|
Bouwkamp Medjugorje, Bosnië-Hercegovina, Augustus 2002 Erg op mijn gemak voelde ik me niet toen we met ons minibusje Gent uitreden. Enkele maanden voordien had ik me zonder er al te veel bij stil te staan ingeschreven voor een bouwkamp in Bosnië. Mijn jaarlijkse kamphonger en drang naar avontuur hadden me gauw doen beslissen. Maar grapjes van vrienden, bezorgdheid van mijn moeder en lectuur over de oorlog, nauwelijks 6 jaar geleden, hadden me toch een ongerust gevoel bezorgd. Maar mijn eerste indruk bij het binnenrijden van Bosnië was ronduit positief: een schitterend landschap van ruwe bergen met tientallen huisjes op de flanken, kleine velden met tabak en tomaten in de brede dalen, een goed onderhouden weg, kortom de hele streek zag er vrij welvarend uit, er was zelfs toerisme en overal stonden grote Stella-parasols. De santenkraam van Medjugorje, de kraampjes met Mariabeelden en allerlei prullaria, de keurige straten, de mooie hotels en terrasjes deden ons de illusie krijgen in een welvarend land te zijn aangekomen. Ook het hotelletje waar we verbleven was piekfijn in orde: nette kamers en copieuze maaltijden die we nooit helemaal opkregen. Waarom zouden we hier nog moeten werken, alles leek hier toch zo mooi in orde?
Die naïeve droom hield echter gauw op; tijdens onze eerste dag gingen we de huisjes bekijken waar we de komende twee weken zouden werken. Zodra we afweken van de hoofdweg en kleine dorpen en gehuchten binnenreden, zagen we kleine armoedige huizen. We werkten steeds voor oude vrouwtjes. Hun verwanten waren gedood of gevlucht tijdens de oorlog en ze stonden er dus alleen voor. De meesten van hen waren erg vriendelijk voor ons. Ze verwenden ons met verse vijgen en druifjes en één kookte zelfs een volledige maaltijd voor ons. De pastoor kwam elke dag ons werk bekijken en onze krachten op peil houden met enkele pivo’s en een gigantische watermeloen. Ook waren er altijd wel buren die een kijkje kwamen nemen, gereedschap kwamen aandragen of een biertje aanboden. De ontvangst bij de oudjes was echter niet altijd even hartelijk. Eén oma wou ons zelfs helemaal niet laten beginnen; het bedlegerige oudje begon met haar laatste energie vervaarlijk te dreigen en te zwaaien met haar wandelstok terwijl ze een hele scheldtirade onze richting in slingerde. Zelfs de pastoor die er inderhaast was bijgeroepen kon haar niet overtuigen en uiteindelijk waren er drie sterke buren nodig om het oude besje het huis uit te krijgen. We hadden het wat moeilijk met de situatie. -Kan je wel iemand dwingen om geholpen te worden?- Achteraf, toen de muren een frisse laag verf gekregen hadden, de deur en de ramen wat opgelapt waren en haar meubeltjes een grondige schoonmaakbeurt gekregen hadden, draaide ze wat bij en werd ze zelfs vriendelijk voor ons. We hadden de juiste beslissing genomen! Je ziet het, in de week werkten we bijzonder hard. We leefden op het ritme van de zon. Net voor zonsopgang, om half zes, stonden we op om pas om vijf uur terug te zijn in ons hotelletje voor een douche en avondeten. Er restte niet veel tijd om cafeetjes of terrasjes te doen, maar we hielden het erg rustig: gezellig wat praten, pivo’s drinken, Trivial Pursuit spelen, een kaartje leggen, …. Niet heel lang na zonsondergang gingen we ons bed opzoeken om de dag nadien toch enigszins fris op de werkplaats te kunnen verschijnen. Toch hebben we nog een paar interessante uitstappen kunnen doen: een uitstap naar Dubrovnik, zwemmen in de diepblauwe Adriatische zee en bezoeken aan Sarajevo en het door de oorlog zwaar geteisterde Mostar. In de buurt van Medjugorje waren er niet echt veel sporen van de oorlog; het klinkt misschien cynisch maar na een tijdje raak je gewend aan beschoten huizen. Mostar kon echter geen mens onberoerd laten. Tot onze uitstap naar Mostar hadden we ‘enkel’ beschoten of vernielde huisjes gezien, maar in Mostar werden de vernielingen erg pijnlijk; straten waar langs weerszijden enkel nog akelige skeletten van gebouwen overeind staan, dat blijft je bij, meer nog dan de vernietiging van de beroemde Oude Brug van Mostar. Mijn grootouders waren hier een tiental jaar geleden nog als toerist geweest; voor ik vertrok wouden ze me hun foto’s laten zien. M’n grootvader zei me dat deze stad één van de mooiste was die hij ooit al gezien had. Nu lag de stad in puin en met de schaarse middelen bouwden de Kroaten een afschuwelijke betonnen kerktoren, terwijl de Moslims aan de overkant van de rivier bezig waren met een minaret die de hoogte van de kerktoren nog zou overtreffen. In de hele stad hing een wat akelige, bedrukte sfeer. En toch, ze zijn er niet in geslaagd alles te vernielen. In de buurt van de oude brug ging het traditionele duikfestival nog altijd door. Niet meer van de oude brug zoals vroeger, maar van een tijdelijk platform dat aan de laatste resten van de oude brug was bevestigd. De Navo-troepen van de SFOR liepen er bij als toeristen op vakantie, even verder warmden jonge mannen zich op om vervolgens tientallen meter diep de rivier in te duiken, aangemoedigd door een dolle, juichende menigte.
Op de terugweg reden we langs een Servische wijk, waar alle huizen opgeblazen waren maar iets hoger op de heuvel, boven de vernielde huizen stond een schitterend ongeschonden huis, keurig wit gekalkt en trots, hoog op het dak, hing een gigantische Kroatische vlag uittronend boven de vernieling. De zon was al aan het ondergaan boven het door morbide gele lintjes aangegeven mijnenveld aan de andere kant van de weg … En zo ging het altijd, steeds waren er erg grote contrasten: tussen de magnifieke natuur en zwaar beschadigde gebouwen, tussen de welvaart en bedrijvigheid in Medjugorje en de armoede van de omliggende gehuchten en dorpen, tussen het geloof en de vroomheid van de bedevaarders in de stad en de niet-christelijke, onverschillige houding van de Bosniërs ten opzichte van de schrijnende leefomstandigheden van de oude vrouwtjes voor wie we werkten, … Je kon nooit van iets genieten zonder je er vragen bij te hoeven stellen. Maar al bij al hebben we een schitterend kamp gehad: we hebben erg nuttig werk verricht en tal van interessante ervaringen gehad. Het bouwkamp bood ons een unieke gelegenheid om een land als Bosnië te bezoeken. Bosnië heeft voor mij een totaal andere betekenis gekregen; ik denk niet meer onmiddellijk aan oorlog maar veeleer aan de mooie tijd die we er hadden, aan de oude vrouwtjes voor wie we werkten, aan de prachtige landschappen, …
|
|