Broeders en zusters, wat hebben Mozes met opgeheven armen tijdens een veldslag, een weduwe met een onrechtvaardige rechter, en missionarissen met elkaar gemeen? Het beeld van Mozes met opgeheven armen, met een geweldig gevecht op de achtergrond is in vele schilderijen vereeuwigd. Stel je daar nu ook het geluid bij voor. Het geschreeuw, het kletteren van de wapens, het getrappel van de kamelen. Amalek, de leider van de aanvallers, was de kleinzoon van Esau, de broer van Jacob. Esau verkwanselde zijn geboortertecht voor een portie linzensoep. Daarna haatte Esau Jacob en wilde hij de dood van Jacob en van al zijn nabestaanden. Amalek was van jongsaf opgevoed om Israel te haten, en het joodse volk te verdelgen. Nu kwam het volk van Israel doodmoe uit de woestijn en botsten ze op Amalek en zijn troepen. De Amalekieten waren echte woestijn soldaten. Ze verplaatsen zich op snelle kamelen en vielen aan waar de vijand het zwakste was, bijvoorbeeld aan het einde van de kolonne, waar zich de ouderen en kinderen bevonden. Er werden geen gevangenen gemaakt. Mozes wilde dat het doden ophield, en dat kon enkel door de Amalekieten te verslaan. Doch daar had je geluk voor nodig, want ze waren snel en verdwenen na iedere aanval terug in de woestijn. En dat geluk was er slechts wanneer Mozes met de armen opgeheven aan het bidden was. Liet hij zijn armen zakken dan gingen de Amalekieten er weer vandoor. In het evangelie ging het over een weduwe. In het oude Israel waren weduwen dikwijls aan hun lot overgelaten. De Bijbel zei immers dat met niet met een weduwe mocht trouwen. Als de familie van de overleden man zich niet om de weduwe bekommerde dan had ze een hard leven, dikwijls in armoede. Zoals Mozes God blijft aanroepen, zo blijft de weduwe aandringen bij de onrechtvaardige rechter. De overeenkomst is niet direct duidelijk: Mozes was aan het bidden naar God, de rechtvaardige rechter. De weduwe bleef aandringen bij een onerechtvaardige rechter. Wat deze twee verhalen gemeenschappelijk hebben is het zich zonder ophouden blijven verzetten tegen onrecht, mistoestanden, tegen oorlog, doden en ander geweld. En zo komen we vanzelf bij de missionarissen. Bij zijn Hemelvaart heeft Jezus aan de apostelen de opdracht tot missie gegeven: "Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest en leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb." Wat heeft Jezus ook alweer bevolen? Om het Rijk Gods, om de Blijde Boodschap uit te dragen. Wat zei Jezus precies? Dat het gaat om het geluk van ieder mens. Dat eenieder tot zijn recht mag komen. Missie is dus werken aan een rechtvaardige en vreedzame samenleving: aan vrede, gerechtigheid en eerbied voor het milieu. Missie kan overal plaatsvinden, In het Zuiden van de wereld, om daar de materiele ellende en de onderontwikkeling te bestrijden, maar ook in ons Noorden, dat meer en meer morele en geestelijke ellende kent, veroorzaakt door de "overontwikkeling". Zoals de weduwe en zoals Mozes blijven missionarissen zich zonder ophouden verzetten tegen armoede, geweld en de schending van mensenrechten. Ze blijven werken aan culturele, sociale en ethische veranderingen om zo de verlossing van Christus te brengen aan alle mensen. Het is een grote en vermoeiende taak. Gelukkig staan de missionarissen er niet alleen voor. Zoals Aron en Chur de armen van Mozes naar de hemel hielden, zo kunnen de missionarissen rekenen op onze steun. Niet alleen onze geldelijke steun straks in de omhaling, doch ook onze morele steun wanneer ze weer eens terug op vakantie komen of we eens een briefje sturen. Want onze wereld heeft zijn missionarissen hard nodig - meer dan ooit!