|
|
|
Hulptroepen Hulptroepen (auxilia) waren altijd veel gevarieerder dan de legioenen. Een hulptroep bestond vaak uit ruiters, boogschutters en slingeraars. Auxilia werden voor 2 dingen gebruikt: legioenen helpen, maar voornamelijk grenzen bewaken en verdedigen. De soldaten van de hulptroepen (auxiliarii) waren altijd niet-Romeins. Ze werden altijd ver van hun geboorteplaats ingezet, om begrijpelijke redenen. Zo weten we uit grafstenen dat ruiters uit Noord-Afrika bij de Rijn gelegerd waren. De auxiliarii hadden ook een veel lagere status dan de legionarii uit de legioenen, en kregen maar 1/3 van het loon van een legionarius. Een auxiliarius diende 25 jaar, waarna hij het Romeinse burgerrecht kreeg, voor zichzelf en zijn kinderen. Op die manier werd de familie binnen een generatie gepromoveerd. De zoons van een ex-auxiliarius gingen vaak als legionarius dienen. Zodra de auxiliarius het Romeinse burgerrecht verkreeg, nam hij de naam van de regerende keizer aan. |
|
|