Homepage
foto album
profiel
hobby's
Gedichten van Marthe
Sheena en Maneschijn
mijn gedichten
magie
sluierdans
Miranda Mei
Michris
Waterval
Sheena
Maneschijn
Petrarcus
Maya
Favoriete links
Gastenboek
mechelen die schone
meeting Mechelen
wereld
fotogedichten
Gastdichters 6


Waterval


I

Een nieuwe gouden oogst begint
met koor uit vele vogelkelen
Het orenfeest verblijdt en wint
mijn hart om frisse wind te strelen

De netgeverfde kleuren zijn nog nat,
of zal dat door die parels komen?
Mm, heerlijk voelt het wekkend bad
van pril verwekte stralenstromen

De bomen blazen druppelvocht
om plant en mij te strelen
Het drupgeaai pleziert mijn tocht
en zegent mij met velen

Het pad is lieflijk mooi omrand
met tere kleine bloemen
Bijeen een bonte kleurenband
omkranst met blije zoemen

Een erehaag van klank en geur
omzoomt mijn vrolijk stappen
Het oog geniet het vele kleur
gemaakt uit tintenlappen

Gestadig zie ik hoe de hemel rijst
en rustig blijf ik reizen
Mijn hart is gids en wijst
de weg naar mooie paradijzen

Ik voel de zwoelte van de wind
door al mijn vaten stromen
Van deze dag begint gezwind
het hoogtepunt te komen

Wat hoor ik nu? Het vogelkoor
vertroebelt door geklater,
de mooie klanken zwichten voor
geluid van vallend water

Ik volg mijn oor en snel snel naar
de bron van mijn verbazing
Ik zie een levend meer en raak
bevangen door verdwazing

De spiegel huwt de hemellucht
in strakke blauwe kleren
De wereld slaakt een diepe zucht
en zweeft naar hoger sferen

Mijn beeldvermogen wordt gevoed
met toverprachtindrukken
Ik voel de warme kleurengloed
mijn stralend hart verrukken

Een zilverkleed bestrijkt de wand
met luisterrijk gedonder
Mijn oog ontvlamt in tranenbrand
bij dit ontroerend wonder

Verbaasd ontwaar ik bij de waterval
een aantal schepsels zwemmen
Het lijken meisjes al
ontbreekt de klank van stemmen

Voorzichtig waag ik mij te water dat
me heerlijk doet omarmen
Ik voel de koelte van het bad
mijn ziel volledig warmen

Ik snijd de spiegel door, zo licht
en rustig is het water
Tot plots voor mij een lief gezicht
opduikt met luid geklater

Bevangen zie ik enkel ogen bij
een lach beheerst door tanden
Ik ga naar haar en zij
verbergt mijn hand in handen

Haar blauwe nimfenogen zien
me lustig aan en klaren,
terwijl haar zusjes bovendien
nieuwsgierig naar ons staren

We zwemmen weg en gaan gestaag
de waterval beroeren
Och, laat het kleed met zilverkraag
ons eindeloos ontvoeren

De natte mantel past ons goed
en laat de monden nader komen
Een kus ontspringt met passiegloed,
er komt een stroom vol dromen

Ik ben bij jou, de dag is klaar
en eindigt met gezangen
We zijn als één zo bij elkaar,
te drieën rode wangen

II. Een nieuwe dag.

Het duister rijk van koning nacht
vergaat als roestend ijzer
De tijd ontneemt zijn ziel en macht,
gedwongen door de wijzer

De tijd heeft grote spoed, hij moet
een nieuwe dag gaan baren
Dit gaat gepaard met vloeiend bloed
dat hemel rood doet klaren

De pasgeboren dag behaagt
de vroege vleugelbarden
Herrezen stemgeluid verjaagt
mijn laatste dromenflarden

De rust beheerst mij nog, zo sloom
en stram is mijn omhulsel
Ik wil mijzelf, geen tergend loom
door slaap benevelt vulsel

Een vlugge wens, te vlug volbracht
door veel geniepig water
Ik spring verschrikt en slaak een klacht
en tier “ik krijg je later!”

Er overspoelt een zee van lach
mijn strand vol zelferbarmen
De dag is jong en nu al mag
ik trachten mij te warmen

Maar zulk een laffe actie laat
gevoel voor wraak ontbranden
Ten aanval trek ik, water staat
als wapen in mijn handen

Al voor ik hevig toe kan slaan,
snijdt water in mijn ogen
“Het is gemeen, och laat me gaan
en laat me rustig drogen…

Met drieën tegen één is laf
zo valt geen eer te halen”
Verslagen druip ik zielig af
en geef me aan de stralen

Ik zink verbolgen neer
om rust te laten komen
Dat lukt gestaag, ik adem weer
het leven van de bomen

Een kleine vogel komt met luid
gefluit naar mij toelopen
Steeds dichter nadert mijn kornuit
en maakt mijn ogen open

De kleinste dingen kunnen voor
de grootste blijdschap zorgen
“Jij grote vriend, je brengt me door
het dal van deze morgen

Geniet mijn schouder als je oord,
hij zal je toebehoren
Bezegel dit gesproken woord,
jij hemel voor mijn oren”

Een kreet van schrik ontspringt mijn mond,
gevolgd door lach en woorden
Gemene natte handen rond
mijn buik die mij doorboorden

“Je droogt me met een nat gebaar,
zal ik je daarvoor loven?
Of zal mijn koude mond dan maar
je warme lippen doven?”

Maud:
“Een dankjewel volstaat voor mij,
ik zal je eerst eens warmen
Je zit er zo verzopen bij,
geniet mijn open armen

Ik zal beloven dat ik stop
met zachtjes komen sluipen
Och... lieve schuwe Tjif is op
je schouder komen kruipen!”

Ik:
“Is ‘Tjif’ mijn vriend zijn naam?
Dan zal ik hem zo noemen
Je warmt me heel bekwaam
en ruikt naar zoete bloemen

Ik wil me eeuwig laven aan
de zijde van je wangen
De dood van tijd, och zou het gaan?
Het is een mooi verlangen

Je bent de hoogste vorm van zijn
en zal het immer blijven
Mijn woordenschat is veel te klein
om jou met waarde te beschrijven”

III. In het meer:

Isis:
“Och Daphne, zie ze daar toch staan
vol liefdesvuur dat flakkert
Tezamen in een mooie waan
die steeds wordt aangewakkerd

Al zijn ze dan een prachtig paar,
er blijven angsten knagen
De liefde is een groot gevaar
en zal mij nooit behagen”

Daphne:
“Zoals een vlinder wordt bekoord
door mooie bloemenplekken
Zo wil ze graag de liefde, poort
naar ondergang, ontdekken

Ons kleine zusje wordt al groot
en zoekt volwassen leven
Haar grote liefde kan een stoot,
maar ook veel vreugde geven”

Isis:
“Je hebt helaas gelijk, ik moet
voor haar je mening delen
Ze voelt vanzelf de hellegloed,
al zal het haar niet helen

Ze heeft geluk met zulk een man
als Lucas aan haar zijde
Hij is volkomen in haar ban
en wil haar graag verblijden”

Daphne:
“Zijn aard is goed, zijn aura laat
mijn achterdocht verflauwen
Zelfs schuwe Tjifje is in staat
hem aanstonds te vertrouwen”

Isis:
“We moeten vurig hopen op
geluk van vaste waarde,
zodat ze reizen naar de top
van leven hier op aarde”

IV

De fluisterwind verzucht het bos
op ritseltoon te praten
en zie, de blad’ren dansen los
op wind zijn lange maten

De vogels juichen op publiek
bekende jubeltonen
Ze laten grootse retoriek
op felle klanken tronen

De open hemel straalt en lacht
beheerst naar alle ogen
De zon beheert hem, ongeacht
dat soms een wolk doet pogen

Een rust bevangt mijn drukke geest
door vredig ritmisch ruisen
Het suizend water doet bedeesd
de vogelzangen kruisen

Het helder meer is heerlijk koel,
een schutting tegen hitte
Het is een wonderlijk gevoel
om samen hier te zitten

Je snel ontmaskerend gezicht
ontlokt een sterke deining
Vol ongeloof bekijk ik licht
ontzet je prachtverschijning

Och waar geluk, je huist bij mij,
maar reist met snelle vleugels
Tot vluchten ben je immer vrij,
al wil ik graag je teugels

Plots klinkt er zacht een harpgezang
omlijst door meisjesstemmen
De klanken komen snel op gang
en doen mijn hart omklemmen

Het is zo vreemd dit mooi geluid
dat steeds maar meer doet klinken
Een wonder! Heel het bos loopt uit
om snaar en stem te drinken

De waterkant is helemaal
bezet door alle beesten
Ze zwijgen in hun eigen taal,
althans dat doen de meeste

“Zeg Maud, wat is er aan de hand,
vanwaar de consternatie?
Om wat is ieder op het strand
in sterke concentratie?”

Maud:
“Mijn zuster Hermione komt
in haar gewijde slede!
Ze is godin, vandaar verstomt
bij ieder hier de rede

Ze is de mooie herderin
van ons verliefde geesten
Ik ben zo blij! Ik heb zo’n zin
om haar verschijn te feesten!”

Ik:
“Och gekke lachebek, je bent
de leukste van de goden!
Ze heeft ons met elkaar verwend,
we zijn haar dank ontboden”

Mijn spraak verdampt uit eerbied voor
de aangezwollen tonen
Ik leg me neer en laat me door
de melodie bewonen

Plots vlucht een zucht uit ieders keel
en wekt me uit het dromen
Ik zie, of droom ik nu geheel,
een wonderschouwspel komen

Vier gouden paarden laten hun
bazin de lucht doorsnijden
Er zit op elk een nimf in dun,
maar mooi omsluitend zijde

Hun aanzicht is een glinsterfeest
door kleine diamanten
Hun harpspel overtreft de meest
begaafde muzikanten

Daar staat ze in een rood gewaad,
de teugels strak in handen
De grote Hermione laat
haar slede rustig landen

Maud:
“Het is onwerkelijk, mijn huid
is kippenvel, zo prachtig...
Ze ziet er zo gewichtig uit,
het maakt me zenuwachtig...”






Ik:
"Je woorden kruisen juist mijn mond
en doen mijn angst verlichten
De vrees is trouwens ongegrond,
ze zal ons niet ontwrichten"

Het schouwspel gaat nog voort, ze geeft
een groots vertoon van kunnen
Ze schiet met kracht een pijl die zweeft
om wild geen lucht te gunnen

Een groot en prachtig hert verliest
zijn evenwicht en krachten
De vele beesten vluchten driest
uit angst voor verder slachten

Hermione:
"Mijn nimfen! Pluk de struiken kaal
en vang nog eens wat dieren!
Bereid het dan tot heerlijk maal
om onze komst te vieren!"

Genoegenvol bekijkt ze haar
verkregen buit aandachtig
Ze knikt voldaan, d'r nimfenschaar
volbrengt haar orders jachtig

Ontdaan verwerpt ons gruwend oog
de goede vriendenslachting
De dood pleziert een schepsel hoog,
dat voedt ons met verachting

Daphne:
De weerzin overvalt me, maar,
het is een tragisch moeten,
toch zal ik met wat vreugde haar
proberen te begroeten


V

'Mione huppelt naar ons toe
met hartelijke blikken
Geheel verbaasd geniet ik hoe
ze blij ons doet verstikken

Ze knuffelt stevig, zoent ons op
de roodgekleurde wangen,
Ik krijg van haar een schouderklop
en word door haar omhangen

Terwijl de lucht ons stiekem bijt
met scherpe, hete tanden,
werd zusterliefde toch bevrijd
en legt de wrok aan banden

Daphne:
"Och lieve hooggeboren zus,
je komst zij hoog geprezen
Het maakt ons zeker blij aldus,
dat jij weer bent verrezen

Hoe gaat het heden nog met jou?
het is zo lang geleden
Verschijn je zomaar tot ons nou,
of is er soms een reden?"

Hermione:
"Ik ben ook blij om jullie weer
te kussen en te horen
Verlangen daarnaar kwelde zeer,
al hoop ik niet te storen"

Isis:
"Natuurlijk stoor je niet, och kom
toch in mijn open armen
Je groot charisma maakt ons stom,
al smelt dat door je charme"

Hermione:
"Je lieve woordenvloed ontroert
en kleurt me rode wangen
De knuffel doet me goed, hij voert
het hart met mijn verlangen...

Maar laten wij ons daar nog niet
met bezighouden samen
Zeg Maud, hoe gaat het nog? Je ziet
er nu al uit als dame"

Maud:
"Dank je wel, ik ben zo blij!
Jij bent ook nog gekomen
Terwijl ik eerst door Lucas mij
al waande nog te dromen

Wij zijn je heel erg dankbaar dat
je ons tezamen kneedde
Jij, heerster van de liefdesstad,
verplettert alle steden"

Ik:
"Godin, zoals je zusje al
berichtte voor ons samen
Zo wil ik ook in mijn geval,
haar woorden zeer beamen"

Hermione:
"Het raderwerk van leven blijft
verschoond van mijn bemoeien
Het is het lot dat liefdes schrijft
en zorgt dat jullie bloeien"



klik hier voor
meer gedichten
van Petrarcus
(Robert)