INLEIDING

Peter Veldman, de kleinzoon van Gerardus (Gerrit) Veldman 1868-1952, is van Venlo in de jaren 1960 naar Antwerpen verkast.

Als ondernemende Nederlander heeft hij daar heel succesvol een bedrijf uitgebouwd.

Boeiend is het verhaal dat Wim Veldman schreef over bovengenoemde grootvader, Gerrit Veldman stamvader van de Limburgse Veldman tak. 

 

GERRIT VELDMAN - EEN HOLLANDSE PIONIER IN HET REUVERSE MEERLEBROEK

Deze uitgave is niet bestemd voor commerciële doeleinden.

Alle rechten met betrekking tot kopiëren berusten bij de auteur.

© 2004 Gulielmus Gerardus Petrus (Wim) Veldman

Vanaf het begin van de Gouden Eeuw kwamen drie eeuwen lang duizenden seizoenarbeiders, handwerkslieden en kooplui vanuit Duitsland de grens over naar Nederland. Hun land was door oorlogen, verwoesting en overbevolking sterk verarmd. Daarom trokken ze met hun zeis over de schouder en met hun mars op de rug naar "das steinreiche Holland", om wat geld te verdienen. Het was een bonte stoet van maaiers, turfstekers, tichelwerkers, scheepslui, wevers, kwakzalvers, textielhandelaren, marskramers en gelukszoekers van allerlei slag.

Volgens overlevering zijn de VELDMAN-VOOROUDERS op deze manier met drie broers als maaiers vanuit Duitsland naar Nederland gekomen.

Eén van hen zou naar Noord-Holland zijn getrokken en de twee anderen zouden in Noord-Oost Nederland zijn gebleven.

Er zijn een tweetal VELDMAN-familiewapens bekend, één vanuit het Oost-Groningse Oldamt en één vanuit de stad Groningen. Doordat in de Groningse tak veel militairen voorkwamen is, met deze militairen, hun wapen ook terechtgekomen in het Belgische Vlaanderen en in de omgeving van Luik, zij het dat de bijbehorende naam in het franstalige gebied ook geschreven werd als VELDEMAN.

De verschillende schrijfwijzen in de Nederlandse en Belgische archieven zijn: VELTMAN, VELDTMAN, VELDMAN en VELDEMAN.

In Noord-Holland treffen we de naam VELTMAN voor 't eerst aan omstreeks 1744 bij BAREND LUCASZ VELTMAN van OVERDWARS. Van zijn tak is geen familiewapen bekend.

Volgens "Velden en wegen" is deze BAREND LUCASZ geboren omstreeks 1711 in het Duitse Damme bij Osnabrück en begraven op 16-4-1770 in Nieuwe Niedorp, een dorp op het Noord-Hollandse platteland, tussen Heerhugowaard en Schagen.

Hij trouwde voor de eerste keer op 31-5-1744 met Trijntje Jacobs, een weduwe die in 't VELD woonde, en de tweede keer op 17-11-1765 met Aafje Jans, alweer een weduwe, uit Sijbekarspel. Van zijn vader LUCAS wordt slechts vermeld dat hij trouwde omstreeks 1678.

BAREND LUCASZ zou de naam VELTMAN hebben aangenomen omdat hij in 't VELD, een buurtschap bij Nieuwe Niedorp woonde. Deze uitleg strookt echter niet met het verhaal hierboven over de drie VELDMAN-broers die vanuit Duitsland naar Nederland kwamen.

Waar de naam OVERDWARS vandaan komt is tot nu toe onbekend, mogelijk betreft het de naam van een boerderij of boerenplaats of kwam BAREND LUCASZ vanuit Friesland over de toenmalige Zuiderzee.

LUCAS, de vader van BAREND LUCASZ, moet dan de vroegst te traceren voorouder zijn van de Noord-Hollandse VELDMAN-tak.

Gerrit Veldman
Willemijntje Kuipert
Gerardus Veldman

Gerrit Veldman wordt geboren op 9 januari 1868 te Nieuwe Niedorp.

Hij is het vierde kind en de eerste zoon in een gezin waar uiteindelijk 14 kinderen geboren worden. Als jongeman werkt hij enige tijd in de uitspanning van het etablissement Het Gulden Vlies in Alkmaar. In die tijd wordt nog veel met de koets gereisd en hij is belast met de zorg voor de paarden. Overigens bestaat Het Gulden Vlies sinds 1561 nog steeds, momenteel als Grandcafé-Restaurant, en het adres is Koorstraat 30, Alkmaar.

In die periode is hij ook in militaire dienst geweest en bij zijn latere huwelijk wordt overgelegd een "certificaat van voldoening aan de nationale militie", afgegeven door de kommandant van het 4e regiment infanterie te Leiden.

Zijn interesse in paarden is hem altijd bijgebleven en later in Reuver, als zijn kleinzoon eens bij hem op de bok van de sjees zit, maakt hij flink vaart en zegt hij: "Kijk eens naar de wielen Fons, bennen 't nog wielen of bennen 't bordjes?"

In Het Gulden Vlies ontmoet hij Maria Alida Buren; zij heeft uit onvrede met het tweede huwelijk van haar moeder het ouderlijk huis verlaten en is een nichtje van de eigenaar van het Gulden Vlies, Cornelis Pepping. Op 28 april 1895 trouwen Gerrit en Maria en kort daarna neemt Gerrit, als oudste zoon, in Nieuwe Niedorp de boerderij over van zijn vader, die op 26 november 1894 op 53-jarige leeftijd is overleden.

Uit het huwelijk van Gerrit en Maria worden drie kinderen geboren:

---15 februari 1896 Geertruida Maria (Guurtje)

---14 maart 1897 Gerrit Jozef (Gerrit)

--- 8 juli 1898 Petrus

Het derde kind, Petrus, overlijdt na twee dagen en de moeder, Maria Alida, die aan TBC lijdt, sterft nog in het kraambed op 19 juli 1898. Op haar sterfbed zegt ze tegen Gerrit: "Je moet Trijntje de Wit als vrouw vragen." Catharina Anna (Trijntje) de Wit uit Zijpe woonde bij haar grootouders in 't Veld en ze was de hartsvriendin van Maria. Op 22 oktober 1899 hertrouwt Gerrit met Trijntje de Wit. Het huwelijk vindt plaats in Nieuwe Niedorp en niet in Zijpe, de woonplaats van de bruid. Dit kan erop wijzen dat de ouders van Trijntje de Wit niet zo enthousiast zijn over de keuze van hun dochter, aangezien Gerrit een weduwnaar is met twee jonge kinderen. Verder is er een leeftijdsverschil, 22 en 31 jaar, en zijn de de Witten grotere boeren dan de Veldmannen. Uit het huwelijk van Gerrit en Trijntje wordt op 15 augustus 1900 Petrus Maria (Piet) geboren. Omdat Gerrit met zijn paarden voor

zijn talrijke broers en zussen veel hand- en spandiensten moet verrichten, besluit hij te vertrekken naar Alkmaar. Op 1 mei 1901 verhuist hij met zijn gezin naar Koedijk, aan de noordkant van Alkmaar. Inschrijving op 20 mei 1901, Huiswaard 189.

Hier worden geboren:

---24 juli 1901 Wilhelmus Laurentius, overleden 1 januari 1902

--- 2 augustus 1902 Wilhelmus (Wim)

---24 augustus 1903 Johannes (Jan)

---18 augustus 1904 Johannes Adam, overleden 4 september 1904

---24 januari 1906 Catharines Gerardus (Trines)

---18 januari 1907 Theodorus Adam (Theo)

---18 april 1909 Maria Wilhelmina Catharina (Marie)

Gerrit
Marie Buren
Guurtje
Gerrit Jozef
Trijntje de Wit
Piet
Wim
Jan
TRines
Theo
Marie

Door de grote gezinnen, waarvan de kinderen traditioneel ook weer merendeels in de landbouw gaan werken, ontstaat er in Noord-Holland gebrek aan landbouwgrond, c.q. een overschot aan boeren.

In Midden-Limburg ,Beesel-Reuver, Swalmen, Maasniel, Vlodrop en Echt ,wordt woeste grond aangeboden om te pachten en te ontginnen voor landbouwdoeleinden.

Vanuit Noord-Holland komt een migratie op gang van boeren, die in Limburg meer toekomstmogelijkheden zien.

Ook Gerrit, die inmiddels zes zonen heeft, wil de toekomst voor zichzelf en zijn jongens verzekerd zien. In zijn belevingswereld zullen zijn zonen wel allemaal boer gaan worden, dat is immers al een generatieslange traditie, en dus besluit hij met zijn gezin naar Limburg te verhuizen.

Zijn oudste zoon Gerrit-Jozef lijdt aan lupus of wolf, een chronische vorm van huid-tbc in het gezicht. Voor behandeling wordt regelmatig naar Heerlen gereisd, waar de aandoening behandeld wordt met Kneipp-baden. Zodoende kunnen Gerrit en zijn schoonvader Piet de Wit al eens rondkijken in Limburg. De keuze valt op Reuver in de gemeente Beesel. Gerrits jongste broer Jacob (21)* wordt al vooruitgestuurd en arriveert op 5 januari 1909.

Piet de wit heeft nog een zoon Adam, die inmiddels al 30 jaar is en hoognodig maar eens een eigen bedrijf en een gezin moet hebben. Onder regie van Piet de Wit moeten de beide schoonbroers Gerrit Veldman en Adam de Wit het in Reuver gaan maken.

Begin mei 1909 wordt Gerrit met zijn gezin in de gemeente Beesel ingeschreven.

De verhuizing moet een hele onderneming geweest zijn, ga maar na: de ouders, acht kinderen, de dienstbode Geertruida Sneekes, de inboedel, 25 koeien, 5 paarden en kleinvee komen met de trein in Reuver aan, terwijl de St.Laurentiushoeve, waar men zou intrekken, nog in aanbouw en pas half af is. Vooral met het vee moet dit problematisch geweest zijn. St. Laurentius, waarnaar de hoeve genoemd wordt, is ? al of niet toevallig ? ook de patroonheilige van Alkmaar.

Het gezin wordt eerst ondergebracht in de herberg Cremers-Stox, toenmalig adres: Kom 299, Reuver (momenteel café Ronckenstein) en pas een half jaar later kan men naar de St. Laurentiushoeve, waarvan het adres toen Offenbeek 403 was.

In Reuver zullen nog vijf kinderen geboren worden:

---29 december 1910 Wilhelmina Brigitta Catharina (Mien)

---14 mei 1912 Anna Cornelia Maria, overleden 1 juni 1912

--- 4 juni 1913 Brigitta Catharina Lamberta (Gitta)

--- 6 november 1915 Anna (Ans)

---10 mei 1917 Gerarda Maria (Arda)

In 1909 verhuist Gerrit Veldman met zijn hele hebben en houwen van het Noord-Hollandse Koedijk per trein naar het Limburgse Reuver. Begin mei wordt het gezin in Reuver ingeschreven. Gerrit start een boerenbedrijf op de St. Laurentiushoeve en gaat aan de slag met het ontginnen van de woeste grond die hij in het Meerlebroek gepacht heeft.

Mien
Gitta
Ans
Arda

Het Reuverse Meerlebroek, waar Gerrit zijn bedrijf wil starten is dan nog een natte wildernis van moeras, kreupelhout, heide en zand, met een oppervlakte van zo’n 1000 à 1200 hectare, ruim een derde van de totale oppervlakte van de gemeente. De wateroverlast ontstaat doordat regen- en grondwater van het aangrenzende Duitse hoogterras zijn weg zoekt naar het lager gelegen Meerlebroek en daar blijft staan op een niet doorlatende kleilaag.

In het derde kwart van de negentiende eeuw is begonnen met de infrastructuur van het gebied: wegenaanleg, ontginning en het graven van beken voor waterlossing.

In het laatste kwart van de negentiende eeuw raakt de Nederlandse landbouw in een diepe crisis. In Amerika zijn na de burgeroorlog (1861-1865) spoorwegen aangelegd in de onmetelijke ”farmlands” en men beschikt inmiddels over een machtige koopvaardijvloot, waardoor Amerika grote hoeveelheden goedkoop graan op de wereldmarkt kan dumpen. Hetzelfde geldt voor veevoer en doordat daarnaast de margarineindustrie in opkomst is, kelderen de prijzen van graan, boter en veevoer. In deze crisisperiode gebeurt er weinig aan onderhoud en ontginning, waardoor de natuur het verloren terrein deels weer kan heroveren. Vanaf 1900 komt er weer wat beweging in het Meerlebroek en vanaf 1903 komen de eerste Hollandse migranten naar Limburg. Vanaf 1908 komt dan de trek van Hollandse boeren naar Limburg in een stroomversnelling. Velen komen en velen verdwijnen weer voor en na; de blijvers zijn: de Wit, Veldman, de Vlieger, Burger.

Zoals hierboven vermeld, brengt Gerrit Veldman eerst zijn gezin onder in de herberg Cremers-Stox en gaat dan direct met zijn broer Jacob aan de slag in het Meerlebroek.

De schoonbroer van Gerrit, Adam de Wit, wordt ingeschreven in de gemeente Beesel op 26 december 1908, en op 4 september 1909 gaat hij terug naar Zijpe om er te trouwen met Lies Groot. Adam en Lies nemen hun intrek in het pand met het toenmalige adres Offenbeek 402, naast Offenbeek 403, de St. Laurentiushoeve, waar zojuist Gerrit zijn bedrijf aan het opstarten is. Dit is geen toeval, immers vader, respectievelijk schoonvader, Piet de Wit had bedacht dat de twee een gezamenlijk bedrijf zouden beginnen. Echter, Gerrit en Adam kunnen vanaf het begin niet samen door één deur. Adam is niet uit het goede hout gesneden voor het boerenbedrijf. Ter onderscheiding van Adam-van-Willem de Wit, die op de St.Willibrordushoeve aan de Muiterdijk is neergestreken, wordt Adam-van-Piet de Wit ”Adam-wijffie” genoemd omdat hij zijn vrouw altijd aanspreekt met het West-Friese troetelnaampje ”wijffie”. Een andere bijnaam is ”de blauwe” omdat men hem ervan verdenkt dat hij de melk aanlengt met water. Hoe dan ook, landeigenaar Streng, van wie het duo Gerrit en Adam grond gepacht heeft, ziet het niet zitten, twee schoonbroers die niet met elkaar overweg kunnen samen op één bedrijf. Hij besluit dan ook het bedrijf te splitsen en bouwt nog in 1909 een nieuwe boerderij voor Adam de Wit aan de Lambertusdijk, toenmalig adres Offenbeek 556 en later Meerlebroek 556.

Het wordt een typisch West-Friese boerderij met opzij laag doorlopende dakvlakken, grote wolfseinden aan voor- en achterzijde en op de voorgevel zwart op wit de naam, in dit geval:

”St. Lambertushoeve”. Ook aan de Muiterdijk, waar zich in die periode meer Hollandse boeren vestigen vinden we nog enkele boerderijen van dit type.

Streng is wel erg voortvarend te werk gegaan, want voor f. 4500 (€ 2045) heeft hij zonder vergunning de St. Lambertushoeve gebouwd op grond die hij van de gemeente gepacht had.

Hoewel de gemeente de situatie gedoogt, zal ze in 1931, als Streng financiële problemen heeft, een bod doen op de boerderij van f. 1600 (€ 727) waarmee Streng noodgedwongen en tandenknarsend akkoord gaat.

Adam de Wit en Lies Groot nemen hun intrek in de St. Lambertushoeve en van nu af aan kunnen Gerrit en Adam ieder hun eigen bedrijf voeren.

St. Lambertushoeve 2003

De Hollanders voeren de staat van hereboeren en in tegenstelling tot wat bij de autochtone bevolking gebruikelijk is, werken de vrouwen niet mee op het land. Met name Adam de Wit en Lies Groot voeren een hoge staat. Adam gaat graag met zijn hond wandelen en zijn gevleugelde gezegde is: "Ik heb een mooie hond en een lekker wijffie". Zijn echtgenote Lies Groot houdt zich geheel afzijdig van het boerenbedrijf. Ze heeft twee dienstmeiden en zit zelf graag in de "mooie kamer" aan de piano. De Reuvernaren hebben weinig sympathie voor de Hollanders. Als die 's zondags met de koets naar de kerk komen en de vrouwen lopen dan in vol ornaat en heupwiegend naar voren, zeggen ze onder elkaar: "Als je een bezem in hun gat steekt, is heel Reuver geveegd."

Ook over het feit dat Gerrit zijn koeien naar Hollands gebruik 's nachts in de wei laat staan, wordt schande gesproken. In Reuver, waar men veelal slechts één of enkele koeien heeft, worden deze aan een touw gehoed en daarna weer op stal gezet. "Ze moesten die Veldman zelf 's nachts in de wei laten staan", is dan ook het oordeel van de plaatselijke bevolking.

Door hun afwijkende levensstijl wekken de Hollanders de indruk stinkend rijk te zijn. De werkelijkheid is echter heel anders. De Hollandse boeren zijn blij als ze de eindjes aan elkaar kunnen knopen maar zijn te trots om met hun armoede te koop te lopen. Ze moeten zich uit de naad werken om het gepachte land te ontginnen en te ontwateren, en uiteraard is alles handwerk. Daarbij brengt de grond de eerste tijd niets op. Ze hebben de grootste moeite om de pacht van boerderij en land te betalen en daarbij komen dan ook nog kosten voor personeel, zaad, kunstmest, paarden, koeien en levensonderhoud. Om letterlijk en figuurlijk het hoofd boven water te houden moeten ze vaak door de familie in Holland financieel ondersteund worden.

Geen wonder dat diverse boeren in het Meerlebroek, grenzend aan Duitsland, proberen wat bij te verdienen met smokkelen. Gerrit heeft zich hier nooit aan gewaagd; hij heeft het trouwens te druk op zijn bedrijf. Wel zijn zoon Piet is nogal eens op pad om boter of paarden te smokkelen.

Adam de Wit, de hereboer van de St. Lambertushoeve, wiens naam ook wordt genoemd in verband met smokkelactiviteiten, kan het op den duur niet meer bolwerken en op 24 juni 1927 vertrekt hij met zijn wijffie naar Heiloo, waar zijn moeder een huisje voor hen heeft gekocht.

Dan ziet Gerrit zijn kans om de zaken groot aan te pakken. Hij gelooft nog in de toekomstmogelijkheden voor zichzelf en zijn zonen, verlaat de St. Laurentiushoeve en neemt zijn intrek in de St. Lambertushoeve. Ook de grond van Adam de Wit, die er niet zo florissant bij ligt, neemt hij over en bovendien pacht hij van de gemeente nog grond bij. Uiteindelijk is zijn bedrijf 80 hectare groot. Het wordt ingericht als gemengd bedrijf ? deels weiden, deels akkers. Hij experimenteert met gewassen en nieuwe kunstmestsoorten die op de markt komen en hij is daarin behoorlijk eigenwijs. Doordat het land en de beken snel weer verwilderen als je er even niet bijblijft, is er veel werkvolk nodig en ook de kosten van de bedrijfsvoering, kunstmest, zaaigoed, enzovoorts, zijn torenhoog. Als dan ook nog eens zijn experimenten met verbouw van o.a. uien en rode kool mislukken, wordt de toestand langzaam precair.

Hij krijgt min of meer de genadeklap als hem duidelijk wordt dat zijn zonen, die het geploeter aangezien en meegemaakt hebben, geen trek hebben om het bedrijf voort te zetten. De een na de ander vertrekt om elders een bestaan op te bouwen. De enige die nog in het bedrijf werkzaam blijft, is zijn zoon Jan. Op een avond, nadat hij familiebezoek met de koets heeft teruggebracht naar het station, komt hij huilend naar huis terug. Het bedrijf van 80 hectare is voor hem en zijn zoon veel te groot geworden en hij kan het totaal niet meer aan. Hij besluit dan ook het tot de helft te verkleinen.

Dan breekt in 1940 de Tweede Wereldoorlog uit en wordt de St. Lambertushoeve door de Duitsers helemaal leeggeroofd; paarden, koeien, alles zijn ze kwijt. Ook de St.Laurentiushoeve ontkomt niet aan het oorlogsgeweld en wordt op 22 mei 1944 door brandbommen verwoest.

Aan het eind van de oorlog, op 25 mei 1945, neemt zoon Jan de boerderij over en op 28 mei 1945 verhuizen Gerrit en Trijntje naar een huisje bij de kruising Pastoor Vranckenlaan-Kesselseweg. Zoals dat gaat, is ook bij Gerrit met het vorderen van de leeftijd zijn felheid verminderd en zo kan hij, verlost van zijn zorgen, zonder bitterheid en met de hem eigen humor en opgewektheid, terugkijken op wat geweest is en heeft hij samen met Trijntje nog een mooie levensavond.

Trijntje overlijdt op 20 november 1951. In 1952 wordt Gerrit ziek en in april van dat jaar wordt hij opgenomen in het gezin van zijn zoon Trines. Daar overlijdt hij op 22 november 1952, bijna 85 jaar oud. Als in maart 1954 de nalatenschap geregeld wordt, blijkt de totale waarde nog geen 5000 gulden (EUR 2300) te bedragen, ook voor die tijd niet bepaald het kapitaal van een herenboer.

*In het Noord-Hollandse Rustenburg ligt over de Schermerringvaart de Gerard Veldmanbrug. Gerard was de oudste zoon van Gerrits jongste broer Jacob. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij actief in het verzet en in de nacht van 10 op 11 oktober 1944 sneuvelde hij op 26-jarige leeftijd in een vuurgevecht met Landwacht en Duitsers. Sinds 5 mei 1946 draagt de brug zijn naam en is er tot zijn nagedachtenis een plaquette geplaatst.