terug

Broeders en zusters, heb medelijden met mij.

Als je zo een zin zegt, dan lijk je wat zielig, een sukkelaar.

De blinde die Jezus aanriep in het evangelie, ja die kan zoiets doen.

Die is immers blind, gehandicapt, zonder ziekenkas, een sukkelaar.

Wij zijn niet blind, en leven in een goed geregelde maatschappij, met ons gaat alles goed.

Wij hoeven geen medelijden.

Het verhaal over de genezing van de blinde staat in het gedeelte van het evangelie waarin Jezus onderweg is van Galilea naar Jeruzalem.

Jezus weet wat Hem in Jeruzalem zal overkomen, en voorspelt dit drie keer aan zijn leerlingen.

Doch telkens reageren zij met onbegrip.

De blinde man blijkt veel beter te kunnen zien dan de leerlingen van Jezus.

Hij ziet wie Jezus werkelijk is.

Jezus, zoon van David, heb medelijden met mij – roept de blinde.

Die bedelaar mag dan wel blind zijn geweest, doch hij voelde beter dan wie dan ook aan hoe hij Jezus moest bereiken. Niet door op de eerste plaats te gaan zitten. Ook niet door luidskeels Jezus te aanbidden of in vervoering zijn naam te verheerlijken.

Hij gebruikt de woorden “heb medelijden”; ontferm u over mij.

De blinde rekent op de passie van Jezus voor de kleine mensen.

In de kerk bidden we om ontferming bij het begin van elke misviering.

Doch in het evangelie snauwden de mensen de blinde toe te zwijgen.

Snauwen is iets wat de grote mensen doen naar de kleinen.

Zwijg, hou je mond, je hoort hier niet, je mag alleen blijven als je stil bent, als we geen last van je hebben.

Zo durven wij ook wel eens denken over bijvoorbeeld asielzoekers, armen, migranten, bedelaars.

Je mag in ons land, als je stil bent, als we geen last van je hebben.

Jezus is allergisch voor die aardse grootheid.

Hij roept de blinde naar zich toe.

Het gebed van de blinde – Heer, geef dat ik weer kan zien – is eigenlijk ons aller gebed:

Dat we zien mogen waar het echt in ons leven om gaat.

Dat de verblinding door onze welstand, de verblinding door onze macht en aanzien, de verblinding door ons comfort, in ons doorbroken wordt, dat wij mogen zien en leven.

Dan zegt Jezus niet “ik heb u genezen”, maar “Uw geloof heeft U genezen”.

Geloof werkt genezend.

Geloven in elkaar maakt beter, slecht denken van elkaar vervreemd en maakt ziek.

Dat is nog meer waar in onze verhouding tot God.

Geloven in God, geloven dat Hij zich echt over ons ontfermt, dat Hij medelijden met ons heeft, maakt onze verhouding met God pas echt persoonlijk.

Denken we nog steeds dat we geen medelijden nodig hebben?

Dat is wel een zeer hoogmoedig standpunt.

Ik vraag me soms af hoe het mogelijk is om tussen de hedendaagse bekoringen ook maar een kans te hebben om te leven naar de wil van Jezus.

Kan je voorbijgaan aan debiel voyeurisme a la big brother?

Willen we wel een groot deel van ons comfort en arbeid afstaan aan de derde wereld?

In hoeverre doen we persoonlijk iets aan de scheve maatschappelijke toestanden?

Kunnen we wel nederigheid plaatsen voor macht, aanzien en succes in de wereld?

Voorwaar niet makkellijk om tegen een stroom in te varen.

Daar zit de helderziendheid van de blinde.

De blinde man verstaat Jezus, hij herkent in Hem zijn afkomst en zijn toekomst,

en gaat na zijn genezing zonder meer met Jezus mee op weg.

Een weg die lijdt naar triomf doch over het kruis, lijden en dood.

Inderdaad geen gemakkellijke weg – waarbij we Gods steun zeker kunnen gebruiken.