Met een pluim werd de brand op 't lichaam ingestreken met fijn olie, waarin bruine slakken verteerd waren. Bij branduitslag in de ogen, liet men blauwe pluisjes van korenbloemen op oude witte wijn trekken. 's Avonds en 's morgens liet men een druppel in elk hoekje der ogen vallen. Men liet ook een druppel wijngaardsap lekken in het hoekje der ogen. Dit wijngaardsap werd opgevangen in een flesje, als de wijngaard bloeide, met een twijgje door te snijden
Bij voortekens van breuk, vetbol of gezwellen, wreef men de plaats meermaals in met eigen speeksel.
Buikpijn genas men met een zakje warme lijnmeelpap of zand er op te leggen, of men nam een kom hete melk met saffraan en suiker of een tas hete melk met 3 druppels Haarlemse olie, of men dronk het aftreksel van korenbloeisel op anijs. Wie pijn in 't lijf had, nam het aftreksel van korenbloeisel op jenever. Had men een koude in de buik, dan legde men er heet blauw lijnwaad op. Voor koliek verguisde men een doorgerookte aarden pijp en liet het poeder koken in zoete melk met 3 of 6 druppels Haarlemse olie, of legden een pap op de buik, gemaakt van azijn en paarden- of koeiendrek; op een half uur was de ziekte gedaan.
Een persoon die een duizeling kreeg, gaf men een tas zwarte koffie zonder bitterpeeën met een borrel brandewijn. Men waste het hoofd met azijn.
Om deze te doen verdwijnen, wreef men ze in met sjalot, waste de voeten in warm water en pelde de eksterogen daarna uit. Anderen legden voorwas van bijen op de eksterogen.
Om geraaktheid te weerhouden legde men een blaas met ijs op het hoofd, of hing een zakje met klipzout op 't putje van de buik.
Men gorgelde met een afkooksel van paardenknoppen stengels.
Had men hoofd- of zenuwpijn, dan nam men gedurende 10 minuten een voetbad van houtas, gemengd met een handvol zout en mostaard. Men legde natte doeken tegen de slapen. Bij hoofdpijn legde men een rode koolblad op het hoofd, onder muts of klak.
Voor keelpijn legde men op de keel ene druif totdat deze zwart werd, ofwel tot pap gekookte ajuin of sjalot, ofwel ruw varkensspek. Sommigen legden op de keel pieren, die men er af deed zodra zij zwart werden, ofwel een opengesneden kikvors. Om keelontsteking te genezen, werd er een pap opgelegd, samengesteld uit sap van wortelen, roggemeel, honing, vlierbloem en fruitazijn. Voor kwade keel liet men koken ½ l wit bier, een weinig paardsknoppen en een weinig gele veldwortelen. Met dit sap gorgelde men en het bezinksel werd in een doek op de keel gelegd.
Om kloven in de borst te genezen, deed men er het sap van de kernen van okkernoten, tussen een gloeiende tang geperst.
In geval van rode koorts, liet men in water gedroogde bladeren van groene netelen koken, men deed dit afkooksel in een fles met kaneel. Goed gestopt, kon men het na twee dagen drinken.
Om luizen te doen verdwijnen liet men zaad van riddersporen koken in water en wreef het hoofd met dit koud afkooksel in.
Als men geen lust tot eten had, nam men een teugje jenever met alkruid. Had men een maag die slecht verteerde, dronk men het afkooksel van alsemkruid in water of melk. Bij maagziekte werd warm water gedronken met waterklaver gekookt.
Vrouwen wier maandstonden niet kwamen of niet regelmatig waren, dronken s morgens en 's avonds een tas warme thee van de bloem van o.l. vrouwe-bedstro, of een borrel van het aftreksel van dezelfde bloemen welke op jenever hadden gestaan, ofwel een warm afkooksel van haver in water.
Wie sukkelde met te overvloedigen stoelgang, gaf men een afkooksel van rijst of rijstpap met veel kaneel. Anderen namen rauw geschrapte eikels, of lieten het zaad van de weegplant koken in het water, dat warm gedronken werd. Zij die moeilijk van stoelgang waren, aten roggebrood of gebraden appelen met siroop, of namen een lepel fijn olie in, 's avonds voor het slapen gaan.
Men wreef de plaats, die men verstuikt of verzeerd had, met merg van een oud rauw hespenbeen.
Zo een vrouw vloed had, gaf men haar een borrel brandewijn in een kom zwarte koffie zonder bitterpeeën, waarna zij 3 uren op de rug te bed moest blijven liggen, niet te warm gedekt. Anderen namen het bloed van een hazenvooi. Men liet het bebloed doekje trekken in een glas rode wijn en dronk het uit. Om de vloed tegen te houden, dronk men een vingerhoed zwart koren, gemengd met een borrel wijn ofwel een koffielepel gedroogde kweperen in een romer wijn.
Winter aan handen en voeten wreef men in met wilde aardbeziën die op fijn olie gestaan hadden. Men wreef ze in met kattenvet of varkenslies. 's Avonds legde men er een rode koolblad op, dat men in een nieuwe aarden pan had laten verwelken
Om wratten te doen verdwijnen wreef men ze in met nachtschade.
Om het zog te doen verdwijnen, legde men een vers rode koolblad onder tegen de borsten, zodra het blad verdoogd was, werd het vervangen door een ander rode koolblad en dit werd zo lang herhaald totdat het zog wegbleef.