzoek gedaan naar de zogenaamde “ramp retina”. Het is je als paardeneigenaar natuurlijk niet ontgaan dat een paard z’n hoofd nu weer hoog, dan weer laag draait om een object te kunnen bestuderen. Het hoofd hoog om dingen in de verte te bekijken, en laag/gekanteld om iets van dichtbij te kunnen bekijken. Het idee van de “ramp retina” verklaarde dit door te zeggen dat het paard de juiste plaats op z’n ooglens zocht om te kunnen focussen, een beetje zoals wij met een vergrootglas over een pagina zouden gaan. Wat bleek uit dit onderzoek? Helemaal geen “ramp retina” te vinden!

Geen “unieke” lens in dierenland, dus. Wat blijkt wel? Het paard kan nauwelijks scherper stellen - het paard heeft een min of meer “vaste” focus, die wel meer naar verziendheid evolueert bij het ouder worden. Bij wilde zoogdieren is vastgesteld dat ze verziend zijn; blijkbaar zijn paarden al zolang gedomesticeerd dat die verziendheid waarschijnlijk is afgenomen, net zoals bij honden en katten tegenover wolven en leeuwen. Wilde paarden blijken allemaal verziend te zijn, terwijl bijna de helft van onze paarden bijziend zijn.

Wat nog niet uitgebreid genoeg onderzocht om als zekerheid te mogen poneren, maar de tendens is vastgesteld:: hoe meer (en van een jongere leeftijd) een paard gestald wordt, hoe bijziender hij wordt - hoe groter de weien hoe verziender.
Het bijzondere aan het detailzicht van een paard is bovendien dat niet de héle lens scherp ziet - slechts een klein deel. Mensen hebben één punt in het midden van de lens. Probeer dit eens: concentreer je op één punt. Probeer nu, zonder je oog te bewegen, te kijken wat er links, rechts, boven, onder te zien is. Je merkt dat je eigenlijk alleen een héle kleine cirkel recht voor je lens kan scherpzien - als je bvb naar deze tekst kijkt één of twee woorden. De rest wordt steeds vager, en vanaf een bepaalde dingen zie je de dingen niet meer - dat is je “blinde vlek”.
Het paard ziet scherp in een min of meer horizontale lijn.

Om je je daar iets bij voor te stellen, kijk naar de afbeelding hierbij. Je kijkt met je paard naar de stad voor je (A). Bij allebei is het rechteroog afgedekt; je kijkt met je linkeroog. Achter je is landschap (B). C is wat jij ziet, D is wat het paard ziet. Minder hoog dan wat jij ziet, maar wel bijna rondomrond.

links: scherpgesteld beeld met het menselijk oog/rechts: met een paardenoog

A: kijk samen naar de stad, rechteroog gesloten, alleen met je linkeroog
B: dit is achter je
C = wat jij ziet
D = wat je paard ziet vanop dezelfde plaats, kijkend in dezelfde richting, met één oog.

Vandaar dat het paard z’n hoofd omhoog of omlaag moet doen om scherp te kunnen stellen: hij moet als het ware zijn lange, smalle venster op de wereld omhoog en omlaag bewegen om erdoor te kunnen kijken. Als het te bekijken object dichtbij is, met het paard dus z’n nek buigen en het hoofd kantelen om het “venster” zo precies mogelijk te kunnen zetten.

De recentste studies tonen aan dat het paard waarschijnlijk ook kan scherpstellen buiten het “venster” en dat het bewegen van het hoofd niet alleen te maken heeft met beter kunnen kijken.
Als er iets onverwachts gebeurt, gaat het hoofd van het paard omhoog om te kunnen kijken, maar bovendien “bevriest” het paard een paar seconden - en dat is waarschijnlijk om beter te kunnen luisteren.

 

 

Zien met twee ogen

is een ander aspect van “zien”. Als wij recht voor ons uit kijken, zien we met twee ogen tegelijk naar hetzelfde punt. Dat helpt ons om diepte te zien.
Sluit nu nog eens je rechteroog. Je merkt dat je met je linkeroog (niet bewegen!) links verder kan zien dan rechts- zo is monoculair zicht. Natuurlijk heb je voor je andere oog ook monoculair zicht - en waar de twee elkaar overlappen heb je binoculair zicht.

Bij paarden is het monoculaire zicht veel groter dan bij ons - hun ogen staan aan de zijkant van hun hoofd; maar het binoculaire veel kleiner: hun lange neus zit in de weg. Bovendien is het binoculaire zicht niet rechtvoor georienteerd, maar naar beneden, langs hun neus weg.

- in de trechter (B): binoculair zicht
- grotere driehoek = monoculair zicht
- de rest is blind

Blinde vlek

Het paard heeft het moeilijk om monoculair en binoculair zicht tegelijk te gebruiken - het kijkt binoculair als het geconcentreerd is, maar monoculair als het graast - je kan het misschien vergelijen met de “harde” en “zachte” ogen van Centered Riding.

Dat wil dus zeggen dat het paard z’n beste zicht reserveert om te grazen! Het betekent ook dat het paard, als het z’n hoofd grazend naar beneden heeft, recht voor zich uit gewoon niks ziet - z’n eigen voorhoofd zit dan gigantisch in de weg. Links en rechts scant het paard monoculair de omgeving op roofdieren.

Kijk eens naar de foto van dit paard, dat “aan het bit” wordt gereden. Het binoculaire gezichtsveld (tussen A en C) is gericht op de grond net voor het paard. Het paard ziet de benen, armen en schouders van de ruiter, maar de ruiter zelf niet - tussen C en E heeft het links en rechts een monoculair zicht . Voor zich uit (voorbij A) ziet het paard helemaal niets - en dat vraagt natuurlijk een enorme graad van vertrouwen in de ruiter.

Kijk ook eens naar de foto, waar het paard net voor de hindernis afspringt. Het paard moet al lang daarvoor z’n hoofd kunnen omhoog doen om de hindernis vanop enige afstand te kunnen zien, en in z’n binoculair gezichtsveld te krijgen om iets van de diepte - de afstand tot de hindernis - te kunnen inschatten (paarden hebben trouwens een uitstekend dieptezicht, dus ook dat is een fabeltje-. Net voor de hindernis aangekomen - dus bij de afsprong zoals hier op de foto - springt het paard blind over de hindernis - het moet helemaal op z’n eigen goede inschatting en op die van de ruiter vertrouwen.

 

© Inge Teblick

Referenties: AM Harman, S Moore, R Hoskins and P Keller Horse Vision and an Explanation for the Visual Behaviour Originally explained by the ‘Ramp Retina’ (1999) Equine Veterinary Journal Vol. 31, No. 5, Pg.
384.; Carroll, J.; Murphy, C.J.; Neitz, M.; VerHoeve, J.N.; and Neitz, J. (2001) Photopigment basis for dichromatic color vision in the horse. Journal of Vision, 1(2), 80-87, 2001. http://www.journalofvision.org/1/2/2/article.html