Stamboom Taverniers

Onze Brabantsche Hoeveknecht
in de vorige eeuw

door
Ev. De Paduwa

 

Letterlijk overgenomen uit  "De Brabantse folklore" nr 19 jaargang 1924.
Met "de vorige eeuw" is dus de XIXde bedoeld. (P.T.)

Hij was een type in het landelijk leven onzer voorouders en ofschoon zijn stand en zijn werkkring hem in de nederigste lagen der samenleving vasthielden, toch was hij, tot vˇˇr een vijftigtal jaren nog, een levendig lid, een onmisbaar iets in den huiskring onzer brabantsche pachthoeven. Zijn maatschappelijke loopbaan begon meestal met zijne kinderjaren als koejongen op de hoeven ("koetter" in sommige dorpen van het Payottenland); opgekweekt tusschen de staldieren en te midden de velden en de vrije natuur, had hij geen gelegenheid om de private oordjessehool van zijn tijd te bezoeken en was hij daardoor bestemd om als ongeletterde dompelaar zijn zwoegersleven als boerenknecht voort te sleuren. De sociale toestanden en levensvoorwaarden ten tijde onzer voorouders werkten bovendien grootelijks mede om de verheffing van onze nederige plattelanders te belemmeren en de strijd om het leven was bij de onbegoede landbewoners van zulken aard dat van in hunne teedere jeugd de kinderen gedwongen werden voor hun eigen kost te zorgen en daartoe bestond toen geen andere uitweg dan het koeier- en knechtenleven op de hoeven het was hen derhalve niet gegund tot normaal of hooger leven te gedijen. Geen wonder dus dat de opvoeding, het karakter en de zeden er geweldig door be´nvloed werden en dat de achterlijkheid bij menige onzer oude boeren tot in nog niet ver geweken jaren er zoo erbarmelijk is blijven inzitten.

Zoo waren de toestanden in de vorige eeuw, die dan ook een tijd van zwoegen en wroeten is geweest voor het kleine volk op het platteland, en van die toestanden zijn nog heden ten dage de invloeden in onze Vlaamsche dorpen te bespeuren.

De hoeven waren toen voor het arm boerenvolk de schier enige toevlucht om in het dagelijksch onderhoud te voorzien en de grijnzende armoede buiten de deur te houden. Ze stonden daar meestal in de nabijheid der beken, langhenen breede aardebanen of belommerde dreven en schenen reuzen tegenover de armzalige lage kleemhutten, echte krotten, welke vˇˇr honderd jaar onze veldarbeiders bewoonden en die zij tegen wind en guur weder met allerlei houtgewas en heesters wisten te beschutten. Het geld was schaarsch in die tijden, de loonen waren bitter laag en de winst voor den pachter en den boer was even klein op het einde van 't jaar; dienstboden en dieren moesten daardoor de eerste slachtoffers van 's meesters gierigheid zijn en op menige hoeve was de kost op de knecht-en meidentafel zoo kaal dat dikwijls bij het in huur treden het werkvolk aan den pachter zijn voorwaarden stelde voor hetgeen ook de voeding aanging.

Niettemin heerschte in die arme tijden een ware genegenheid tusschen pachter en knechten op onze brabantsche hoeven en was het niet zelden deze laatsten bij eenzelfden meester hun leven te zien slijten.

In ons Payottenland was in de vorige eeuw het gebruik dat de knecht zich verhuurde van jaar tot jaar en om met halfhooimaand, dit was op 15 Juli, in dienst te treden; sommigen deden dit ook met Lichtmis en met 1 Maart, maar de overeenkomst tusschen pachter en knecht geschiedde meestal een ruimen tijd op voorhand en hun akkoord wierd verplichtend voor beide partijen door het overhandigen aan den nieuwen dienstbode van een geit welke men " weerder ", " godsdeeI" of " godspenning" noemde. Die " weerder " bedroeg in den hollandschen tijd een gulden en later twee tot vijf belgische franks; voor de meiden bestond hij in een stuk lijnwaad voor het vervaardigen van twee hemden of twee voorschooten. De verbintenis door het aanvaarden van den " weerder " was voor den knecht van zulke waarde dat hij nooit zijne belofte zou durven verbreken hebben; wanneer toch, een buitengewoon geval hem belette zijn woord te houden, zou hij niet nagelaten hebben den ontvangen " weerder " aan den pachter terug te geven. Waar soms minder ernstige hoeveknechten de verplichting niet eerbiedigen welke hun het aannemen van den " weerder " oplegde en dus in dienst traden van andere boeren, niettegenstaande hunne verbintenis en het gegeven woord, daar verloren die knechten alle aanzien en vertrouwen bij de pachters der streek en wierden zij meestal van de hand gewezen wanneer zij zich later als knecht in de hoeven dierven aanbieden.

Reeds in vroegere eeuwen was het geven van dien " weerder " of huurpenning in zwang en werd er melding van gemaakt in ordonnantiŰn of verordeningen welke de goede verstandhouding tusschen meesters en knechten moesten regelen. Zoo lezen wij in eene ordonnantie van " den 3n dage van Mey 1665 " :

Soo wie hem verhuert ende niet en gaet in sijnen dienst, sal verbeuren 6 guldens, half voor den Heer, ende half voor sijnen Meester oft huerder, ende aen den selven daer-en-boven moeten wedergeven den ontfangen Godts-penninck. Behoudelijck dat den Dienstbode die den Godts-penninck wederom brengt, binnen de 24 uren naer dat hij diŰn ontfangen heeft, ende sijnen dienst also op-seydt, van de voorschreven pene sal vrij zijn. Ende van gelijcken die aen sijnen gehuerden dienst-bode de huere binnen de 24 uren niet op en seydt, ende hem evenwel daer naer in dienst niet en wilt ontfangen, verbeurt boven den Godts-penninck; oock te bekeeren als boven, 6 guldens.

Op de pachthoeven van eenig belang waren altijd twee soorten van knechten: de paardenknechten en de handwerkers en onder hen bestonden dan nog de eerste paardenknecht en de eerste handwerker of opperknecht (overknecht).

In het algemeen bezat elke hoeve zoveel paardenknechten als er naarmate de uitgestrektheid der hoeve, koppels paarden waren. De eerste paardenknecht werd door den pachter aangeduid, doch moest, om zijn titel te verwerven, zich aan eene soort proef onderwerpen welke bestond in het aanleggen van eene " aanscheut ", dit was het bewijs leveren van zijne ervarenheid in het beploegen: op een vlak stuk land van tamelijke grootte wierd aan een der uiteinden een stok met een wit papier erop geplaatst en van den tegenovergestelden kant moest de knecht met zijne ploeg en zijn koppel paarden een riem rijden naar gindschen baakstok. Het was een der gewichtigste aanbevelingen voor een paardenknecht wanneer hij hier toonde dat hij op rechte lijn kon ploegen en alzoo zijn nieuwe titel weerdig was. Was hij zoo behendig die rechte lijn op voortreffelijke wijze te ploegen, dan wierd van hem met bewondering gesproken door pachters en knechten van andere hoeven en was het niet zelden dezen bij zondagnamiddagen dit meesterwerk te zien komen bewonderen.

Als eerste paardenknecht had hij recht op de twee beste trekpaarden en de twee schoonste paardentuigen; hij had het bevel over de andere paardenknechten, duidde hun hun werk aan en regelde hunne bezigheden te velde; in een woord, hij was de echte leider der akkerwerken. De paardenknecht was te dien tijde vooral bezorgd om den goeden oppas van het koppel paarden dat hem toevertrouwd was; zij waren zijne beste vrienden en voor hen bestal hij menigmaal zijn meester in de haver- en broodkast. Zijn grootste eigenliefde plaatste hij in hun flink en bevallig voorkomen en in het blinken der koperen kopnagels welke hunne trekgetuigen versierden.

Nochtans was het loon van dien verkleefden dienstbode onbeduidend en dacht er de toenmalige wetgeving niet aan zijne werkuren te beperken. Hijzelf bekommerde zich ten anderen niet om meer welzijn dan het buiksken vol op de hoeve, een weinig geld om het onderhouden der kleedingstukken en bij uitzondering, een heel matig herbergverteer op sommige zondagen; daar hij bovendien meestal als jonggezel zijn paardenknechtleven op de pachthoeven doorbracht, had hij geene andere behoeften. Omtrent het midden der vorige eeuw bracht onze paardenknecht het in Brabant tot een loon van 80 tot 120 frank 's jaars, hetwelk dan in latere jaren langzamerhand steeg tot 200 frank.

Een armzalige bak van aaneengeslagen planken diende hem tot legerstede aan een der wanden van den paardenstal; een zelden vernieuwde strooi- of koolzaadzak met eenige paardensargiŰn als deksel, waarin gewoonlijk een leger vlooien hun slachtoffer afwachtten, dat was al wat dien armen zwoeger na den zwaren veldarbeid te wachten stond. Bij het krieken van den dag verliet hij reeds zijn bed om zijne paarden te voeden en te kuischen en, bij zomertijd, te vijf uur aan den arbeid te zijn. Rond 9 uur spande hij uit, bracht zijne paarden naar de hoeve terug om ze te laten eten en rusten, haalde dan brood en bier in de keuken en begaf zich hiermede in den stal waar hij zijn ontbijt nutte; na den middag reed hij terug naar het veld om te zes uur weer te keeren, zijne paarden uit te spannen, te kuischen en te voeden.

De handwerker, op onze brabantsche hoeve, was een niet inwonende arbeider die met zijn gezin of zijne ouders in het dorp woonde en zich dagelijks naar zijn werk op het pachthof begaf. Hij was gelast met alle andere bezigheden dan het labeurwerk met de paarden, zooals maaien, pikken, dorschen, bakken, boteren en allerhande handwerk welk op de hoeve of op het veld te verrichten was; zijn loon was per dag vastgesteld en beliep, in de eerste helft der vorige eeuw, van vier tot vijf stuivers in den winter en wat meer in den zomer; in de laatste helft won hij zeven tot acht stuivers bij winterdag en een frank in den zomer.

De eerste handwerker, zooals wij het hiervoor zegden, was de opperknecht of overknecht der hoeve; hij gaf zijne bevelen aan al de andere dienstboden, regelde de werkzaamheden en bezat het volle meesterschap aan de tafel der werklieden; hij sneed het brood en tapte het bier dat moest medegenomen worden naar het veld of naar de schuur, duidde de plaatsen aan welke de knechten aan de tafel moesten innemen en las de gebeden vˇˇr en na het eten. Niemand zou het maal aangevat hebben vˇˇr den opperknecht en zou ook niet langer dan hij aan tafel gebleven zijn; doch wist ieder goede opperknecht zich zoodanig te schikken en langzaam te eten dat zijne makkers altijd over den noodigen tijd beschikten om den gemeenschappelijken schotel, op dewelken te dien tijde de spijzen opgediend werden, te ledigen.

Evenwel bezat hij een voorrecht waarvan hij nooit naliet gebruik te maken: wanneer in onze oude pachthoeven, waarvan de groote keukenvloer altijd afdroeg langs den kant van het mozegat, de aardappelkom in het midden der tafel geplaatst en met de saus overgoten wierd, liep deze natuurlijk in den schotel naar den kant waar de tafel afdroeg en daar was nu juist de plaats welke de eerste handwerker voor zich had uitigekozen!

Het voedsel dat voor de knechten in die tijden op onze vroegere hoeven bereid wierd was doorgaans zeer karig en onvoldoende en het werkvolk nam dan ook dikwijls zijn toevlucht tot allerlei listen om de meesters te foppen of om hun zijn ontevredenheid te laten voelen, zoodat ons daarover door de tijden heen menige en soms vrolijke vertellingen zijn bijgebleven. Ook spreuken, uit de vorige eeuw bewaard, leven voort in den volksmond om te bevestigen dat toen de hoeveknechten zich over den tafelkost niet te roemen hadden. Wij deelen hier de volgende mede die in het Payottenland bij de oude lieden is bijgebleven:

Voor de meid en voor de kat
Is er altijd iets of wat,
Maar de knechten en de hond
Moeten wachten tot dat 't komt!

In het najaar, hetzij van begin Oktober tot zoolang het weder het toeliet, was het op al onze brabantsche hoeven gewoonte dat bij valavond de knechten de paarden naar de weide of naar het klaverveld leidden om er rond elf uur naar den stal mede terug te keeren. Van die tijden moet men de oude paardenknechten hooren vertellen om zich een gedacht te geven van het bijgeloof en de inbeeldingen die toen bij die eenvoudige lieden nog heerschten. Zij beweren nog met de diepste overtuiging dat zij gedurende die nachten menigmaal het monster Kleudden gezien hebben; dat zij hem gedragen hebben toen hij hen onverwachts in den hals sprong of dat zij, denkende op hun paard naar de hoeve terug te kom en, op Kleudden gezeten waren en deze hen, met een luide schaterlach , in den mesthoop of den aalput te huis van zijn rug schudde. Den weerwolf, spoken en stalkaarsen zagen zij honderde malen en een heel boekdeel zou noodig zijn om al de sagen weer te geven die over die kwelgeesten in de dorpen van West-Brabant verteld worden.

In zijn studie over Kleudden (1) zet Dr Poodt uiteen hoe de tijdsomstandigheden, de zeden en de achterlijke toestanden bij de ontvankelijke landlieden er te dien tijde toe bijdroegen om het bijgeloof en de zinsbegoocheling bij zekere wezens aan te wakkeren.

Elk jaargetijde had, benevens zijne dagelijksche werkzaamheden op de hoeve en op het veld, ook zijne oude gebruiken en zijne vermaken voor de knechten en bezat zijne vaste feest- en verzetdagen welke voor de eenvoudige plattelanders van dien tijd de eenige afwisselingen in hun bekrompen landelijk leven waren.

Na Nieuwjaar en Drijkoningen was Lichtmis voor hen de eerste heiligdag en rustdag van het jaar en bracht de eerste verandering mede in de werkuren van het hoevevolk. " Met Lichtmis is het klaar van zes tot zes " hoort men heden ten dage nog in al onze dorpen en alhoewel dit met de werkelijkheid niet overeenstemt, is deze zegswijze een rechtstreeksch gevolg van het aloude gebruik, in de brabantsche pachthoeven in voege, om aan de handwerkers, die gedurende het winterseizoen meestal met het dorschen in de schuur werkzaam waren, de verlengde werkuren van zes tot zes op te leggen met behulp der oude bollantaarn. Met Lichtmis kwamen ook sommige hoeveknechten vrij van hunne dienstneming, zooals wij het hiervoor aanstipten, en maakten zij er gebruik van om loonsverhooging te eischen van den pachter. Vandaar de volksspreuk die wij nog meermaals hoorden in het Payottenland :
" Met Lichtmis begint de leeuwerik te stijgen en te zingen 
" Al moest hij van den enen aardkluit op den anderen springen 
" En dan kan ook de knecht zijn meester dwingen. "

Daardoor was het gewoonte, met Lichtmis te beginnen, het zomerdagloon aan de handwerkers te betalen.

Kort daarop volgde Vastenavond die voor de hoevenknechten een namiddag vrijaf medebracht waarvan zij gebruik maakten om met den vlegel op den schouder het dorp af te loopen en, met het doel wat drinkgeld te ontvangen, te gaan Vastenavond roepen aan de deuren der bijzonderste inwoners. Die gewoonten zijn thans ook gansch verdwenen op onzen buiten. Op de meeste hoeven ,werden dan 's avonds boekweitkoeken gebakken en mocht het werkvolk zich eens waarlijk deugd doen aan dien oudbrabantschen kost, des te meer dat de daaropvolgende vastentijd de maaltijden ging inkrimpen en de magen der dienstboden op harde proef zou stellen. Gedurende den ganschen vastentijd luidde de werkklok op den kerktoren te elf ure in plaats van te twaalf ure en buiten een licht ontbijt dat zij mochten nemen rond acht ure was het immers zoolang te wachten naar het magere middagmaal.

Met de eerste warme lentedagen, die de velden zoo plots doen herleven, kwam dan Palmenzondag en zag men boeren en hoeveknechtcn na de hoogmis en in den namiddag den gewijden palmtak in de graanvelden gaan planten om den zegen over de vruchten te bekomen en deze te bevrijden tegen onweder en allerlei tegenslag.

Voor een groot gedeelte der brabantsche paardenknechten en bijzonder voor diegenen uit den Brusselschen omtrek waren de Sinksendagen in de vorige eeuw een echte kermisgelegenheid daar zij er grootelijks gebruik van maakten om hunnen vermaarden patroon Sinte-Guido te vieren. Sinte-Guido, in de volkstaal Sinter-Wijen, patroon der paardenknechten en voerlieden, wordt ieder jaar nog met Sinksen te Anderlecht gehuldigd en, alhoewel in geringer getal, zien wij nog zijne beschermelingen den gekenden ommegang bijwonen. Diegenen die in zijn broederschap opgeschreven staan, beloven nooit den naam Gods grammoedig tegen hunne paarden uit te spreken. Die begankenis was in de eerste helft der vorige eeuw zoo druk door de paardenknechten bezocht dat ons hieromtrent eene smeekbede in rijmdicht is bewaard gebleven door dewelke de knechten in de brabantsche hoeven aan hunne meesters toelating vroegen om er te paard te mogen deel aan nemen. Dit rijmdicht werd vroeger medegedeeld door " Eigen Schoon " :

O Meester, hoor dit mijn verzoek
Ik voel, Goddank, mij frisch en kloek; 
Verleen mij dan een klein verlof 
Tot Godes en tot Guido's lof; 
Mag ik, o Meester, 'k rijde recht 
Naar Anderlecht, naar Anderlecht!

Stilaan heeft de belangstelling onzer paardenknechten in de Sinter-Wijenvereering nu ook merkelijk afgenomen en weldra zal ons van den oorspronkelijken aard dier begankenis slechts nog de herinnering overblijven.

Met Sint-Pietersavond zagen wij weer de paardenknechten hunne dagelijksche doening neerleggen om bij den eersten donker de straten al kletsend op en af te gaan en zich vervolgens naar de Sint-Pietersvuren te begeven welke op verschillende kruiswegen in het dorp aangestoken werden. Dan naderde halfhooimaand, het tijdstip waarop de meeste hoeveknechten zich voor een nieuw jaar venhuurden bij den pachter, en later bij wintertijd, hielden zij er aan om met Sint-Elooidag, gelokt door de fooi en den drank die hen naar oud gebruik toekwamen, de rekening huns meesters bij den hoefsmid te gaan vereffenen en met Sint-Thomasdag den pachter of de pachteres op te sluiten en ze slechts binnen te laten na vaste belofte van 's avonds bier en koekebakken of knedels te bekomen.

En alzoo was weeral het jaar ten einde en verliep in de vorige eeuw het eenvoudig bestaan onzer brabantsche hoeveknechten die, onbewust van betere toestanden, hun armzalig leven voortsleept tot eens de armenklok van uit den ouden dorpstoren het afsterven van den dompelaar verkondigde.

Ev. DE PADUWA.

(1) Zie Brabantsche Folklore, 1e jaar, blz. 138 en 2e jaar, blz. 54

 

 

 


pagina gewijzigd op
06 jan 2005

naar startpagina